Śrī Īśopaniṣad
De sleutel tot eeuwig leven, eeuwige kennis en eeuwige gelukzaligheid in liefdevolle omgang met de Opperheer, Kṛṣṇa
Aanroeping: De Persoonlijkheid Gods is volmaakt en volkomen. En omdat Hij volkomen volmaakt is, is alles wat van Hem uitgaat, zoals deze wereld der verschijnselen, volmaakt toegerust als volkomen geheel. Alles wat door het volkomen geheel wordt voortgebracht is op zichzelf eveneens volkomen. En omdat Hij het Volkomen Geheel is, blijft Hij het volkomen evenwicht, ook al gaan er nog zo veel volkomen eenheden van Hem uit.
Mantra Een: Alles wat bezield en onbezield is in dit universum wordt bestuurd door de Heer en is Zijn eigendom. Men behoort daarom alleen die dingen aan te nemen die men nodig heeft voor zichzelf en die ieder als zijn deel krijgt toegemeten; en men behoort geen andere dingen aan te nemen, want men weet heel goed aan Wie ze toebehoren.
Mantra Twee: Als men in deze geest handelt en wandelt, mag men ernaar streven honderd jaar te worden, want zo'n leven bindt de mens niet aan de wet van karma. En een andere weg dan deze is er voor hem niet.
Mantra Drie: Wie de ziel doodt, wie hij ook zij, gaat naar de planeten bekend als de werelden der ongelovigen, vol duisternis en onwetendheid.
Mantra Vier: Hoewel immer in Zijn Woning, is de Persoonlijkheid Gods sneller dan de geest, en sneller te voet dan alle anderen. De machtige halfgoden kunnen Hem niet naderen. Hoewel op één plaats, gebiedt Hij hen die wind en regen geven. Hij gaat allen in voortreffelijkheid te boven.
Mantra Vijf: De Allerhoogste loopt en loopt niet. Hij is ver weg en tevens zeer dichtbij. Hij is in alles en Hij is ook weer buiten alles.
Mantra Zes: Wie alles met betrekking tot de Allerhoogste ziet en alle levende wezens als Zijn volkomen deeltjes en de Allerhoogste in alles, zal nimmer enig-iets of iemand haten.
Mantra Zeven: Wie alle levende wezens altijd ziet als geestelijke vonken, die in hoedanigheid één zijn met de Heer, verwerft zich de ware kennis der dingen. Wat zal hem nog kunnen begoochelen of benauwen?
Mantra Acht: Zo iemand moet werkelijk de Allergrootste kennen, die onbelichaamd is, alwetend, onberispelijk, zonder aderen, zuiver en onbevlekt, de onafhankelijke wijze, die sinds onheuglijke tijden de verlangens van elk levend wezen vervult.
Mantra Negen: Degenen die zich ophouden met onwijze bezigheden zullen binnengaan in de diepste duisternis der onwetendheid. Nog erger lot treft degenen die zich bezighouden met zogenaamde wetenschapsbeoefening.
Mantra Tien: De wijzen hebben ons verklaard dat wie zich bezighoudt met het ontwikkelen van kennis heel ergens anders uitkomt dan wie zich bezighoudt met het ontwikkelen van onwetendheid.
Mantra Elf: Alleen wie kan leren begrijpen hoe onwetendheid werkt én hoe bovenzinnelijke kennis werkt, kan aan de invloed van de kringloop van geboorte en dood ontstijgen en de volkomen zegeningen der onsterfelijkheid genieten.
Mantra Twaalf: Degenen die zich bezighouden met het vereren van halfgoden gaan binnen in de diepste duisternis der onwetendheid en dit geldt in nog sterker mate voor de vereerders van het Absolute.
Mantra Dertien: Men zegt dat wie de Opperheer aanbidt, de diepste grond aller gronden, ergens anders uitkomt dan wie het mindere aanbidt; de onverstoorbaren hebben dit met gezag en helderheid uiteengezet.
Mantra Veertien: Men dient volmaakte kennis te bezitten aangaande de Persoonlijkheid Gods en Zijn bovenzinnelijke naam, alsmede aangaande de tijdelijke stoffelijke schepping met haar tijdelijke halfgoden, mensen en dieren. Wanneer men dienaangaande kennis heeft, ontstijgt men aan de dood en de vergankelijke kosmische openbaring en geniet in het eeuwige koninkrijk Gods een eeuwig leven van kennis en gelukzaligheid.
Mantra Vijftien: O mijn Heer, die al wat leeft in stand houdt, Uw ware gelaat is verhuld door Uw stralende luister. Neem alstublieft die verhulling weg en toon Uzelf aan Uw zuivere toegewijde.
Mantra Zestien: O mijn Heer, o eerste wijze, instandhouder van het heelal, o leidend beginsel, bestemming van de zuivere toegewijden, begunstiger van de verwekkers der mensheid, wil de gloed wegnemen van Uw bovenzinnelijke stralenpracht, opdat ik Uw algelukzalige gedaante aanschouwen mag. U bent de eeuwige Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, gelijk de zon, zoals ook ik.
Mantra Zeventien: Moge dit tijdelijk lichaam tot as verbranden en de levensadem opgaan in de gezamenlijke lucht. O mijn Heer, wil al mijn offers nu gedenken, en omdat uiteindelijk alles U ten deel valt, gedenk al wat ik voor U heb gedaan.
Mantra Achttien: O mijn Heer, die machtig zijt als het vuur, Alvermogende, ik breng U alle eerbetuigingen en val op de grond U ten voet. O mijn Heer, wil me leiden op het rechte pad naar U en -omdat U alles weet wat ik in het verleden heb gedaan - wil me bevrijden van de terugslag van vroegere zonden, opdat ik ongehinderd tot U naderen mag.