Śrī Īśopaniṣad 1

īśāvāsyam idaḿ sarvaṁ
yat kiñca jagatyāṁ jagat
tena tyaktena bhuñjīthā
mā gṛdhaḥ kasya svid dhanam

Synonyms

īśadoor de Heer; āvāsyambestuurd; idamdit; sarvamalles; yatwat ook maar; kimhet (is); caen; jagatyāmin het universum; jagatalles dat bezield of onbezield is; tenadoor Hem; tyaktenaapart gezette hoeveelheid; bhuñjīthāḥmoet men aanvaarden; niet; gṛdhaḥgebruik maken van; kasya svitaan Wie toebehorend; dhanamnoodzakelijke dingen.

Translation

Alles wat bezield en onbezield is in dit universum wordt bestuurd door de Heer en is Zijn eigendom. Men behoort daarom alleen die dingen aan te nemen die men nodig heeft voor zichzelf en die ieder als zijn deel krijgt toegemeten; en men behoort geen andere dingen aan te nemen, want men weet heel goed aan Wie ze toebehoren.

Purport

De Vedische kennis is onfeilbaar, omdat ze ons bereikt langs de volmaakte weg van de erfopvolging der geestelijk leraren, die begint bij de Heer Zelf. De Vedische kennis komt uit bovenzinnelijke bron en het eerste woord werd door de Heer Zelf gesproken. De woorden van de Heer worden apauruṣeya genoemd, wat wil zeggen: niet geuit door iemand die tot de stoffelijke wereld behoort. Een levend wezen in de materiële wereld heeft vier tekortkomingen, te weten: 1. hij maakt hoe dan ook fouten; 2. hij is hoe dan ook soms het slachtoffer van illusie; 3. hij probeert hoe dan ook anderen om de tuin te leiden; en 4, hij is begiftigd met onvolmaakte zintuigen. Met deze vierledige onvolmaaktheid behept, kan men geen allesomvattende kennis verkrijgen en op volmaakte wijze doorgeven. De Veda’s staan bekend als boeken die volmaakte kennis bevatten. De Vedische kennis werd in het begin toevertrouwd aan het hart van Brahmā, het levend wezen dat het eerst geschapen is, en Brahmā gaf deze kennis op zijn beurt door aan zijn zonen en leerlingen, door wie ze in de loop der geschiedenis verder is overgeleverd.
Aangezien de Heer pūrṇam is, of volkomen volmaakt, kunnen de wetten der materiële natuur geen invloed op Hem uitoefenen, terwijl daarentegen de levende wezens en de onbezielde dingen alle bestuurd worden door de wetten der natuur en bijgevolg uiteindelijk door het alvermogen van de Heer. Deze Īśopaniṣad maakt deel uit van de Yajur Veda en bevat uit dien hoofde gegevens betreffende het eigenaarschap van alle dingen die er in het universum bestaan.
Dit punt wordt bevestigd in het zevende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (B.g., 7.4-5), waarin parā en aparā prakrti worden besproken: de elementen der natuur-aarde, vuur, water, lucht, ether, geest, verstand en vals ego - behoren alle tot de lagere of stoffelijke energie van de Heer, terwijl de levende wezens, de organische energie, de hogere energie of parā prakṛtivan de Heer zijn. Beide prakṛti’s of energieën komen voort uit de Heer en uiteindelijk is Hij de bestuurder van alles wat er bestaat. Er is in het universum niets wat niet hetzij tot de parā, hetzij tot de aparā prakṛti behoort en daarom valt alles onder het eigendomsrecht van het Opperwezen.
Het Opperwezen, de Absolute Persoonlijkheid Gods, die de volkomen Persoon is, beschikt over het volkomen en volmaakte verstand, waarmee Hij alles volgens Zijn verschillende vermogens kan leiden. Het Opperwezen wordt dikwijls vergeleken met vuur en al het organische en anorganische met de hitte en het licht van het vuur. Het vuur verspreidt energie in de vorm van hitte en licht en evenzo spreidt de Heer op verschillende wijzen Zijn energie ten toon. En Hij blijft de uiteindelijke bestuurder, onderhouder en machthebber van alles. Hij is vol alvermogen, Hij is de kenner van alles, de weldoener van iedereen en Hij is vol van alle onvoorstelbare rijkdommen-macht, bezit, roem, schoonheid, kennis en verzaking.
Men dient dus steeds zo verstandig te zijn dat men bedenkt dat niemand behalve de Heer iets in eigendom heeft; en men behoort alleen datgene aan te nemen wat de Heer ons als ons deel toemeet. De koe geeft bijvoorbeeld melk, maar drinkt de melk zelf niet. Haar melk is als voeding voor het menselijk wezen bestemd. De koe eet gras en hooi, maar drinkt niet van haar eigen melk. Zo heeft de Heer het geregeld en we dienen tevreden te zijn met de dingen die Hij ons in Zijn goedheid toemeet. We behoren altijd in het oog te houden van Wie de dingen die we bezitten in werkelijkheid zijn.
Neem bijvoorbeeld het huis waarin we wonen, dat gemaakt is van aarde, hout, steen, ijzer, cement en wat voor stoffelijke zaken al niet meer. Denken we volgens de richtlijnen van de Śrī Īśopaniṣad, dan behoren we te beseffen dat we geen van de bovengenoemde bouwmaterialen zelf kunnen vervaardigen. We kunnen ze alleen gewoon bij elkaar brengen en door onze arbeid verschillende vormen laten krijgen. Niemand kan beweren dat hij ergens eigenaar van is op grond van het feit dat hij hard gewerkt heeft om het te maken.
In de huidige samenleving woedt er voortdurend een hevige strijd tussen arbeiders en kapitalisten. Deze strijd heeft thans een internationale vorm aangenomen en de wereld is in gevaar. De mensen staan als grauwende honden en blazende katten tegenover elkaar. De Śrī Isopanisad kan geen raad geven aan katten en honden; ze verkondigt de boodschap van God aan de méns, via de bona fide ācāryas of heilige leraren. En de mensheid mag déze wijsheid van de Śrī Īśopaniṣad ter harte nemen: dat niemand over materiële bezittingen moet twisten. Men behoort tevreden te zijn met de voorrechten die men door de genade van de Heer verkregen heeft. Er kan geen vrede zijn zo lang de communist of de kapitalist of welke partij dan ook er aanspraak op maakt dat híj de eigenaar is van de rijkdommen der natuur, die uitsluitend het eigendom zijn van de Heer. De kapitalist kan de communist niet met gewoon wat slinks politiek gemanoeuvreer uitschakelen en evenmin kan de communist de kapitalist verslaan door gewoon met hem te vechten om het brood dat hem ontstolen wordt. Als ze de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods niet als eigenaar erkennen, wordt al het bezit waarvan ze beweren dat het van hen is hun ontnomen en komen ze ervoor in aanmerking gestraft te worden volgens de wetten der natuur. De bom is in handen van zowel communisten als kapitalisten en indien geen van beide partijen de Opperheer als eigenaar van alles erkent, is het zeker dat de bom uiteindelijk beide kampen zal vernietigen. Daarom dienen ze uit zelfbehoud beide de aanwijzingen van de Śrī Īśopaniṣad te volgen en aldus vrede in de wereld te brengen.
Menselijke wezens zijn er niet voor bestemd om als kat en hond met elkaar te vechten. Ze dienen zo verstandig te zijn dat ze beseffen hoe belangrijk het mensenleven is en dat ze het doel ervan verwezenlijken. De Vedische literatuur is bedoeld voor de mensheid en niet voor katten en honden. Katten en honden kunnen andere dieren doden om ze op te eten zonder dat ze daarmee een zonde begaan. Maar als een mens een dier doodt om er zijn onbeheerst smaakorgaan mee te bevredigen, wordt hij verantwoordelijk gehouden voor deze overtreding van de wetten der natuur en dient derhalve te worden gestraft.
Menselijke wezens dienen namelijk te beantwoorden aan normen die niet van toepassing kunnen zijn op dieren. Een tijger eet geen rijst, tarwe of koemelk, omdat zijn voedsel hem wordt toegemeten in de vorm van dierlijke substantie. Er zijn veel dieren en vogels die óf vegetarisch óf niet-vegetarisch zijn, maar ze overtreden geen van alle de wetten der natuur zoals die door Gods wil zijn ingesteld. Onder de levende wezens-of het nu zoogdieren, vogels of reptielen zijn- treft men een strikte naleving van de wetten der natuur aan en daarom kan.er bij hen geen sprake van zondigen zijn, en de Vedische voorschriften zijn dan ook niet voor hen bedoeld. Alleen het mensenleven is een leven dat verantwoordelijkheid kent.
Het is ook onjuist wanneer men denkt dat men louter door vegetarisch te gaan leven ervoor kan waken dat men de wetten der natuur overtreedt. Planten leiden eveneens een leven. Het ene leven is ervoor bestemd het andere levend wezen te voeden - dat is de wet der natuur. Niemand hoeft er dus trots op te zijn als hij strikt vegetarisch leeft. Het gaat erom dat men zich verootmoedigt jegens de Opperheer. Het bewustzijn van een dier is te weinig ontwikkeld dan dat het zich voor de Heer kan verootmoedigen, maar menselijke wezens zijn schrander genoeg om lering te kunnen trekken uit de Vedische literatuur, hierdoor te begrijpen hoe de wetten der natuur werken en met deze kennis hun voordeel te doen. Als iemand de voorschriften van de Vedische literatuur veronachtzaamt, brengt hij zijn leven ernstig in gevaar. Daarom wordt het menselijk wezen dringend aangeraden zich voor het gezag van de Opperheer te buigen. Het dient de Heer toegewijd te zijn. De mens moet alles in dienst van de Heer stellen en alleen als voedsel tot zich nemen wat er overblijft van hetgeen aan de Heer geofferd wordt. Daardoor zal hij in staat zijn plicht naar behoren te vervullen. In de Bhagavad-gitā zegt de Heer zonder omhaal dat Hij plantaardig voedsel aanneemt van degenen die Hem in zuivere toewijding dienen (B.g., 9.26). Daarom behoort een menselijk wezen niet alleen strikt vegetarisch te gaan leven, maar tevens toegewijde van de Heer te worden en alles waarmee hij zich voedt eerst aan de Heer te offeren, voordat hij er Diens prasādam - de genade Gods - van tot zich neemt. Zo'n toegewijde kan de plichten van het mensenleven naar behoren vervullen. Degenen die dit niet doen, eten louter zonde en zullen daardoor worden blootgesteld aan verschillende vormen van tegenspoed bij wijze van terugslag van hun euveldaden (B.g.,3.13).
De wortel van alle kwaad bestaat uit opzettelijke ongehoorzaamheid aan de wetten der natuur, omdat men het eigendomsrecht van de Heer niet erkent. Ongehoorzaamheid aan de wetten der natuur of ongehoorzaamheid aan het gebod van de Heer zal het menselijk wezen met rampspoed overstelpen. Blijft men daarentegen nuchter en begrijpt men de wetten der natuur, zonder dat men zich door onnodige voorkeur of afkeer laat beïnvloeden, dan zal de Heer Zijn ontferming tonen, zodat men zal kunnen terugkeren naar God, terug naar Zijn eeuwige Woning.