Śrī Īśopaniṣad 11

vidyāṁ cāvidyāṁ ca yas
tad vedobhayaḿ saha
avidyayā mṛtyuṁ tīrtvā
vidyayāmṛtam aśnute

Synonyms

vidyāmwerkelijke kennis; caen; avidyāmonwetendheid; caen; yaḥiemand die; tatdat; vedaweet; ubhayambeide; sahategelijk; avidyayādoor de bevordering van onwetendheid; mṛtyumherhaalde dood; tīrtvātranscenderend; vidyayādoor de bevordering van kennis; amṛtamonsterfelijkheid; aśnutegeniet.

Translation

Alleen wie kan leren begrijpen hoe onwetendheid werkt én hoe bovenzinnelijke kennis werkt, kan aan de invloed van de kringloop van geboorte en dood ontstijgen en de volkomen zegeningen der onsterfelijkheid genieten.

Purport

Sinds het begin van de stoffelijke wereld streeft iedereen naar een eeuwig leven, maar de wet der natuur is zo wreed, dat niemand aan de hand des doods heeft weten te ontsnappen. Niemand wil sterven - dat is een nuchter feit. Evenmin wil men oud of ziek worden. De wet der natuur vrijwaart echter niemand van ziekte, ouderdom en dood. De vooruitgang der technisch-materiële kennis heeft deze levensproblemen niet uit de weg geruimd. De materiële wetenschap heeft weliswaar de kernbom weten te vervaardigen, die het stervensproces slechts versnelt, maar ze vermag niets uit te vinden dat de mens kan beschermen tegen de klauwen van ziekte, ouderdom en dood.
De Purāṇas vertellen ons van de activiteiten van Hiranyakasipu: deze koning had het materieel zeer ver gebracht en op grond van zijn stoffelijke macht, dus op grond van zijn onwetendheid, wilde hij de dood overwinnen. Hij wijdde zich aan een type meditatie dat zo streng was, dat door de mystieke krachten die hij hierdoor verkreeg alle planetenstelsels van slag raakten. Hij dwong de schepper van het universa, de halfgod genaamd Brahmā, naar beneden te komen en vroeg hem om de gunst, amara – onsterfelijk - te mogen worden. Brahmā weigerde hem dit toe te zeggen, omdat zelfs hij, de schepper van de materiële kosmos, die alle planeten gebiedt, niet eens amara is. Er is hem weliswaar een lang leven toegemeten, zoals in de Bhagavad-gītā bevestigd wordt (B.g., 8.17), maar dit houdt niet in dat hij niet sterven zal.
Hiranya betekent goud en kasipu betekent zacht bed. Hiranyakasipu had slechts voor deze twee zaken belangstelling -geld en vrouwen. En hij wilde hiervan eeuwig genieten door zich op kunstmatige wijze onsterfelijkheid te verwerven. In de hoop dat hij hiermee op slinkse wijze tóch amara zou worden, vroeg hij Brahmā een kombinatie van andere gunsten. Zo vroeg hij niet gedood te zullen worden door een mens, een dier, een god of willekeurig wat voor wezen uit de reeks der 8.400.000soorten. Hij verzocht tevens niet te hoeven sterven op land, in de lucht, in het water of door wapenletsel. En zo vroeg dit heerschap maar door, in zijn dwaasheid denkend dat hij zo aan de dood zou kunnen ontkomen. Hoewel Brahmā hem alle gevraagde gunsten verleende, werd hij tenslotte gedood door de Persoonlijkheid Gods in Zijn half mens-,half leeuw-gedaante. En de Heer doodde hem niet met een wapen, maar met Zijn nagels. En hij werd niet te land, in de lucht of in het water gedood, maar op de schoot van het vreemdsoortige levende wezen, waarvan hij zich het bestaan niet had kunnen voorstellen.
Waar het hier om gaat, is dat zelfs Hiranyakaśipu, de aller-machtigste materialist, niet onsterfelijk kon worden, wat voor plannen hij ook bedacht. Wat zullen dan de kleine Hiraņyakasipu's van vandaag kunnen uitrichten met al hun plannen, die steeds weer in de kiem worden gesmoord?
De Śrī Īśopaniṣad leert ons dat we geen eenzijdige pogingen moeten doen de strijd om het bestaan te winnen. Iedereen vecht hard om lijfsbehoud, maar de wet der natuur gaat zo streng en snel te werk, dat ze niemand toestaat haar te glad af te zijn. Wil men eeuwig leven, dan dient men bereid te zijn terug te keren naar God.
De methode van terugkeer naar God is eenaparte tak van kennis, die men zich eigen kan maken door bestudering van de geopenbaarde Vedische Schriften, zoals de Upaniṣads, de Vedānta, de Bhagavad-gītā, het Śrīmad-Bhāgavatam enz. Wil men dus nog in dit leven gelukkig worden en na het verlaten van dit stoffelijk lichaam in zalige eeuwigheid voortleven, dan dient men zich in deze heilige literatuur te verdiepen en zich zodoende bovenzinnelijke kennis te verwerven. Het geconditioneerde levende wezen is zijn eeuwige relatie met God vergeten en ziet het tijdelijk oord waarin het geboren is als de enige bestaande werkelijkheid. In Zijn goedheid heeft de Heer de bovengenoemde Schriften in India geopenbaard, en andere Schriften in andere landen, teneinde het vergeetachtige menselijke wezen eraan te herinneren dat zijn werkelijke huis niet hier in deze stoffelijke wereld is. Het levend wezen is van nature geestelijk en kan alleen gelukkig zijn als het terugkeert naar zijn geestelijke woning, bij God.
Vanuit Zijn koninkrijk zendt de Persoonlijkheid Gods Zijn vertrouwde dienaren om de levende wezens te verkondigen dat ze moeten terugkeren naar God, en soms daalt Hij Zelf neer om deze taak te verrichten. Alle levende wezens zijn Zijn geliefde zonen, Zijn volkomen delen, en daarom heeft God meer verdriet dan wijzelf om het leed dat we in de stoffelijke toestand voortdurend ondergaan. De ellenden van de stoffelijke wereld vestigen indirect onze aandacht op ons onvermogen de dode stof te overwinnen; wie intelligent is laat zich door zulke tekenen waarschuwen en wijdt zich met zijn intelligente medemensen aan de ontwikkeling van vidyā of bovenzinnelijke kennis. Het menselijk leven vormt de beste gelegenheid om geestelijke kennis te ontwikkelen en het menselijk wezen dat van deze gelegenheid, hem door het mensenleven geboden, geen gebruik maakt wordt een narādhama, een figuur van het laagste allooi, genoemd.
De weg der avidyā, of der stoffelijke kennisontwikkeling ten behoeve van het zingenot, betekent herhaling van dood en tevens herhaling van geboorte. Geestelijk gesproken, zoals het is, kent het levend wezen geboorte noch dood. Geboorte en dood hebben slechts betrekking op het stoffelijk omhulsel van de geestelijke ziel, op het lichaam, en worden vergeleken met het aan-en uittrekken van telkens weer andere kleren. Maar de dwaze menselijke wezens die volkomen opgaan in het bevorderen van avidyā, onwetendheid, slaan geen acht op deze wrede gang van zaken; doordat ze zich laten meeslepen door de schoonheid van de begoochelende energie, vervallen ze voortdurend in herhaling van dezelfde fouten, zonder ook maar iets van de wet der natuur te leren.
Het ontwikkelen van vidyā of bovenzinnelijke kennis is voor het menselijk wezen van essentieel belang. Ongebreideld zingenot, dat de zinnen nog meer verziekt en verstoffelijkt, moet zo veel mogelijk worden beperkt. Ongebreideld zingenot in deze lichamelijke toestand is de weg van onwetendheid en dood. De levende wezens zijn overigens niet zonder gééstelijke zinnen. Ieder levend wezen heeft, in zijn oorspronkelijke gedaante, alle zinnen die nú stoffelijk zijn, verhuld door het grof-en het fijnstoffelijk lichaam. De activiteiten van de stoffelijke zinnen zijn het omgekeerde van geestelijke speel-activiteiten. Dat de ziel nu haar activiteiten op materieel gebied ontplooit geeft aan dat ze zich in verziekte staat bevindt. Werkelijk zingenot is pas mogelijk wanneer de ziekte is weggenomen. In onze zuivere geestelijke gedaante, waarin we van alle stoffelijke smetten vrij zijn, is zuíver zingenot mogelijk. Het behoort dan ook het doel van het mensenleven te zijn geen ziekelijk zingenot na te jagen, maar de materiële ziekte te genezen. Wie de materiële ziekte verergert geeft daarmee geen blijk van inzicht en kennis. Het laat zien dat men liever avidyā, onwetendheid, ontwikkelt. Wil men goed gezond zijn, dan dient men de koorts niet van 39 graden op te drijven naar 40: hij moet worden teruggebracht tot de normale temperatuur van 37 graden. Dat dient ons doel in dit mensenleven te zijn. De huidige materiële beschaving is alleen maar geneigd de stoffelijke koortstoestand te verergeren, ook al is met de kernwapens de temperatuur al opgelopen tot 40 graden en ook al schreeuwen de dwaze politici dat de wereld ieder ogenblik naar de hel kan gaan. Dat is het resultaat van vooruitgang in materiële kennis en van de verwaarlozing van het allerbelangrijkste levensaspect, de ontwikkeling van geestelijke kennis. De Śrī Īśopaniṣad waarschuwt dat we deze gevaarlijke weg, die ons naar de dood leidt, niet moeten volgen. We dienen integendeel eendrachtig onze geestelijke kennis tot ontwikkeling te brengen, zodat we ons volkomen kunnen bevrijden uit de wrede handen van de dood.
Dit houdt niet in dat we de geijkte activiteiten met betrekking tot het onderhoud van ons lichaam moeten beëindigen. Er is geen sprake van dat we ophouden met bezig zijn, zoals we evenmin, wanneer we herstellende zijn van een ziekte, onze temperatuur proberen terug te brengen tot nul. We hebben de onderhavige kwestie al proberen te verduidelijken aan de hand van de uitdrukking dat we een miskoop zo nuttig mogelijk dienen te besteden. De ontwikkeling van geestelijke kennis dient te geschieden met behulp van dit lichaam en deze geest en derhalve moeten we, willen we ons doel bereiken, lichaam en geest in goede conditie houden. We dienen onze temperatuur gewoon op 37 graden te houden en haar niet als onzinnigen op te voeren tot boven de 40. De grote wijzen en heiligen van India streefden ernaar hun temperatuur normaal te houden door zichzelf een uitgebalanceerde dosis materiële en geestelijke kennis toe te dienen. Ze stonden nooit toe dat de mensen hun verstand misbruikten voor ziekelijk zingenot.
Menselijke activiteiten die door het verlangen naar zinsbevrediging zijn aangetast worden in de Veda's gereguleerd aan de hand van de principes der verlossing. Dit systeem heeft vier onderdelen: religie, economische ontwikkeling, zins-bevrediging en verlossing. In het huidige tijdsgewricht zijn de mensen noch in religie, noch in verlossing geïnteresseerd. Ze kennen slechts één levensdoel-zinsbevrediging. En om dit doel te bereiken bedenken ze van alles om zich economisch te ontwikkelen. De misleide mens denkt dat men er religie op na moet houden vanwege het nut hiervan voor de economische ontwikkeling en dat economische ontwikkeling nodig is om de zinnen goed te kunnen bevredigen. En om zich ervan te verzekeren dat men na de dood, in de hemel, voort kan blijven genieten met zijn zinnen, dient men bepaalde religieuze gebruiken in ácht te nemen. Dit is echter niet de bedoeling van de Vedische verlossings-regels. De weg der religie heeft in feite zelfverwerkelijking ten doel. Er is slechts in zoverre economische ontwikkeling nodig als men middelen nodig heeft om het lichaam fit en gezond te houden. Een mens dient in gezonde conditie te verkeren, opdat de geest ongestoord kan meewerken aan het doorschouwen van vidyā, de ware kennis, die het doel des levens is. Dit leven is er niet voor bedoeld om ons als ezels af te sloven of om avidyā te ontwikkelen of ons slechts met zinsbevrediging bezig te houden.
De weg der vidyā wordt het meest volmaakt veraanschouwelijkt in het Śrimad-Bhāgavatam. Het Bhāgavatam laat het levend wezen zien hoe het zijn leven moet benutten om te onderzoeken wat de Absolute Waarheid is. De Absolute Waarheid wordt in drie opeenvolgende fasen doorschouwd: Brahman, Paramātmā en tenslotte Bhagavān, de Persoonlijkheid Gods. Deze Absolute Waarheid wordt doorgrond door de mens die ruim van opvatting is en zich kennis en onthechting heeft verworven door zich aan de 18 regels van de Bhagavad-gitā te houden, die hiervóór zijn opgesomd. Het centrale punt van deze 18 regels is dat men het niveau der bovenzinnelijke toegewijde dienst aan de Persoonlijkheid Gods bereikt. Daarom wordt alle klassen van mensen aanbevolen zich te bekwamen in de kunst der toegewijde dienst aan de Heer.
De weg die feilloos naar het doel – vidyā - leidt, wordt door Srī Rūpa Gosvāmī beschreven in zijn Bhakti-rasāmrta-sindhu, dat we in het Engels hebben uitgegeven onder de titel The Nectar of Devotion. Hoe men vidyā ontwikkelt, wordt door het Srimad-Bhāgavatam als volgt kort samengevat:
tasmād ekena manasā
bhagavān sātvatāṁ patiḥ
śrotavyaḥ kīrtitavyaś ca
dhyeyaḥ pūjyaś ca nityadā
"Daarom dienen toegewijden voortdurend over de Persoonlijkheid Gods (Bhagavān), die hun beschermer is, te horen en Hem te verheerlijken, gedenken en aanbidden.”(1.2.14).
Religie, economische ontwikkeling en zinsbevrediging, zonder de bedoeling hierdoor het niveau der toegewijde dienst aan de Heer te bereiken, zijn slechts verschillende vormen van onwetendheid, zoals de Śrī Īśopaniṣad hierna zal laten zien. Dus om vidyā te ontwikkelen dient men, met name in dit tijdperk, voortdurend met geconcentreerde aandacht-te luisteren, zingen en aanbidden, het hart gericht op de Persoonlijkheid Gods, de Heer degenen die het bovenzinnelijke deelachtig zijn.