Śrī Īśopaniṣad 12

andhaṁ tamaḥ praviśanti
ye ’sambhūtim upāsate
tato bhūya iva te tamo
ya u sambhūtyāḿ ratāḥ

Synonyms

andhamonwetendheid; tamaḥduisternis; praviśantigaan binnenin; yedie; asambhūtimhalfgoden; upāsateaanbidden; tataḥmeer dan dat; bhūyaḥweer; ivazoals; tedie; tamaḥduisternis; yedie; uook; sambhūtyāmin het Absolute; ratāḥbezig met.

Translation

Degenen die zich bezighouden met het vereren van halfgoden gaan binnen in de diepste duisternis der onwetendheid en dit geldt in nog sterker mate voor de vereerders van het Absolute.

Purport

Het Sanskrit woord asambhūti heeft betrekking op degenen die geen onafhankelijk bestaan hebben. Sambhūti is de Absolute Persoonlijkheid Gods, die absoluut onafhankelijk van alles is. In de Bhagavad-gitā beschrijft de Absolute Persoonlijkheid Gods Zichzelf in positieve termen als volgt:
na me viduḥ sura-gaṇāḥ
prabhavaṁ na maharṣayaḥ
aham ādir hi devānāṁ
maharṣīṇāṁ ca sarvaśaḥ
"Ik ben de diepste oorzaak van de machten die zijn toevertrouwd aan de halfgoden, de grote wijzen en de mystici. En aangezien ze met beperkte macht begiftigd zijn, is het voor hen bijzonder moeilijk te begrijpen hoe Ik Zelf, vanuit Mijn innerlijk alvermogen, in de gedaante van een mens verschijn."(B.g.,10.2)
Alle filosofen en grote ṛṣi’s, of mystici, trachten met hun kleine verstand het Absolute van het relatieve te onderscheiden. Dit kan ze echter hooguit zo ver brengen, dat ze de relativiteit verwerpen, zonder dat dit ze evenwel tot enig positief inzicht in het Absolute heeft gebracht. Dergelijke negatieve benaderingen leiden ertoe dat men zich er zelf maar een idee van maakt, waarbij men zich dan indenkt dat het Absolute vormloos en zonder eigenschappen moet zijn. Deze ontkenningen zijn niets anders dan het tegendeel van de relatieve vormen en eigenschappen en zijn daarom op hun beurt relatief. Met zo'n opvatting over het Absolute komt men op zijn best uit bij de onpersoonlijke uitstraling van God, die we kennen als Brahman; maar men kan niet doordringen tot het niveau van Bhagavān, de Persoonlijkheid Gods.
Dergelijke theoretici weten niet dat Kṛṣṇade Absolute Persoonlijkheid Gods is en dat het onpersoonlijk Brahman de stralende gloed is van Zijn bovenzinnelijk lichaam, terwijl Paramātmā, de Superziel, Zijn allesdoordringende tegenwoordigheid is. Ze weten niet dat Kṛṣṇa Zijn eeuwige gedaante heeft, met bovenzinnelijke eigenschappen als eeuwige gelukzaligheid en kennis. De afhankelijke halfgoden en grote wijzen doorgronden Hem slechts ten dele en zien Hem als een der machtige halfgoden, maar de Brahman-gloed beschouwen ze als de uiteindelijke Absolute Waarheid. Kṛṣṇa’s toegewijden echter-die zich dankzij hun ongerepte toewijding aan Hem overgeven- kunnen weten dat Hij de Absolute Persoon is en dat alles alleen uit Hem voortkomt. Deze toegewijden bewijzen Kṛṣṇa, die de bron van alles is, ononderbroken liefdedienst.
In de Bhagavad-gitā wordt tevens gezegd (B.g.,7.20) dat alleen verwarde personen, die gedreven worden door een sterk verlangen naar zinsbevrediging, teneinde hun tijdelijke problemen uit de weg te ruimen de halfgoden aanbidden. Tijdelijk bevrijd worden van een bepaald probleem door tussenkomst van een halfgod - dat is wat minder intelligente personen nastreven. Het levend wezen is gevangen in de stof en moet volledig uit deze materiële gevangenschap verlost worden om zich blijvende opluchting te verwerven op het geestelijk vlak, waar eeuwige gelukzaligheid, levensduur en kennis heersen.
In de Bhagavad-gitā wordt gezegd (B.g., 7.23) dat degenen die de halfgoden aanbidden naar de planeten van de desbetreffende halfgoden kunnen gaan. De maan-aanbidders kunnen naar de maan gaan, de zonaanbidders naar de zon enz. De hedendaagse mens begeeft zich naar de maan met behulp van raketten, waarmee hij eigenlijk niet nieuws doet. Het menselijk wezen met zijn verhoogd bewustzijn is er van nature toe geneigd ruimtereizen te ondernemen en andere planeten te bezoeken, hetzij met behulp van ruimtevaartuigen, hetzij door mystieke krachten, hetzij door de halfgod te aanbidden die over de planeet van bestemming heerst. In de Vedische geschriften wordt gezegd dat men op alle hierboven aangegeven wijzen, het meest door aanbidding van de halfgod die over de te bezoeken planeet heerst, andere planeten kan bereiken. Deze planeten echter zijn tijdelijke oorden van verblijf; de enige permanente planeten zijn de Vaikuņtha-loka's, die men in de geestelijke hemel vindt, waar de Persoonlijkheid Gods de scepter zwaait. De Bhagavad-gitā bevestigt dit als volgt:
ā-brahma-bhuvanāl lokāḥ
punar āvartino ’rjuna
mām upetya tu kaunteya
punar janma na vidyate
"Ook al weet men op te stijgen tot de hoogste planeet, Brahma-loka, dan zal men toch moeten terugkeren, Maar weet iemand Míj te bereiken (in de geestelijke wereld), dan hoeft hij geen wedergeboorte meer te ondergaan.”(B.g,,8.16)
De grootse en hoogste planeet in de brahmajyoti is Kṛṣṇaloka of Goloka Vņrdāvana, waar de Persoonlijkheid Gods, Kṛṣṇa, Zich bevindt. Heer Śrī Kṛṣṇa gaat nooit weg van Kṛṣṇa -loka, waar Hij Zich met Zijn eeuwige metgezellen ophoudt, en toch is Hij alomtegenwoordig in de gehele stoffelijke en geestelijke kosmische situatie. Dit feit is al toegelicht in de vierde mantra van de Śrī Īśopaniṣad. De Heer is overal tegenwoordig, zoals de zon overal zijn licht laat schijnen. Iemand kan zich met de grootst mogelijke snelheid van het ene naar het andere punt in de ruimte begeven en tot de ontdekking komen dat de zon ook dáár is, ook al heeft hij zijn vaste baan niet verlaten.
We kunnen het grote levensprobleem niet oplossen door naar de maan te reizen. Er zijn heel wat pseudo-aanbidders van de Heer, die zich uitsluitend met religie bezighouden om daarmee naam te maken en roem te oogsten. Zulke schijn-gelovigen koesteren allesbehalve de wens het universum te verlaten en de geestelijke hemel binnen te gaan. Ze willen slechts de status quo in de materiële wereld handhaven onder het mom dat ze zich voor de Heer verootmoedigen. De atheïsten en impersonalisten leiden deze dwaze schijn-gelovigen, door ze hun dwaalleer te verkondigen, de diepste duisternis binnen. De atheïst ontkent zonder meer dat er een Allerhoogste Persoonlijkheid Gods bestaat en de impersonalist steunt de atheïst door te verkondigen dat de Allerhoogste Heer niet als Persoon bestaat, Tot dusver zijn we in de Śrī Īśopaniṣad geen mantra tegengekomen waarin het bestaan van de Persoonlijkheid Gods ontkend wordt. Wel wordt er gezegd dat hij sneller kan draven dan iedereen. Degenen die naar de planeten draven zijn kennelijk personen en als de Heer sneller kan draven dan zij allemaal bij elkaar, waarom moet Hij dan als onpersoonlijk worden opgevat? De onpersoonlijke opvatting van de Opperheer is wederom een blijk van onwetendheid, die voortkomt uit een onvolmaakt inzicht in de Absolute Waarheid.
De onwetende schijn-gelovigen, die zichzelf tot incarnaties bombarderen - waarmee ze de Vedische geboden ronduit overtreden - lopen op deze manier alle kans dat ze in het duisterste oord van het universum zullen belanden, omdat ze hun volgelingen misleiden. De impersonalisten proberen doorgaans de onnozele massa, die niets van de Vedische kennis afweet, wijs te maken dat ze incarnaties van God zijn. Zouden deze dwazen ook maar een greintje kennis bezitten, dan zou deze kennis in hún handen nog gevaarlijker zijn dan onwetendheid op zichzelf. De impersonalisten aanbidden zelfs de halfgoden niet eens op de voorgeschreven wijze. In de Schriften wordt gezegd hoe men de halfgoden onder verschillende omstandigheden kan vereren, maar er wordt meteen bij gezegd dat het niet echt nodig is. In de Bhagavad-gitā wordt duidelijk verklaard (B.g., 7.23) dat de resultaten die men als gevolg van het aanbidden van halfgoden verkrijgt, niet blijvend zijn. De hele stoffelijke wereld is tijdelijk en daarom is alles wat hier in de duisternis van het materieel bestaan bereikt wordt eveneens tijdelijk. De vraag is dus: hoe verwerft men zich een werkelijk en blijvend leven?
De Heer verklaart dat zodra men tot Hem komt door toegewijde dienst - hetgeen de volstrekt énige manier is om de Persoonlijkheid Gods te naderen - men volkomen verlost wordt van de gevangenschap van geboorte en dood. Met andere woorden: de verlossing, of de bevrijding uit de kluisters van de materie, wordt alleen bereikt als men het tweevoudig beginsel van kennis en onthechting volgt. De schijngelovigen hebben geen kennis en evenmin onthechten ze zich van stoffelijke aangelegenheden, De meeste van ze willen blijven voortleven in de gouden ketenen der materiële gevangenschap, in de schaduw van altruïstische en filantropische activiteiten, uit naam van hun geloof. Uit onwaarachtige religieuze gevoelens bouwen ze een schijnvertoning van toegewijde dienst op, waarbij ze zich aan allerlei immorele praktijken overgeven terwijl ze voor geestelijk leraren en toegewijden Gods blijven doorgaan. Zulke overtreders van de religieuze beginselen hebben geen respect voor de gezaghebbende ācārya's, de heilige leraren in de zuivere linie der geestelijke erfopvolging; en om de mensheid in haar geheel te misleiden worden ze zelf zogenaamde ācārya's, zonder zich aan de voor ācārya's geldende principes te houden.
Deze schurken zijn de gevaarlijkste elementen in de menselijke samenleving en omdat het aan een religieus landsbestuur ontbreekt, kunnen ze hun gang blijven gaan zonder door de wet gestraft te worden. Ze kunnen echter niet ontkomen aan de wet van de Allerhoogste, die in de Bhagavad-gitā onomwonden heeft verklaard (B.g., 16.19-20) dat deze afgunstige demonen, die zich als ijverige gelovigen voordoen, in de diepste duisternis der hel geworpen zullen worden. In de Śrī Īśopaniṣad wordt bevestigd dat de schijn-gelovigen op weg zijn naar het meest onaangename oord in het universum, waar ze zullen arriveren zodra het eenmaal gedaan zal zijn met hun geestelijk leraarschap, dat louter op zinsbevrediging berust.