Before Verses
Verse Text
Synonyms
Translation
Purport
Śrī Īśopaniṣad
De sleutel tot eeuwig leven, eeuwige kennis en eeuwige gelukzaligheid in liefdevolle omgang met de Opperheer, Kṛṣṇa
Inleiding
Verse text
oṁ pūrṇam adaḥ pūrṇam idaṁ
pūrṇāt pūrṇam udacyate
pūrṇasya pūrṇam ādāya
pūrṇam evāvaśiṣyate
pūrṇāt pūrṇam udacyate
pūrṇasya pūrṇam ādāya
pūrṇam evāvaśiṣyate
Synonyms
oṁ — het Volkomen Geheel; pūrṇam — volmaakt volkomen; adaḥ — dat; pūrṇam — volmaakt volkomen; idam — deze wereld der verschijnselen; pūrṇāt — van de geheel volmaakte; pūrṇam — volkomen eenheid; udacyate — voortgebracht; pūrṇasya — van het Volkomen Geheel; pūrṇam — volkomen volledig; ādāya — weggenomen zijnde; pūrṇam — het volkomen evenwicht; eva — zelfs; avaśiṣyate — blijft.
Translation
De Persoonlijkheid Gods is volmaakt en volkomen. En omdat Hij volkomen volmaakt is, is alles wat van Hem uitgaat, zoals deze wereld der verschijnselen, volmaakt toegerust als volkomen geheel. Alles wat door het volkomen geheel wordt voortgebracht is op zichzelf eveneens volkomen. En omdat Hij het Volkomen Geheel is, blijft Hij het volkomen evenwicht, ook al gaan er nog zo veel volkomen eenheden van Hem uit.
Purport
Het Volkomen Geheel of de Allerhoogste Absolute Waarheid is de volkomen Persoonlijkheid Gods. Wie het onpersoonlijk Brahman doorschouwt kent het Absolute Volkomen Geheel slechts ten dele en hetzelfde geldt voor wie Paramātma, de Superziel, doorgrondt. De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is sac-cid-ānanda-vigraha: doorschouwen van het onpersoonlijk Brahman is het doorschouwen van Zijn sat- of eeuwigheidsaspect en doorschouwen van Paramatma, de Superziel, is het doorschouwen van sat en cit, Zijn eeuwigheids- en kennisaspect. Maar het doorgronden van de Persoonlijkheid Gods is het doorgronden van alle bovenzinnelijke aspecten sat, cit en ānanda, of gelukzaligheid, tezamen. In de persoonlijke Godsopvatting wordt Hij ervaren in volkomen gedaante (vigraha). Het Volkomen Geheel is dus niet vormloos. Zou Hij vormloos zijn of zou Hij minder zijn dan wát dan ook dat Hij geschapen heeft, dan kan Hij niet volkomen zijn. Het Volkomen Geheel moet alles behelzen wat zowel binnen als buiten het bereik van ons bevattingsvermogen ligt. Anders kan Hij niet volkomen zijn.
De volkomen volledige Persoonlijkheid Gods heeft onmetelijke vermogens, die stuk voor stuk even volkomen zijn als Hij Zelf. Daarom is deze wereld der verschijnselen of deze stoffelijke wereld op zichzelf eveneens volkomen. De vierentwintig elementen waarvan dit stoffelijk universum een tijdelijke openbaring is zijn er volkomen op berekend volkomen zaken voort te brengen die nodig zijn voor instandhouding en onderhoud van dit universum. Deze instandhouding vergt geen bijstand van eenheden erbuiten. Het universum heeft zijn eigen tijd, die afgesteld is door de energie van het Volkomen Geheel, en wanneer deze tijd zijn volkomenheid bereikt, zal deze tijdelijke openbaring overeenkomstig het volkomen bestel van de Volkomene worden vernietigd.
De kleine volkomen eenheden - de levende wezens-zijn volkomen in staat het volkomen Geheel te doorschouwen; de onvolkomenheid die ze in velerlei vormen ervaren komt voort uit onvolledige kennis van het volkomen Geheel. De menselijke levensvorm is een volkomen openbaring van het bewustzijn van het levend wezen, dat zich deze vorm verworven heeft na de 8.400.000 levensvormen in de kringloop van geboorte en dood te hebben doorleefd. Doorschouwt een menselijk wezen tijdens zijn leven van volledig bewustzijn zijn volkomenheid niet binnen het Volkomen Geheel, dan verliest het zijn kans om haar te doorschouwen en wordt het door de wet der materiële natuur teruggebracht in de kringloop der evolutie.
Omdat we niet weten dat de natuur er volkomen op afgestemd is ons te onderhouden, spannen we ons in, de natuurlijke rijkdommen zo te gebruiken, dat we ons leven tot één-zogenaamd- zingenot maken. Dit leven vol misleidend zingenot wordt illusie genoemd, want het levend wezen kan geen werkelijk zingenot ervaren als het niet één is met het Volkomen Geheel. Een hand bijvoorbeeld is een volkomen eenheid zo lang hij aan het lichaam vastzit. Wanneer de hand van het lichaam wordt losgemaakt, ziet hij er weliswaar nog steeds als een hand uit, maar bezit niets meer van de vermogens die een hand tot hand maken. Evenzo maken de levende wezens integrerend deel uit van het volkomen Geheel; en zo lang als de integrerende deeltjes niet met het Volkomen Geheel verbonden zijn, is de schijn-volkomenheid die ze beleven onvoldoende om ze de verlangde volkomenheid te laten ervaren.
Men kan de volkomenheid van het menselijk leven slechts deelachtig worden wanneer de menselijke levensvorm in dienst van het Volkomen Geheel wordt gesteld. Wat voor dienst men ter wereld ook verricht, hetzij op sociaal of politiek, hetzij op internationaal of zelfs op interplanetair gebied, het blijft allemaal een onvolkomen zaak, zo lang men zich niet richt naar het Volkomen Geheel. Wanneer alles zich richt naar het Volkomen Geheel, worden de wederom ingeschakelde integrerende deeltjes op zichzelf eveneens volkomen.
Verse text
īśāvāsyam idaḿ sarvaṁ
yat kiñca jagatyāṁ jagat
tena tyaktena bhuñjīthā
mā gṛdhaḥ kasya svid dhanam
yat kiñca jagatyāṁ jagat
tena tyaktena bhuñjīthā
mā gṛdhaḥ kasya svid dhanam
Synonyms
īśa — door de Heer; āvāsyam — bestuurd; idam — dit; sarvam — alles; yat — wat ook maar; kim — het (is); ca — en; jagatyām — in het universum; jagat — alles dat bezield of onbezield is; tena — door Hem; tyaktena — apart gezette hoeveelheid; bhuñjīthāḥ — moet men aanvaarden; mā — niet; gṛdhaḥ — gebruik maken van; kasya svit — aan Wie toebehorend; dhanam — noodzakelijke dingen.
Translation
Alles wat bezield en onbezield is in dit universum wordt bestuurd door de Heer en is Zijn eigendom. Men behoort daarom alleen die dingen aan te nemen die men nodig heeft voor zichzelf en die ieder als zijn deel krijgt toegemeten; en men behoort geen andere dingen aan te nemen, want men weet heel goed aan Wie ze toebehoren.
Purport
De Vedische kennis is onfeilbaar, omdat ze ons bereikt langs de volmaakte weg van de erfopvolging der geestelijk leraren, die begint bij de Heer Zelf. De Vedische kennis komt uit bovenzinnelijke bron en het eerste woord werd door de Heer Zelf gesproken. De woorden van de Heer worden apauruṣeya genoemd, wat wil zeggen: niet geuit door iemand die tot de stoffelijke wereld behoort. Een levend wezen in de materiële wereld heeft vier tekortkomingen, te weten: 1. hij maakt hoe dan ook fouten; 2. hij is hoe dan ook soms het slachtoffer van illusie; 3. hij probeert hoe dan ook anderen om de tuin te leiden; en 4, hij is begiftigd met onvolmaakte zintuigen. Met deze vierledige onvolmaaktheid behept, kan men geen allesomvattende kennis verkrijgen en op volmaakte wijze doorgeven. De Veda’s staan bekend als boeken die volmaakte kennis bevatten. De Vedische kennis werd in het begin toevertrouwd aan het hart van Brahmā, het levend wezen dat het eerst geschapen is, en Brahmā gaf deze kennis op zijn beurt door aan zijn zonen en leerlingen, door wie ze in de loop der geschiedenis verder is overgeleverd.
Aangezien de Heer pūrṇam is, of volkomen volmaakt, kunnen de wetten der materiële natuur geen invloed op Hem uitoefenen, terwijl daarentegen de levende wezens en de onbezielde dingen alle bestuurd worden door de wetten der natuur en bijgevolg uiteindelijk door het alvermogen van de Heer. Deze Īśopaniṣad maakt deel uit van de Yajur Veda en bevat uit dien hoofde gegevens betreffende het eigenaarschap van alle dingen die er in het universum bestaan.
Dit punt wordt bevestigd in het zevende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (B.g., 7.4-5), waarin parā en aparā prakrti worden besproken: de elementen der natuur-aarde, vuur, water, lucht, ether, geest, verstand en vals ego - behoren alle tot de lagere of stoffelijke energie van de Heer, terwijl de levende wezens, de organische energie, de hogere energie of parā prakṛtivan de Heer zijn. Beide prakṛti’s of energieën komen voort uit de Heer en uiteindelijk is Hij de bestuurder van alles wat er bestaat. Er is in het universum niets wat niet hetzij tot de parā, hetzij tot de aparā prakṛti behoort en daarom valt alles onder het eigendomsrecht van het Opperwezen.
Het Opperwezen, de Absolute Persoonlijkheid Gods, die de volkomen Persoon is, beschikt over het volkomen en volmaakte verstand, waarmee Hij alles volgens Zijn verschillende vermogens kan leiden. Het Opperwezen wordt dikwijls vergeleken met vuur en al het organische en anorganische met de hitte en het licht van het vuur. Het vuur verspreidt energie in de vorm van hitte en licht en evenzo spreidt de Heer op verschillende wijzen Zijn energie ten toon. En Hij blijft de uiteindelijke bestuurder, onderhouder en machthebber van alles. Hij is vol alvermogen, Hij is de kenner van alles, de weldoener van iedereen en Hij is vol van alle onvoorstelbare rijkdommen-macht, bezit, roem, schoonheid, kennis en verzaking.
Men dient dus steeds zo verstandig te zijn dat men bedenkt dat niemand behalve de Heer iets in eigendom heeft; en men behoort alleen datgene aan te nemen wat de Heer ons als ons deel toemeet. De koe geeft bijvoorbeeld melk, maar drinkt de melk zelf niet. Haar melk is als voeding voor het menselijk wezen bestemd. De koe eet gras en hooi, maar drinkt niet van haar eigen melk. Zo heeft de Heer het geregeld en we dienen tevreden te zijn met de dingen die Hij ons in Zijn goedheid toemeet. We behoren altijd in het oog te houden van Wie de dingen die we bezitten in werkelijkheid zijn.
Neem bijvoorbeeld het huis waarin we wonen, dat gemaakt is van aarde, hout, steen, ijzer, cement en wat voor stoffelijke zaken al niet meer. Denken we volgens de richtlijnen van de Śrī Īśopaniṣad, dan behoren we te beseffen dat we geen van de bovengenoemde bouwmaterialen zelf kunnen vervaardigen. We kunnen ze alleen gewoon bij elkaar brengen en door onze arbeid verschillende vormen laten krijgen. Niemand kan beweren dat hij ergens eigenaar van is op grond van het feit dat hij hard gewerkt heeft om het te maken.
In de huidige samenleving woedt er voortdurend een hevige strijd tussen arbeiders en kapitalisten. Deze strijd heeft thans een internationale vorm aangenomen en de wereld is in gevaar. De mensen staan als grauwende honden en blazende katten tegenover elkaar. De Śrī Isopanisad kan geen raad geven aan katten en honden; ze verkondigt de boodschap van God aan de méns, via de bona fide ācāryas of heilige leraren. En de mensheid mag déze wijsheid van de Śrī Īśopaniṣad ter harte nemen: dat niemand over materiële bezittingen moet twisten. Men behoort tevreden te zijn met de voorrechten die men door de genade van de Heer verkregen heeft. Er kan geen vrede zijn zo lang de communist of de kapitalist of welke partij dan ook er aanspraak op maakt dat híj de eigenaar is van de rijkdommen der natuur, die uitsluitend het eigendom zijn van de Heer. De kapitalist kan de communist niet met gewoon wat slinks politiek gemanoeuvreer uitschakelen en evenmin kan de communist de kapitalist verslaan door gewoon met hem te vechten om het brood dat hem ontstolen wordt. Als ze de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods niet als eigenaar erkennen, wordt al het bezit waarvan ze beweren dat het van hen is hun ontnomen en komen ze ervoor in aanmerking gestraft te worden volgens de wetten der natuur. De bom is in handen van zowel communisten als kapitalisten en indien geen van beide partijen de Opperheer als eigenaar van alles erkent, is het zeker dat de bom uiteindelijk beide kampen zal vernietigen. Daarom dienen ze uit zelfbehoud beide de aanwijzingen van de Śrī Īśopaniṣad te volgen en aldus vrede in de wereld te brengen.
Menselijke wezens zijn er niet voor bestemd om als kat en hond met elkaar te vechten. Ze dienen zo verstandig te zijn dat ze beseffen hoe belangrijk het mensenleven is en dat ze het doel ervan verwezenlijken. De Vedische literatuur is bedoeld voor de mensheid en niet voor katten en honden. Katten en honden kunnen andere dieren doden om ze op te eten zonder dat ze daarmee een zonde begaan. Maar als een mens een dier doodt om er zijn onbeheerst smaakorgaan mee te bevredigen, wordt hij verantwoordelijk gehouden voor deze overtreding van de wetten der natuur en dient derhalve te worden gestraft.
Menselijke wezens dienen namelijk te beantwoorden aan normen die niet van toepassing kunnen zijn op dieren. Een tijger eet geen rijst, tarwe of koemelk, omdat zijn voedsel hem wordt toegemeten in de vorm van dierlijke substantie. Er zijn veel dieren en vogels die óf vegetarisch óf niet-vegetarisch zijn, maar ze overtreden geen van alle de wetten der natuur zoals die door Gods wil zijn ingesteld. Onder de levende wezens-of het nu zoogdieren, vogels of reptielen zijn- treft men een strikte naleving van de wetten der natuur aan en daarom kan.er bij hen geen sprake van zondigen zijn, en de Vedische voorschriften zijn dan ook niet voor hen bedoeld. Alleen het mensenleven is een leven dat verantwoordelijkheid kent.
Het is ook onjuist wanneer men denkt dat men louter door vegetarisch te gaan leven ervoor kan waken dat men de wetten der natuur overtreedt. Planten leiden eveneens een leven. Het ene leven is ervoor bestemd het andere levend wezen te voeden - dat is de wet der natuur. Niemand hoeft er dus trots op te zijn als hij strikt vegetarisch leeft. Het gaat erom dat men zich verootmoedigt jegens de Opperheer. Het bewustzijn van een dier is te weinig ontwikkeld dan dat het zich voor de Heer kan verootmoedigen, maar menselijke wezens zijn schrander genoeg om lering te kunnen trekken uit de Vedische literatuur, hierdoor te begrijpen hoe de wetten der natuur werken en met deze kennis hun voordeel te doen. Als iemand de voorschriften van de Vedische literatuur veronachtzaamt, brengt hij zijn leven ernstig in gevaar. Daarom wordt het menselijk wezen dringend aangeraden zich voor het gezag van de Opperheer te buigen. Het dient de Heer toegewijd te zijn. De mens moet alles in dienst van de Heer stellen en alleen als voedsel tot zich nemen wat er overblijft van hetgeen aan de Heer geofferd wordt. Daardoor zal hij in staat zijn plicht naar behoren te vervullen. In de Bhagavad-gitā zegt de Heer zonder omhaal dat Hij plantaardig voedsel aanneemt van degenen die Hem in zuivere toewijding dienen (B.g., 9.26). Daarom behoort een menselijk wezen niet alleen strikt vegetarisch te gaan leven, maar tevens toegewijde van de Heer te worden en alles waarmee hij zich voedt eerst aan de Heer te offeren, voordat hij er Diens prasādam - de genade Gods - van tot zich neemt. Zo'n toegewijde kan de plichten van het mensenleven naar behoren vervullen. Degenen die dit niet doen, eten louter zonde en zullen daardoor worden blootgesteld aan verschillende vormen van tegenspoed bij wijze van terugslag van hun euveldaden (B.g.,3.13).
De wortel van alle kwaad bestaat uit opzettelijke ongehoorzaamheid aan de wetten der natuur, omdat men het eigendomsrecht van de Heer niet erkent. Ongehoorzaamheid aan de wetten der natuur of ongehoorzaamheid aan het gebod van de Heer zal het menselijk wezen met rampspoed overstelpen. Blijft men daarentegen nuchter en begrijpt men de wetten der natuur, zonder dat men zich door onnodige voorkeur of afkeer laat beïnvloeden, dan zal de Heer Zijn ontferming tonen, zodat men zal kunnen terugkeren naar God, terug naar Zijn eeuwige Woning.
Verse text
kurvann eveha karmāṇi
jijīviṣec chataḿ samāḥ
evaṁ tvayi nānyatheto ’sti
na karma lipyate nare
jijīviṣec chataḿ samāḥ
evaṁ tvayi nānyatheto ’sti
na karma lipyate nare
Synonyms
kurvan — voortdurend doen; eva — zo; iha — tijdens dit leven; karmāṇi — werk; jijīviṣet — men moet willen leven; śatam — honderd; samāḥ — jaren; evam — zo levend; tvayi — tot u; na — niet; anyathā — alternatief; itaḥ — van dit pad; asti — is; na — niet; karma — werk; lipyate — kan gebonden worden; nare — voor een mens.
Translation
Als men in deze geest handelt en wandelt, mag men ernaar streven honderd jaar te worden, want zo'n leven bindt de mens niet aan de wet van karma. En een andere weg dan deze is er voor hem niet.
Purport
Niemand wil sterven en iedereen wil zijn leven zo lang rekken als hij maar kan. Deze instelling is niet alleen individueel waarneembaar, maar ook collectief in samenleving, maatschappij en volk. Onder alle typen van levende wezens komen we een felle strijd om het bestaan tegen en de Veda zegt dat dit heel gewoon is voor het levende wezen. Het levend wezen is van nature eeuwig, maar doordat het gevangen is geraakt in het materieel bestaan, moet het telkens weer van lichaam verwisselen. Dit proces wordt zielsverhuizing genoemd. Deze verhuizing noemt men ook karma-bandhana of de gebondenheid aan ons doen en laten. Het levend wezen moet werken om in zijn levensonderhoud te voorzien, want zo wil het de wet der natuur; en als het zich niet houdt aan de plichten die aan zijn vorm van leven zijn voorgeschreven, overtreedt het de wet der natuur en raakt steeds hechter gebonden aan de kringloop van geboorte en dood.
De kringloop van geboorte en dood voltrekt zich ook in ander leven dan het menselijke. Wanneer het levend wezen de kans krijgt naar een menselijke vorm te verhuizen, is dit tevens zijn kans zich te bevrijden uit de ketenen van de wet van karma. Karma, akarma en vikarma zijn principes die in de Bhagavad-gitā zeer duidelijk worden beschreven. De handelingen die men verricht overeenkomstig de voorschriften in de geopenbaarde Schriften worden karma genoemd. Handelingen die iemand bevrijden uit de kringloop van geboorte en dood worden akarma genoemd. En handelingen die mén verricht door misbruik te maken van zijn vrijheid, waardoor men naar de lagere levensregionen afzakt, worden vikarma genoemd. Van deze drie soorten activiteit heeft de activiteit die het levend wezen uit de kringloop van geboorte en dood bevrijdt bij intelligente lieden de voorkeur. Gewone mensen doen graag goed werk om zich erkenning en een zekere status te verwerven in deze wereld of in de hemel, maar de wat meer gevorderden willen liever helemaal bevrijd worden van de acties en reacties die uit hun doen en laten voortkomen. Intelligente lieden beseffen namelijk dat zowel goed als kwaad werk gelijkelijk tot de ellenden van het stoffelijk leven leidt. Daarom trachten ze werk te verrichten dat hen van de terugslagen van goed en kwaad werk bevrijden zal. Dat men zich deze vrijheid verwerven kan wordt hier in de Śrī Īśopaniṣad bevestigd.
De leer van de Śrī Īśopaniṣad wordt omstandiger uiteengezet in de Bhagavad-gitā, die soms de Gītopaniṣad wordt genoemd, de kroon van alle Upaniṣads. In de Bhagavad-gītā zegt de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods dat niemand het stadium van naiṣkarmya of akarma kan bereiken zonder eerst te beginnen zich aan de voorgeschreven plichten te houden die in de Vedische literatuur worden vermeld (B.g., 3.9-16). De Vedische literatuur weet de arbeidsenergie van het menselijk wezen zo te besturen, dat het geleidelijk aan het gezag van het Opperwezen begint te ervaren. Wanneer men het gezag van de Persoonlijkheid Gods volkomen beseft, heeft men het stadium der positieve kennis bereikt. In deze gelouterde levensfase, waarin de drieërlei aard der natuur – goedheid, hartstocht, onwetendheid – geen invloed meer uitoefent, kan men handelen op basis van naiṣkarmya: zó werken, dat men er niet door aan de kringloop van geboorte en dood gebonden raakt.
Niemand hoeft in feite iets anders te doen dan de Heer toegewijd te dienen. In de minder gevorderde levensfase echter kan men niet ineens overschakelen op de activiteiten van de toegewijde dienst en evenmin kan men geheel ophouden met werk dat tot terugslagen leidt. Een geconditioneerde ziel is er nu eenmaal aan gewend voor zingenot, voor zijn zelfzuchtig eigenbelang nu of later, te werken. Een gewoon mens werkt teneinde zijn zinnen te kunnen bevredigen en wanneer het zinsbevredigingsbeginsel niet alleen individueel, maar ook collectief wordt nagestreefd door samenleving, natie of de mensheid in het algemeen, worden er allerlei mooie namen aan gegeven, zoals altruïsme, socialisme, communisme, nationalisme, filantropie enz. Al deze ismen zijn beslist heel fraaie vormen van karma-bandhana, gebondenheid aan ons doen en laten, maar het Vedisch voorschrift dat de Śrī Īśopaniṣad in deze geeft luidt: als u voor een van deze ismen leeft, plaats God dan in het centrum. Er schuilt geen kwaad in, een altruïst, socialist, communist, nationalist of filantroop te zijn-mits men het allemaal maar is in relatie tot īśāvāsya, tot de levensbeschouwing die God voorop stelt.
Op God gerichte activiteiten worden in de Bhagavad-gītā zo gunstig genoemd (B.g., 2.40), dat slechts het geringste aandeel dat men erin heeft het grootste gevaar kan afwenden. Het grootste gevaar van het mensenleven is dat men weer terug zakt in de evolutionaire kringloop van geboorte en dood. Als men hoe dan ook de geestelijke kans mist die de menselijke levensvorm biedt en bijgevolg terug zakt in de evolutionaire kringloop, dient dit te worden beschouwd ais het treurigste wat iemand kan overkomen, ook al zal een dwaas dit niet beamen omdat hij afgaat op de gegevens die zijn onvolmaakte zintuigen hem verschaffen. De Śrī Īśopaniṣad raadt ons daarom aan onze energie in de geest van īśāvāsya te gebruiken en handelen we zo, dan mogen we ernaar verlangen vele, vele jaren te leven. Een lang leven zou anders niets meer waard zijn dan het lange leven van een boom, die eveneens een levend wezen is en die honderden jaren leeft. Het heeft geen zin even lang als een boom te leven of te ademen als een blaasbalg of nakroost te verwekken zoals varkens of honden het doen, of te eten als een kameel. Zelfs een nederig leven dat zijn activiteiten op God richt heeft meer waarde dan die enorme bluf van zogenaamd altruïsme of socialisme zonder enige relatie met God.
Wanneer - bijvoorbeeld - altruïstische activiteiten echter worden verricht in de geest van de Śrī Īśopaniṣad, worden ze alle een vorm van karma-yoga, zoals de Bhagavad-gitā aanbeveelt (B.g., 18.5-9). En zulks vrijwaart degene die zo handelt van het gevaar dat hij zal terug vallen in het evolutionaire proces van geboorte en dood. Ook al worden dergelijke op God gerichte activiteiten slechts ten dele uitgevoerd, dan is dat nóg goed, want het garandeert dat men in zijn volgend leven opnieuw een menselijke vorm zal hebben. Op deze manier kan men wederom de kans benutten die alleen ménselijke wezens geboden wordt om vooruit te komen op het pad der bevrijding.
Verse text
asuryā nāma te lokā
andhena tamasāvṛtāḥ
tāḿs te pretyābhigacchanti
ye ke cātma-hano janāḥ
andhena tamasāvṛtāḥ
tāḿs te pretyābhigacchanti
ye ke cātma-hano janāḥ
Synonyms
asuryāḥ — bedoeld voor de asura's; nāma — door de naam beroemd; te — diegenen; lokāḥ — planeten; andhena — door onwetendheid; tamasā — duisternis; āvṛtāḥ — bedekt door; tān — daar; te — zij; pretya — na de dood; abhigacchanti — gaan binnen in; ye — wie dan ook; ke — iedereen; ca — en; ātma-hanaḥ — de doder van de ziel; janāḥ — personen.
Translation
Wie de ziel doodt, wie hij ook zij, gaat naar de planeten bekend als de werelden der ongelovigen, vol duisternis en onwetendheid.
Purport
Een mensenleven onderscheidt zich van dierlijk leven ten aanzien van de zware verantwoordelijkheden die het met zich brengt. Degenen die deze verantwoordelijkheden kennen en zich er in hun doen en laten naar richten worden sura's, de goddelijken, genoemd. En degenen die hun verantwoordelijkheden verwaarlozen of er onbekend mee zijn worden de asura's, of demonen, genoemd. In het gehele universum bestaan slechts deze twee soorten menselijke wezens. In de Ṛg Veda wordt verklaard dat de sura's het oog altijd gevestigd houden op de lotusvoeten van de Opperheer Visnu en dienovereenkomstig handelen. Hun weg is even stralend als de baan van de zon.
Menselijke wezens, die met verstand behept zijn, dienen voortdurend te bedenken dat ze hun speciale, huidige levensvorm hebben verkregen na een evolutie van miljoenen jaren, waarin de ziel van de ene vorm naar de andere verhuisde. Deze stoffelijke wereld wordt soms vergeleken met een oceaan en het menselijk lichaam met een stevige boot, die de oceaan moet oversteken. De Vedische Schriften en de acārya's of heilige leraren worden vergeleken met de ervaren schipper en de faciliteiten van het menselijk lichaam met gunstige winden, die de boot in rechte lijn op de haven van bestemming af laten stevenen. Indien een persoon, die van al deze faciliteiten is voorzien, dit mensenleven toch niet volledig benut om zijn zelfverwerkelijking te bereiken, dient zo'n asura als ātma-hā, zieledoder, te worden beschouwd. Wie de ziel 'doodt' is gedoemd tot de donkerste regionen der onwetendheid in te gaan om er eeuwig te lijden-en de Śrī Īśopaniṣad laat hier duidelijk een waarschuwend geluid horen.
Er bestaan varkens, honden, kamelen, ezels enz. en hun economische behoeften zijn even belangrijk als de onze. Maar de economische problemen van deze wezens worden onder akelige omstandigheden opgelost, terwijl het menselijk wezen van de wetten der natuur alle faciliteiten krijgt om een gemakkelijk leven te leiden, aangezien de menselijke levensvorm belangrijker is dan dierenleven. En waarom wordt de mens een beter leven dan de varkens en de andere dieren geschonken? Waarom ontvangt een hooggeplaatste dienaar alle faciliteiten om een makkelijk leven te leiden, in tegenstelling tot een gewone employé? Het antwoord hierop luidt dat de hooggeplaatste functionaris plichten van hogere aard te vervullen heeft. Evenzo heeft het menselijk wezen in het leven hogere plichten dan de dieren, die voortdurend in de weer zijn met het vullen van hun hongerige maag. De moderne, ziel-dodende beschaving heeft de problemen van de hongerige maag slechts vergroot. Wanneer we zo'n opgepoetst dier-een modern beschaafd mens-vragen waar het hem in het leven om gaat, zegt hij dat hij wil werken om zijn maag aan zijn trekken te laten komen en dat zelfverwerkelijking een overbodige zaak is. Maar de wetten der natuur zijn zo wreed, dat ook al wil hij nog zo hard werken om der wille van zijn maag, hij altijd nog met werkeloosheid geconfronteerd kan worden, zelfs nadat hij de gedachte aan zelfverwerkelijking heeft verworpen.
Deze menselijke levensvorm is ons niet geschonken om ermee te ploeteren als ezel, varken en hond, maar om er de hoogste volmaaktheid des levens mee te bereiken. Als we geen belangstelling voor zelfverwerkelijking hebben, zorgt de wet der natuur ervoor dat we erg hard moeten werken, ook al willen we dat niet. In dit tijdperk wordt het menselijk wezen gedwongen hard te werken als de os en de ezel voor de kar. Dit zijn enkele voorbeelden van de regionen waarin een asura te werk wordt gesteld, zoals dit vers van de Śrī Īśopaniṣad onthult. Indien iemand faalt in de vervulling van zijn menselijke plicht, wordt hij gedwongen naar de ontaarde levenssoorten van de asurya-planeten te verhuizen om er zich in duisternis en onwetendheid af te sloven.
In de Bhagavad-gitā wordt ook gezegd (B.g., 6.41-43) dat de gedeeltelijk zelfverwerkelijkte mensen, die in hun vorig leven de volkomen nadering tot God niet hebben kunnen voltooien, maar het serieus hebben geprobeerd, met andere woorden: degenen die er niet in geslaagd zijn hun relatie tot God geheel te doorschouwen - dat hun de kans gegeven wordt in een śuci- of śrīmat-familie te verschijnen. Een śuci is een geestelijk gevorderde brāhmaṇa en śrīmat betekent vaiśya of middenstander. Dit houdt in dat zulke gezakte kandidaten een betere gelegenheid geboden wordt, op grond van hun serieuze pogingen in voorbije levens, om tot zelfverwerkelijking te komen. Als deze gezakte kandidaten al de kans krijgen om in achtenswaardige en vooraanstaande families te worden wedergeboren, hoe moeten we ons dan de wezensstaat voorstellen die degenen die metterdaad tot zelfverwerkelijking zijn gekomen hebben bereikt? Als we alleen maar probéren God te doorgronden garandeert dit ons al dat we in een vooraanstaande familie zullen worden wedergeboren. Maar degenen die helemaal niets in deze richting ondernemen en die er de voorkeur aan geven zich te laten begoochelen, materialistisch als ze zijn en verslingerd aan zingenot, moeten binnengaan, zoals de gehele Vedische literatuur bevestigt, in de diepste duisternis der hel. Dergelijke materialistische asura's doen zich soms uiterst godsdienstig voor, doch alleen maar om er stoffelijk op vooruit te gaan. De Bhagavad-gītā schandvlekt ze als mensen die groot worden genoemd krachtens onwaarachtige kwaliteiten en die hun positie handhaven dankzij materiële rijkdom en de stemmen-meerderheid van de onwetende massa (B.g., 16.17-18). Zulke asura's, die verstoken zijn van zelfverwerkelijking en van1 iśāvāsya, de levensbeschouwing waarin de Heer centraal staat, gaan voorzeker binnen in de diepste duisternis.
De conclusie luidt dat de bedoeling van ons mensenleven niet alleen is dat we ons louter met het oplossen van economische problemen bezighouden in een wankel bestel, maar dat we tevens de problemen oplossen van onze stoffelijke existentie waarin we volgens de wetmatigheden van de natuur zijn beland.
Verse text
anejad ekaṁ manaso javīyo
nainad devā āpnuvan pūrvam arṣat
tad dhāvato ’nyān atyeti tiṣṭhat
tasminn apo mātariśvā dadhāti
nainad devā āpnuvan pūrvam arṣat
tad dhāvato ’nyān atyeti tiṣṭhat
tasminn apo mātariśvā dadhāti
Synonyms
anejat — gevestigd; ekam — een; manasaḥ — meer dan de geest; javīyaḥ — snel; na — niet; enat — deze Opperheer; devāḥ — de halfgoden als Indra enz.; āpnuvan — kunnen naderen; pūrvam — de eerste van allen; arṣat — iemand die alles weet; tat — dat; dhāvataḥ — degenen die hollen; anyān — anderen; atyeti — over-treft; tiṣṭhat — hoewel gelaatst; tasmin — op één plaats; apaḥ — water; mātariśvā — de goden die lucht en regen beheersen; dadhāti — uitvoeren.
Translation
Hoewel immer in Zijn Woning, is de Persoonlijkheid Gods sneller dan de geest, en sneller te voet dan alle anderen. De machtige halfgoden kunnen Hem niet naderen. Hoewel op één plaats, gebiedt Hij hen die wind en regen geven. Hij gaat allen in voortreffelijkheid te boven.
Purport
De Opperheer, de Absolute Persoonlijkheid Gods, kan zelfs door de grootste filosoof niet worden gekend langs theo-retische weg. Hij kan alleen door zijn toegewijden worden gekend door Zijn genade. In de Brahma-saṁhitā staat geschreven dat de niet-toegewijde filosoof, die zich met de snelheid van de geest of de lucht kan verplaatsen en met die snelheid honderden jaren door de ruimte reist, nog bij lange na niet het Absolute zal hebben bereikt. Zoals beschreven in de Upaniṣads, heeft de Absolute Persoonlijkheid Gods Zijn bovenzinnelijke Woning, bekend als Kṛṣṇa-loka, waar Hij Zijn spel ontvouwt. Maar krachtens Zijn onvoorstelbaar alvermogen kan Hij in elk punt van Zijn kreatieve energie tegelijkertijd verschijnen. In de Viṣṇu Purāṇa wordt dit vermogen vergeleken met licht en hitte van het vuur. Vuur kan vanaf één plaats zijn hitte en licht verspreiden; evenzo kan de Absolute Persoonlijkheid Gods, hoewel immer verblijvend in Zijn bovenzinnelijke Woning, Zijn verschillende energieën overal heen zenden.
Deze energieën zijn ontelbaar, maar in grote lijnen kunnen ze worden ingedeeld in drie hoofdgroepen: Zijn innerlijk vermogen, Zijn tussenenergie en Zijn uitwendige energie.Binnen elk van deze energieën bevinden zich honderden en miljoenen sub-energieën. De belangrijkste halfgoden, wie macht gegeven is over natuurverschijnselen als lucht, licht,regen enz., worden allen tot de tussenenergie van de Absolute Persoon gerekend. De levende wezens, met inbegrip van de menselijke, zijn eveneens voortbrengselen van de tussenenergie van de Heer. De stoffelijke wereld is een schepping van de uitwendige energie van de Heer, en de geestelijke hemel, waarin zich het Koninkrijk Gods bevindt, is de openbaring van Zijn innerlijke energie.
De verschillende energieën van de Opperheer zijn overal vertegenwoordigd door Zijn verschillende vermogens. Hoewel er geen verschil tussen Hemzelf en Zijn energieën bestaat, mag men hieruit niet ten onrechte konkluderen dat de Opperheer,als Hij op deze manier overal verspreid is, Zijn persoonlijk bestaan slechts heeft in het onpersoonlijk Brahman. De mensen plegen nu eenmaal hun beperkt bevattingsvermogen te gebruíken om er verregaande konklusies mee te trekken.De Opperheer hoeft Zich geenszins naar ons beperkt begrip te schikken. Hierom waarschuwen de Upaniṣads ons dan ook: niemand kan de Heer vanuit zijn eigen beperkt vermogen naderen.
In de Bhagavad-gitā zegt de Heer (B.g., 10.2) dat niemand Hem kan kennen; zelfs de grote ṛṣi’s en sura's kunnen dat niet. Wat dan te zeggen van de asura's, die zich niet eens op een peil bevinden, dat ze de wegen van de Heer kunnen bevatten? Alle woorden hier genoemd in mantra vier van de Śrī Īśopaniṣad geven zeer duidelijk aan dat de Absolute Waarheid uiteindelijk de Absolute Persoon is; waarom zou het anders nodig zijn zo veel uiteenlopende zaken op te sommen die Zijn persoonlijk karakter benadrukken?
Ook al hebben de individuele integrerende deeltjes van de vermogens van de Heer alle symptomen van de Heer Zelf, toch is hun actieradius beperkt en daarom zijn ze alle beperkt. Integrerende delen zijn nimmer gelijk aan het geheel. Daarom kunnen de integrerende deeltjes geen volledig inzicht hebben in het alvermogen van de Heer. Er zijn van die dwaze en on-wetende wezens, die hoewel ze integrerende deeltjes van de Heer zijn, onder de begoochelende invloed van de materiële energie de bovenzinnelijke positie van de Heer proberen te taxeren. De Śrī Īśopaniṣad waarschuwt ze, niet over de identi-teit van de Heer te theoretiseren. Men dient het Bovenzinnelijke te leren kennen vanuit de superieure bron der Veda’s, die van kennis van het Bovenzinnelijke vervuld zijn
Elk deel van het volkomen geheel is begiftigd met een speciale energie waarmee het kan handelen en wanneer dit deel vergeet wat zijn speciale aktiviteiten zijn, heet het in māyā,illusie, te verkeren. De Śrī Īśopaniṣad waarschuwt ons dan ook van stonde af aan dat we nauwlettend de rol dienen te spelen die de Heer ons heeft toebedeeld. Dit betekent echter niet dat de individuele ziel geen eigen initiatief heeft. Omdat ze integre-rend deel van de Heer is, moet ze ook een deel van het eigen initiatief van de Heer hebben. Een goed gebruik van het eigen initiatief, de aktieve aard, met dien verstande dat we voort-durend beseffen dat alles louter alvermogen is van de Heer, kan ertoe leiden dat we ons oorspronkelijk bewustzijn weer tot leven wekken, dat als gevolg van ons kontakt met māyā, de uitwendige energie, verloren is gegaan.
Alle macht wordt verkregen van de Heer en daarom moet elke vorm van macht worden benut om 's Heren wil te dienen en nergens anders om. De Heer kan worden gekend door wie zich aan Hem onderworpen betoont. Volmaakte kennis betekent dat men de Heer in al Zijn aspekten en al Zijn ver-mogens kent en weet hoe Zijn vermogens geregeerd worden door Zijn wil. Deze zaken worden op uitgelezen wijze door de Heer beschreven in de Bhagavad-gitā, die de essentie der Upaniṣads is.
Verse text
tad ejati tan naijati
tad dūre tad v antike
tad antar asya sarvasya
tad u sarvasyāsya bāhyataḥ
tad dūre tad v antike
tad antar asya sarvasya
tad u sarvasyāsya bāhyataḥ
Synonyms
tat — deze Opperheer; ejati — loopt; tat — Hij; na — niet; ejati — loopt; tat — Hij (is); dūre — ver weg; tat — Hij (is); u — ook; antike — zeer dichtbij; tat — Hij (is); antaḥ — binnen; asya — hiervan; sarvasya — alles; tat — Hij (is); u — ook; sarvasya — alles; asya — hiervan; bāhyataḥ — uitwendig aan.
Translation
De Allerhoogste loopt en loopt niet. Hij is ver weg en tevens zeer dichtbij. Hij is in alles en Hij is ook weer buiten alles.
Purport
Hier wordt verklaard hoe de Opperheer door Zijn onvoorstelbare vermogen Zijn bovenzinnelijke activiteiten ontwikkelt. Er worden hier drie tegenstrijdige verklaringen gegeven om het alvermogen van de Heer te tonen. Als iemand kan lopen is het onjuist te zeggen dat hij niet kan lopen. Zo'n tegenstrijdigheid laat zien hoe onvoorstelbaar Gods macht is. Met ons schamel beetje kennis kunnen we dit allemaal niet bevatten en daarom wordt de Heer in zulke bewoordingen beschreven, dat ons beperkt bevattingsvermogen het nog net aan kan. De impersonalistische filosofen van de Māyāvāda-school aanvaarden alleen het impersonalistisch gedeelte van de activiteiten van de Heer en weigeren Zijn persoonlijk aspect te aanvaarden. De Bhāgavata-school echter aanvaardt de Heer op beide manieren, namelijk als persoonlijk en als onpersoonlijk. En de Bhāgavata aanvaardt tevens Zijn onvoorstelbare vermogens. Zonder onvoorstelbaar alvermogen zou de Opperheer geen Opperheer zijn.
We moeten niet zo maar aannemen dat, omdat we de Heer niet werkelijk binnen ons gezichtsveld kunnen zien, er geen persoonlijk bestaande God is. De Śrī Isopanisad weerlegt zo'n gedachte met de waarschuwing dat de Heer weliswaar ver van ons vandaan is, maar tegelijk heel dichtbij. De Woning van de Heer bevindt zich buiten de materiële hemel, maar hoe uitgestrekt de materiële hemel is, kunnen we niet eens meten. Als de grenzen van de materiële hemel al zo eindeloos ver van ons vandaan liggen, hoe zit het dan met de geestelijke hemel, die zich geheel buiten de stoffelijke hemel bevindt? Dat de geestelijke hemel zich eindeloos ver van de materiële wereld bevindt wordt nader bevestigd in de Bhagavad-gītā (B.g.,15.6). Maar in weerwil van de omstandigheid dat de Heer zo ver van ons vandaan is, kan Hij onmiddellijk, nog binnen deze seconde, voor ons neerdalen met een snelheid die de snelheid van de geest of de lucht te boven gaat. Hij kan zo snel lopen dat niemand Hem kan inhalen. Dit is in het vorige vers al duidelijk gemaakt.
Wanneer echter de Persoonlijkheid Gods zo aan ons verschijnt, slaan we geen acht op Hem. Deze veronachtzaming door de dwaze mensheid wordt in de Bhagavad-gitā door de Heer veroordeeld. De Heer zegt dat de dwazen Hem bespotten en Hem voor een gewone sterveling aanzien (B.g.,9.11). Hij is echter geen sterveling en verschijnt ook niet aan ons in een líchaam dat door de materiële natuur geschapen is. Er zijn heel wat zogenaamde geleerden die zeggen dat de Heer wanneer Hij verschijnt, dit doet in een materieel lichaam als dat van een gewoon levend wezen, Zulke dwazen plaatsen de Heer op het peil van een gewoon mens, omdat ze geen idee hebben van Zijn onvoorstelbaar alvermogen.
Omdat Hij vol onvoorstelbare vermogens is, kan God onze diensten langs velerlei wegen aannemen en Zijn verschillende vermogens naar believen laten wisselen en veranderen. De ongelovigen beweren dat de Heer Zichzelf niet kan incarneren, of zo ja, dan in een verschijningsvorm van de materiële energie. Er blijft niets van deze bewering over als we aannemen dat 's Heren onvoorstelbaar alvermogen een feit is. Zelfs indien Hij in materiële gedaante voor ons verschijnt, kan Hij Zijn materiële energie heel goed in geestelijke energie veranderen. Aangezien de bron van alle energieën één en dezelfde is, kunnen de energieën precies zo gebruikt worden als de bron van alle kracht het wil. Zo verschijnt de Heer bijvoorbeeld in de gedaante van arcā-vigraha of beelden, die van klei of steen gemaakt schijnen te zijn. Deze van hout of steen of welk ander materiaal dan ook gebeeldhouwde gedaanten zijn, in tegenstelling tot wat de beeldenstormers beweren, geen afgodsbeelden.
In de Bhagavad-gitā zegt de Heer dat Hij Zijn toegewijde behandelt naar gelang de mate waarin de toegewijde zich aan Hem overgeeft (B.g., 4.11). Hij behoudt Zich het recht voor Zich niet aan iedereen te vertonen, behalve aan degenen die zich aan Hem overgeven. Daarom is Hij voor de toegewijde ziel altijd binnen bereik, terwijl Hij voor de niet-toegewijde ziel zeer ver weg is en niet kan worden benaderd.
Er zijn in de geopenbaarde Schriften twee woorden die in dit verband van belang zijn: saguna en nirguna - met geaardheid of eigenschappen en zonder geaardheid of eigenschappen. Saguna betekent niet dat de Heer wanneer Hij verschijnt onderworpen raakt aan de wetten der stoffelijke natuur, ook al bezit Hij eigenschappen en verschijnt Hij in materiële gedaante. Er bestaat voor Hem geen verschil tussen stoffelijke en geestelijke energie, omdat Hij de bron van dergelijke energieën is. Hij is de bestuurder van de verschillende energieën en uit dien hoofde kan Hij nooit, in tegenstelling tot ons, onder hun invloed zijn. De materiële energie werkt volgens Zijn aanwijzingen en daarom kan Hij de materiële energie naar Zijn hand zetten, zonder dat Hij door ook maar één eigenschap van Zijn energieën wordt beïnvloed. Evenmin verschijnt Hij ooit als vormloos wezen. Uiteindelijk is Hij de eeuwige gedaante, de oorspronkelijke Heer. En Zijn onpersoonlijk aspect of Brahman-uitstraling is de gloed van Zijn persoonlijk licht, zoals de zonnestralen de gloed van de Zonnegod zijn.
Toen het heilig kind Prahlāda Mahārāja voor zijn atheïstische vader stond, vroeg deze hem: 'Waar is die God van jou?' De kleine Prahlāda antwoordde dat God overal is. Zijn vader vroeg toen boos of God soms ook in de pilaar vlak bij hen in het paleis zat en het kind zei ja. Meteen sloeg de atheïstische koning de pilaar in stukken, waarop vanuit de pilaar de Heer verscheen als Nṛsiṁha (de half mens-, half leeuw-incarnatie) en de vorst doodde. Dit betekent dat de Heer Zich in alles bevindt wat door Zijn verschillende energie-en geschapen is. En door Zijn onvoorstelbaar alvermogen kan Hij op willekeurig welke plaats verschijnen om Zijn oprechte toegewijde een gunstbewijs te verlenen. Heer Nṛsiṁha kwam niet uit de pilaar op bevel van de atheïstische koning, maar omdat de toegewijde Prahlada het wenste. Een atheïst kan de Heer niet bevelen te verschijnen, maar om Zijn toegewijde Zijn genade te bewijzen kan de Heer altijd en overal plotseling staan. Dit wordt bevestigd in de Bhagavad-gita, waar gezegd wordt dat de Heer verschijnt om de ongelovigen te overwinnen en de gelovigen te beschermen (B.g., 4.8). Om een ongelovige te overwinnen heeft de Heer uiteraard voldoende energieën en medewerkers die zoiets kunnen opknappen, maar het bewijzen van een gunst aan een toegewijde vindt Hij een aangename taak en daartoe daalt Hij Zelf als incarnatie neer. Maar nogmaals, Hij doet dit alleen om Zijn toegewijden een gunst te bewijzen en om geen enkele andere reden.
In de Brahma-saṁhitā wordt gezegd dat Govinda, de oorspronkelijke Heer, in alles binnengaat in Zijn volkomen deel-aspect, zowel in het universum als in de atomen van het universum. Hij is buiten in Zijn virāṭ-vorm en binnen als antaryāmi. Als antaryāmi is Hij getuige van ons doen en laten en geeft ons het resultaat van onze activiteiten als karma-phala. Ook al vergeten we zelf wat we in onze vorige levens hebben gedaan, toch blijft het resultaat van onze aktiviteiten, omdat de Heer er altijd getuige van is, altijd aanwezig en dienen we er alsnog de reacties van te ondergaan.
In feite is er zowel binnen als buiten niets anders dan God. Alles wordt geopenbaard door Zijn verschillende energieën, zoals de hitte en het licht van vuur, hetgeen betekent dat er in de verschillende energieën eenheid is. In weerwil van deze eenheid echter geniet de Heer van Zijn persoonlijke gedaante alles wat genietbaar is voor de zintuigjes van de levende wezens, die Zijn integrerende deeltjes zijn.
Verse text
yas tu sarvāṇi bhūtāny
ātmany evānupaśyati
sarva-bhūteṣu cātmānaṁ
tato na vijugupsate
ātmany evānupaśyati
sarva-bhūteṣu cātmānaṁ
tato na vijugupsate
Synonyms
Translation
Wie alles met betrekking tot de Allerhoogste ziet en alle levende wezens als Zijn volkomen deeltjes en de Allerhoogste in alles, zal nimmer enig-iets of iemand haten.
Purport
Hier wordt een beschrijving gegeven van de mahābhāgavata, de grote persoonlijkheid die alles met betrekking tot de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods ziet. Er zijn drie fasen waarin men zich de aanwezigheid van de Opperheer realiseert. De kaniṣṭha-adhikārī, iemand in de laagste fase van God-verwerkelijking, bezoekt de eredienst in een tempel, kerk of moskee, naar gelang het geloof dat hij aanhangt, en verricht de rituele handelingen die zijn Schrift hem voorschrijft. Zulke toegewijden menen dat de Heer zich alleen in de kerk of tempel bevindt en nergens anders. Ze kunnen niet onderscheiden wie welke positie inneemt in de toegewijde dienst of wie hoever gekomen is met zijn God-verwerkelijking. Ze houden zich bij de geijkte dingen en twisten soms onderling over geloofszaken, waarbij de een zijn geloof beter vindt dan het geloof van een ander. Deze kaniṣṭha-adhikārī’s, die zich in het laagste stadium van de toegewijde dienst bevinden, worden materialistische toegewijden genoemd of toegewijden die aan de stof proberen te ontstijgen om het bovenzinnelijk of transcendentaal vlak te kunnen bereiken.
Op de kaniṣṭha-adhikārī volgen de madhyama-adhikāri's, de toegewijden die zich in de tussenfase van de toegewijde dienst bevinden. Deze madhyama-adhikāri's houden zich aan vier beginselen met betrekking tot de Opperheer:
1. ze zien op de allereerste plaats de Allerhoogste Heer;
2. ze zien op de tweede plaats de toegewijden van de Heer;
3. ze zien ook de argelozen, die geen kennis over God hebben; en tenslotte:
4. de atheïsten, die niet in de Heer geloven en allen die Hem toegewijd zijn haten.
1. ze zien op de allereerste plaats de Allerhoogste Heer;
2. ze zien op de tweede plaats de toegewijden van de Heer;
3. ze zien ook de argelozen, die geen kennis over God hebben; en tenslotte:
4. de atheïsten, die niet in de Heer geloven en allen die Hem toegewijd zijn haten.
De madhyama-adhikāri gedraagt zich tegenover alle vier de hierboven beschrevenen verschillend. Hij vereert de Heer, die hij als het voorwerp van zijn liefde ziet, en hij sluit vriendschap met degenen die de Heer zijn toegewijd. Hij tracht de sluimerende liefde voor God in het hart van de argelozen te wekken, maar houdt afstand van de atheïsten, de Naam des Heren bespotten. Boven de madhyama-adhikāri hebben we de uttama-adhikāri, die alles in relatie tot de Opperheer ziet. Hij maakt geen speciaal onderscheid tussen de atheïst en de theïst, maar ziet in beiden eerder een volkomen deeltje van God. Hij weet dat er geen verschil is tussen een wijze brāhmaṇa en een straathond, omdat ze allebei van de Heer zijn, zij het in verschillende lichamen als gevolg van de verschillend geaarde wijzen van stoffelijke activiteit uit hun verleden. Het brāhmaṇa-deeltje van de Allerhoogste heeft het beetje onafhankelijkheid dat het van de Heer gekregen heeft niet misbruikt, maar het honden-deeltje heeft zijn onafhankelijkheid wél misbruikt en daarvoor is het door de wet der natuur gestraft met opsluiting in de onwetende levensvorm van een hond. Zonder op de respectieve gedragingen van de brāhmaṇa en de hond te letten, probeert de uttama-adhikāri ze beiden goed te doen. Zo'n wijze toegewijde van de Heer laat zich niet door het stoffelijk lichaam van de brāhmaṇa en de hond misleiden, maar voelt zich door de in beiden aanwezige geestelijke vonk gelijkelijk aangetrokken.
Degenen die een uttama-adhikāri in zijn gevoelens van eenheid en broederschap nabootsen, maar zich in feite laten leiden door lichamelijk bepaalde relaties, zijn huichelachtige mensenvrienden. Daarom moet de idee der universele broederschap worden geleerd van de uttama-adhikāri-toegewijde van de Heer en niet van een dwaas die geen juist beeld heeft van de ziel en de Superziel - de volkomen expansie van de Allerhoogste Heer, die overal woont.
In deze mantra wordt duidelijk gezegd dat men moet waarnemen of zien. Dit houdt in dat men de voorgaande ācārya, de volmaakte leraar, dient na te volgen. Anupaśyati is het Sanskrit woord dat in dit verband gebezigd is. Anu betekent: door te volgen; en paśyati betekent waarnemen. Men moet niet proberen de dingen te zien zoals men gewend is het te doen, met het blote oog. Het blote oog kan niets goed zien, vanwege zijn materiële onvolmaaktheid. Men kan niet op de goede wijze zien als men niet uit hogere bron verneemt hóe men móet zien. En de hoogste bron is de Vedische wijsheid, gesproken door de Heer Zelf. Deze waarheid bereikt ons via de erfopvolging der geestelijk leraren, van de Heer op Brahmā, van Brahmā op Nārada, van Nārada op Vyāsa en van Vyāsa op veel van zijn leerlingen. Vroeger was het niet nodig de Veda's te boekstaven, omdat de mensen van toen intelligenter waren en een scherper geheugen bezaten; ze hoefden maar eenmaal van een bona fide geestelijk leraar gehoord te hebben wat ze dienden te doen en ze begrepen en deden het.
Er zijn tegenwoordig heel wat commentaren op de geopenbaarde Schriften, maar de meeste vallen buiten de overlevering van Śrīla Vyāsadeva, die de Vedische wijsheid oorspronkelijk onderwees, Het laatste, meest volmaakte en verheven werk van Srila Vyāsadeva is het Śrīmad-Bhāgavatam, dat het juiste commentaar op de Vedānta-sūtra is. Evenzo is er de Bhagavad-gitā die gesproken wordt door de Heer Zelf en vastgelegd is door Vyāsadeva. Dit zijn de belangrijkste van de vele geopenbaarde Schriften en ieder commentaar dat afwijkt van de beginselen van de Gitā of het Śrimad-Bhāgavatam is onorthodox. Er is een volkomen symmetrische overeenstemming tussen de Upanisads, de Vedānta, de Veda's, de Bhagavad-gitā en het Śrimad-Bhāgavatam. Daarom moet niemand trachten iets definitiefs over de Veda's te zeggen als men zich niet eerst heeft laten onderrichten in de geest van de overlevering van Vyāsa-deva of althans door personen die in de Persoonlijkheid Gods en al Zijn verschillende energieën geloven.
Alleen iemand die al verlost is, volgens de normen van de Bhagavad-gītā (B.g., 6.9), kan een uttama-adhikāri-toegewijde worden en iedereen of elk levend wezen als zijn eigen broeder zien. Politici, die op materieel voordeel uit zijn, kunnen deze zienswijze niet delen. Wie doet alsof hij verlost is, dient hiermee slechts zijn stoffelijk omhulsel (dat naam gemaakt heeft of een vergelijkbare beloning heeft ontvangen), maar niet zijn geestelijke ziel. Dergelijke na-apers weten niets van de geestelijke wereld af. De uttama-adhikāri ziet de geestelijke ziel van het levend wezen en dient haar in haar geestelijkheid, waarin vanzelf de stof besloten is.
Verse text
yasmin sarvāṇi bhūtāny
ātmaivābhūd vijānataḥ
tatra ko mohaḥ kaḥ śoka
ekatvam anupaśyataḥ
ātmaivābhūd vijānataḥ
tatra ko mohaḥ kaḥ śoka
ekatvam anupaśyataḥ
Synonyms
yasmin — in de toestand; sarvāṇi — alle; bhūtāni — levende wezens; ātmā — de geestelijke vonk; eva — slechts; abhūt — wordt een feit; vijānataḥ — iemand die weet; tatra — daarin; kaḥ — wat; mohaḥ — illusie; kaḥ — wat; śokaḥ — bezorgdheid; ekatvam — van dezelfde hoedanigheid; anupaśyataḥ — iemand die op orthodoxe wijze ziet of iemand die steeds zo ziet.
Translation
Wie alle levende wezens altijd ziet als geestelijke vonken, die in hoedanigheid één zijn met de Heer, verwerft zich de ware kennis der dingen. Wat zal hem nog kunnen begoochelen of benauwen?
Purport
Op de twee soorten gevorderde toegewijden na, die hierboven beschreven zijn, kan verder niemand zuiver onderscheiden wat de geestelijke positie van het levend wezen is. De levende wezens zijn kwalitatief één met de Opperheer, zoals de vonken van het vuur kwalitatief één zijn met de aard van het vuur. Maar vonken zijn, kwantitatief gesproken, op zichzelf nog geen vuur. De hoeveelheid hitte en licht aanwezig in het vuur is niet gelijk aan de hoeveelheid hitte en licht aanwezig in de vonk. De mahā-bhāgavata, de grote toegewijde, ziet eenheid in die zin, dat alles energie van de Opperheer is. En aangezien er geen verschil bestaat tussen de energie en de energiebron, is er dit gevoel van eenheid. Zonder hitte en licht kan er geen sprake zijn van vuur; analytisch bekeken echter verschillen hitte en licht van vuur. Maar in samenhang gezien zijn hitte, licht en vuur één en hetzelfde.
De Sanskrit woorden die we hier aantreffen, ekatvam anupaśyataḥ betekenen: de eenheid der levende wezens zien vanuit het gezichtspunt der geopenbaarde Schriften. Iedere individuele vonk van het allerhoogste Geheel bevat ongeveer tachtig percent van de bekende eigenschappen van het Geheel, maar zijn eigenschappen zijn niet zo sterk als die van de Opperheer Zelf. Ze zijn aanwezig in uiterst geringe kwantiteit, aangezien het levend wezen een uiterst gering deeltje van het allerhoogste Geheel is. We kunnen hier de vergelijking trekken tussen de waterdruppel en de oceaan: de hoeveelheid zout aanwezig in de druppel valt niet te vergelijken met de hoeveelheid zout aanwezig in de oceaan. Maar de kwaliteit van het zout aanwezig in de druppel is qua chemische samenstelling gelijk aan die van het oceaanzout.
Als het individuele levende wezen zowel kwantitatief als kwalitatief gelijk was aan de Opperheer, zou er geen sprake van zijn dat het onder de invloed van de stoffelijke energie had kunnen komen. Maar in voorgaande mantra's is al besproken dat geen enkel levend wezen, zelfs geen machtige halfgod, het Opperwezen in enig opzicht kan evenaren of voorbijstreven. Daarom betekent ekatvam niet dat een levend wezen in alle opzichten aan de Allerhoogste gelijk is. Het betekent, in bredere zin, dat er één gemeenschappelijk belang is, zoals alle leden van een familie één familiebelang kennen. Een volk kent, ongeacht hoeveel verschillende individuele burgers er zijn, één nationaal belang. Dus omdat de levende wezens volkomen deel uitmaken van dezelfde allerhoogste familie, zijn de belangen van het Opperwezen en van de volkomen deeltjes geenszins verschillend. Ieder levend wezen is de zoon van het Opperwezen. In de Bhagavad-gitā wordt gezegd (B.g., 7.5) dat alle levende wezens - vogels, reptielen, mieren, waterbewoners, bomen enz. in het gehele universum-deel uitmaken van de tussenenergie van de Allerhoogste Heer. Daarom behoren ze allemaal tot dezelfde familie-die van het Opperwezen. Het geestelijk leven kent geen botsingen tussen verschillende belangen.
Als het individuele levende wezen zowel kwantitatief als kwalitatief gelijk was aan de Opperheer, zou er geen sprake van zijn dat het onder de invloed van de stoffelijke energie had kunnen komen. Maar in voorgaande mantra's is al besproken dat geen enkel levend wezen, zelfs geen machtige halfgod, het Opperwezen in enig opzicht kan evenaren of voorbijstreven. Daarom betekent ekatvam niet dat een levend wezen in alle opzichten aan de Allerhoogste gelijk is. Het betekent, in bredere zin, dat er één gemeenschappelijk belang is, zoals alle leden van een familie één familiebelang kennen. Een volk kent, ongeacht hoeveel verschillende individuele burgers er zijn, één nationaal belang. Dus omdat de levende wezens volkomen deel uitmaken van dezelfde allerhoogste familie, zijn de belangen van het Opperwezen en van de volkomen deeltjes geenszins verschillend. Ieder levend wezen is de zoon van het Opperwezen. In de Bhagavad-gitā wordt gezegd (B.g., 7.5) dat alle levende wezens - vogels, reptielen, mieren, waterbewoners, bomen enz. in het gehele universum-deel uitmaken van de tussenenergie van de Allerhoogste Heer. Daarom behoren ze allemaal tot dezelfde familie-die van het Opperwezen. Het geestelijk leven kent geen botsingen tussen verschillende belangen.
Het is de bedoeling dat de geestelijke wezens genieten. Ieder levend wezen - zowel de Opperheer als ieder integrerend deeltje afzonderlijk - is er van nature en in wezen toe bestemd eeuwig te genieten. De levende wezens die opgesloten zitten in hun stoffelijk omhulsel streven dan ook naar genot, maar zoeken het op een vlak waar ze niet thuishoren. Naast deze stoffelijke wereld is er de geestelijke wereld, waar het Opperwezen genietend met Zijn ontelbare metgezellen omgaat zonder een zweem van stoffelijkheid. Dit geestelijk vlak wordt nirguṇa genoemd. Op nirguṇa-niveau komen de verschillende genietingen niet met elkaar in botsing. Hier in de materiële wereld hebben de verschillende individuele wezens het altijd met elkaar aan de stok, omdat hier het middelpunt van alle genot ontbreekt. Het middelpunt van alle genot is de Opperheer, die het middelpunt van de verheven en geestelijke rāsa-dans is. Het is de bedoeling dat we ons allemaal rondom Hem scharen en dat we van het leven genieten met één bovenzinnelijk belang voor ogen en zonder botsingen. Dit is het hoge peil waarop de geestelijke belangen worden gediend en zodra men zo'n volmaakte vorm van eenheid verwezenlijkt, kan er geen sprake van illusie of leed meer zijn.
Māyā of illusie eist haar tol in een goddeloze samenleving, met leed als gevolg. De goddeloze samenleving zoals ze door de huidige politici in stand wordt gehouden is altijd vol benauwdheid en dat is de wet der natuur. Niemand kan zich, zoals de Bhagavad-gitā verklaart (B.g., 7.14), aan deze wet onttrekken. Alleen degenen die zich aan de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer overgeven kunnen de strenge wetten der natuur overwinnen, Willen we dus door geen enkele vorm van illusie meer worden begoocheld en alle uiteenlopende belangen samensmeden tot één belang, dan moeten we al onze activiteiten van God vervuld laten zijn.
Het resultaat van onze activiteiten moet worden benut om de belangen van de Heer te dienen en niet voor enig ander doel, want alleen door de belangen van de Heer te dienen kunnen we het ātma- bhūta-belang gewaarworden dat hier in de Śrī Īśopaniṣad wordt genoemd. Dit en het brahma-bhūta-belang waarover in de Bhagavad-gitā wordt gesproken (B.g.,18.54) zijn één en hetzelfde: de allerhoogste Atmā of ziel is de Heer Zelf en de uiterst kleine ātmā is het levend wezen. De allerhoogste Atmā of Paramātmā alleen onderhoudt alle individuele, uiterst kleine wezens, omdat de Opperheer van hun liefde wil genieten. De vader vertakt zich in zijn kinderen en onderhoudt ze om van ze te genieten. Gehoorzamen de kinderen de wil van de vader, dan verlopen de gezinsaangelegenheden, die dan één belang dienen, soepel en in een aangename sfeer. Precies hetzelfde speelt zich op bovenzinnelijk niveau af in Brahman of het absolute gezin van de Para-brahman, de Allerhoogste Geest.
De Para-brahman is evenzeer een Persoon als de individuele wezens persoonlijk zijn. Geen van ze is onpersoonlijk. Deze bovenzinnelijke persoonlijkheden zijn vol bovenzinnelijk gelukzaligheid, kennis en eeuwig leven. Dat is de ware aard van het geestelijk bestaan en zodra men de situatie op het bovenzinnelijk vlak geheel beseft, geeft men zich onmiddellijk over aan de lotusvoeten van het Opperwezen, Śrī Kṛṣṇa. Dergelijke mahātmā's, grote zielen, die tot zo'n overgave komen, ziet men echter zelden, omdat men eerst na vele, vele geboorten dit transcendentale inzicht verkrijgt (B.g., 7.19). Maar heeft men het eenmaal verkregen, dan zijn er geen illusie en verdriet meer en geen ellende van het stoffelijk bestaan, dan kent men geen geboorte en dood meer, zoals we die in onze huidige levenstoestand beleven. Dat zijn de gegevens die deze mantra van de Śrī Īśopaniṣad ons verstrekt.
Verse text
sa paryagāc chukram akāyam avraṇam
asnāviraḿ śuddham apāpa-viddham
kavir manīṣī paribhūḥ svayambhūr
yāthātathyato ’rthān vyadadhāc chāśvatībhyaḥ samābhyaḥ
asnāviraḿ śuddham apāpa-viddham
kavir manīṣī paribhūḥ svayambhūr
yāthātathyato ’rthān vyadadhāc chāśvatībhyaḥ samābhyaḥ
Synonyms
saḥ — die; paryagāt — dient in feite te weten; śukram — de almachtige; akāyam — onbelichaamd; avraṇam — geheel zonder blaam; asnāviram — geheel zonder adderen; śuddham — rein; apāpa-viddham — tegen besmetting beschermd; kaviḥ — alwetend; manīṣī — filosoof; paribhūḥ — de grootste van alle; svayambhūḥ — genoeghebbend aan zichzelf; yāthātathyataḥ — rechtvaardig in de naleving van; arthān — gewenste zaken; vyadadhāt — toekent; śāśvatībhyaḥ — onheugelijk; samābhyaḥ — tijd.
Translation
Zo iemand moet werkelijk de Allergrootste kennen, die onbelichaamd is, alwetend, onberispelijk, zonder aderen, zuiver en onbevlekt, de onafhankelijke wijze, die sinds onheuglijke tijden de verlangens van elk levend wezen vervult.
Purport
Dit is een beschrijving van de bovenzinnelijke en eeuwige gedaante van de Absolute Persoonlijkheid Gods. De Opperheer is niet vormloos. Hij heeft Zijn eigen bovenzinnelijke gedaante, die in het geheel niet lijkt op de gedaanten van de aardse wereld. De levende wezens in deze wereld hebben gedaanten die belichaamd zijn door de materiële natuur en die werken als alle andere materiële machinerieën. De fysiologische anatomische structuur van een levend wezen dient een mechanische constructie te hebben met aderen en dergelijke. Maar in het bovenzinnelijk lichaam van de Heer is niets van aderen te bespeuren. Er wordt duidelijk gezegd dat Hij onbelichaamd is. Dat betekent dat er geen verschil is tussen Zijn lichaam en ziel en dat Hij, in tegenstelling tot ons, geen lichaam krijgt volgens de wet der natuur. In de materiële opvatting van het belichaamde leven verschilt de ziel van het grofstoffelijk lichaam en de fijnstoffelijke geest. De Opperheer staat echter buiten dit soort onderverdelingen. Bij de Opperheer valt er niets te bespeuren van een verschil tussen lichaam en geest. Hij is het Volkomen Geheel en Zijn geest en lichaam en Hijzelf zijn alle één en hetzelfde.
In de Brahma-saṁhitā staat een vergelijkbare beschrijving van het lichaam van de Heer. Hij wordt daar beschreven als sac-cid-ānanda-vigraha. Dit betekent dat Hij de eeuwige gedaante is waarin bovenzinnelijke werkelijkheid, kennis en gelukzaligheid volledig vertegenwoordigd zijn. De Vedische literatuur zegt duidelijk dat Hij een volkomen andersoortig, bovenzinnelijk lichaam heeft en dat Hij daarom soms als vormloos beschreven wordt. Dit vormloze betekent dat Hij geen gedaante heeft die wij met onze huidige zintuigen kunnen zien. In de Brahma-saṁhitā wordt verder verteld dat de Heer alles en nog wat kan met al Zijn lichaamsdelen. Er wordt gezegd dat Hij met willekeurig welk deel van Zijn lichaam het werk van alle andere lichaamsdelen kan doen. Dit houdt in dat de Heer met Zijn handen kan lopen, met Zijn voeten dingen kan pakken en aannemen, dat Hij met Zijn handen en voeten kan zien en kan eten met Zijn ogen. In de śruti mantra's wordt gezegd dat Hij geen armen en benen heeft zoals wij, maar dat Hij een ander soort armen en benen heeft, waarmee Hij alles wat we Hem geven kan aannemen en sneller kan lopen dan wie ook in het universum. Deze zaken worden in deze mantra van de Śri Isopaniad door het gebruik van woorden als allergrootste en alwetend bevestigd.
Ook de Srī Vigraha van de Heer, Zijn aanbiddings-gedaante, die door bevoegde ācārya's, welke de Heer hebben doorgrond in de zin van mantra zeven, in de tempels wordt geïnstalleerd, verschilt niet van de oorspronkelijke gedaante van de Heer. De oorspronkelijke gedaante van de Heer is de gestalte van Śrī Kṛṣṇa. Śrī Kṛṣṇa breidt Zichzelf uit in een onbegrensd aantal gedaanten, zoals Baladeva, Rāma, Nṛsiṁha, Varāha enz. - en alle zijn één en dezelfde Persoonlijkheid Gods. Evenzo is de arcā-vigraha die in de tempels aanbeden wordt een uitbreidings-gedaante van de Heer. Wanneer men de arcā-vigraha van de Heer aanbidt, kan men zo de Heer rechtstreeks naderen, en door Zijn alvermogende energie neemt Hij de diensten van Zijn toegewijde zonder omwegen aan. De vigraha van de Heer daalt neer op verzoek van de ācārya's, de heilige leraren, en gaat door Zijn alvermogende energie te werk als Hijzelf. Dwaze lieden die geen kennis hebben van deze mantra's van de Śrī Īśopaniṣad of van welke śruti mantra's dan ook, denken dat de arcā-vigraha, die door de zuivere toegewijden aanbeden wordt, van stoffelijke elementen is vervaardigd. Zoals de dwaze mensen met hun onvolmaakte manier van kijken of zoals de kaniṣṭha-adhikārī’s het zien, wordt deze gedaante als stoffelijk beschouwd. Maar deze mensen met hun schamel beetje kennis weten niet dat de Heer, almachtig en alwetend als Hij is, naar believen stof in geest en geest in stof kan veranderen.
In de Bhagavad-gītā (B.g., 9.11-12) betreurt de Heer de gevallen staat waarin de mensen met weinig kennis verkeren, die het lichaam van de Heer als stoffelijk beschouwen, omdat Hij als mens in deze wereld verschijnt. Dergelijke slecht ingelichte personen kennen het alvermogen van de Heer niet. Daarom openbaart de Heer Zich aan de theoretici niet in Zijn volheid, Hij toont Zich slechts in de mate waarin men Zich aan Hem overgeeft, en de gevallen staat van de levende wezens is uitsluitend te wijten aan het feit dat we onze relatie met God uit het oog verloren zijn.
In deze mantra en in vele andere Vedische mantra's wordt duidelijk verklaard: sinds onheuglijke tijden schenkt de Heer. Het begint ermee dat het levend wezen ergens naar verlangt en dan schenkt de Heer de begeerde zaak al naar gelang de bevoegdheid tot ontvangen. Als iemand rechter wil worden, dient hij daartoe niet alleen de bevoegdheden te bezitten, maar zich tevens afhankelijk te stellen van de beslissing van het college dat rechters benoemt. Louter voldoen aan de eisen die aan een rechter worden gesteld is niet genoeg om het ambt te krijgen. Het wordt verleend door een hogere instantie. Evenzo verleent de Heer het levend wezen genietingen overeenkomstig zijn bevoegdheid tot genieten-met andere woorden: overeenkomstig de wet van karma. Deze bevoegdheden zijn echter op zichzelf onvoldoende: de genade van de Heer is doorslaggevend.
Gewoonlijk weet het levend wezen niet wat het de Heer moet vragen of op welke taak het zich dient voor te bereiden. Kent het levend wezen echter zijn wezensstaat, dan vraagt het te worden aangenomen in bovenzinnelijke omgang met de Heer teneinde Hem bovenzinnelijke liefdedienst te kunnen bewijzen. In plaats van hierom te vragen, vraagt het levend wezen dat door de materiële natuur besmet is om tal van andere zaken en zijn mentaliteit wordt in de Bhagavad-gitā beschreven (B.g.,2.41) als een gespleten of kromgetrokken verstand. Geestelijke intelligentie is één, en het tegenovergestelde is verdeeldheid. In het Śrīmad-Bhāgavatam wordt gezegd dat personen die in de ban zijn van de tijdelijke schoonheid van de uitwendige energie hun werkelijke levensdoel vergeten, dat inhoudt: terugkeren naar God. Wanneer men dit uit het oog verliest, probeert men zich aan de hierdoor veranderde situatie aan te passen met verschillende plannen en bedenksels, die er allemaal op neerkomen dat men het gekauwde blijft herkauwen. Maar de Heer is zo goed, dat Hij het vergeetachtige levend wezen laat begaan zonder het in zijn bezigheden te storen. Als een levend wezen naar de hel wil, legt de Heer het geen strobreed in de weg, en wil het terugkeren naar huis, terug naar God, dan helpt de Heer het ook hierbij.
God wordt hier beschreven als paribhūḥ, de allergrootste. Niemand is groter dan Hij of aan Hem gelijk. De andere levende wezens worden hier beschreven als bedelaars die aalmoezen vragen van de Heer, en de Heer voldoet aan hun verlangens. Als andere levende wezens hetzelfde konden als de Heer of als ze evenals Hij almachtig of alwetend waren, zou er geen sprake zijn van bedelen bij de Heer, zelfs niet om “verlossing". De werkelijke verlossing van het levende wezen bestaat eruit dat het terugkeert naar God. Anders blijft de verlossing, zoals de impersonalist haar dus opvat, een fabeltje en moet het bedelen om zingenot eeuwig blijven doorgaan, tenzij de bedelaar opeens zijn verstand terugkrijgt en zijn wezensstaat doorgrondt.
De Allerhoogste Heer is Zichzelf genoeg. Toen Heer Kṛṣṇa 5000 jaar geleden op Aarde verscheen, openbaarde Hij Zich door Zijn verschillende activiteiten volledig als God. In Zijn kinderjaren doodde Hij tal van machtige demonen en er was geen sprake van dat Hij Zich deze macht langs ongoddelijke weg zou hebben kunnen eigen maken. Hij tilde de heuvel Govardhana heuvel op zonder enige ervaring in het gewichtheffen. Hij danste met de gopi's zonder Zich aan de regels van het maatschappelijk verkeer te storen, maar tegelijk ook zonder aanstoot te geven. Hoewel de gopi's op Hem af kwamen met gevoelens van tedere verliefdheid, is de omgang van de gopi's en Heer Kṛṣṇa zelfs verheerlijkt door Heer Caitanya, die het leven van een sannyāsi leidde en Zich streng aan alle desbetreffende regels en bepalingen hield. Om dit nog eens te bevestigen zegt de Śrī Īśopaniṣad dat Hij zuiver en onbevlekt is. Hij is zuiver in de zin dat zelfs iets wat naar wereldse maat onzuiver is alleen al door Zijn aanraking gezuiverd kan worden. Het woord onbevlekt heeft betrekking op de omgang met Hem; het wordt ook in de Bhagavad-gitā genoemd. Daar wordt gezegd (B.g., 9.30-31) dat een ijverig toegewijde in het begin nogal su-durācāra, slechtgemanierd kan aandoen. Toch dient hij dan als zuiver te worden beschouwd, omdat hij zich op de juiste weg bevindt. .Dat is de onbevlekte aard van de omgang met de Heer. De Heer is apāpaviddham, dat wil zeggen: niets zondigs kan Hem aantasten. Ook al doet Hij soms iets wat zondig aandoet, dan is het toch goed, aangezien er geen sprake van is dat de Heer door zondige neigingen kan worden bevangen. Hij is onder alle omstandigheden śuddham, aller zuiverst, en wordt als zodanig dikwijls met de zon vergeleken. De zon onttrekt vocht aan velerlei onreine plaatsen op aarde, maar blijft zelf zuiver. In feite loutert hij schadelijke zaken door ze te steriliseren. Als de zon al zo machtig is - en de zon is slecht een stoffelijk ding - kunnen we ons enigszins indenken hoe zuiver en sterk de almachtige Heer is.
Verse text
andhaṁ tamaḥ praviśanti
ye ’vidyām upāsate
tato bhūya iva te tamo
ya u vidyāyāḿ ratāḥ
ye ’vidyām upāsate
tato bhūya iva te tamo
ya u vidyāyāḿ ratāḥ
Synonyms
Translation
Degenen die zich ophouden met onwijze bezigheden zullen binnengaan in de diepste duisternis der onwetendheid. Nog erger lot treft degenen die zich bezighouden met zogenaamde wetenschapsbeoefening.
Purport
In deze mantra worden vidyā en avidyā aan een vergelijkende beschouwing onderworpen. Avidyā of onwetendheid is uiteraard een gevaarlijke zaak, maar vidyā of kennis, die verkeerd begrepen of gebruikt wordt, is nog gevaarlijker. Deze uitspraak van de Śrī Īśopaniṣad is tegenwoordig op de menselijke beschaving meer van toepassing dan ooit in het verleden. De moderne beschaving is op het gebied van onderwijs en ontwikkeling van de massa aanzienlijk gevorderd, maar doordat hierbij eenzijdig de nadruk wordt gelegd op materiële vooruitgang, zonder dat er ook maar iets gedaan wordt aan het belangrijkste levensaspect, de geestelijke groei, voelen de mensen zich ongelukkiger dan tevoren.
Ten aanzien van vidyā heeft de eerste mantra van de Śrī Īśopaniṣad zeer duidelijk verklaard dat de Opperheer de eigenaar van alles is - en het vergeten van dit feit wordt onwetendheid genoemd. Hoe meer een mens dit levensfeit uit het oog verliest, hoe donkerder zijn bestaan wordt; in dit perspectief gezien, is een beschaving zonder God, die zich zogenaamd bezighoudt met de bevordering van onderwijs en wetenschap, gevaarlijker dan een beschaving waarin de grote massa minder ontwikkeld is.
Er zijn verschillende klassen van mensen-karmi's, jñāni's en yogi's. De karmi's zijn degenen die zich bezighouden met activiteiten die betrekking hebben op zinsbevrediging. Bijna 99,9 percent van de leden van onze huidige samenleving houden zich met zinsbevredigende activiteiten bezig onder de vlag van zulke uiteenlopende zaken als industrie, economische ontwikkeling, altruïsme, politiek bewustzijn enz. Al deze activiteiten zijn min of meer gericht op bevrediging van de zinnen en hebben totaal niets te maken met het Godsbesef waarnaar in de eerste mantra van de Śrī Īśopaniṣad wordt verwezen.
Lieden die zich bezighouden met het najagen van grof zingenot worden in de taal van de Bhagavad-gītā (B.g.,7.15) mudha's genoemd: ze gaan hun weg in duisternis, zoals het symbool van alle domheid, de ezel. Wie niets anders doet dan zingenot najagen zonder werkelijk vooruit te komen in het leven, aanbidt, zoals de Śri Īśopaniṣad het ziet, avidyā. Wie in de naam van onderwijs en wetenschap zo'n beschaving in stand houdt doet erger kwaad dan degene die alleen maar van grof zinnelijk genieten afweet. De bevordering van onderwijs en wetenschap door mensen zonder God is even gevaarlijk als een edelsteen op de bril van een cobra. De cobra die met zo'n steen getooid is, is er namelijk niet minder cobra om.
Volgens de Hari-bhakti-sudhodaya vallen de activiteiten die goddeloze lieden ontplooien op het gebied van de bevordering van onderwijs en wetenschap te vergelijken met het optooien van een lijk. Zowel in India als in vele andere landen zijn er mensen die volgens gebruik meelopen in een stoet waar in, omdat de weeklagende familieleden dit nu eenmaal graag zo hebben, het lichaam van de overledene op een versierde baar wordt meegetorst. Evenzo is de moderne beschaving een bonte lappendeken van activiteiten die tot bedoeling hebben de voortdurende ellende van het stoffelijk bestaan te verhullen. Deze activiteiten zijn gericht op zinsbevrediging- maar boven de zinnen bevindt zich de geest, en boven de geest is het verstand en boven het verstand is de ziel. Daarom behoort het doel van alle onderwijs en wetenschap zelfverwerkelijking te zijn-het volkomen beseffen van de geestelijke waarden van de ziel. Iedere vorm van onderwijs of wetenschap die niet tot dit besef leidt dient als avidyā, onwetendheid, te worden beschouwd. Instandhouding van deze onwetendheid betekent dat men binnengaat in de diepste duisternis der domheid.
Volgens de Hari-bhakti-sudhodaya vallen de activiteiten die goddeloze lieden ontplooien op het gebied van de bevordering van onderwijs en wetenschap te vergelijken met het optooien van een lijk. Zowel in India als in vele andere landen zijn er mensen die volgens gebruik meelopen in een stoet waar in, omdat de weeklagende familieleden dit nu eenmaal graag zo hebben, het lichaam van de overledene op een versierde baar wordt meegetorst. Evenzo is de moderne beschaving een bonte lappendeken van activiteiten die tot bedoeling hebben de voortdurende ellende van het stoffelijk bestaan te verhullen. Deze activiteiten zijn gericht op zinsbevrediging- maar boven de zinnen bevindt zich de geest, en boven de geest is het verstand en boven het verstand is de ziel. Daarom behoort het doel van alle onderwijs en wetenschap zelfverwerkelijking te zijn-het volkomen beseffen van de geestelijke waarden van de ziel. Iedere vorm van onderwijs of wetenschap die niet tot dit besef leidt dient als avidyā, onwetendheid, te worden beschouwd. Instandhouding van deze onwetendheid betekent dat men binnengaat in de diepste duisternis der domheid.
Degenen die zich op deze onjuiste wijze met onderwijs en wetenschap bezighouden staan in het Vedisch spraakgebruik bekend onder vier namen: 1. veda-vāda-rata; 2. māyayāapahrta-jñāna; 3. āsuram bhāvam; 4. narādhama.
De veda-vāda-rata's doen alsof ze over een enorme Vedische kennis beschikken, maar leiden helaas een leven dat geenszins aan de bedoelingen van de Veda's beantwoordt. In de Bhagavad-gitā wordt gezegd (B.g., 15.18-20) dat het doel van de Veda's eruit bestaat de Persoonlijkheid Gods te leren kennen. De veda-vāda-rata's echter zijn totaal niet in de Persoonlijkheid Gods geïnteresseerd. Ze hebben veel meer belangstelling voor de geneugten van de materiële hemel, waarin ze liever binnen willen gaan.
Zoals in de eerste mantra van de Śri Isopanisad wordt gezegd, behoren we te weten dat de Persoonlijkheid Gods de eigenaar van alles is en dat we tevreden moeten zijn met wat ons toegemeten wordt om in ons levensonderhoud te voorzien. Het doel van de hele Vedische literatuur is bij het vergeetachtige levende wezen dit Godsbesef weer op te wekken. Ditzelfde beginsel wordt in de verschillende Heilige Schriften der wereld op verschillende wijze uiteengezet, opdat de dwaze mensheid tot inzicht komt. Het uiteindelijk doel is dus onze terugkeer naar God. De veda-vāda-rata's echter, die niet beseffen waar de Veda's voor dienen, nemen klakkeloos aan dat bijzaken zoals het verwerven van hemels zingenot-en het is juist allereerst het verlangen híernaar dat hen in de materiële wereld gevangen houdt - het uiteindelijke doel van de Veda's zijn. Zulke mensen misleiden anderen door de Vedische literatuur verkeerd uit te leggen en soms veroordelen ze ook de Purāṇas, die authentieke Vedische commentaren voor de leek zijn. De veda-vāda-rata's geven hun eigen uitleg aan de Veda's zonder acht te slaan op de gezaghebbende woorden van de grote leraren, de ācārya's; liever roepen ze een gewetenloos persoon uit hun midden uit tot dé autoriteit op het gebied van de Vedische kennis. Het zijn met name deze mensen die door deze mantra van de Sri Isopanisad met de zeer toepasselijke Sanskrit term vidyā-rata worden veroordeeld. Vidyā betekent Veda, omdat de Veda de oorsprong van alle kennis behelst; en rata betekent: bezig met. Vidyā-rata betekent bezig met het onderzoeken van de Veda's. Als onderzoekers worden de zogenaamde vidyā-rata's hier veroordeeld, omdat ze, vanwege het feit dat ze niet naar de acārya's willen luisteren, niet weten wat het doel van de Veda's is. Deze veda-vāda-rata's weten elk woord van de Veda's zo uit te leggen, dat het hun precies uitkomt. Ze beseffen niet dat de Vedische literatuur geen verzameling gewone boeken is, die niet te begrijpen zijn, tenzij ze worden verklaard door een leraar uit de linie der geestelijke erfopvolging.
Men dient zich, wil men de bovenzinnelijke boodschap van de Veda's begrijpen, tot een bona fide geestelijk leraar te wenden. Deze aanwijzing wordt gegeven in de Katha Upaniṣad. De veda-vādarata's houden er echter een eigen ācārya op na, die buiten de linie der bovenzinnelijke geestelijke erfopvolging staat. Zo zullen ze door de Vedische literatuur verkeerd uit te leggen in steeds duisterder regionen der onwetendheid binnengaan en verder verdwalen dan mensen die de Veda's niet eens kennen.
De māyayāpahṛta-jñāna klasse bestaat uit mensen die zichzelf tot God hebben verheven. Ze denken dat ze zelf God zijn en dat het niet nodig is welke andere God dan ook te eren. Ze zijn er allemaal snel bij om een gewoon mens te eren die toevallig rijk is, maar die eer schenken ze nimmer aan de werkelijke Persoonlijkheid Gods. Zulke dwazen kunnen zelf niet inzien hoe dwaas ze zijn, met name met hun bewering dat God door illusie misleid en gevangen is. Indien God door illusie gevangen was, zou de illusie machtiger zijn dan God. Maar als God almachtig is, hoe kan Hij dan door de illusie worden overweldigd? Degenen die zichzelf tot God hebben verheven weten geen afdoend antwoord op al deze vragen, maar tevreden als ze met hun eigen goddelijkheid zijn, laten ze zich hier niet door hinderen.
Verse text
anyad evāhur vidyayā-
nyad āhur avidyayā
iti śuśruma dhīrāṇāṁ
ye nas tad vicacakṣire
nyad āhur avidyayā
iti śuśruma dhīrāṇāṁ
ye nas tad vicacakṣire
Synonyms
Translation
De wijzen hebben ons verklaard dat wie zich bezighoudt met het ontwikkelen van kennis heel ergens anders uitkomt dan wie zich bezighoudt met het ontwikkelen van onwetendheid.
Purport
Het ontwikkelen van kennis kan in de praktijk gebeuren op de volgende wijze, die in de Bhagavad-gitā wordt aanbevolen (B.g.,13.8-12). Daar wordt gezegd:
1.Men behoort zich volmaakt te leren gedragen en anderen met de verschuldigde achting te leren bejegenen.
2. Men dient zich niet religieus voor te doen louter om de algemene aandacht op zich te vestigen.
3. Men dient geen bron van onrust voor anderen te worden door zijn handelingen, gedachten of woorden.
4. Men moet leren verdragen, ook al wordt men door anderen getart.
5. Men dient te leren op ondubbelzinnige, eerlijke wijze met anderen om te gaan.
6. Men behoort een bona fide geestelijk leraar te hebben, die iemand geleidelijk naar het niveau der geestelijke zelfverwerkelijking kan leiden en aan zo'n ācārya of geestelijk leraar dient men zich in dienstbaarheid en met steekhoudende vragen te onderwerpen.
7. Men dient zich aan de regulerende principes te houden die in de geopenbaarde Schriften worden aanbevolen, teneinde het peil der zelfverwerkelijking te bereiken.
8. Men dient zich de leer van de geopenbaarde Schriften geheel eigen te maken.
9. Men moet geheel afzien van gedragingen die afbreuk doen aan het belang der zelfverwerkelijking.
10. Men behoort niet méér aan te nemen dan wat men voor zijn lichamelijk onderhoud nodig heeft.
11. Men dient zich niet ten onrechte te vereenzelvigen met het materiële omhulsel van het grofstoffelijk lichaam en evenmin degenen die met zijn lichaam verwant zijn als de zijnen te beschouwen.
12. Men dient voortdurend te bedenken dat men, zo lang men een stoffelijk lichaam heeft, voor een herhaling van de ellende van geboorte, dood, ouderdom en ziekte zal komen te staan. Het heeft geen zin allerlei manieren te bedenken om aan deze ellenden van het stoffelijk lichaam te ontkomen. Het beste wat men kan doen is zien te achterhalen hoe men zijn ware, geestelijke identiteit terugvindt.
13. Men dient zich niet te hechten aan meer dan men nodig heeft voor zijn geestelijke groei.
14.Men behoort niet meer aan vrouw, kinderen en huis gehecht te zijn dan in de geopenbaarde Schriften wordt voorgeschreven.
15. Men dient gelukkig noch verdrietig te zijn met betrekking tot de gevoelens van voorkeur en afkeer die in de geest ontstaan.
16.Men behoort een zuivere toegewijde van de Persoonlijkheid Gods, Śrī Kṛṣṇa, te worden en Hem met opgetogen aandacht te dienen.
17. Men dient een voorkeur te ontwikkelen voor het verblijven op eenzame plaatsen met een kalme en rustige sfeer, die zich leent voor geestelijke groei, en zo de drukke omgevingen te vermijden waar de niet-toegewijden samenstromen.
18. Men dient een wetenschappelijke of filosofische belangstelling te ontwikkelen, zich in geestelijke kennis te verdiepen - niet in materiële kennis - en daarbij in te zien dat geestelijke kennis eeuwig is, terwijl er met de dood van het lichaam tevens een eind komt aan de opgedane materiële kennis.
Deze achttien onderdelen vormen een geleidelijke methode voor het ontwikkelen van ware kennis. Naast deze achttien genoemde activiteiten, wordt elke verdere activiteit van wat voor aard dan ook naar de categorie onwetendheid verwezen. Srila Bhaktivinoda Thākura, een groot ācārya, zei dat alle vormen van materiële kennis slechts uiterlijke aspecten van de illusoire energie zijn en dat degenen die zich erin verdiepen geen haar verstandiger worden dan een ezel. Sommige materialistische politici, gehuld in de kledij der geestelijke stand, schandvlekken het huidige beschavings-systeem als satanisch, maar ongelukkigerwijs voelen ze er niet voor de ware kennis op te doen, zoals die in de Bhagavad-gīta verstrekt wordt, en daarom kunnen ze de door hen gewraakte satanische toestand niet veranderen.
Zoals de zaken er tegenwoordig voor staan, wanen zelfs jongens zich eigen baas en hebben geen eerbied voor oudere mensen. Zo zijn als gevolg van een verkeerd type onderwijs, dat aan onze universiteiten gegeven wordt, de jongens over de hele wereld een plaag voor de ouderen geworden. Daarom waarschuwt de Śrī Īśopaniṣad uitdrukkelijk dat het ontwikkelen van onwetendheid tot andere resultaten leidt dan het ontwikkelen van kennis. De universiteiten zijn, om zo te zeggen, slechts centra van onwetendheid, en daardoor komt het dat de wetenschappelijk onderzoeker zich bezighoudt met het uitvinden van dodelijke wapens, waarmee andere landen van de kaart kunnen worden geveegd. De studenten aan de universiteiten van vandaag krijgen geen onderricht inzake de beginselen van brahmacarya, de inleiding tot het geestelijk leven, en ze hechten geen geloof aan de juistheid van de geboden der geopenbaarde Schriften. Religieuze beginselen worden alleen onderwezen tot meerdere glorie van de geestelijke of hoogleraar die ze onderwijst en niet om ermee aan de slag te gaan in de praktijk. Daarom heerst er niet alleen op sociaal en politiek, maar ook op religieus terrein vijandschap.
Ook de ontwikkeling van het nationalisme in verschillende delen van de wereld komt op rekening van deze onwetende manier waarop de mensheid onderwezen wordt. Men is er niet van op de hoogte dat deze kleine aarde slechts een brokje materie is dat tezamen met vele andere brokjes ronddrijft in de onmetelijke stoffelijke ruimte. Vergeleken met de uitgestrektheid van de ruimte zijn deze brokjes materie niet groter dan stofpluisjes in de lucht. Omdat God deze brokjes materie in Zijn goedheid tot volkomen eenheden heeft gemaakt, zijn ze er volmaakt op berekend en van alles voorzien om in de ruimte rond te drijven. Degenen die onze ruimtecapsules besturen zijn bijzonder trots op hun prestaties, maar slaan geen acht op de Allerhoogste Bestuurder van deze grotere, reusachtige ruimtevaartuigen, die planeten worden genoemd.
Er zijn ontelbare zonnen die hun eigen ruimte opeisen, met ontelbare, verschillende planetenstelsels. Wij, nietige schepselen, oneindig kleine deeltjes van de Opperheer, trachten in de kringloop van geboorte en dood het onbegrensde planeten-rijk in onze macht te krijgen, maar worden algemeen gefrustreerd door ziekte en ouderdom. De duur van een mensenleven is afgesteld op ongeveer 100 jaar, maar hij neemt geleidelijk af tot hij de grens van 20 å 30 levensjaren bereikt. Dankzij het feit dat ze zijn opgeleid in onwetendheid, zijn de verdwaasde mensen ertoe overgegaan op deze planeten hun eigen nationalisme te creëren, waarbinnen ze gedurende deze schamele 20 à 30 jaar slechts zinsbevrediging najagen. Deze dwazen bedenken het ene plan na het andere om een speciaal afgebakend stukje aarde zo volmaakt mogelijk te maken, hetgeen volstrekt belachelijk is. En omdat dit hun doel is, is iedere natie een bron van onrust voor alle naties. Ze steken meer dan 50 percent van hun energie in defensieactiviteiten, zonder ook maar enige aandacht te schenken aan het ontwikkelen van een werkelijke beschaving, die op kennis berust, en ze tonen zich trots op hun verméende vooruitgang op zowel materieel als geestelijk gebied.
De Śrī Īśopaniṣad waarschuwt ons tegen deze verkeerde manier van beschaven en de Bhagavad-gitā geeft aanwijzingen hoe men werkelijke kennis dient te ontwikkelen. In deze mantra wordt indirect te verstaan gegeven dat men zich in vidyā, kennis, dient te laten onderrichten door een dhīra. Dhira betekent onverstoorbaar, niet te verstoren door de materiële illusie. Niemand kan onverstoorbaar zijn, tenzij en voordat hij tot volmaakte geestelijke zelfverwerkelijking is gekomen. Wanneer men geestelijk volmaakt verwerkelijkt is, heeft men er geen enkel verlangen naar zich dingen te verwerven en voelt men geen enkel verdriet wanneer men dingen kwijtraakt. Een dhira beseft volkomen dat het stoffelijk lichaam en de stoffelijke geest, die hij zich door contact met de materie verworven heeft, wezensvreemde elementen zijn, en daarom maakt hij van deze miskoop zo goed mogelijk gebruik.
Het stoffelijk lichaam en de stoffelijke geest zijn beide een miskoop voor het geestelijke levende wezen. Het levende wezen heeft in de levende wereld verschillende functies, maar deze stoffelijke wereld is dood. Zo lang de levende geestelijke vonken er brokken dode stof hanteren, lijkt de dode wereld een levende wereld. Maar in werkelijkheid zijn het de levende zielen, de integrerende deeltjes van het allerhoogste levende Wezen, die de wereld laten bewegen. De dhira's zijn degenen die deze feiten hebben vernomen door naar de hogere autoriteiten te luisteren en die ze als waar hebben doorschouwd door zich te houden aan de naleving der regulerende principes.
Om de regulerende principes te kunnen naleven, dient men de bescherming te aanvaarden van een bona fide geestelijk leraar. De bovenzinnelijke boodschap wordt door de geestelijk leraar tegelijk met de regulerende principes aan de leerling doorgegeven, dus niet op de lukrake manier waarop de-mensen in onwetendheid worden geschoold. Men kan alleen dhīra worden als men nederig luistert naar de boodschap van de Persoonlijkheid Gods. De volmaakte leerling is iemand als Arjuna en de geestelijk leraar moet zo goed zijn als de Heer Zelf. Zo leert men vidyā, kennis, van de dhira, de onverstoorbare.
De adhīra, iemand die zich niet bekwaamd heeft zoals de dhīra, kan het leerproces nooit in goede banen leiden. Moderne politici die zich als dhīra's voordoen zijn in wezen adhira's.Men mag van hen geen volmaakte kennis verwachten. Ze hebben meer aandacht voor de dollars en ponden waarmee ze beloond willen worden. Hoe kunnen zij de massa voorgaan op de rechte weg der zelfverwerkelijking? Verlangt men werkelijke levens-ontwikkeling, dan dient men nederig naar de dhira te luisteren.
Verse text
vidyāṁ cāvidyāṁ ca yas
tad vedobhayaḿ saha
avidyayā mṛtyuṁ tīrtvā
vidyayāmṛtam aśnute
tad vedobhayaḿ saha
avidyayā mṛtyuṁ tīrtvā
vidyayāmṛtam aśnute
Synonyms
vidyām — werkelijke kennis; ca — en; avidyām — onwetendheid; ca — en; yaḥ — iemand die; tat — dat; veda — weet; ubhayam — beide; saha — tegelijk; avidyayā — door de bevordering van onwetendheid; mṛtyum — herhaalde dood; tīrtvā — transcenderend; vidyayā — door de bevordering van kennis; amṛtam — onsterfelijkheid; aśnute — geniet.
Translation
Alleen wie kan leren begrijpen hoe onwetendheid werkt én hoe bovenzinnelijke kennis werkt, kan aan de invloed van de kringloop van geboorte en dood ontstijgen en de volkomen zegeningen der onsterfelijkheid genieten.
Purport
Sinds het begin van de stoffelijke wereld streeft iedereen naar een eeuwig leven, maar de wet der natuur is zo wreed, dat niemand aan de hand des doods heeft weten te ontsnappen. Niemand wil sterven - dat is een nuchter feit. Evenmin wil men oud of ziek worden. De wet der natuur vrijwaart echter niemand van ziekte, ouderdom en dood. De vooruitgang der technisch-materiële kennis heeft deze levensproblemen niet uit de weg geruimd. De materiële wetenschap heeft weliswaar de kernbom weten te vervaardigen, die het stervensproces slechts versnelt, maar ze vermag niets uit te vinden dat de mens kan beschermen tegen de klauwen van ziekte, ouderdom en dood.
De Purāṇas vertellen ons van de activiteiten van Hiranyakasipu: deze koning had het materieel zeer ver gebracht en op grond van zijn stoffelijke macht, dus op grond van zijn onwetendheid, wilde hij de dood overwinnen. Hij wijdde zich aan een type meditatie dat zo streng was, dat door de mystieke krachten die hij hierdoor verkreeg alle planetenstelsels van slag raakten. Hij dwong de schepper van het universa, de halfgod genaamd Brahmā, naar beneden te komen en vroeg hem om de gunst, amara – onsterfelijk - te mogen worden. Brahmā weigerde hem dit toe te zeggen, omdat zelfs hij, de schepper van de materiële kosmos, die alle planeten gebiedt, niet eens amara is. Er is hem weliswaar een lang leven toegemeten, zoals in de Bhagavad-gītā bevestigd wordt (B.g., 8.17), maar dit houdt niet in dat hij niet sterven zal.
Hiranya betekent goud en kasipu betekent zacht bed. Hiranyakasipu had slechts voor deze twee zaken belangstelling -geld en vrouwen. En hij wilde hiervan eeuwig genieten door zich op kunstmatige wijze onsterfelijkheid te verwerven. In de hoop dat hij hiermee op slinkse wijze tóch amara zou worden, vroeg hij Brahmā een kombinatie van andere gunsten. Zo vroeg hij niet gedood te zullen worden door een mens, een dier, een god of willekeurig wat voor wezen uit de reeks der 8.400.000soorten. Hij verzocht tevens niet te hoeven sterven op land, in de lucht, in het water of door wapenletsel. En zo vroeg dit heerschap maar door, in zijn dwaasheid denkend dat hij zo aan de dood zou kunnen ontkomen. Hoewel Brahmā hem alle gevraagde gunsten verleende, werd hij tenslotte gedood door de Persoonlijkheid Gods in Zijn half mens-,half leeuw-gedaante. En de Heer doodde hem niet met een wapen, maar met Zijn nagels. En hij werd niet te land, in de lucht of in het water gedood, maar op de schoot van het vreemdsoortige levende wezen, waarvan hij zich het bestaan niet had kunnen voorstellen.
Waar het hier om gaat, is dat zelfs Hiranyakaśipu, de aller-machtigste materialist, niet onsterfelijk kon worden, wat voor plannen hij ook bedacht. Wat zullen dan de kleine Hiraņyakasipu's van vandaag kunnen uitrichten met al hun plannen, die steeds weer in de kiem worden gesmoord?
De Śrī Īśopaniṣad leert ons dat we geen eenzijdige pogingen moeten doen de strijd om het bestaan te winnen. Iedereen vecht hard om lijfsbehoud, maar de wet der natuur gaat zo streng en snel te werk, dat ze niemand toestaat haar te glad af te zijn. Wil men eeuwig leven, dan dient men bereid te zijn terug te keren naar God.
De methode van terugkeer naar God is eenaparte tak van kennis, die men zich eigen kan maken door bestudering van de geopenbaarde Vedische Schriften, zoals de Upaniṣads, de Vedānta, de Bhagavad-gītā, het Śrīmad-Bhāgavatam enz. Wil men dus nog in dit leven gelukkig worden en na het verlaten van dit stoffelijk lichaam in zalige eeuwigheid voortleven, dan dient men zich in deze heilige literatuur te verdiepen en zich zodoende bovenzinnelijke kennis te verwerven. Het geconditioneerde levende wezen is zijn eeuwige relatie met God vergeten en ziet het tijdelijk oord waarin het geboren is als de enige bestaande werkelijkheid. In Zijn goedheid heeft de Heer de bovengenoemde Schriften in India geopenbaard, en andere Schriften in andere landen, teneinde het vergeetachtige menselijke wezen eraan te herinneren dat zijn werkelijke huis niet hier in deze stoffelijke wereld is. Het levend wezen is van nature geestelijk en kan alleen gelukkig zijn als het terugkeert naar zijn geestelijke woning, bij God.
Vanuit Zijn koninkrijk zendt de Persoonlijkheid Gods Zijn vertrouwde dienaren om de levende wezens te verkondigen dat ze moeten terugkeren naar God, en soms daalt Hij Zelf neer om deze taak te verrichten. Alle levende wezens zijn Zijn geliefde zonen, Zijn volkomen delen, en daarom heeft God meer verdriet dan wijzelf om het leed dat we in de stoffelijke toestand voortdurend ondergaan. De ellenden van de stoffelijke wereld vestigen indirect onze aandacht op ons onvermogen de dode stof te overwinnen; wie intelligent is laat zich door zulke tekenen waarschuwen en wijdt zich met zijn intelligente medemensen aan de ontwikkeling van vidyā of bovenzinnelijke kennis. Het menselijk leven vormt de beste gelegenheid om geestelijke kennis te ontwikkelen en het menselijk wezen dat van deze gelegenheid, hem door het mensenleven geboden, geen gebruik maakt wordt een narādhama, een figuur van het laagste allooi, genoemd.
De weg der avidyā, of der stoffelijke kennisontwikkeling ten behoeve van het zingenot, betekent herhaling van dood en tevens herhaling van geboorte. Geestelijk gesproken, zoals het is, kent het levend wezen geboorte noch dood. Geboorte en dood hebben slechts betrekking op het stoffelijk omhulsel van de geestelijke ziel, op het lichaam, en worden vergeleken met het aan-en uittrekken van telkens weer andere kleren. Maar de dwaze menselijke wezens die volkomen opgaan in het bevorderen van avidyā, onwetendheid, slaan geen acht op deze wrede gang van zaken; doordat ze zich laten meeslepen door de schoonheid van de begoochelende energie, vervallen ze voortdurend in herhaling van dezelfde fouten, zonder ook maar iets van de wet der natuur te leren.
Het ontwikkelen van vidyā of bovenzinnelijke kennis is voor het menselijk wezen van essentieel belang. Ongebreideld zingenot, dat de zinnen nog meer verziekt en verstoffelijkt, moet zo veel mogelijk worden beperkt. Ongebreideld zingenot in deze lichamelijke toestand is de weg van onwetendheid en dood. De levende wezens zijn overigens niet zonder gééstelijke zinnen. Ieder levend wezen heeft, in zijn oorspronkelijke gedaante, alle zinnen die nú stoffelijk zijn, verhuld door het grof-en het fijnstoffelijk lichaam. De activiteiten van de stoffelijke zinnen zijn het omgekeerde van geestelijke speel-activiteiten. Dat de ziel nu haar activiteiten op materieel gebied ontplooit geeft aan dat ze zich in verziekte staat bevindt. Werkelijk zingenot is pas mogelijk wanneer de ziekte is weggenomen. In onze zuivere geestelijke gedaante, waarin we van alle stoffelijke smetten vrij zijn, is zuíver zingenot mogelijk. Het behoort dan ook het doel van het mensenleven te zijn geen ziekelijk zingenot na te jagen, maar de materiële ziekte te genezen. Wie de materiële ziekte verergert geeft daarmee geen blijk van inzicht en kennis. Het laat zien dat men liever avidyā, onwetendheid, ontwikkelt. Wil men goed gezond zijn, dan dient men de koorts niet van 39 graden op te drijven naar 40: hij moet worden teruggebracht tot de normale temperatuur van 37 graden. Dat dient ons doel in dit mensenleven te zijn. De huidige materiële beschaving is alleen maar geneigd de stoffelijke koortstoestand te verergeren, ook al is met de kernwapens de temperatuur al opgelopen tot 40 graden en ook al schreeuwen de dwaze politici dat de wereld ieder ogenblik naar de hel kan gaan. Dat is het resultaat van vooruitgang in materiële kennis en van de verwaarlozing van het allerbelangrijkste levensaspect, de ontwikkeling van geestelijke kennis. De Śrī Īśopaniṣad waarschuwt dat we deze gevaarlijke weg, die ons naar de dood leidt, niet moeten volgen. We dienen integendeel eendrachtig onze geestelijke kennis tot ontwikkeling te brengen, zodat we ons volkomen kunnen bevrijden uit de wrede handen van de dood.
Dit houdt niet in dat we de geijkte activiteiten met betrekking tot het onderhoud van ons lichaam moeten beëindigen. Er is geen sprake van dat we ophouden met bezig zijn, zoals we evenmin, wanneer we herstellende zijn van een ziekte, onze temperatuur proberen terug te brengen tot nul. We hebben de onderhavige kwestie al proberen te verduidelijken aan de hand van de uitdrukking dat we een miskoop zo nuttig mogelijk dienen te besteden. De ontwikkeling van geestelijke kennis dient te geschieden met behulp van dit lichaam en deze geest en derhalve moeten we, willen we ons doel bereiken, lichaam en geest in goede conditie houden. We dienen onze temperatuur gewoon op 37 graden te houden en haar niet als onzinnigen op te voeren tot boven de 40. De grote wijzen en heiligen van India streefden ernaar hun temperatuur normaal te houden door zichzelf een uitgebalanceerde dosis materiële en geestelijke kennis toe te dienen. Ze stonden nooit toe dat de mensen hun verstand misbruikten voor ziekelijk zingenot.
Menselijke activiteiten die door het verlangen naar zinsbevrediging zijn aangetast worden in de Veda's gereguleerd aan de hand van de principes der verlossing. Dit systeem heeft vier onderdelen: religie, economische ontwikkeling, zins-bevrediging en verlossing. In het huidige tijdsgewricht zijn de mensen noch in religie, noch in verlossing geïnteresseerd. Ze kennen slechts één levensdoel-zinsbevrediging. En om dit doel te bereiken bedenken ze van alles om zich economisch te ontwikkelen. De misleide mens denkt dat men er religie op na moet houden vanwege het nut hiervan voor de economische ontwikkeling en dat economische ontwikkeling nodig is om de zinnen goed te kunnen bevredigen. En om zich ervan te verzekeren dat men na de dood, in de hemel, voort kan blijven genieten met zijn zinnen, dient men bepaalde religieuze gebruiken in ácht te nemen. Dit is echter niet de bedoeling van de Vedische verlossings-regels. De weg der religie heeft in feite zelfverwerkelijking ten doel. Er is slechts in zoverre economische ontwikkeling nodig als men middelen nodig heeft om het lichaam fit en gezond te houden. Een mens dient in gezonde conditie te verkeren, opdat de geest ongestoord kan meewerken aan het doorschouwen van vidyā, de ware kennis, die het doel des levens is. Dit leven is er niet voor bedoeld om ons als ezels af te sloven of om avidyā te ontwikkelen of ons slechts met zinsbevrediging bezig te houden.
De weg der vidyā wordt het meest volmaakt veraanschouwelijkt in het Śrimad-Bhāgavatam. Het Bhāgavatam laat het levend wezen zien hoe het zijn leven moet benutten om te onderzoeken wat de Absolute Waarheid is. De Absolute Waarheid wordt in drie opeenvolgende fasen doorschouwd: Brahman, Paramātmā en tenslotte Bhagavān, de Persoonlijkheid Gods. Deze Absolute Waarheid wordt doorgrond door de mens die ruim van opvatting is en zich kennis en onthechting heeft verworven door zich aan de 18 regels van de Bhagavad-gitā te houden, die hiervóór zijn opgesomd. Het centrale punt van deze 18 regels is dat men het niveau der bovenzinnelijke toegewijde dienst aan de Persoonlijkheid Gods bereikt. Daarom wordt alle klassen van mensen aanbevolen zich te bekwamen in de kunst der toegewijde dienst aan de Heer.
De weg die feilloos naar het doel – vidyā - leidt, wordt door Srī Rūpa Gosvāmī beschreven in zijn Bhakti-rasāmrta-sindhu, dat we in het Engels hebben uitgegeven onder de titel The Nectar of Devotion. Hoe men vidyā ontwikkelt, wordt door het Srimad-Bhāgavatam als volgt kort samengevat:
tasmād ekena manasā
bhagavān sātvatāṁ patiḥ
śrotavyaḥ kīrtitavyaś ca
dhyeyaḥ pūjyaś ca nityadā
bhagavān sātvatāṁ patiḥ
śrotavyaḥ kīrtitavyaś ca
dhyeyaḥ pūjyaś ca nityadā
"Daarom dienen toegewijden voortdurend over de Persoonlijkheid Gods (Bhagavān), die hun beschermer is, te horen en Hem te verheerlijken, gedenken en aanbidden.”(1.2.14).
Religie, economische ontwikkeling en zinsbevrediging, zonder de bedoeling hierdoor het niveau der toegewijde dienst aan de Heer te bereiken, zijn slechts verschillende vormen van onwetendheid, zoals de Śrī Īśopaniṣad hierna zal laten zien. Dus om vidyā te ontwikkelen dient men, met name in dit tijdperk, voortdurend met geconcentreerde aandacht-te luisteren, zingen en aanbidden, het hart gericht op de Persoonlijkheid Gods, de Heer degenen die het bovenzinnelijke deelachtig zijn.
Verse text
andhaṁ tamaḥ praviśanti
ye ’sambhūtim upāsate
tato bhūya iva te tamo
ya u sambhūtyāḿ ratāḥ
ye ’sambhūtim upāsate
tato bhūya iva te tamo
ya u sambhūtyāḿ ratāḥ
Synonyms
andham — onwetendheid; tamaḥ — duisternis; praviśanti — gaan binnenin; ye — die; asambhūtim — halfgoden; upāsate — aanbidden; tataḥ — meer dan dat; bhūyaḥ — weer; iva — zoals; te — die; tamaḥ — duisternis; ye — die; u — ook; sambhūtyām — in het Absolute; ratāḥ — bezig met.
Translation
Degenen die zich bezighouden met het vereren van halfgoden gaan binnen in de diepste duisternis der onwetendheid en dit geldt in nog sterker mate voor de vereerders van het Absolute.
Purport
Het Sanskrit woord asambhūti heeft betrekking op degenen die geen onafhankelijk bestaan hebben. Sambhūti is de Absolute Persoonlijkheid Gods, die absoluut onafhankelijk van alles is. In de Bhagavad-gitā beschrijft de Absolute Persoonlijkheid Gods Zichzelf in positieve termen als volgt:
na me viduḥ sura-gaṇāḥ
prabhavaṁ na maharṣayaḥ
aham ādir hi devānāṁ
maharṣīṇāṁ ca sarvaśaḥ
prabhavaṁ na maharṣayaḥ
aham ādir hi devānāṁ
maharṣīṇāṁ ca sarvaśaḥ
"Ik ben de diepste oorzaak van de machten die zijn toevertrouwd aan de halfgoden, de grote wijzen en de mystici. En aangezien ze met beperkte macht begiftigd zijn, is het voor hen bijzonder moeilijk te begrijpen hoe Ik Zelf, vanuit Mijn innerlijk alvermogen, in de gedaante van een mens verschijn."(B.g.,10.2)
Alle filosofen en grote ṛṣi’s, of mystici, trachten met hun kleine verstand het Absolute van het relatieve te onderscheiden. Dit kan ze echter hooguit zo ver brengen, dat ze de relativiteit verwerpen, zonder dat dit ze evenwel tot enig positief inzicht in het Absolute heeft gebracht. Dergelijke negatieve benaderingen leiden ertoe dat men zich er zelf maar een idee van maakt, waarbij men zich dan indenkt dat het Absolute vormloos en zonder eigenschappen moet zijn. Deze ontkenningen zijn niets anders dan het tegendeel van de relatieve vormen en eigenschappen en zijn daarom op hun beurt relatief. Met zo'n opvatting over het Absolute komt men op zijn best uit bij de onpersoonlijke uitstraling van God, die we kennen als Brahman; maar men kan niet doordringen tot het niveau van Bhagavān, de Persoonlijkheid Gods.
Dergelijke theoretici weten niet dat Kṛṣṇade Absolute Persoonlijkheid Gods is en dat het onpersoonlijk Brahman de stralende gloed is van Zijn bovenzinnelijk lichaam, terwijl Paramātmā, de Superziel, Zijn allesdoordringende tegenwoordigheid is. Ze weten niet dat Kṛṣṇa Zijn eeuwige gedaante heeft, met bovenzinnelijke eigenschappen als eeuwige gelukzaligheid en kennis. De afhankelijke halfgoden en grote wijzen doorgronden Hem slechts ten dele en zien Hem als een der machtige halfgoden, maar de Brahman-gloed beschouwen ze als de uiteindelijke Absolute Waarheid. Kṛṣṇa’s toegewijden echter-die zich dankzij hun ongerepte toewijding aan Hem overgeven- kunnen weten dat Hij de Absolute Persoon is en dat alles alleen uit Hem voortkomt. Deze toegewijden bewijzen Kṛṣṇa, die de bron van alles is, ononderbroken liefdedienst.
In de Bhagavad-gitā wordt tevens gezegd (B.g.,7.20) dat alleen verwarde personen, die gedreven worden door een sterk verlangen naar zinsbevrediging, teneinde hun tijdelijke problemen uit de weg te ruimen de halfgoden aanbidden. Tijdelijk bevrijd worden van een bepaald probleem door tussenkomst van een halfgod - dat is wat minder intelligente personen nastreven. Het levend wezen is gevangen in de stof en moet volledig uit deze materiële gevangenschap verlost worden om zich blijvende opluchting te verwerven op het geestelijk vlak, waar eeuwige gelukzaligheid, levensduur en kennis heersen.
In de Bhagavad-gitā wordt gezegd (B.g., 7.23) dat degenen die de halfgoden aanbidden naar de planeten van de desbetreffende halfgoden kunnen gaan. De maan-aanbidders kunnen naar de maan gaan, de zonaanbidders naar de zon enz. De hedendaagse mens begeeft zich naar de maan met behulp van raketten, waarmee hij eigenlijk niet nieuws doet. Het menselijk wezen met zijn verhoogd bewustzijn is er van nature toe geneigd ruimtereizen te ondernemen en andere planeten te bezoeken, hetzij met behulp van ruimtevaartuigen, hetzij door mystieke krachten, hetzij door de halfgod te aanbidden die over de planeet van bestemming heerst. In de Vedische geschriften wordt gezegd dat men op alle hierboven aangegeven wijzen, het meest door aanbidding van de halfgod die over de te bezoeken planeet heerst, andere planeten kan bereiken. Deze planeten echter zijn tijdelijke oorden van verblijf; de enige permanente planeten zijn de Vaikuņtha-loka's, die men in de geestelijke hemel vindt, waar de Persoonlijkheid Gods de scepter zwaait. De Bhagavad-gitā bevestigt dit als volgt:
ā-brahma-bhuvanāl lokāḥ
punar āvartino ’rjuna
mām upetya tu kaunteya
punar janma na vidyate
punar āvartino ’rjuna
mām upetya tu kaunteya
punar janma na vidyate
"Ook al weet men op te stijgen tot de hoogste planeet, Brahma-loka, dan zal men toch moeten terugkeren, Maar weet iemand Míj te bereiken (in de geestelijke wereld), dan hoeft hij geen wedergeboorte meer te ondergaan.”(B.g,,8.16)
De grootse en hoogste planeet in de brahmajyoti is Kṛṣṇaloka of Goloka Vņrdāvana, waar de Persoonlijkheid Gods, Kṛṣṇa, Zich bevindt. Heer Śrī Kṛṣṇa gaat nooit weg van Kṛṣṇa -loka, waar Hij Zich met Zijn eeuwige metgezellen ophoudt, en toch is Hij alomtegenwoordig in de gehele stoffelijke en geestelijke kosmische situatie. Dit feit is al toegelicht in de vierde mantra van de Śrī Īśopaniṣad. De Heer is overal tegenwoordig, zoals de zon overal zijn licht laat schijnen. Iemand kan zich met de grootst mogelijke snelheid van het ene naar het andere punt in de ruimte begeven en tot de ontdekking komen dat de zon ook dáár is, ook al heeft hij zijn vaste baan niet verlaten.
We kunnen het grote levensprobleem niet oplossen door naar de maan te reizen. Er zijn heel wat pseudo-aanbidders van de Heer, die zich uitsluitend met religie bezighouden om daarmee naam te maken en roem te oogsten. Zulke schijn-gelovigen koesteren allesbehalve de wens het universum te verlaten en de geestelijke hemel binnen te gaan. Ze willen slechts de status quo in de materiële wereld handhaven onder het mom dat ze zich voor de Heer verootmoedigen. De atheïsten en impersonalisten leiden deze dwaze schijn-gelovigen, door ze hun dwaalleer te verkondigen, de diepste duisternis binnen. De atheïst ontkent zonder meer dat er een Allerhoogste Persoonlijkheid Gods bestaat en de impersonalist steunt de atheïst door te verkondigen dat de Allerhoogste Heer niet als Persoon bestaat, Tot dusver zijn we in de Śrī Īśopaniṣad geen mantra tegengekomen waarin het bestaan van de Persoonlijkheid Gods ontkend wordt. Wel wordt er gezegd dat hij sneller kan draven dan iedereen. Degenen die naar de planeten draven zijn kennelijk personen en als de Heer sneller kan draven dan zij allemaal bij elkaar, waarom moet Hij dan als onpersoonlijk worden opgevat? De onpersoonlijke opvatting van de Opperheer is wederom een blijk van onwetendheid, die voortkomt uit een onvolmaakt inzicht in de Absolute Waarheid.
De onwetende schijn-gelovigen, die zichzelf tot incarnaties bombarderen - waarmee ze de Vedische geboden ronduit overtreden - lopen op deze manier alle kans dat ze in het duisterste oord van het universum zullen belanden, omdat ze hun volgelingen misleiden. De impersonalisten proberen doorgaans de onnozele massa, die niets van de Vedische kennis afweet, wijs te maken dat ze incarnaties van God zijn. Zouden deze dwazen ook maar een greintje kennis bezitten, dan zou deze kennis in hún handen nog gevaarlijker zijn dan onwetendheid op zichzelf. De impersonalisten aanbidden zelfs de halfgoden niet eens op de voorgeschreven wijze. In de Schriften wordt gezegd hoe men de halfgoden onder verschillende omstandigheden kan vereren, maar er wordt meteen bij gezegd dat het niet echt nodig is. In de Bhagavad-gitā wordt duidelijk verklaard (B.g., 7.23) dat de resultaten die men als gevolg van het aanbidden van halfgoden verkrijgt, niet blijvend zijn. De hele stoffelijke wereld is tijdelijk en daarom is alles wat hier in de duisternis van het materieel bestaan bereikt wordt eveneens tijdelijk. De vraag is dus: hoe verwerft men zich een werkelijk en blijvend leven?
De Heer verklaart dat zodra men tot Hem komt door toegewijde dienst - hetgeen de volstrekt énige manier is om de Persoonlijkheid Gods te naderen - men volkomen verlost wordt van de gevangenschap van geboorte en dood. Met andere woorden: de verlossing, of de bevrijding uit de kluisters van de materie, wordt alleen bereikt als men het tweevoudig beginsel van kennis en onthechting volgt. De schijngelovigen hebben geen kennis en evenmin onthechten ze zich van stoffelijke aangelegenheden, De meeste van ze willen blijven voortleven in de gouden ketenen der materiële gevangenschap, in de schaduw van altruïstische en filantropische activiteiten, uit naam van hun geloof. Uit onwaarachtige religieuze gevoelens bouwen ze een schijnvertoning van toegewijde dienst op, waarbij ze zich aan allerlei immorele praktijken overgeven terwijl ze voor geestelijk leraren en toegewijden Gods blijven doorgaan. Zulke overtreders van de religieuze beginselen hebben geen respect voor de gezaghebbende ācārya's, de heilige leraren in de zuivere linie der geestelijke erfopvolging; en om de mensheid in haar geheel te misleiden worden ze zelf zogenaamde ācārya's, zonder zich aan de voor ācārya's geldende principes te houden.
Deze schurken zijn de gevaarlijkste elementen in de menselijke samenleving en omdat het aan een religieus landsbestuur ontbreekt, kunnen ze hun gang blijven gaan zonder door de wet gestraft te worden. Ze kunnen echter niet ontkomen aan de wet van de Allerhoogste, die in de Bhagavad-gitā onomwonden heeft verklaard (B.g., 16.19-20) dat deze afgunstige demonen, die zich als ijverige gelovigen voordoen, in de diepste duisternis der hel geworpen zullen worden. In de Śrī Īśopaniṣad wordt bevestigd dat de schijn-gelovigen op weg zijn naar het meest onaangename oord in het universum, waar ze zullen arriveren zodra het eenmaal gedaan zal zijn met hun geestelijk leraarschap, dat louter op zinsbevrediging berust.
Verse text
anyad evāhuḥ sambhavād
anyad āhur asambhavāt
iti śuśruma dhīrāṇāṁ
ye nas tad vicacakṣire
anyad āhur asambhavāt
iti śuśruma dhīrāṇāṁ
ye nas tad vicacakṣire
Synonyms
anyat — verschillend; eva — zeker; āhuḥ — het wordt gezegd; sambhavāt — door de Opperheer, de oorzaak aller oorzaken, te aanbidden; anyat — verschillend; āhuḥ — het wordt gezegd; asambhavāt — door te aanbidden wat neit de Allerhoogste is; iti — zo; śuśruma — ik heb gehoord; dhīrāṇām — van de onverstoorbare autoriteiten; ye — die; naḥ — aan ons; tat — over dat onderwerp; vicacakṣire — volmaakt verklaard.
Translation
Men zegt dat wie de Opperheer aanbidt, de diepste grond aller gronden, ergens anders uitkomt dan wie het mindere aanbidt; de onverstoorbaren hebben dit met gezag en helderheid uiteengezet.
Purport
In deze mantra van de Śrī Īśopaniṣad wordt nog eens de nadruk gelegd op het leersysteem van luisteren naar de onverstoorbare meesters. Als men niet luistert naar de bona fide ācārya, die nimmer van streek raakt door de veranderingen van de stoffelijke wereld, kan men de werkelijke sleutel tot de bovenzinnelijke kennis niet ontvangen. De bona fide geestelijk leraar, die door luisteren de śruti mantra's of de Vedische kennis heeft vernomen van zijn onverstoorbare ācārya, bedenkt of verkondigt nooit iets wat niet in de. Vedische literatuur wordt vermeld. In de Bhagavad-gitā wordt duidelijk gezegd (B.g.,9.25) dat degenen die de pitṛ’s of voorvaders aanbidden bij de voorvaders komen, dat de grove materialist die in deze wereld wil blijven hier ook blijft, en dat de toegewijden van de Heer, die niemand anders dan Heer Kṛṣṇa, de diepste grond aller gronden aanbidden, Hem zullen bereiken in Zijn woning in de geestelijke hemel. Hier wordt in de Śrī Īśopaniṣad tevens gezegd dat verschillende wijzen van aanbidden tot verschillende resultaten leiden. Als we de Opperheer aanbidden, zullen we beslist tot de Opperheer in Zijn eeuwige woning komen, en als we halfgoden als de zon en de maan aanbidden, lijdt het geen twijfel dat we hun planeten zullen bereiken. En willen we hier op deze ellende-planeet blijven met onze plan-kommissies en onze politiek van het ene gat dichten door een ander gat te maken, dan kan dat zeer zeker ook.
Er wordt nergens in de authentieke schriften gezegd dat men wat men ook doet en wie men ook aanbidt, uiteindelijk altijd hetzelfde doel bereikt, Dit soort dwaze theorieën wordt gedebiteerd door personen die zichzelf tot meester hebben bevorderd, maar die geheel los staan van de paramparā, het bona fide systeem van de erfopvolging der geestelijk leraren. De bona fide geestelijk leraar kan niet zeggen dat iedereen, wie hij ook vereert - of het nu de halfgoden zijn of de Allerhoogste - op hetzelfde punt uitkomt. Een normaal mens kan heel makkelijk begrijpen dat iemand die een treinkaartje naar Bombay heeft gekocht, alleen de bestemming kan bereiken waarvoor hij zijn kaartje heeft gekocht en geen andere. Iemand die een kaartje naar Calcutta heeft gekocht, kan in Calcutta komen. Maar er zijn tegenwoordig "meesters"' die prediken dat men, wat voor kaartje men ook heeft, er het Allerhoogste Doel mee zal bereiken. Zulke wereldse gulden-middenweg-aanbiedingen verleiden vele dwaze schepselen ertoe parmantig rond te stappen met hun zelfbedachte zelfverwerkelijkings-methode, maar ze voldoen niet aan de Vedische maatstaven. Tenzij men de kennis heeft ontvangen van een bona fide geestelijk leraar - iemand die tot de erkende linie van de geestelijke erfopvolging behoort -kan men de werkelijkheid niet leren kennen zoals ze is. De Bhagavad-gitā zegt:
evaṁ paramparā-prāptam
imaṁ rājarṣayo viduḥ
sa kāleneha mahatā
yogo naṣṭaḥ parantapa
imaṁ rājarṣayo viduḥ
sa kāleneha mahatā
yogo naṣṭaḥ parantapa
"O bestraffer van de vijand, zo waren de yoga-beginselen (van de Gitā) aan de grote koningen bekend. Maar aangezien de paramparā (de geestelijke erfopvolging) verbroken is, schijnen deze beginselen nu verloren te zijn gegaan.” (B.g.,4.2)
Toen Śrī Kṛṣṇa in deze wereld rondging, waren de principes van bhakti-yoga, zoals ze in de Bhagavad-gitā worden uiteengezet, ontwricht en daarom moest de Heer een nieuwe geestelijke erfopvolging instellen, te beginnen bij Arjuna, die 's Heren trouwste vriend en toegewijde was. De Heer zei letterlijk tot Arjuna (B.g., 4.3) dat hij de beginselen van de Gitā kon begrijpen omdat hij Zijn toegewijde en vriend was. Met andere woorden: wie geen toegewijde en vriend van de Heer is, kan de Gitā niet begrijpen. Dit betekent dat alleen degene die de weg van Arjuna volgt de Gitā kan begrijpen.
Er zijn tegenwoordig veel mensen die uitleg geven aan de verheven tweespraak tussen Kṛṣṇa en Arjuna, hoewel ze niets met hen gemeen hebben. Ze interpreteren de verzen van de Bhagavad-gitā naar eigen inzicht en verkopen allerlei onzin in naam van de Gitā. Deze uitleggers geloven noch in Srī Kṛṣṇa, noch in Zijn eeuwige Woning. Dus wat kunnen zij dan eigenlijk aan de Bhagavad-gitā uitleggen?
De Gitā zegt duidelijk (B.g., 7.20) dat alleen degenen die hun verstand verloren hebben de halfgoden aanbidden. Kṛṣṇa raadt uiteindelijk aan (B.g., 18.66) dat men alle andere vormen van aanbidding moet laten varen en Zich volkomen overgeven aan Hem alleen. Degenen die geheel gereinigd zijn van de teruggeslagen van hun vroeger zondig doen en laten kunnen onwankelbaar geloven in de Opperheer. Anderen, met hun armzalige eigen godsdienst, zullen in de materiële sfeer blijven hangen en zo van het rechte pad af dwalen in de waan dat alle wegen naar hetzelfde doel leiden.
In deze mantra is het Sanskrit woord sambhavāt, aanbidding van de diepste grond, zeer belangrijk. Heer Kṛṣṇa is de oorspronkelijke Persoonlijkheid Gods en alles wat bestaat is uit Hem voortgekomen. In de Gitā verklaart de Heer wie Hij is (B.g., 10.8).
ahaṁ sarvasya prabhavo
mattaḥ sarvaṁ pravartate
iti matvā bhajante māṁ
budhā bhāva-samanvitāḥ
mattaḥ sarvaṁ pravartate
iti matvā bhajante māṁ
budhā bhāva-samanvitāḥ
In deze mantra is het Sanskrit woord sambhavāt, aanbidding van de diepste grond, zeer belangrijk. Heer Kṛṣṇa is de oorspronkelijke Persoonlijkheid Gods en alles wat bestaat is uit Hem voortgekomen. In de Gitā verklaart de Heer wie Hij is (B.g., 10.8). Hij zegt daar dat Hij de schepper is van iedereen, met inbegrip van Brahmā, Viṣṇu en Śiva. En omdat deze drie voornaamste goden van de stoffelijke wereld door de Heer geschapen zijn, is Hij de schepper van al wat bestaat in de stoffelijke en geestelijke wereld.
In de Atharva Veda wordt evenzo gezegd dat Eén die bestond vóór de schepping van Brahmā en Eén die Brahmā verlichtte met Vedische kennis, Heer Kṛṣṇa is. “De Allerhoogste Persoon wenste de levende wezens te scheppen en derhalve schiep Nārāyaṇa alle wezens. Uit Nārāyaṇa werd Brahmā geboren. Nārāyaņa schiep alle Prajāpati's. Nārāyaņa schiep Indra, Nārāyaṇa schiep de acht Vasu's. Nārāyaṇa schiep de elf Rudra's. Nārāyaṇa schiep de twaalf Āditya's.” Aangezien deze Nārāyaṇade volkomen openbaring is van Heer Krsna, zijn Nārāyaņa en Krsņa één en dezelfde.
Er zijn ook jongere geschriften waarin staat dat dezelfde Opperheer de zoon van Devakī is. Dat Hij geboren werd als zoon van Devakī en Vasudeva en dat Hij dezelfde is als Nārāyaņa wordt ook door Śrīpad Śaṅkarācārya bevestigd, hoewel Sańkara niet tot de Vaisnava's of personalisten behoort. De Atharva Veda geeft in dit opzicht nog meer te lezen: "Alleen Nārāyaņa bestond in het begin en er viel niets te bekennen van Brahmā of Śiva, noch van Agni, het vuur, noch van water. Er waren geen sterren, er was geen zon, geen maan. Hij blijft niet alleen. Hij schept naar Hij het wenst.” In het Mokṣa-dharma wordt gezegd: “Ik schiep de Prajāpati's en de Rudra's. Ze hebben geen volkomen kennis aangaande Mij, want ook zij zijn door Mijn begoochelende energie omsluierd," in de Varāha Purāṇa staat: “Nārāyaņa is de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods en uit Hem werd de vier-hoofdige Brahmā geopenbaard, evenals Rudra, die later alwetend werd.”
Zo bevestigt de gehele Vedische literatuur de opvatting dat Nārāyaņa of Kṛṣṇa de grond aller gronden is. Ook in de Brahma-samhitā wordt gezegd dat de Opperheer Śrī Kṛṣṇa is. Hij is Govinda, die ieder levend wezen in verrukking brengt en Hij is de oorspronkelijke grond aller gronden. Wie echt intelligent is, weet dit allemaal door het getuigenis van de grote wijzen en de Veda's en komt zo tot het besluit Heer Kṛṣṇa als de allesomvattende te aanbidden.
Men wordt buddha of echt intelligent of geleerd genoemd, wanneer men zich uitsluitend wijdt aan de verering van Kṛṣṇa. Men kan van Kṛṣṇa’s almacht overtuigd raken wanneer men met geloof en liefde naar de bovenzinnelijke boodschap van de onverstoorbare ācārya luistert. Wie geen geloof in of liefde voor Kṛṣṇa heeft, kan niet van deze eenvoudige waarheid worden overtuigd. De Bhagavad-gitā beschrijft zulke ongelovige personen als mūdha's, ezelachtige dwazen (B.g.,9.11). Men zegt dat de mūdha's de Persoonlijkheid Gods bespotten, omdat ze geen volkomen kennis bezitten via de onverstoorbare acārya. Wie in de war raakt van de kolkende bewegingen van de stoffelijke energie komt niet in aanmerking voor het ācārya-schap. Voordat Arjuna de Gītā hoorde raakte hij van streek door deze draaikolk-die het gevolg was van zijn liefde voor familie, gemeenschap en samenlevingen daarom wilde hij een menslievend, geweldloos man van de wereld worden. Maar toen hij buddha werd, doordat de Allerhoogste Persoon hem de Vedische kennis van de Bhagavad-gitā schonk, kwam hij terug op zijn besluit en werd een vereerder van Heer Śri Kṛṣṇa, die Zelf de Slag bij Kuruksetra op touw had gezet. Arjuna vereerde de Heer door tegen zijn zogenaamde familieleden ten strijde te trekken en zo werd hij een zuivere toegewijde van de Heer. Zulke resultaten kunnen alleen worden bereikt als men de ware Kṛṣṇa aanbidt en niet wanneer men een namaak-Kṛṣṇa vereert, die op de troon gezet is door een stel dwazen dat geen weet heeft van de finesses van de wetenschap aangaande Kṛṣṇa, zoals die beschreven wordt in de Gītā en het Srimad-Bhāgavatam.
Volgens de Vedānta-sūtra is de sambhūta de bron van geboorte en instandhouding en het reservoir waarin alles zich na de vernietiging verzamelt. Het Srimad-Bhāgavatam, het commentaar op de Vedānta-sūtra’sdoor de auteur van de Vedānta-sūtra zelf, verklaart dat de bron van alle emanaties geen dode steen is, maar abhijña of geheel bewust. Daarom zegt de oorspronkelijke Heer Srī Kṛṣṇa in de Gitā (B.g., 7.26) dat Hij Zich geheel bewust is van verleden, heden en toekomst; en dat niemand, met inbegrip van goden als Śiva en Brahmā, Hem geheel kent. Degenen die zich in de war laten brengen door de golfbewegingen van het stoffelijke bestaan kunnen Hem niet volledig kennen. Halfwas geestelijk leraren van dit type komen aandragen met een compromis, waarmee ze de massa der menselijke wezens tot object van verering uitroepen. Ze weten niet dat men de massa niet echt kan vereren en dat de massa niet volmaakt is. Het vereren van de massa is water op de bladeren van de boom gieten in plaats van op de wortel. Het normale vererings-proces is water gieten op de wortel, van waaruit de bladeren groeien. Maar de verdwaasde leiders van vandaag voelen zich meer tot de bladeren dan tot de wortel aangetrokken en daarom, ook al wordt het gebladerte voortdurend nat gehouden, droogt alles uit wegens gebrek aan voeding.
De Śrī Īśopaniṣad adviseert ons water te gieten op de wortel, die de bron is waaruit alles voortkomt. Het vereren van de massa door voor het lichamelijk welzijn van de mensen te zorgen kan nooit op volmaakte wijze geschieden en is minder belangrijk dan het dienen van de ziel. De ziel is de wortel die overeenkomstig de wet van karma, of van de gevolgen van het materiële doen en laten, de stoot geeft tot het ontwikkelen van verschillende typen lichamen. Wanneer men het menselijk wezen dient met medische hulp, sociale voorzieningen en onderwijsfaciliteiten, terwijl in de abattoirs de arme dieren worden afgeslacht, levert deze dienst geen enkel levend wezen enig voordeel op.
Het levend wezen lijdt voortdurend, in verschillende typen lichamen, aan de materiële kwaal van geboorte, ziekte, ouderdom en dood. De menselijke gedaante is een kans zich te
bevrijden uit de gebondenheid van het materieel bestaan. Men bevrijdt zich door gewoon de verbroken relatie met de Heer te herstellen. De Heer Zelf komt ons zeggen dat we ons moeten overgeven aan de Allerhoogste, de sambhūta. De mensheid wérkelijk dienen is haar leren hoe ze zich aan de Opperheer moet overgeven en hoe ze Hem alleen, met alle liefde en uit alle macht, aanbidden moet. Dat is wat de Śrī Īśopaniṣad ons in deze mantra leert.
bevrijden uit de gebondenheid van het materieel bestaan. Men bevrijdt zich door gewoon de verbroken relatie met de Heer te herstellen. De Heer Zelf komt ons zeggen dat we ons moeten overgeven aan de Allerhoogste, de sambhūta. De mensheid wérkelijk dienen is haar leren hoe ze zich aan de Opperheer moet overgeven en hoe ze Hem alleen, met alle liefde en uit alle macht, aanbidden moet. Dat is wat de Śrī Īśopaniṣad ons in deze mantra leert.
De gewone, eenvoudige manier om de Opperheer in dit tijdperk van verwarring te dienen is horen en zingen van Zijn grote daden. De theoretici echter achten de daden van de Heer fantasie en daarom luisteren ze niet en beginnen met woorden te goochelen, zonder er enige inhoud aan te geven, om de geest van de arme, argeloze massa te misleiden. In plaats van over de activiteiten van Heer Kṛṣṇa te horen, maken ze liever propaganda voor zichzelf en brengen hun volgelingen ertoe liederen over hen - de pseudo-geestelijk leraren - te zingen. In deze tijd is het aantal bedriegers aanzienlijk toegenomen en het is voor de zuivere toegewijde van de Heer een probleem geworden hoe ze de massa moeten redden van de heilloze propaganda van deze huichelaars en namaak-incarnaties van God.
De Upaniṣads vestigen indirect de aandacht op de oorspronkelijke Heer Sri Kṛṣṇa, en de Bhagavad-gitā, die de samenvatting is van alle Upaniṣads, wijst rechtstreeks naar Heer Kṛṣṇa. Men dient daarom uit de Gitā of het Srimad-Bhāgavatam over Kṛṣṇa te horen zoals Hij ís; op die manier reinigt men zijn geest geleidelijk van alle onzuiverheid. Het Bhāgavatam zegt: "Als men toegewijd hoort van de activiteiten van de Heer, wordt de aandacht van de Heer op de toegewijde gericht. En de Heer, die in het hart van ieder levend wezen is, helpt de toegewijde, door hem op de juiste wijze te leiden," Dit wordt tevens bevestigd door de Bhagavad-gitā (B.g., 10.10).
De innerlijke leiding die de Heer Zijn toegewijde geeft reinigt zijn hart van alle ongerechtigheid die voortkomt uit de materiële geaardheden hartstocht en onwetendheid. De niet-toegewijden worden bestuurd door hartstocht en onwetendheid. Door hartstocht kan men niet loskomen van zijn bindingen met de materie en door onwetendheid kan men niet te weten komen wat men precies is en wat de Heer is. Wanneer men zich dus in staat van hartstocht bevindt, heeft men geen enkele kans op zelfverwerkelijking, ook al hangt men nog zo de religieuze mens uit. De toegewijde daarentegen wordt door de genade van de Heer bevrijd van de geaardheden hartstocht en onwetendheid, waardoor hij terstond postvat in de derde geaardheid van de drieërlei aard der materiële natuur: in de geaardheid goedheid, waarin de echte brāhmana zich bevindt. Iedereen kan dit peil van de echte brāhmana bereiken, niemand uitgezonderd, mits men onder leiding van een bona fide geestelijk leraar de weg der toegewijde dienst bewandelt. Het Bhāgavatam zegt (2.4.18) dat elk wezen, hoe laag-geboren ook, zich kan louteren onder leiding van de zuivere toegewijde van de Heer, omdat de Heer zo buitengewoon machtig is.
kirāta-hūṇāndhra-pulinda-pulkaśā
ābhīra-śumbhā yavanāḥ khasādayaḥ
ye ’nye ca pāpā yad-apāśrayāśrayāḥ
śudhyanti tasmai prabhaviṣṇave namaḥ
ābhīra-śumbhā yavanāḥ khasādayaḥ
ye ’nye ca pāpā yad-apāśrayāśrayāḥ
śudhyanti tasmai prabhaviṣṇave namaḥ
Het eerste teken dat men het niveau van de brāhmana bereikt is dat de kandidaat gelukkig wordt en zich enthousiast betoont in 's Heren toegewijde dienst. Hierdoor wordt hem geleidelijk alles aangaande de wetenschap Gods onthuld. En naarmate hij meer kennis neemt van deze wetenschap, komt hij geleidelijk losser te staan tegenover zijn stoffelijke bindingen en verdwijnen de laatste twijfels uit zijn geest, die door de genade van de Heer glashelder wordt. Alleen in dit stadium kan men een bevrijde ziel worden en de Heer aanschouwen bij iedere stap die men in het leven doet. Dat is de volmaaktheid van sambhavāl zoals beschreven in deze mantra van de Śrī Īśopaniṣad.
Verse text
sambhūtiṁ ca vināśaṁ ca
yas tad vedobhayaḿ saha
vināśena mṛtyuṁ tīrtvā
sambhūtyāmṛtam aśnute
yas tad vedobhayaḿ saha
vināśena mṛtyuṁ tīrtvā
sambhūtyāmṛtam aśnute
Synonyms
sambhūtim — de eeuwige Persoonlijkheid Gods, Zijn bovenzinnelijke naam, vorm, spel, eigenschappen, attributen en de gevarieerdheid van Zijn woning enz.; ca — en; vināśam — en de tijdelijke stoffelijke openbaring van halfgoden, mensen, dieren enz. alsmede hun valse naam, roem enz.; ca — ook; yaḥ — zoals ze zijn; tat — dat; veda — weet; ubhayam — beide; saha — alsmede; vināśena — alles wat aan vernietiging onderhevig is; mṛtyum — de dood; tīrtvā — overtreffend; sambhūtyā — in het eeuwige koninkrijk Gods; amṛtam — onsterfelijkheid; aśnute — geniet.
Translation
Men dient volmaakte kennis te bezitten aangaande de Persoonlijkheid Gods en Zijn bovenzinnelijke naam, alsmede aangaande de tijdelijke stoffelijke schepping met haar tijdelijke halfgoden, mensen en dieren. Wanneer men dienaangaande kennis heeft, ontstijgt men aan de dood en de vergankelijke kosmische openbaring en geniet in het eeuwige koninkrijk Gods een eeuwig leven van kennis en gelukzaligheid.
Purport
De menselijke beschaving heeft door haar zogenaamde vooruitgang op het gebied van kennis en ontwikkeling vele stoffelijke zaken in het leven geroepen, zoals onder meer ruimtevaartuigen en atoomkracht. Maar ze is er niet in geslaagd een toestand te creëren waarin de mens niet hoeft te sterven, weer geboren te worden, oud te worden of aan ziekten te lijden. Telkens wanneer een intelligent persoon een wetenschapsman hierover aan de tand voelt, antwoordt deze, sluw ontwijkend, dat de materiële wetenschap vorderingen maakt en dat het uiteindelijk mogelijk zal blijken de mens van dood en ouderdom te vrijwaren. Dit soort antwoorden van de kant der materiële wetenschap laat zien hoe blind haar onwetendheid aangaande de materiële natuur is. In de materiële natuur is alles onderhevig aan de strenge wetten der stof en dient alles zes bestaans-fasen te doorlopen: geboorte, groei, tijdelijke volgroeide staat, overgang, verslechtering en tenslotte de dood. Niets wat met de materiële natuur in aanraking is kan zich aan de zes bovengenoemde bestaans-wetten onttrekken en daarom kan niets of niemand, of het nu om een halfgod, een mens, een dier of een boom gaat, eeuwig in de stoffelijke wereld blijven bestaan.
Verschillende levensvormen hebben een verschillende levensduur. Heer Brahma, het voornaamste levende wezen in dit materiële universum, blijft miljoenen en nog eens miljoenen jaren in leven, terwijl de minuscule microben zich misschien amper een paar uur roeren; maar dit maakt allemaal niets uit. Niets en niemand kan in deze stoffelijke wereld eeuwig blijven bestaan. Alles wordt hier onder bepaalde omstandigheden geboren of geschapen, is er een tijdje en als het levensvatbaar is zal het groeien, nageslacht verwekken, vervolgens geleidelijk achteruitgaan en tenslotte vernietigd worden. Deze wet maakt dat zelfs de Brahmā's (er zijn miljoenen Brahmā's in al de verschillende universa - de ene nog groter dan de andere) eens komen te sterven, de ene vandaag, de andere morgen. Daarom wordt de hele stoffelijke wereld Martya-loka, het oord des doods, genoemd.
De materiële geleerden en politici proberen dit oord dood-loos te maken, niet wetend dat er een geestelijke wereld is die geen dood kent, hetgeen ze zouden kunnen weten als ze de Vedísche literatuur raadpleegden. De Vedische literatuur is vol kennis welke door ervaring gerijpt is. Maar de moderne mens heeft er een afkeer van, kennis te ontvangen uit de Veda's, Purāṇas en andere Schriften.
viṣṇu-śaktiḥ parā proktā
kṣetrajñākhyā tathā parā
avidyā-karma-saṁjñānyā
tṛtīyā śaktir iṣyate
kṣetrajñākhyā tathā parā
avidyā-karma-saṁjñānyā
tṛtīyā śaktir iṣyate
In de Viṣṇu Purāṇa (V.P., 6.7.61) lezen we dat Heer Visnu, de Persoonlijkheid Gods, verschillende energieën bezit, die men kent als parā, hoger, en aparā of avidyā, lager. De stoffelijke energie waarin wij nú gevangen zijn wordt de avidyā-lagere - energie genoemd; door deze energie wordt de stoffelijke schepping mogelijk gemaakt. Maar er is ook een andere, hogere energie, die parā-śakti wordt genoemd, en waarin alles anders is dan deze materiële, lagere natuur. Die natuur is de eeuwige, dood noch geboorte kennende schepping van de Heer (B.g.,8.20).
paras tasmāt tu bhāvo ’nyo
’vyakto ’vyaktāt sanātanaḥ
yaḥ sa sarveṣu bhūteṣu
naśyatsu na vinaśyati
’vyakto ’vyaktāt sanātanaḥ
yaḥ sa sarveṣu bhūteṣu
naśyatsu na vinaśyati
Alle stoffelijke planeten-de hogere, lagere en middelste, met inbegrip van zon, maan en Venus - zijn over het universum verspreid. Deze planeten bestaan alleen zo lang Brahmā leeft. Sommige lagere planeten echter worden al vernietigd aan het eind van één levensdag van Brahmā en worden aan het begin van zijn volgende levensdag weer geschapen. De tijdrekening van de hogere planeten verschilt van de onze. Eén jaar van ons staat gelijk aan vierentwintig uur op veel van de hogere planeten. De vier tijdperken (satya, tretā, dvāpara, kali) van een volledige openbaring van de aarde duren volgens de tijdrekening van deze hogere planeten tezamen slechts 22.000 jaar en vijf maanden, terwijl ze in zonnejaren gemeten 4.320.000jaar belopen. Deze tijdsduur vermenigvuldigd met duizend levert de duur van één dag van Brahmā op en een nacht van Brahmā duurt even lang. Brahmā's levensduur bedraagt honderd jaar, waarvan ieder jaar is samengesteld uit twaalf maanden van dertig van zulke dagen. En aan het eind van zijn leven wordt de gehele universele openbaring tenietgedaan.
De levende wezens die op de zon en de maan verblijven, alsmede de levende wezens in het Martya-loka-stelsel-waar-toe de aarde en vele planeten onder de aarde behoren-ver-zínken alle tijdens de nacht van Brahma in het verwoestende water. Gedurende deze nacht is er geen enkele levensvorm en geen enkel levend wezen openbaar, hoewel alles geestelijk blijft voortbestaan, Deze niet-openbare fase wordt avyakta genoemd. Ook wanneer het gehele universum aan het eind van Brahmā's leven wordt tenietgedaan, is er een avyakta-fase. Maar voorbij deze twee niet-openbare fasen is er een andere, geestelijke staat of natuur, waarin zich een groot aantal geestelijke planeten bevindt, die, terwijl de planeten in dit stoffelijk heelal worden tenietgedaan, eeuwig blijven bestaan. De kosmische openbaring binnen de gezagssfeer van de verschillende Brahmā's omvat een kwart van de energie van de Heer, en deze energie wordt de lagere genoemd. De geestelijke natuur, waarin Brahmā geen zeggenschap heeft, wordt tripād-vibhūti, drie-kwart van 's Heren energie, genoemd en is de hogere energie of parā-prakṛti.
De Allerhoogste Persoon die in de geestelijke natuur de scepter zwaait is Heer Śrī Kṛṣṇa. Men kan alleen tot Hem komen door onvoorwaardelijke toegewijde dienst (B.g., 8.22) en niet door iets anders, zoals bijvoorbeeld jñāna (filosofie) en yoga (mysticisme), laat staan door karma (baatzuchtig streven). De karmi's - degenen die baatzuchtig streven - kunnen zich opwerken naar de Svarga-loka-planeten, waaronder zich zon en maan bevinden. Jñāni's en yogi's kunnen nog hogere planeten bereiken, zoals de Brahmā-loka; en indien ze zich, door over te gaan tot de uitoefening van toegewijde dienst, meer bevoegdheid verwerven, wordt het hun toegestaan binnen te gaan in de geestelijke natuur, hetzij in de lichtende kosmische atmosfeer van de geestelijke hemel (het Brahman), hetzij naar de geestelijke planeten; dit hangt af van hun mate van gevorderdheid. Het staat echter vast dat níemand naar de geestelijke planeten, de Vaikuntha's, kan gaan, als men zich niet eerst bekwaamd heeft in de toegewijde dienst.
Op de stoffelijke planeten probeert iedereen, van Brahmā tot de mier, de baas over de stoffelijke natuur te spelen, en dit wordt de materiële ziekte genoemd. Zo lang deze materiële ziekte voortwoekert, moet het levend wezen van het ene lichaam naar het andere-of hun nu van een halfgod, een mens of een dier is - blijven verhuizen; en uiteindelijk dient het ook de niet-openbare fasen te ondergaan van de tweeërlei verwoesting: de nachten van Brahmā en Brahmā's levenseinde. Als we een eind willen maken aan het eindeloze proces van doodgaan en geboren worden, met de begeleidende verschijnselen ziekte en ouderdom, moeten we trachten de geestelijke planeten te bereiken, waar Heer Kṛṣṇa - op iedere geestelijke planeet afzonderlijk - heerst in een gedaante die Zijn volkomen deel-aspect is.
Niemand kan over Kṛṣṇa heersen. En ieder die over de materiële natuur tracht te heersen wordt een geconditioneerde ziel genoemd, omdat hij onderworpen raakt aan de wetten der stoffelijke natuur en de pijn van de eindeloze herhaling van geboorte en dood moet ondergaan. De Heer daalt hier neer om de beginselen der religie in ere te herstellen- en het grondbeginsel is dat men een houding van overgave jegens Hem ontwikkelt. De Heer onderwijst ons dit in het laatste deel van de Bhagavad-gitā (B.g., 18.66), maar dwaze lieden hebben deze allerbelangrijkste leer op slinkse wijze verbasterd en de mensen op verschillende manieren misleid. Het is zo ver gekomen dat men ziekenhuizen bouwt teneinde de lichamelijke levensduur te verlengen, terwijl men de belangstelling voor het geestelijk koninkrijk en voor het verrichten van toegewijde dienst waardoor men dit koninkrijk betreden kan, verloren heeft. De mensen leren thans alleen belangstelling te hebben voor werk dat voor tijdelijke verlichting zorgt en waardoor ze dus nooit echt gelukkig kunnen worden. Ze zetten allerlei openbare en semioverheids-ondernemingen op touw om de verwoestende kracht der natuur tegen te gaan, maar ze weten niet hoe ze de onoverwinnelijke natuur kunnen bedwingen (B.g.,7.14).
De Śrī Īśopaniṣad leert ons in deze mantra dat men volmaakte kennis dient te bezitten zowel over de sambhūti als over de vināsa. Kent men alleen de vināsa-de tijdelijke stoffelijke openbaring - dan valt er niets te redden: de weg der natuur is van ogenblik tot ogenblik vol verwoesting. Niemand kan hieraan ontkomen door ziekenhuizen uit de grond te stampen. Men kan alleen worden gered als men zich volkomen kennis verwerft over het eeuwig leven van gelukzaligheid en bewustzijn. Het hele Vedische stelsel beoogt de mens de kunst van het verwerven des eeuwigen levens bij te brengen. De mensen laten zich vaak van de rechte weg af helpen door andere, tijdelijke zaken die samenhangen met zinsbevrediging, maar dit soort misleidende bijstand is van het laagste allooi.
Men moet zijn medemens redden, in de letterlijke zin des woords. Het punt is niet of men de waarheid aanvaardt of verwerpt. De waarheid is er. Wil men worden gered van de herhaling van geboorte en dood, dan dient men zich over te geven aan 's Heren toegewijde dienst. Als de nood dringt, is er geen tussenweg meer.
Verse text
hiraṇmayena pātreṇa
satyasyāpihitaṁ mukham
tat tvaṁ pūṣann apāvṛṇu
satya-dharmāya dṛṣṭaye
satyasyāpihitaṁ mukham
tat tvaṁ pūṣann apāvṛṇu
satya-dharmāya dṛṣṭaye
Synonyms
hiraṇmayena — door de lichtgloed; pātreṇa — door de verblindende verhulling; satyasya — van de Allerhoogste Waarheid; apihitam — bedekt; mukham — het gezicht; tat — die bedekking; tvam — Uzelf; pūṣan — O instandhouder; apāvṛṇu — wil wegnemen; satya — zuiver; dharmāya — voor de toegewijde; dṛṣṭaye — om te tonen.
Translation
O mijn Heer, die al wat leeft in stand houdt, Uw ware gelaat is verhuld door Uw stralende luister. Neem alstublieft die verhulling weg en toon Uzelf aan Uw zuivere toegewijde.
Purport
In de Bhagavad-gitā zegt de Heer over Zijn Persoonlijke uitstraling, die de brahma-jyoti wordt genoemd-de verblindende gloed van Zijn persoonlijke gedaante-het volgende:
brahmaṇo hi pratiṣṭhāham
amṛtasyāvyayasya ca
śāśvatasya ca dharmasya
sukhasyaikāntikasya ca
amṛtasyāvyayasya ca
śāśvatasya ca dharmasya
sukhasyaikāntikasya ca
“Ik ben de grondslag van het onpersoonlijk Brahman, dat de wezensstaat is van het allerhoogste geluk, en dat onsterfelijk,onvergankelijk en eeuwig is.” (B.g.,14.27)
Brahman, Paramātmā en Bhagavān zijn drie verschijningsvormen van dezelfde Absolute Waarheid. Brahman is de fase van de Absolute Waarheid die het duidelijkst zichtbaar is voor de beginneling in het schouwen. Paramātmā is de fase van de Absolute Waarheid voor degenen die gevorderd zijn. En Bhagavān is de uiteindelijke volkomen doorschouwing van de Absolute Waarheid. Dit wordt bevestigd in de Gitā, waar de Heer zegt dat Hij de uiteindelijke samenvatting van de Absolute Waarheid is. Hij is de bron van zowel de brahmajyoti als het allesdoordringende Paramātmā-aspect.
Brahman, Paramātmā en Bhagavān zijn drie verschijningsvormen van dezelfde Absolute Waarheid. Brahman is de fase van de Absolute Waarheid die het duidelijkst zichtbaar is voor de beginneling in het schouwen. Paramātmā is de fase van de Absolute Waarheid voor degenen die gevorderd zijn. En Bhagavān is de uiteindelijke volkomen doorschouwing van de Absolute Waarheid. Dit wordt bevestigd in de Gitā, waar de Heer zegt dat Hij de uiteindelijke samenvatting van de Absolute Waarheid is. Hij is de bron van zowel de brahmajyoti als het allesdoordringende Paramātmā-aspect.
atha vā bahunaitena
kiṁ jñātena tavārjuna
viṣṭabhyāham idaṁ kṛtsnam
ekāṁśena sthito jagat
kiṁ jñātena tavārjuna
viṣṭabhyāham idaṁ kṛtsnam
ekāṁśena sthito jagat
"Maar waar is al deze gedetailleerde kennis voor nodig? O Arjuna. Met één deeltje van Mijzelf doordring en draag Ik dit hele universum.” (B.g., 10.42) Kort samengevat kan ervan worden gezegd dat Hij in Zijn ene volkomen deel-aspect - de allesdoordringende Paramātmā - de hele stoffelijke kosmische schepping in stand houdt. En ook in de geestelijke wereld is Hij de instandhouder van alle openbaringen. Daarom wordt Hij in de śruti mantra van de Śrī Īśopaniṣad aangesproken als pūṣan, de allerhoogste instandhouder.
De Persoonlijkheid Gods, Srī Kṛṣṇa, is altijd vervuld van bovenzinnelijke gelukzaligheid. Toen Hij 5000 jaar geleden ín Vṛndāvana in India was, verkeerde Hij in bovenzinnelijke gelukzaligheid vanaf het prilste begin van Zijn kinderspel. Het doden van allerlei demonen zoals Agha, Baka, Pūtanā en Pralamba was voor Hem een reeks plezierige uitstapjes. Toen Hij in Zijn dorp was, maakte Hij pret met Zijn moeder, zusters en vrienden als de ondeugende boterdief en al Zijn metgezellen genoten door 'Zijn boterdieverij in bovenzinnelijke mate. De Heer is bekend als de boterdief, maar dit woord wordt nooit in schampere zin gebezigd. De term boterdief met betrekking tot de Heer getuigt altijd van het plezier dat Hij Zijn zuivere toegewijden met Zijn spel gegeven heeft. Alles wat de Heer in Vṛndāvana deed gebeurde om Zijn metgezellen daar gelukkig te maken. Hij verrichtte Zijn opzienbarende daden om de aandacht te trekken van degenen die het bovenzinnelijke met droog theoretiseren probeerden te doorgronden, alsmede van de acrobaten van het zogeheten haṭha-yoga systeem, die de Absolute Waarheid probeerden te vinden.
Van 's Heren kinderspel met Zijn speelmakkers, de koeherdersjongens, zei Śukadeva Gosvāmī in het Śrīmad-Bhāgavatam:
itthaṁ satāṁ brahma-sukhānubhūtyā
dāsyaṁ gatānāṁ para-daivatena
māyāśritānāṁ nara-dārakeṇa
sākaṁ vijahruḥ kṛta-puṇya-puñjāḥ
dāsyaṁ gatānāṁ para-daivatena
māyāśritānāṁ nara-dārakeṇa
sākaṁ vijahruḥ kṛta-puṇya-puñjāḥ
“De Persoonlijkheid Gods, die waargenomen wordt als het onpersoonlijk Brahman der gelukzaligheid, die als Opperheer aanbeden wordt door de toegewijden en die door de wereldlingen als een gewoon menselijk wezen wordt beschouwd, speelde met de koeherdersjongens, die hun positie te danken hadden aan de reusachtige hoeveelheid vrome daden door hen verricht.”(S.B.,10.12.11)
Zo houdt de Heer Zich altijd met bovenzinnelijk liefdevolle activiteiten bezig met Zijn geestelijke metgezellen, terwijl ze elkaar over en weer bejegenen met gevoelens van sānta, vredige kalmte, dāsya, dienstbaarheid, sakhya, vriendschap, vāisālya, ouderliefde, en mādhurya, echtelijke liefde.
Men zegt dat de Heer nooit weggaat uit Vṛndāvana-dhāma, zodat men zich afvraagt hoe Hij dan de aangelegenheden van Zijn verschillende scheppingen behartigt. Deze vraag wordt in de Gitā beantwoord (B.g,, 13,14): Hij doordringt de hele stoffelijke schepping met Zijn volkomen deelaspect, dat men kent als de Purușa-incarnatie. De Heer heeft niets te maken met de schepping, instandhouding en vernietiging van de stof, maar behartigt deze aangelegenheden via Zijn volkomen deel-aspect, Paramātmā - de Superziel.
Dit hele God-verwerkelijkings-systeem is een grandioze wetenschap. De materialisten kunnen slechts de vierentwintig factoren van de stoffelijke schepping analyseren en erover mediteren. Ze weten zeer weinig van de puruṣa, de Heer, af. Degenen die slechts in een onpersoonlijke God geloven zijn verblind door de stralende gloed van de brahma-jyoti. Wil men de Absolute Waarheid in haar geheel doorschouwen, dan dient men zowel door de vierentwintig materiële elementen als door de verblindende stralengloed heen te dringen. De Śrī Īśopaniṣad geeft aanwijzingen in deze richting en bidt dat de hiraṇmaya-pātra, de blikkerende omhulling, mag worden weggenomen. Als deze omhulling niet wordt weggenomen en als men de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods niet kan aanschouwen zoals Hij is, kan men de Absolute Waarheid nooit werkelijk doorgronden.
Het Paramātmā-aspect van de Persoonlijkheid Gods is een der drie volkomen deel-aspecten, die gezamenlijk viṣṇu-tattva worden genoemd. De viṣṇu-tattva in het universum (deVviṣṇu van de trits der voornaamste goden Brahmā, Viṣṇu en Śiva) wordt de Ksirodakasāyī Viṣṇu genoemd. Hij is de alles-door-dringende Paramātmā in ieder levend wezen afzonderlijk. En de Garbhodakaśāyī Viṣṇu is de collectieve Superziel van alle leven - de wezens. Boven deze twee bevindt zich de Kāranodakasāyī Viṣṇu die languit terneerligt in de Oceaan der Oorzaken. Hij is de schepper van alle universa. Het yoga-systeem leert de serieuze onderzoeker hoe hij, na de vierentwintig stoffelijke elementen van de kosmische schepping te hebben overwonnen ,deze viṣṇu-tattva's kan onderscheiden. Onderzoek langs empirisch-filosofische weg kan tot inzicht leiden aangaande de brahma-jyoti, die de schitterende uitstraling is van het bovenzinnelijk lichaam van Heer Śrī Kṛṣṇa. Dit wordt zowel in de Bhagavad-gītā (B.g,, 14.27) als in de Brahma-samhitā (5.40) bevestigd:
yasya prabhā prabhavato jagad-aṇḍa-koṭi-
koṭiṣv aśeṣa-vasudhādi vibhūti-bhinnam
tad brahma niṣkalam anantam aśeṣa-bhūtaṁ
govindam ādi-puruṣaṁ tam ahaṁ bhajāmi
koṭiṣv aśeṣa-vasudhādi vibhūti-bhinnam
tad brahma niṣkalam anantam aśeṣa-bhūtaṁ
govindam ādi-puruṣaṁ tam ahaṁ bhajāmi
"In de miljoenen en nog eens miljoenen universa zijn ontelbare planeten, die stuk voor stuk naar kosmische samenstelling van elkaar verschillen en zich alle in een hoek van de brahma-jyoti bevinden. Deze brahmajyoti is de persoonlijke uitstraling van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, die ik aanbid.” Deze mantra van de Brahma-samhitā geeft de positie aan waarin men zich de Absolute Waarheid realiseert en de śrutimantra die hier besproken wordt bevestigt het verwerkelijkings-proces waarop de mantra van de Brahma-samhitā betrekking heeft. Deze mantra is een eenvoudig gebed tot de Heer om de brahma-jyoti weg te nemen, zodat men het ware gelaat Gods kan aanschouwen.
hiraṇmaye pare kośe
virajaṁ brahma niṣkalam
tac chubhraṁ jyotiṣāṁ jyotis
tad yad ātma-vido viduḥ
virajaṁ brahma niṣkalam
tac chubhraṁ jyotiṣāṁ jyotis
tad yad ātma-vido viduḥ
na tatra sūryo bhāti na candra-tārakaṁ
nemā vidyuto bhānti kuto ’yam agniḥ
tam eva bhāntam anu bhāti sarvaṁ
tasya bhāsā sarvam idaṁ vibhāti
nemā vidyuto bhānti kuto ’yam agniḥ
tam eva bhāntam anu bhāti sarvaṁ
tasya bhāsā sarvam idaṁ vibhāti
brahmaivedam amṛtaṁ purastād brahma
paścād brahma dakṣiṇataś cottareṇa
adhaś cordhvaṁ ca prasṛtaṁ brahmai-
vedaṁ viśvam idaṁ variṣṭham
paścād brahma dakṣiṇataś cottareṇa
adhaś cordhvaṁ ca prasṛtaṁ brahmai-
vedaṁ viśvam idaṁ variṣṭham
Volmaakte kennis houdt in dat men de grondslag van Brahman kent. De grondslag van Brahman is Heer Srī Kṛṣṇa, en in de schriften, zoals het Śrīmad-Bhāgavatam, wordt de wetenschap aangaande Kṛṣṇa volmaakt uiteengezet. De schrijver, Srila Vyāsadeva, heeft door doorschouwing vastgesteld dat de Allerhoogste Waarheid als Brahman, Paramātmā of Bhagavān beschreven dient te worden. Maar hij zegt nergens dat de Allerhoogste Waarheid ooit beschreven wordt als de jiva, het gewone levende wezen. Daarom is het levende wezen niet de almachtige Allerhoogste Waarheid. Anders zou het nergens voor nodig zijn dat het levend wezen tot de Heer bidt om de verblindende omhulling weg te nemen, zodat het Zijn ware gelaat zal kunnen aanschouwen.
We kunnen dus samenvattend zeggen dat het onpersoonlijk Brahman kan worden doorschouwd, zo lang zich geen krachtige openbaringen van de Allerhoogste Waarheid voordoen. Wanneer men vervolgens de materiële vermogens van de Heer doorgrondt, maar nog weinig of niets van Zijn geestelijke vermogens afweet, verwerkelijkt men Paramātmā. Brahman en Paramātmā zijn daarom beide slechts een gedeeltelijke verwerkelijking van de Absolute Waarheid. Wanneer men echter de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Srī Kṛṣṇa, aanschouwt in volle glorie nadat, in verhoring van het gebed van deze mantra, de hiraṇmaya-pātra is weggenomen, beseft men dat vāsudevah sarvam iti: Heer Šrī Krşņa, ook Vāsudeva genoemd, is alles - Brahman, Paramātmā en Bhagavān. Hij is Bhagavān, de wortelstronk, en Brahman en Paramātmā zijn Zijn takken.
In de Bhagavad-gitā staat een vergelijkende analyse van de drie klassen van personen die het bovenzinnelijke nastreven: de jnāni's, die het onpersoonlijk Brahman vereren, de yogi's, of aanbidders van het Paramātmā-aspect, en de bhakta's, of toegewijden van Heer Srī Kṛṣṇa. In de Gitā wordt verklaard (B.g., 6.46-47) dat van alle typen transcendentalisten degenen die jñāni zijn, dus die zich in de Vedische kennis hebben verdiept, het hoogst staan aangeschreven. Maar de yogi's zijn nog verder dan de jñāni's en zijn tevens verre superieur aan degenen die zich met baatzuchtig werk bezighouden. En van alle yogi's is "degene die de Heer met al zijn kracht voortdurend dient de eerste"'. De conclusie luidt dat een filosoof beter af is dan iemand die zich met baatzuchtig werk bezighoudt en dat een mysticus véél beter af is dan een filosoof. En van alle mystieke yogi's, is de bhakti-yogi, die voortdurend actief is in dienst van de Heer, het hoogst. De Śrī Īśopaniṣad wijst ons aldus de weg naar de volmaaktheid des levens.
Verse text
pūṣann ekarṣe yama sūrya prājāpatya
vyūha raśmīn samūha tejo
yat te rūpaṁ kalyāṇa-tamaṁ tat te paśyāmi
yo ’sāv asau puruṣaḥ so ’ham asmi
vyūha raśmīn samūha tejo
yat te rūpaṁ kalyāṇa-tamaṁ tat te paśyāmi
yo ’sāv asau puruṣaḥ so ’ham asmi
Synonyms
pūṣan — de instandhouder; eka-ṛṣe — de oorspronkelijke filosoof; yama — het leidend beginsel; sūrya — de bestemming van de sūra's (grote toegewijden); prājāpatya — begunstiger van de Prajāpati's (verwekkers der mensheid); vyūha — wil regelen; raśmīn — de stralen; samūha — opwikkelen; tejaḥ — gloed; yat — dat; te — uw; rūpam — gedaante; kalyāṇa-tamam — gunstig; tat — dat; te — uw; paśyāmi — ik moge zien; yaḥ — iemand die; asau — de zon; asau — dat; puruṣaḥ — Persoonlijkheid Gods; saḥ — Hij; aham — mijzelf; asmi — ik ben.
Translation
O mijn Heer, o eerste wijze, instandhouder van het heelal, o leidend beginsel, bestemming van de zuivere toegewijden, begunstiger van de verwekkers der mensheid, wil de gloed wegnemen van Uw bovenzinnelijke stralenpracht, opdat ik Uw algelukzalige gedaante aanschouwen mag. U bent de eeuwige Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, gelijk de zon, zoals ook ik.
Purport
De zon en de zonnestralen zijn van één en dezelfde kwaliteit. Evenzo zijn de Heer en de levende wezens kwalitatief één en hetzelfde. De zon is één, maar de moleculen van de zonnestralen zijn ontelbaar. De zonnestralen zijn deel van de zon; de zon en de stralen tezamen vormen de volledige zon. In de zonneplaneet bevindt zich de zonnegod en evenzo bevindt zich op de allerhoogste geestelijke planeet, Goloka Vṛndāvana, waaruit de brahmajyoti-gloed te voorschijn straalt, de eeuwige Heer, zoals de Brahma-saṁhitā vermeldt:
cintāmaṇi-prakara-sadmasu kalpa-vṛkṣa-
lakṣāvṛteṣu surabhīr abhipālayantam
lakṣmī-sahasra-śata-sambhrama-sevyamānaṁ
govindam ādi-puruṣaṁ tam ahaṁ bhajāmi
lakṣāvṛteṣu surabhīr abhipālayantam
lakṣmī-sahasra-śata-sambhrama-sevyamānaṁ
govindam ādi-puruṣaṁ tam ahaṁ bhajāmi
“De bovenzinnelijke woning van Heer Kṛṣṇa is het land der toetsstenen, waarvan de huizen zijn gebouwd, door wensbomen beschaduwd. De Heer houdt Zich daar bezig met het hoeden van surabhi-koeien en wordt altijd gediend en omringd door duizenden geluksgodinnen, die eerbiedig op Zijn wenken letten.” (B.g.,5.29)
Deze beschrijving van de bovenzinnelijke woning van Heer Kṛṣṇa staat in de Brahma-saṁhitā, waarin de brahmajyoti beschreven wordt als de heldere uitstraling van deze planeet, zoals de zonnestralen uit de zon te voorschijn sprankelen. Als men niet door de brahmajyoti-laaiing heen weet te komen, kan men niets gewaarworden van Gods koninkrijk. De impersonalistische denker, die zich door de gloed van de brahmajyoti laat verblinden, kan noch de woning, noch de bovenzinnelijke gedaante van de Heer aanschouwen. Denkers die aan een dergelijk kennis-tekort lijden begrijpen niets van de algelukzalige bovenzinnelijke gedaante van Heer Kṛṣṇa. De Śrī Īśopaniṣad zendt daarom dit gebed op tot de Heer, opdat Hij de stralen-gloed van de brahmajyoti wegneemt, zodat de zuivere toegewijde Zijn algelukzalige bovenzinnelijke gedaante kan aanschouwen.
Wanneer men de onpersoonlijke brahmajyoti doorgrondt, ervaart men het gunstige aspect van de Allerhoogste; doorgrondt men Paramatmā of het allesdoordringende aspect van de Allerhoogste, dan ervaart men een nog heilzamer verlichting, en vindt tenslotte de ontmoeting van aangezicht tot aangezicht plaats met de Persoonlijkheid Gods, dan ervaart de toegewijde het allerheilzaamste aspect van de Allerhoogste. Aangezien Hij aangesproken wordt als wijze, instandhouder, begunstiger enz., kan Hij niet als onpersoonlijk worden beschouwd. Deze aanwijzing geeft de Śrī Īśopaniṣad. Met name het woord instandhouder is belangrijk: de Heer steunt vooral Zijn toe-gewijden, ook al is Hij de instandhouder van álle wezens. Wanneer de toegewijde door de brahmajyoti heen dringt en het persoonlijk aspect van de Heer gewaarwordt en Zijn aller-heilzaamste eeuwige gedaante, doorschouwt hij de Absolute Waarheid ten volle. In zijn Bhāgavata-sandarbha zegt Srila Jiva Gosvāmi:
"Het volkomen beeld van de Absolute Waarheid wordt ervaren in de Persoonlijkheid Gods, omdat Hij almachtig is in Zijn bovenzinnelijk alvermogen. In de brahmajyoti wordt het alvermogen van de Absolute Waarheid niet doorgrond en derhalve is de Brahman-doorschouwing slechts een gedeeltelijke verwerkelijking van de Persoonlijkheid Gods. O geleerde wijzen, de eerste lettergreep van het woord Bhagavān is dubbel veelzeggend: ten eerste omdat bha “hij die volkomen ondersteunt" betekent en ten tweede "behoeder''. De tweede lettergreep – ga - betekent gids, leider of schepper. De lettergreep va (of ba) betekent dat ieder wezen in Hem leeft en dat Hij ook in ieder wezen leeft. Met andere woorden: de bovenzinnelijke klankenreeks Bhagavān vertegenwoordigt oneindige kennis, macht, kracht, rijkdom en invloed- en dit alles zonder een zweem van materiële verwarring."
De Heer biedt Zijn zuivere toegewijden volledige steun en leidt ze steeds verder op de weg naar de volmaaktheid der toewijding. Als leider van Zijn toegewijden verleent Hij ze uiteindelijk het begeerde resultaat van hun toegewijde dienst door Zichzelf aan hen te geven. De toegewijden van de Heer zien de Heer door Zijn grondeloze genade van aangezicht tot aangezicht en zo helpt Hij hen de allerhoogste geestelijke planeet, Goloka Vṛndāvana, te bereiken. Als schepper kan Hij Zijn toegewijde met alle nodige bekaaidheden en talenten begiftigen, zodat deze Hem uiteindelijk kan bereiken. De Heer is de grond aller gronden en kent Zelf geen grond, want Hij is de oorspronkelijke grond. Als zodanig geniet Hij van Zichzelf door de openbaring van Zijn innerlijke kracht. Zijn uitwendige kracht openbaart Hij niet rechtstreeks Zelf, want Hij breidt Zich daartoe uit in de purușa's en in deze gedaanten handhaaft Hij de aspecten van de materiële openbaring. Via dergelijke uitbreidingen schept, onderhoudt en vernietigt Hij de kosmische openbaring.
De levende wezens zijn eveneens - verschillende en uiteenlopende - uitbreidingen van Zijn Zelf, en omdat vele van de levende wezens heer wensen te zijn, omdat ze de Allerhoogste willen nadoen, staat Hij ze toe de kosmische openbaring binnen te gaan, waar ze hun neiging om de baas te spelen helemaal kunnen uitleven. Door de aanwezigheid van Zijn integrerende deeltjes, de levende wezens, wordt de hele wereld der verschijnselen tot actie en reactie geprikkeld. De levende wezens krijgen van de Heer alle gelegenheid om de baas over de stoffelijke natuur te spelen, maar de uiteindelijke bestuurder is de Heer Zelf in Zijn volkomen deelaspect Paramātmā, de Superziel, die een van de puruṣa’s is.
Er bestaat dus een zee van verschil tussen het levend wezen, ātmā, en de besturende Heer, Paramātmā - tussen de ziel en de Superziel. Paramātmā is de bestuurder en ātmā is de bestuurde; daarom kunnen ze niet op hetzelfde niveau zijn. De Paramātmā werkt volkomen met de ātmā samen en hierom kent men Hem als de voortdurende metgezel van het levend wezen.
Dit allesdoordringende aspect van de Heer, dat in alle omstandigheden bestaat, zowel bij bewustzijn als tijdens de slaap, en Zich gereed houdt voor allerlei mogelijkheden en waaruit de jiva-sakti (levenskracht) wordt opgewekt - van zowel de geconditioneerde als de bevrijde zielen - is bekend als Brahman. Zo is de Heer de oorsprong van zowel Paramātmā als Brahman en daarom is Hij de oorsprong van alle levende wezens en van al het overige dat er bestaat. Wie dit weet treedt onmiddellijk in 's Heren toegewijde dienst. Zo'n zuivere en geheel vanuit kennis levende toegewijde van de Heer is met hart en ziel aan Hem verknocht en telkens wanneer hij in gezelschap van eendere toegewijden verkeert, doen ze niets anders dan de Heer verheerlijken door voortdurend over Zijn bovenzinnelijke activiteiten te spreken. Degenen die niet zo volmaakt zijn als de zuivere toegewijden, degenen die slechts het Brahman- of het Paramātmā-aspect van de Heer hebben doorgrond, kunnen voor de activiteiten van deze volmaakte toegewijden geen begrip opbrengen. Maar de Heer helpt Zijn zuivere toegewijden steeds door ze de nodige kennis in te geven in hun hart en door Zijn bijzondere gunst verdrijft Hij alle duisternis der onwetendheid. De filosofen en de yogi's hebben geen idee hoe dit in zijn werk gaat, omdat ze alles min of meer op eigen kracht doen. Zoals geschreven is in de Kaṭha Upaniṣad, kan de Heer alleen worden gekend door degenen die Hij daartoe Zijn gunst verleent en door niemand anders. En deze bijzondere gunst wordt alleen aan Zijn zuivere toegewijden geschonken. De Śrī Īśopaniṣad spreekt hier dus over 's Heren bijzondere gunst, die buiten het gezichtsveld van de brahma-jyoti wordt verleend.
Verse text
vāyur anilam amṛtam
athedaṁ bhasmāntaṁ śarīram
oṁ krato smara kṛtaṁ smara
krato smara kṛtaṁ smara
athedaṁ bhasmāntaṁ śarīram
oṁ krato smara kṛtaṁ smara
krato smara kṛtaṁ smara
Synonyms
vāyuḥ — levensadem; anilam — de gezamenlijke lucht; amṛtam — onverwoestbaar; atha — nu; idam — dit; bhasmāntam — na tot as te zijn verbrand; śarīram — lichaam; oṁ — O Heer; krato — die alle offers geniet; smara — wees zo goed te onthouden; kṛtam — alles wat ik gedaan heb; smara — wil onthouden; krato — de allerhoogste begunstigde; smara — wil onthouden; kṛtam — alles wat ik voor U gedaan heb; smara — wil onthouden.
Translation
Moge dit tijdelijk lichaam tot as verbranden en de levensadem opgaan in de gezamenlijke lucht. O mijn Heer, wil al mijn offers nu gedenken, en omdat uiteindelijk alles U ten deel valt, gedenk al wat ik voor U heb gedaan.
Purport
Dit tijdelijke stoffelijke lichaam is eigenlijk maar een vreemd gewaad. In de Bhagavad-gitā wordt duidelijk gezegd dat het levend wezen na de vernietiging van het stoffelijk líchaam niet teniet wordt gedaan en dat het evenmin zijn identiteit verliest. De identiteit van het levend wezen is daarom nooit onpersoonlijk of zonder eigen gedaante; het stoffelijk omhulsel daarentegen is wél gedaanteloos, het voegt zich naar de gedaante van de onvernietigbare persoon. Geen enkel levend wezen is van oorsprong gedaanteloos, zoals door niet al te snuggere lieden verondersteld wordt. Ook hier, in mantra zeventien van de Śrī Īśopaniṣad, wordt het beginsel verkondigd dat het levend wezen na de vernietiging van het stoffelijk lichaam blijft voortbestaan.
In de materiële wereld toont de materiële natuur prachtige staaltjes van creativiteit bij het maken van verschillende soorten lichamen voor de levende wezens al naar gelang de mate waarin ze hun zinnen willen bevredigen. Wie drek wilde proeven krijgt een stoffelijk lichaam dat zich ervoor leent om drek te slobberen - een varkenslijf. Evenzo heeft de tijger zó'n lichaam, dat het levend wezen in de tijger kan genieten van het bloed van andere dieren en hun vlees kan, eten. Het menselijk wezen is er niet voor bedoeld om drek of vlees te eten, want de vorm van de tanden is anders. Het heeft ook helemaal geen zin in drek, zelfs niet als het zich in de nederigste menselijke vorm bevindt. Het menselijk gebit is zo gemaakt, dat het fruit en groeten kan klieven en kauwen, met twee hoektanden, zodat men tevens vlees kán eten. De stoffelijke lichamen van alle soorten dieren en mensen zijn het levend wezen vréémd; ze wisselen elkaar af al naar gelang de lust tot zinsbevrediging van het levend wezen. In deze evolutie-kring-loop gaat men van lichaam tot lichaam: van leven in het water - toen de wereld vol water was - naar plantaardig leven, van plantaardig leven naar wormen-leven, van wormen-leven naar vogel-leven, van vogel-leven naar dierenleven en van dierenleven naar de menselijke gedaante.
Het hoogste punt van ontwikkeling in het stoffelijk leven wordt bereikt wanneer het levend wezen zich in de menselijke gedaante bevindt met volledig begrip van de geestelijke kennis, en de hoogste ontwikkelingsfase inzake geestelijke kennis wordt in deze mantra van de Veda beschreven: men dient dit stoffelíjk lichaam op te geven om het tot as te laten vergaan en de levensadem te laten opgaan in de gezamenlijke lucht. De activiteiten van het levend wezen in het lichaam worden verricht door bewegingen van verschillende soorten lucht, en dit wordt bij elkaar de prāņa-vāyu genoemd. De yogi's leggen zich er meestal op toe hun ademhaling te beheersen en de ziel wordt dan verondersteld van de ene luchtkring op te rijzen naar de andere tot ze opstijgt naar de hoogste, de brahma-randhra. Vandaar kan de volmaakte yogī zichzelf overbrengen naar elke planeet waar hij heen wil. De methode bestaat eruit dat men het ene stoffelijke lichaam verlaat en een ander lichaam binnengaat, en de hoogste volmaaktheid in deze kunst van het lichaam verwisselen wordt bereikt wanneer het levend wezen zijn stoffelijk lichaam helemaal kan opgeven, zoals in deze mantra te verstaan wordt gegeven. Het kan dan binnengaan in de geestelijke atmosfeer, waar het een volkomen ander soort lichaam ontwikkelt - een geestelijk lichaam - dat nooit zal hoeven sterven of veranderen.
Hier in de stoffelijke wereld dwingt de materiële natuur ons van lichaam te verwisselen overeenkomstig onze behoeften aan zinsbevrediging. Deze behoeften kunnen worden bevredigd in de verschillende levensvormen, van de microben tot de meest volmaakte vormen, zoals die van Brahmā en de halfgoden. Ze hebben allen stoffelijke lichamen van verschillende vorm; de intelligente persoon ziet daarin een eenheid, niet van gestalte dus, maar naar geestelijke identiteit. De geestelijke vonk, die integrerend deel van de Opperheer is, is overal hetzelfde, of hij nu in het lijf van een varken of in het lichaam van een halfgod zit. Er bestaan verschillende lichamen al naar gelang de goede en slechte activiteiten van het levend wezen. Het menselijk lichaam is hoog ontwikkeld, met volledig bewustzijn van de toestand van het lichaam; en volgens de Vedische schriften geeft de meest volmaakte mens zich na vele, vele levens van kennis vergaren aan de Heer over. Het ontwikkelen van kennis bereikt zijn volmaaktheid wanneer men zo ver komt, dat men zich overgeeft aan de Opperheer, Vāsudeva. Maar zelfs al heeft men kennis aangaande 's mensen geestelijke identiteit, maar men ziet niet in dat de levende wezens eeuwige integrerende deeltjes zijn van het Geheel en dat ze nooit aan het Geheel gelijk kunnen zijn, dan zal men weer in de stoffelijke atmosfeer moeten terugvallen, ook al is men reeds één geworden met de brahmajyoti.
De brahmajyoti, die uit het bovenzinnelijk lichaam van de Heer emaneert, is vol geestelijke vonken. Deze geestelijke vonken, die individuele levende wezens zijn met een volledig gevoel van hun bestaan, willen soms zingenot voor zichzelf en zo krijgen ze dan een plaats in de stoffelijke wereld, waar ze zogenaamd heer zijn, terwijl ze in feite door hun zinnen worden beheerst. Dit verlangen om, heer over alles te willen zijn is de materiële ziekte van het levend wezen, en in de ban van zijn zingenot verhuist het van het ene naar het andere lichaam dat in de materiële wereld geopenbaard wordt. Wie dus één wil worden met de brahmajyoti geeft daarmee geen blijk van voldragen kennis. Wie zich echter volkomen aan de Heer kan overgeven en een houding van geestelijke dienstbaarheid ontwikkelt bevindt zich in de hoogste fase van volmaaktheid.
In deze mantra bidt het levend wezen, of het na het stoffelijk lichaam en de stoffelijke adem te hebben prijsgegeven, mag binnengaan in het geestelijk Koninkrijk Gods. De toegewijde bidt de Heer of deze zijn daden en de offers die hij gebracht heeft wil gedenken, voordat zijn stoffelijk lichaam in as verandert. Dit gebed wordt opgezonden in het stervensuur, bij volledig bewustzijn van de daden die men verricht heeft en het uiteindelijke doel des levens. Wie volkomen onderhevig is aan de materiële wetten herinnert zich wanneer hij sterft de afschuwelijke dingen die hij tijdens het bestaan van zijn stoffelijk lichaam heeft gedaan en krijgt daarom na zijn dood wéér een stoffelijk lichaam. De Bhagavad-gitā bevestigt deze waarheid. Ze verklaart dat de geest in het stervensuur de neigingen van het stervende wezen meedraagt en het volgende leven is dan overeenkomstig deze geestesstaat.
yaṁ yaṁ vāpi smaran bhāvaṁ
tyajaty ante kalevaram
taṁ tam evaiti kaunteya
sadā tad-bhāva-bhāvitaḥ
tyajaty ante kalevaram
taṁ tam evaiti kaunteya
sadā tad-bhāva-bhāvitaḥ
"De wezensstaat die men zich bij het verlaten van het lichaam herinnert, die staat zal men voorzeker weer bereiken.”' (B.g.,8.6) Zo draagt de geest de neigingen van het stervende wezen mee naar zijn volgende leven.
In tegenstelling tot de eenvoudige dieren, die geen ontwikkeld verstand bezitten, kan het menselijk wezen zich de activiteiten van zijn verstreken leven herinneren als een dromenreeks 's nachts en daardoor blijft zijn geest geladen met materiële verlangens en kan het niet met een geestelijk lichaam in het geestelijk koninkrijk binnengaan. De toegewijden echter ontwikkelen, doordat ze zich oefenen in 's Heren toegewijde dienst, een gevoel van liefde voor God. En ook al herinnert een toegewijde zich in het uur van zijn dood zijn godsdienstoefening niet meer, dan gedenkt de Heer hem tóch1. Dit gebed is bedoeld om de Heer te herinneren aan de offers die de toegewijde Hem heeft gebracht, maar ook al blijft een aansporing als deze achterwege, dan zal de Heer de toegewijde dienst van de zuivere toegewijde toch niet vergeten.
In de Gitā geeft de Heer een duidelijke beschrijving van de innige band die Hij met Zijn toegewijden heeft. Over de betreffende verzen in de Gītā geeft Śrīla Bhaktivinode Thākur de volgende uiteenzetting:
"Men dient elke toegewijde aan te nemen die zich op het rechte pad der heiligen bevindt, ook al maakt hij een weinig karaktervaste indruk." Men moet goed proberen te begrijpen wat hier werkelijk bedoeld wordt met “weinig karakter vast”. Een geconditioneerde ziel heeft een dubbele functie te vervullen, namelijk te zorgen voor het levensonderhoud van haar lichaam én voor haar zelfverwerkelijking. Maatschappelijke rang, geestelijke ontwikkeling, netheid, soberheid, voedsel en de strijd om het bestaan zijn alle zaken die verband houden met het onderhoud van het lichaam. Haar zelfverwerkelijking-activiteit verricht de geconditioneerde ziel als toegewijde van de Heer, In beide functies verricht ze arbeid. De functies lopen parallel, omdat een geconditioneerde ziel haar lichaams-onderhoud niet kan staken, De hoeveelheid activiteit in verband met het lichaamsonderhoud neemt echter af, naarmate de activiteit in toegewijde dienst toeneemt. En zo lang het aandeel van de toegewijde dienst in de totale activiteit beneden het juiste peil blijft, bestaat de kans dat de ziel nu en dan tot werelds gedrag vervalt. Hier dient echter te worden opgemerkt dat dit soort wereldsheid niet onbeperkt kan blijven voortduren, omdat er, door de genade van de Heer, zeer snel een eind aan zulke onvolmaaktheden komt. Daarom is de weg der toegewijde dienst de enige juiste weg. Is men eenmaal op de goede weg, dan is zelfs een af en toe opduiken van wereldsgezindheid geen hinderpaal bij het naderen tot zijn zelfverwerkelijking." En in de Gitā zelf zegt Kṛṣṇa: "Wie zich in toegewijde dienst bevindt behoort, ook al doet hij iets afschuwelijks, als heilig te worden beschouwd, omdat hij op het goede pad is. Hij zal zeer spoedig rechtvaardig worden en zich blijvende vrede verwerven. O zoon van Kuntī, Ik beloof dat Mijn toegewijde nimmer verloren zal gaan. O zoon van Prthā, wie zijn toevlucht zoekt bij Mij - zelfs vrouw, koopman of laagge-borene - kan altijd het allerhoogste doel bereiken. Hoe veel groter zijn dan niet de brāhmana's, de rechtvaardigen, de toegewijden en de heilige vorsten! In deze ellendige wereld zijn zij het die hecht verankerd zijn in 's Heren toegewijde dienst . Dien Mij en geeft je aan Me over. Indien je volkomen in Me opgaat, zul je voorzeker tot Me komen.” (B.g.,9.30-34)
Deze voordelen die de toegewijde dienst biedt worden aan de impersonalisten onthouden, omdat zij alleen belangstelling hebben voor het brahmajyoti-aspect van de Heer. Ze kunnen niet door de brahmajyoti heen dringen, zoals voorgaande mantra's aanraden, en evenmin geloven ze in de Persoonlijkheid Gods. Ze houden zich voornamelijk bezig met allerlei gegoochel met woorden dat uit hun eigen brein voortkomt. Zo verrichten de impersonalisten arbeid die niets oplevert, zoals in de Bhagavad-gitā bevestigd wordt (B.g., 12.5).
Alle voordelen waar deze mantra van de Śri Isopanisad op wijst kunnen gemakkelijk worden verkregen wanneer men voortdurend in contact is met het persoonlijk aspect van de Absolute Waarheid. De toegewijde dienst aan de Heer bestaat in grote trekken uit negen bovenzinnelijke activiteiten welke door de toegewijde worden verricht:
1. horen over de Heer;
2. de Heer verheerlijken;
3. de Heer gedenken;
4. 's Heren lotusvoeten dienen;
5. de Heer vereren;
6. gebeden opzenden aan de Heer;
7. de Heer dienen;
8. vriendschappelijk met de Heer omgaan;
9. alles aan de Heer overgeven.
Men kan deze negen principes der toegewijde dienst hetzij tegelijk naleven, hetzij afzonderlijk. Dit zorgt ervoor dat de toegewijde voortdurend in contact is met de Heer, zodat hij bij zijn levenseinde gemakkelijk aan de Heer zal kunnen denken. Door slechts één van deze principes na te leven bereikten de hieronder genoemde beroemde toegewijden van de Heer de hoogste volmaaktheid:
1. Door alleen maar over de Heer te horen bereikte Mahārāja Parīksit, de held van het Śrimad-Bhāgavatam, het gewenste resultaat.
2. Louter door de Heer te verheerlijken kwam Śukadeva Gosvāmi, die het Śrimad-Bhāgavatam spreekt, tot volmaaktheid.
3. Door te bidden bereikte Akrūra het gewenste resultaat.
4. Door de Heer te gedenken bereikte Prahlāda Mahārāja het gewenste resultaat.
5. Door de Heer te vereren kwam Pṛthu Mahārāja tot volmaaktheid.
6. Door de lotusvoeten van de Heer te dienen kwam de godin van het geluk, Lakṣmī, tot volmaaktheid.
7. Door de Heer persoonlijk te dienen bereikte Hanumān het gewenste resultaat.
8. Door vriendschap bereikte Arjuna dit resultaat.
9. Door alles wat hij bezat aan de Heer over te geven bereikte Mahārāja Bali het gewenste resultaat.
1. horen over de Heer;
2. de Heer verheerlijken;
3. de Heer gedenken;
4. 's Heren lotusvoeten dienen;
5. de Heer vereren;
6. gebeden opzenden aan de Heer;
7. de Heer dienen;
8. vriendschappelijk met de Heer omgaan;
9. alles aan de Heer overgeven.
Men kan deze negen principes der toegewijde dienst hetzij tegelijk naleven, hetzij afzonderlijk. Dit zorgt ervoor dat de toegewijde voortdurend in contact is met de Heer, zodat hij bij zijn levenseinde gemakkelijk aan de Heer zal kunnen denken. Door slechts één van deze principes na te leven bereikten de hieronder genoemde beroemde toegewijden van de Heer de hoogste volmaaktheid:
1. Door alleen maar over de Heer te horen bereikte Mahārāja Parīksit, de held van het Śrimad-Bhāgavatam, het gewenste resultaat.
2. Louter door de Heer te verheerlijken kwam Śukadeva Gosvāmi, die het Śrimad-Bhāgavatam spreekt, tot volmaaktheid.
3. Door te bidden bereikte Akrūra het gewenste resultaat.
4. Door de Heer te gedenken bereikte Prahlāda Mahārāja het gewenste resultaat.
5. Door de Heer te vereren kwam Pṛthu Mahārāja tot volmaaktheid.
6. Door de lotusvoeten van de Heer te dienen kwam de godin van het geluk, Lakṣmī, tot volmaaktheid.
7. Door de Heer persoonlijk te dienen bereikte Hanumān het gewenste resultaat.
8. Door vriendschap bereikte Arjuna dit resultaat.
9. Door alles wat hij bezat aan de Heer over te geven bereikte Mahārāja Bali het gewenste resultaat.
De verklaring van deze mantra en van praktisch alle mantra's van de Vedische zangen wordt in essentie samengevat in de Vedānta-sūtra's; en ze worden daarna weer naar behoren verklaard in het Śrimad-Bhāgavatam. Het Śrimad-Bhāgavatam is de rijpe vrucht van de Vedische boom der wijsheid. In het Śrimad-Bhāgavatam wordt de onderhavige mantra verklaard in de vragen en antwoorden van Mahārāja Parīksit en Gosvāmī Śukadeva, wanneer ze elkaar juist hebben ontmoet. Horen en zingen van de kennis van God zijn de basisprincipes van het toegewijde leven en in die zin luisterde Mahārāja Parīkṣit naar het hele Śrimad-Bhāgavatam, dat gezongen werd door Śukadeva Gosvāmī. Mahārāja Parīkṣit stelde Śukadeva vragen,want Śukadeva was als geestelijk leraar groter dan alle yogi's of transcendentalisten van zijn tijd.
De vraag die Mahārāja Parīkṣit stelde was: "Wat is de plicht van ieder mens, vooral in het uur van zijn dood?”
tasmād bhārata sarvātmā
bhagavān īśvaro hariḥ
śrotavyaḥ kīrtitavyaś ca
smartavyaś cecchatābhayam
bhagavān īśvaro hariḥ
śrotavyaḥ kīrtitavyaś ca
smartavyaś cecchatābhayam
Het antwoord van Śukadeva Gosvāmī luidde dat ieder die vrij van alle zorg en angst wil zijn, voortdurend dient te horen en zingen van de Persoonlijkheid Gods, die de Allerhoogste Bestuurder van alles is, de verdelger van alle moeite en pijn en de Superziel van alle levende wezens (S.B., 2.1.5).
De zogenaamde menselijke samenleving houdt zich over het algemeen 's nachts bezig met slapen of seks bedrijven. En overdag houdt men zich bezig met zo veel mogelijk geld verdienen of klussen opknappen voor het gezin. De mensen hebben bijzonder weinig tijd om over de persoonlijkheid Gods te praten of navraag over Hem te doen. Ze hebben de kwestie van het bestaan van God op tal van manieren opzij geschoven, met name door God onpersoonlijk te achten-dat wil zeggen: te denken dat Hij van zintuigelijke waarneming verstoken is. Maar in de Vedísche literatuur - of men nu de Upaniṣads of de Vedānta-sūtra's neemt, de Bhagavad-gitā of het Śrimad-Bhāgavatam - wordt alom verklaard dat de Heer het levend en voelend wezen is dat alle andere levende wezens te boven gaat. En Zijn heerlijke daden zijn aan Hemzelf gelijk. Men moet daarom niet luisteren naar verhalen en meespreken over de waardeloze activiteiten van wereldse politici en de zogenaamde grote mensen van de samenleving, maar zijn leven zo inrichten, dat men geen seconde verspilt aan activiteiten die niet op God gericht zijn. De Śrī Īśopaniṣad wijst ons wat we moeten doen.
Als men niet aan de dagelijkse beoefening van toegewijde dienst gewoon is, waar zal men dan aan denken in het stervensuur, wanneer de ziel van het lichaam ontdaan wordt, en hoe zal men de Almachtige Heer kunnen bidden zijn offers te gedenken? Offeren betekent het eigenbelang van de zinnen opgeven. Deze kunst dient men te leren door tijdens zijn leven zijn zinnen in dienst van de Heer te stellen, zodat men in het stervensuur de vruchten hiervan kan plukken.
Verse text
agne naya supathā rāye asmān
viśvāni deva vayunāni vidvān
yuyodhy asmaj juhurāṇam eno
bhūyiṣṭhāṁ te nama-uktiṁ vidhema
viśvāni deva vayunāni vidvān
yuyodhy asmaj juhurāṇam eno
bhūyiṣṭhāṁ te nama-uktiṁ vidhema
Synonyms
agne — o mijn Heer, machtig als het vuur; naya — wil mij leiden; supathā — op het rechte pad; rāye — O Almachtige; asmān — ons allen; viśvāni — alles omvattend; deva — O mijn Heer; vayunāni — alle acties; vidvān — hij die weet; yuyodhi — bevrijd me van; asmat — onszelf; juhurāṇam — alle hinderpalen op de weg; enaḥ — alle slechtheden; bhūyiṣṭhām — op de grond gevallen; te — tot u; namaḥ — van eerbetuigingen; uktim — woorden; vidhema — handel ik.
Translation
O mijn Heer, die machtig zijt als het vuur, Alvermogende, ik breng U alle eerbetuigingen en val op de grond U ten voet. O mijn Heer, wil me leiden op het rechte pad naar U en -omdat U alles weet wat ik in het verleden heb gedaan - wil me bevrijden van de terugslag van vroegere zonden, opdat ik ongehinderd tot U naderen mag.
Purport
De overgave aan de Heer en het bidden om Zijn grondeloze genade brengen de toegewijde steeds dichter bij zijn volkomen zelfverwerkelijking. De Heer wordt aangesproken als het vuur, omdat Hij alles tot as kan verbranden, met inbegrip van de zonden van de ziel die zich aan Hem heeft overgegeven. Zoals in de vorige mantra's aangegeven, is het werkelijke of allerhoogste aspect van de Absolute Waarheid het aspect van de Persoonlijkheid Gods. Het onpersoonlijk aspect van de brahmajyoti is een verblindend schijnsel dat 's Heren gelaat aan het gezicht onttrekt. De weg van het baatzuchtig streven, het karma-kāṇḍa-pad, vormt de laagste fase in het naderen tot de zelfverwerkelijking. En zodra dit type activiteit ook maar éven afwijkt van de regulerende principes van de Veda's, wordt er onmiddellijk vikarma gevormd, of activiteit die tegen het belang van de handelende persoon ingaat. Zulk vikarma wordt louter uit zinsbevrediging door het begoochelde wezen teweeggebracht en belemmert het in zijn vooruitgang op de weg der zelfverwerkelijking.
Zelfverwerkelijking is alleen mogelijk voor wezens in de menselijke levensvorm en niet in andere levensvormen. Er zijn 8.400.000 soorten of levensvormen-en daarvan biedt de menselijke vorm, mits deze de kwaliteiten van de brahmaanse cultuur bezit, de enige kans om zich kennis van het bovenzinnelijke te verwerven. De brahmaanse cultuur houdt in: waarheidlievendheid, beheersing van de zinnen, verdraagzaamheid, eenvoud, volledige kennis en volledig geloof in God -en niet: trots rondstappen omdat men in een brahmaanse familie is geboren. Zoon zijn van een brāhmaṇa is een kans dat men zelf ook brāhmaṇa wordt, zoals de zoon van een groot man ook zelf een groot maan kan worden. Maar zo'n hoge geboorte zegt niet alles, want men dient zich zélf de brahmaanse kwaliteiten te verwerven. Zodra men trots is op het feit dat men als zoon van een brāhmaṇa geboren is en verzuimt zich de kwaliteiten van een echte brāhmaṇa eigen te maken, verlaagt men daarmee onmiddellijk zijn positie en faalt in het volbrengen van zijn levenstaak als menselijk wezen.
In de Bhagavad-gītā wordt ons door de Heer verzekerd (B.g, 6.41-42) dat de yoga-bhraṣṭa’s, of de zielen die op de weg der zelfverwerkelijking zijn gestruikeld, een kans krijgen om het goed te maken, doordat ze óf in een goede brahmaanse familie of in de familie van een rijke zakenman worden geboren. Dit zijn namelijk goede kansen op zelfverwerkelijking: de zoon van een rijk man worden, of de zoon van een goede brāhmaṇa. Worden deze kansen echter door het begoochelde menselijk wezen misbruikt, dan is het gevolg hiervan dat het zijn verdere kansen op een menselijke existentie, zoals de Heer die geeft, verspeelt.
De regulerende principes zitten zo in elkaar, dat wie zich eraan houdt van het niveau van het baatzuchtig streven bevorderd wordt naar het vlak der bovenzinnelijke kennis, en door bovenzinnelijke kennis wordt men na vele, vele wedergeboorten volmaakt wanneer men zich overgeeft aan de Heer. Dit is zo de algemene gang van zaken. Maar iemand die zich meteen al overgeeft, zoals aangeduid in deze mantra, passeert doordat hij de houding van de toegewijde aanneemt ineens alle fasen van nadering tot de Heer. Zoals de Gitā zegt (B.g., 18.66), ontfermt de Heer Zich meteen over de ziel die zich aan Hem overgeeft en bevrijdt haar van alle terugslagen van zondige handelingen uit het verleden. In de karma- kāṇḍa-activiteiten schuilen veel zondige handelingen; in de jñāna- kāṇḍa, de weg der filosofische ontwikkeling, is het aantal zondige handelingen minder. Maar in 's Heren toegewijde dienst, op het bhakti-pad, bestaat er praktisch geen kans op terugslagen van zondige. handelingen. Iemand die de Heer is toegewijd, verwerft zich alle goede eigenschappen van de Heer Zelf, nog afgezien van het feit dat hij tevens brāhmaṇa wordt. Een toegewijde verkrijgt vanzelf de kwalificaties van een ervaren brāhmaṇa en is gerechtigd om offerrituelen te leiden, ook al is zo'n toegewijde misschien niet eens in een brahmaanse familie geboren. Zo groot is de almacht van de Heer dat Hij iemand die in de familie van een brāhmaṇa geboren is kan vernederen tot een laag-geboren hondevleeseter, terwijl Hij tegelijk een laaggeboren hondevleeseter kan verheffen tot grotere hoogte dan de positie van een brāhmaṇa, louter om de mate van toegewijde dienst die Hem bewezen wordt.
De almachtige Heer, die Zich in ieders hart bevindt, kan Zijn oprechte toegewijde aanwijzingen geven over de juiste weg. Deze aanwijzingen worden vooral aan de toegewijde gegeven, ook al verlangt deze naar andere zaken. Wat anderen aangaat, is God met hen, zo lang ze goed handelen, maar de toegewijde wordt door de Heer steeds zo geleid, dat hij nooit verkeerd handelt. In het Śrīmad-Bhāgavatam staat geschreven:
sva-pāda-mūlaṁ bhajataḥ priyasya
tyaktānya-bhāvasya hariḥ pareśaḥ
vikarma yac cotpatitaṁ kathañcid
dhunoti sarvaṁ hṛdi sanniviṣṭaḥ
tyaktānya-bhāvasya hariḥ pareśaḥ
vikarma yac cotpatitaṁ kathañcid
dhunoti sarvaṁ hṛdi sanniviṣṭaḥ
De Heer is Zijn toegewijde zo welgezind, dat ook al raakt deze soms verward in de strikken van vikarma - activiteiten die tegen de aanwijzingen van de Veda’s ingaan - de Heer de misstappen van de toegewijde van binnen in diens hart corrigeert, want zulke toegewijden zijn de Heer zeer dierbaar (S.B.,11.5.42).
Hier in deze mantra bidt de toegewijde dat de Heer hem van binnen in zijn hart op het rechte spoor zet. Vergissen is menselijk: een geconditioneerde ziel is maar al te vaak geneigd fouten te maken en de enige manier om zich tegen zulke zonden te beschermen is zich over te geven aan de lotusvoeten van de Heer, opdat Hij Zijn toegewijde leidt. De Heer neemt de verantwoordelijkheid op zich voor de zielen die zich volledig aan Hem overgeven en daarmee zijn alle problemen - als er dus sprake is van volledige overgave en men volgens de geboden van de Heer handelt - opgelost. Deze geboden en aanwijzingen ontvangt de oprechte toegewijde op tweeërlei wijze: enerzijds via de heiligen, de Schriften en de geestelijk leraar; anderzijds van de Heer Zelf, die woont in ieders hart. Zo is de toegewijde in alle opzichten beschermd.
De Vedische kennis is bovenzinnelijk en kan niet via wereldse onderwijsmethoden worden begrepen. Men kan de Vedische mantra's alleen begrijpen door de genade van de Heer en de geestelijk leraar, Zoekt men zijn toevlucht tot een bona fide geestelijk leraar, dan houdt dit in dat men terzelfdertijd de genade van de Heer ontvangt, De Heer verschijnt aan de toegewijde in de gedaante van de geestelijk leraar. Zo leiden de geestelijk leraar, de Vedische geboden en de Heer in het hart de toegewijde uit alle macht op zo'n manier, dat hij niet meer kan terugvallen in het moeras der materiële begoocheling. De toegewijde, op deze wijze aan alle kanten beschut, kan erop rekenen dat hij het einddoel der volmaaktheid bereiken zal.
Horen en zingen van de heerlijkheid van de Heer zijn op zichzelf al toegewijde activiteiten. De Heer wil dat iedereen zich hiermee bezighoudt, want Hij heeft met iedereen het beste voor. Beoefent men dit horen naar en zingen van de heerlijkheden van de Heer, dan wordt men gereinigd van alle ongerechtigheden in zichzelf, terwijl men in zijn toewijding hecht met de Heer verbonden raakt. In dit stadium verwerft de toegewijde zich de eigenschappen van de brāhmaṇaen worden de terugslagen van zijn lagere gedragingen volkomen tenietgedaan. Door zijn toegewijde dienst raakt hij geheel verlicht en leert zo de weg des Heren kennen en de manier waarop hij Hem bereiken moet. Alle twijfel verdwijnt en hij wordt een zuivere toegewijde.
Zo eindigen Bhaktivedanta's verklaringen bij de Śrī Īśopaniṣad, de kennis waarmee men nadert tot de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Kṛṣṇa.