Śrī Īśopaniṣad 10

anyad evāhur vidyayā-
nyad āhur avidyayā
iti śuśruma dhīrāṇāṁ
ye nas tad vicacakṣire

Synonyms

anyatverschillend; evazeker; āhuḥgezegd; vidyayākennis-ontwikkeling; anyatverschillend; āhuḥgezegd; avidyayāonwetendheid; itizo; śuśrumagehoord; dhīrāṇāmvan de nuchteren; yedie; naḥons; tatdat; vicacakṣireverklaard.

Translation

De wijzen hebben ons verklaard dat wie zich bezighoudt met het ontwikkelen van kennis heel ergens anders uitkomt dan wie zich bezighoudt met het ontwikkelen van onwetendheid.

Purport

Het ontwikkelen van kennis kan in de praktijk gebeuren op de volgende wijze, die in de Bhagavad-gitā wordt aanbevolen (B.g.,13.8-12). Daar wordt gezegd:
1.Men behoort zich volmaakt te leren gedragen en anderen met de verschuldigde achting te leren bejegenen.
2. Men dient zich niet religieus voor te doen louter om de algemene aandacht op zich te vestigen.
3. Men dient geen bron van onrust voor anderen te worden door zijn handelingen, gedachten of woorden.
4. Men moet leren verdragen, ook al wordt men door anderen getart.
5. Men dient te leren op ondubbelzinnige, eerlijke wijze met anderen om te gaan.
6. Men behoort een bona fide geestelijk leraar te hebben, die iemand geleidelijk naar het niveau der geestelijke zelfverwerkelijking kan leiden en aan zo'n ācārya of geestelijk leraar dient men zich in dienstbaarheid en met steekhoudende vragen te onderwerpen.
7. Men dient zich aan de regulerende principes te houden die in de geopenbaarde Schriften worden aanbevolen, teneinde het peil der zelfverwerkelijking te bereiken.
8. Men dient zich de leer van de geopenbaarde Schriften geheel eigen te maken.
9. Men moet geheel afzien van gedragingen die afbreuk doen aan het belang der zelfverwerkelijking.
10. Men behoort niet méér aan te nemen dan wat men voor zijn lichamelijk onderhoud nodig heeft.
11. Men dient zich niet ten onrechte te vereenzelvigen met het materiële omhulsel van het grofstoffelijk lichaam en evenmin degenen die met zijn lichaam verwant zijn als de zijnen te beschouwen.
12. Men dient voortdurend te bedenken dat men, zo lang men een stoffelijk lichaam heeft, voor een herhaling van de ellende van geboorte, dood, ouderdom en ziekte zal komen te staan. Het heeft geen zin allerlei manieren te bedenken om aan deze ellenden van het stoffelijk lichaam te ontkomen. Het beste wat men kan doen is zien te achterhalen hoe men zijn ware, geestelijke identiteit terugvindt.
13. Men dient zich niet te hechten aan meer dan men nodig heeft voor zijn geestelijke groei.
14.Men behoort niet meer aan vrouw, kinderen en huis gehecht te zijn dan in de geopenbaarde Schriften wordt voorgeschreven.
15. Men dient gelukkig noch verdrietig te zijn met betrekking tot de gevoelens van voorkeur en afkeer die in de geest ontstaan.
16.Men behoort een zuivere toegewijde van de Persoonlijkheid Gods, Śrī Kṛṣṇa, te worden en Hem met opgetogen aandacht te dienen.
17. Men dient een voorkeur te ontwikkelen voor het verblijven op eenzame plaatsen met een kalme en rustige sfeer, die zich leent voor geestelijke groei, en zo de drukke omgevingen te vermijden waar de niet-toegewijden samenstromen.
18. Men dient een wetenschappelijke of filosofische belangstelling te ontwikkelen, zich in geestelijke kennis te verdiepen - niet in materiële kennis - en daarbij in te zien dat geestelijke kennis eeuwig is, terwijl er met de dood van het lichaam tevens een eind komt aan de opgedane materiële kennis.
Deze achttien onderdelen vormen een geleidelijke methode voor het ontwikkelen van ware kennis. Naast deze achttien genoemde activiteiten, wordt elke verdere activiteit van wat voor aard dan ook naar de categorie onwetendheid verwezen. Srila Bhaktivinoda Thākura, een groot ācārya, zei dat alle vormen van materiële kennis slechts uiterlijke aspecten van de illusoire energie zijn en dat degenen die zich erin verdiepen geen haar verstandiger worden dan een ezel. Sommige materialistische politici, gehuld in de kledij der geestelijke stand, schandvlekken het huidige beschavings-systeem als satanisch, maar ongelukkigerwijs voelen ze er niet voor de ware kennis op te doen, zoals die in de Bhagavad-gīta verstrekt wordt, en daarom kunnen ze de door hen gewraakte satanische toestand niet veranderen.
Zoals de zaken er tegenwoordig voor staan, wanen zelfs jongens zich eigen baas en hebben geen eerbied voor oudere mensen. Zo zijn als gevolg van een verkeerd type onderwijs, dat aan onze universiteiten gegeven wordt, de jongens over de hele wereld een plaag voor de ouderen geworden. Daarom waarschuwt de Śrī Īśopaniṣad uitdrukkelijk dat het ontwikkelen van onwetendheid tot andere resultaten leidt dan het ontwikkelen van kennis. De universiteiten zijn, om zo te zeggen, slechts centra van onwetendheid, en daardoor komt het dat de wetenschappelijk onderzoeker zich bezighoudt met het uitvinden van dodelijke wapens, waarmee andere landen van de kaart kunnen worden geveegd. De studenten aan de universiteiten van vandaag krijgen geen onderricht inzake de beginselen van brahmacarya, de inleiding tot het geestelijk leven, en ze hechten geen geloof aan de juistheid van de geboden der geopenbaarde Schriften. Religieuze beginselen worden alleen onderwezen tot meerdere glorie van de geestelijke of hoogleraar die ze onderwijst en niet om ermee aan de slag te gaan in de praktijk. Daarom heerst er niet alleen op sociaal en politiek, maar ook op religieus terrein vijandschap.
Ook de ontwikkeling van het nationalisme in verschillende delen van de wereld komt op rekening van deze onwetende manier waarop de mensheid onderwezen wordt. Men is er niet van op de hoogte dat deze kleine aarde slechts een brokje materie is dat tezamen met vele andere brokjes ronddrijft in de onmetelijke stoffelijke ruimte. Vergeleken met de uitgestrektheid van de ruimte zijn deze brokjes materie niet groter dan stofpluisjes in de lucht. Omdat God deze brokjes materie in Zijn goedheid tot volkomen eenheden heeft gemaakt, zijn ze er volmaakt op berekend en van alles voorzien om in de ruimte rond te drijven. Degenen die onze ruimtecapsules besturen zijn bijzonder trots op hun prestaties, maar slaan geen acht op de Allerhoogste Bestuurder van deze grotere, reusachtige ruimtevaartuigen, die planeten worden genoemd.
Er zijn ontelbare zonnen die hun eigen ruimte opeisen, met ontelbare, verschillende planetenstelsels. Wij, nietige schepselen, oneindig kleine deeltjes van de Opperheer, trachten in de kringloop van geboorte en dood het onbegrensde planeten-rijk in onze macht te krijgen, maar worden algemeen gefrustreerd door ziekte en ouderdom. De duur van een mensenleven is afgesteld op ongeveer 100 jaar, maar hij neemt geleidelijk af tot hij de grens van 20 å 30 levensjaren bereikt. Dankzij het feit dat ze zijn opgeleid in onwetendheid, zijn de verdwaasde mensen ertoe overgegaan op deze planeten hun eigen nationalisme te creëren, waarbinnen ze gedurende deze schamele 20 à 30 jaar slechts zinsbevrediging najagen. Deze dwazen bedenken het ene plan na het andere om een speciaal afgebakend stukje aarde zo volmaakt mogelijk te maken, hetgeen volstrekt belachelijk is. En omdat dit hun doel is, is iedere natie een bron van onrust voor alle naties. Ze steken meer dan 50 percent van hun energie in defensieactiviteiten, zonder ook maar enige aandacht te schenken aan het ontwikkelen van een werkelijke beschaving, die op kennis berust, en ze tonen zich trots op hun verméende vooruitgang op zowel materieel als geestelijk gebied.
De Śrī Īśopaniṣad waarschuwt ons tegen deze verkeerde manier van beschaven en de Bhagavad-gitā geeft aanwijzingen hoe men werkelijke kennis dient te ontwikkelen. In deze mantra wordt indirect te verstaan gegeven dat men zich in vidyā, kennis, dient te laten onderrichten door een dhīra. Dhira betekent onverstoorbaar, niet te verstoren door de materiële illusie. Niemand kan onverstoorbaar zijn, tenzij en voordat hij tot volmaakte geestelijke zelfverwerkelijking is gekomen. Wanneer men geestelijk volmaakt verwerkelijkt is, heeft men er geen enkel verlangen naar zich dingen te verwerven en voelt men geen enkel verdriet wanneer men dingen kwijtraakt. Een dhira beseft volkomen dat het stoffelijk lichaam en de stoffelijke geest, die hij zich door contact met de materie verworven heeft, wezensvreemde elementen zijn, en daarom maakt hij van deze miskoop zo goed mogelijk gebruik.
Het stoffelijk lichaam en de stoffelijke geest zijn beide een miskoop voor het geestelijke levende wezen. Het levende wezen heeft in de levende wereld verschillende functies, maar deze stoffelijke wereld is dood. Zo lang de levende geestelijke vonken er brokken dode stof hanteren, lijkt de dode wereld een levende wereld. Maar in werkelijkheid zijn het de levende zielen, de integrerende deeltjes van het allerhoogste levende Wezen, die de wereld laten bewegen. De dhira's zijn degenen die deze feiten hebben vernomen door naar de hogere autoriteiten te luisteren en die ze als waar hebben doorschouwd door zich te houden aan de naleving der regulerende principes.
Om de regulerende principes te kunnen naleven, dient men de bescherming te aanvaarden van een bona fide geestelijk leraar. De bovenzinnelijke boodschap wordt door de geestelijk leraar tegelijk met de regulerende principes aan de leerling doorgegeven, dus niet op de lukrake manier waarop de-mensen in onwetendheid worden geschoold. Men kan alleen dhīra worden als men nederig luistert naar de boodschap van de Persoonlijkheid Gods. De volmaakte leerling is iemand als Arjuna en de geestelijk leraar moet zo goed zijn als de Heer Zelf. Zo leert men vidyā, kennis, van de dhira, de onverstoorbare.
De adhīra, iemand die zich niet bekwaamd heeft zoals de dhīra, kan het leerproces nooit in goede banen leiden. Moderne politici die zich als dhīra's voordoen zijn in wezen adhira's.Men mag van hen geen volmaakte kennis verwachten. Ze hebben meer aandacht voor de dollars en ponden waarmee ze beloond willen worden. Hoe kunnen zij de massa voorgaan op de rechte weg der zelfverwerkelijking? Verlangt men werkelijke levens-ontwikkeling, dan dient men nederig naar de dhira te luisteren.