Default View
Dual Language

Inleiding

“Leringen van de Veda's
(De tekst van deze inleiding bestaat uit een lezing die Sri Śrīmad A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupāda op 6 oktober 1969 in dle Conway Hall in Londen hield.)
Dames en heren, het onderwerp van vandaag is de leer der Veda's. Wat zijn de Veda's? Het Sanskrit woord Veda kan op verschillende manieren worden herleid, maar het gaat uiteindelijk slechts om één ding. Veda betekent kennis. Alle kennis die we aanvaarden is Veda, want de leer der Veda's bevat de oorspronkelijke kennis. Wegens de geconditioneerde staat waarin we ons bevinden gaat onze kennis mank aan heel wat gebreken. Het verschil tussen een geconditioneerde ziel en een bevrijde ziel is dat de geconditioneerde ziel vier soorten gebreken heeft. Het eerste gebrek is dat ze vergissingen begaat. Zo werd bijvoorbeeld in ons land Mahātmā Gandhi als een zeer grote persoonlijkheid gezien, maar hij beging vele vergissingen, zelfs nog in de laatste fase van zijn leven, toen zijn assistent hem waarschuwde: “Mahātmā Gandhi, ga niet naar de bijeenkomst in New Delhi, want een paar vrienden daar hebben me verteld dat er gevaar dreigt." Maar hij luisterde niet. Hij wilde per se gaan en werd gedood. Zelfs grote persoonlijkheden als Mahātmā Gandhi, President Kennedy - en noem maar op - begaan vergissingen. Dwalen is menselijk. Dit is een van de gebreken van de geconditioneerde ziel.
Een ander gebrek is dat men zich laat begoochelen door de schijn der dingen-door illusie. Illusie is iets als werkelijk aanvaarden wat er niet is: māyā. Māyā betekent: wat niet is. Iedereen vereenzelvigt zich met zijn lichaam. Als ik u vraag wat u bent, zult u zeggen: “Ik ben meneer zus en zo; ik ben een rijk man; ik ben dit, ik ben dat." Zulke aanduidingen hebben allemaal betrekking op het lichaam. Maar u bent uw lichaam niet. Dat lijkt maar zo.
Het derde gebrek is de neiging tot bedriegen. Iedereen heeft de neiging anderen om de tuin te leiden. Iemand die bijvoorbeeld een eersteklas dwaas is probeert zich soms voor te doen als hyperintelligent. Ook al hebben we hem reeds duidelijk gemaakt dat hij onderhevig is aan illusie en vergissingen begaat, blijft hij door-theoretiseren, zo van: "'Ik denk dat dit dit is en dat dat." Maar hij kent zijn eigen plaats niet eens. Hij schrijft het ene filosofische boek na het andere, hoewel hij aan allerlei gebreken mank gaat. Dat is de kwaal waaraan hij lijdt. Dat is bedrog.
Tenslotte: onze zinnen zijn onvolmaakt. We zijn erg trots op onze ogen. Het gebeurt geregeld dat iemand uitdagend vraagt: “Kunt u me God laten zien?" Maar hebt u wel ogen waarmee u God kunt zien? U zult Hem nooit zien als u daarvoor de ogen niet hebt. Stel dat het hier opeens stikdonker zou worden, dan zou u niet eens uw handen meer kunnen zien. Hoe groot is dus uw gezichtsvermogen? We mogen dus niet verwachten dat we met behulp van onze onvolmaakte zinnen. Aan werkelijke kennis (Veda) kunnen komen. Door al deze gebreken die het geconditioneerde leven met zich brengt kunnen we niemand tot volmaakte kennis helpen komen. En zelf zijn we ook alles behalve volmaakt. Daarom aanvaarden we de Veda's gewoon zoals ze zijn.
Men zegt wel dat de Veda's hindoeïstisch zijn, maar de naam hindoe stamt uit een ander kultuurgebied. Wij zijn geen hindoes. Onze eigenlijke beschaving heet varṇāśrama. varṇāśrama heeft betrekking op degenen die zich naar de Veda's richten en een menselijke samenleving aanvaarden die in acht varṇa’s en āsrama's is verdeeld. Er zijn vier maatschappelijke onderverdelingen, de varṇa’s, en vier geestelijke, de āśrama's. Dit alles bij elkaar wordt varņāśrama genoemd. In de Bhagavad-gitā wordt gezegd; "Deze onderverdelingen zijn er overal, omdat ze door God zijn ingesteld," De maatschappelijke onderverdelingen zijn brāhmaṇa, kṣatriya, vaiśya, śūdra. Brāhmaṇa’s zijn de zeer intelligente mensen, degenen die weten wat Brahman is. Op hen volgt de op een na intelligentste klasse der leiders en bestuurders, de kṣatriya’s. Dan komen de vaiśya’s, die meer op de handel zijn georiënteerd. Deze natuurlijke verdeling komt men in elke samenleving tegen. Zo wil het Vedisch principe het en dat aanvaarden we. Vedische principes worden als onomstotelijke waarheid aanvaard, want er kan geen vergissing in schuilen. Dat is wat aanvaarden betekent. Zo aanvaardt men in India dat koemest zuiver is, en dat terwijl koemest dierlijke ontlasting is. Op de ene plaats in de Veda's wordt ons verteld dat we onmiddellijk een bad moeten nemen als we met ontlasting in aanraking zijn gekomen. Maar ergens anders staat weer dat de ontlasting van een koe zuiver is. Als men koemest aanbrengt op een onreine plek, wordt die plek daardoor gezuiverd. Met ons normaal verstand kunnen we hiervan zeggen: “Dit is tegenstrijdig." En vanuit het normale gezichtspunt bezien is het inderdaad tegenstrijdig, maar het is niet onwaar. Een vooraanstaand medicus in Calcutta heeft een wetenschappelijke analyse van koemest gemaakt en kwam daarbij tot de ontdekking dat koemest alle antiseptische eigenschappen bezit.
Als in India de een tegen de ander zegt: "Je moet dit doen", kan men de ander horen zeggen: "Hoezo? Is het soms een Vedisch gebod, zodat ik jé zonder tegenspraak gehoorzamen moet?" Vedische voorschriften mogen niet op een bepaalde manier worden geïnterpreteerd. Maar als u zorgvuldig nagaat waarom deze voorschriften er zijn, zult u uiteindelijk tot de ontdekking komen dat ze stuk voor stuk juist zijn.
De Veda's vormen geen verzameling menselijke kennis. De Vedische kennis komt uit de geestelijke wereld, van Heer Krsna. De Veda's worden ook śruti genoemd. Śruti slaat op kennis die men zich door luisteren verwerft. Dit is geen experimentele kennis. Śruti wordt opgevat als moeder. We ontvangen zeer veel kennis van onze moeder. Als u bijvoorbeeld wilt weten wie uw vader is, wie zal u dat dan kunnen zeggen? Uw moeder. Als uw moeder zegt: “Dit is je vader'', moet u dat aanvaarden, Evenzo dient u de Veda's te aanvaarden als u iets wilt weten dat buiten het bereik van uw ervaring, uw experimentele kennis, de activiteit van uw zinnen ligt. Er valt niet te experimenteren. Het is al helemaal uitgeëxperimenteerd. Alles is al geregeld. Bijvoorbeeld dat we wat de moeder zegt als waar dienen te aanvaarden. Er zit niets anders op.
De Veda's worden als de moeder beschouwd en Brahmā wordt de grootvader genoemd, de voorvader, omdat hij de eerste was die in de Vedische kennis werd onderricht. Het eerste levende wezen in het begin was Brahmā. Hij ontving deze Vedische kennis en gaf haar door aan Nārada en andere leerlingen en zonen en zij deelden haar mee aan hún leerlingen. Zo bereikt de Vedische kennis ons langs de weg der geestelijke erfopvolging. Ook in de Bhagavad-gitā wordt bevestigd dat men de Vedische kennis aldus dient aan te nemen. Probeert u langs experimentele weg aan kennis te komen, dan kunt u tot dezelfde conclusies komen, maar als u de Veda's zonder meer aanvaardt, scheelt dat aanzienlijk in tijd. Als u wilt weten wie uw vader is en u aanvaardt uw moeder in deze als autoriteit, dan kunt u wat ze ook zegt zonder meer aannemen.

Er zijn drie soorten bewijzen: Pratyakṣa, anumāna, en śabda. Pratyakṣa betekent rechtstreeks. Een rechtstreeks bewijs is niet zo goed, omdat onze zinnen onvolmaakt zijn. Dagelijks zien we de zon en hij ziet eruit als een kleine schijf, maar in werkelijkheid is hij veel, veel groter dan vele planeten. Wat heeft deze manier van zien voor waarde? We moeten daarom boeken lezen, willen we iets over de zon aan de weet komen. Dus rechtstreekse ervaring is niet volmaakt. Voorst hebben we anumāna - inductieve kennis: “Misschien is het zó’’, de veronderstelling. De theorie van Darwin zegt bijvoorbeeld dat het zus of zo kan zijn, maar dat is geen wetenschap. Het is een voorstel en het is evenmin volmaakt. Maar als men zijn kennis uit gezaghebbende bron aanvaardt, is dat wel volmaakt. Als u een programmablad krijgt van een omroepvereniging, neemt u wat erin staat zonder meer aan. U gaat er niet tegen in; er is geen enkele vorm van experimenteel onderzoek nodig, want u hebt uw gegevens uit bevoegde bron ontvangen.
Vedische kennis wordt śabda-pramāṇa genoem. Een andere naam voor deze kennis is śruti. Śruti betekent dat men deze kennis dient te ontvangen door gewoon te luisteren. De Veda's leren dat we teneinde bovenzinnelijke kennis te kunnen begrijpen dienen te luisteren naar de gezaghebbende stem. Bovenzinnelijke kennis is kennis van buiten dit universum. Binnen dit universum hebben we materiële of stoffelijke kennis en erbuiten is transcendentale of bovenzinnelijke kennis. We kunnen niet eens de uiteinden van dit universum bereiken, dus hoe zullen we dan de geestelijke hemel kunnen binnengaan? Het is daarom onmogelijk zich volledige kennis te verwerven buiten het luisteren om.
Er is een geestelijke hemel. Er is een andere natuur, die ontstegen is aan het geopenbaarde en het niet-geopenbaarde. Maar hoe kunt u erachter komen dat er een hemel is waarin de planeten en hun bewoners eeuwig bestaan? Alle kennis is dáár, maar hoe moeten we dat allemaal uitexperimenteren? Het is onmogelijk. We moeten daarom de hulp van de Veda's aanvaarden. Dit noemen we Vedische kennis. In onze beweging voor Kṛṣṇa-Bewustzijn, aanvaarden we kennis van de hoogste autoriteit: Kṛṣṇa. Kṛṣṇa wordt door alle klassen van mensen als hoogste autoriteit aanvaard. Ik wil het eerst hebben over de twee klassen van transcendentalisten. Het ene type transcendentalisten wordt Māyāvādī genoemd, impersonalistisch, omdat ze niet in een als persoon bestaand God geloven. Ze zijn algemeen bekend als Vedāntisten en hun leider is Śankarācārya. De andere klasse van transcendentalisten zijn de Vaisnava's,z oals Rāmānujācārya, Madhvācārya, Visņusvāmī. Zowel de Śaṅkara-sampradāya als de Vaisnava-sampradāya heeft Kṛṣṇa aanvaard als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods.S ankarācārya wordt verondersteld een impersonalist te zijn die het onpersoonlijk Brahman predikte, maar het is een feit dat hij een verkapte personalist is. In zijn commentaar op de Bhagavad-gitā schreef hij: “Nārāyaņa, de Allerhoogste Per-soonlijkheid Gods, staat buiten deze kosmische openbaring." Tevens bevestigt hij; "Die Allerhoogste Goddelijke Persoonlijkheid, Nārāyana, is Krsņa. Hij is verschenen als de zoon van Devakī en Vasudeva," De namen van Zijn vader en moeder worden er apart bij vermeld. Dus alle transcendentalisten aanvaarden Kṛṣṇa als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Dat lijdt geen twijfel. In het Kṛṣṇa-Bewustzijn betrekken we onze kennis rechtstreeks van Kṛṣṇa uit de bron van de Bhagavad-gitā. We hebben dan ook De Bhagavad-gītā zoals ze is uitgegeven, omdat we Kṛṣṇa zonder interpretatie aanvaarden zoals Hij spreekt. Het is Vedische kennis. Aangezien Vedische kennis zuiver is, aanvaarden we haar. We aanvaarden alles wat Kṛṣṇa zegt. Dat is Kṛṣṇa-bewustzijn. Het spaart een massa tijd uit. Als u de juiste autoriteit of bron van kennis als zodanig aanvaardt, verliest u geen tijd. Zo zijn er in de materiële wereld bijvoorbeeld twee manieren om aan kennis te komen: de inductieve en de deductieve. Deductief aanvaardt men dat de mens sterfelijk is. Uw vader zegt dat de mens sterfelijk is, uw zuster zegt het, iedereen zegt het - maar u stelt er geen experimenteel onderzoek naar in. U aanvaardt het als een feit dat de mens sterfelijk is. Als u écht wilt onderzóeken of de mens sterfelijk is, dient u iedere mens afzonderlijk te bestuderen en al doende kan de gedachte bij u opkomen dat er misschien een mens bestaat die niet sterft, maar dat u hem nog niet bent tegengekomen. Dus als u op deze manier onderzoekt, komt u er nooit mee klaar. Deze methode wordt in het Sanskrit āroka, de opstijgende methode, genoemd. Ais u zich door persoonlijke inspanning kennis wilt verwerven, door uw onvolmaakte zinnen in het werk te stellen, komt u nooit tot de juiste conclusies. Dat is onmogelijk.
Er staat een uitspraak in de Brahma-saṁhitā: “Neem gewoon het vliegtuig dat even snel gaat als de geest." Onze stoffelijke vliegtuigen halen zo'n 2000 mijl per uur, maar hoe snel gaat de geest? U zit thuis, dán denkt u aan India, dat misschien 15.000 kilometer van u vandaan is, en meteen is het bij u in de kamer. Zo snel beweegt de geest zich. Daarom wordt er gezegd: “Als u met deze snelheid miljoenen jaren reist, zult u ontdekken dat de geestelijke hemel onbegrensd is."' Het is niet eens mogelijk hem te naderen. Vandaar dat de Veda's voorschrijven- in dit verband wordt het woord “verplicht’’ gebruikt - dat men zich tot een bona fide geestelijk leraar moet wenden, tot een guru. Waaraan kan men een geestelijk leraar kennen? Hij dient de Vedische boodschap goed begrepen te hebben uit de juiste bron. Anders is hij niet bona fide. En hij moet in zijn doen en laten hecht in Brahman verankerd zijn. Dat zijn twee kenmerken.
De beweging voor Krsņa-Bewustzijn is volgens de Vedische beginselen volledig tot onderricht bevoegd. In de Bhagavad-gitā zegt Kṛṣṇa: "Het werkelijke doel van het onderzoeken van de Veda's is Kṛṣṇa te vinden." In de Brahma-saṁhitā wordt bovendien gezegd: "Kṛṣṇa, Govinda, heeft talloze gedaanten, maar alle zijn één.”' Ze zijn niet zoals onze gedaanten, die vergankelijk zijn. Zijn gedaante is onvergankelijk. Mijn gedaante kent een begin, maar de Zijne niet. Ze is ananta. En Zijn gedaante - het geheel van al Zijn uiteenlopende gedaanten-kent geen einde. Mijn gedaante bevindt zich hier en niet thuis. U zit hier en niet thuis. Maar Kṛṣṇa kan overal tegelijk zijn. Hij kan Zich ophouden in Goloka Vrndāvana en tegelijk is Hij-alles-doordringend-overal. Hij is de oorspronkelijke, de oudste, maar wanneer u naar een afbeelding van Kṛṣṇa kijkt, ziet u een jongen van tussen de vijftien en de twintig. U zult op zo'n plaat nooit een oude man aantreffen. U heeft misschien de illustraties uit de Bhagavad-gitā gezien van Kṛṣṇa als wagenmenner. Hij was toentertijd niet minder dan honderd jaar oud. Hij had achterkleinkinderen, maar Hij zag er uit als een jongen. Kṛṣṇa, God, wordt nooit oud. Dat is Zijn alvermogen. En wilt u Kṛṣṇa vinden door de Vedische literatuur te onderzoeken, dan raakt u al gauw in de war. U kúnt hem zo vinden, maar het is erg moeilijk. U kunt echter heel gemakkelijk van alles over Hem horen van Zijn toegewijde. Zijn toegewijde kan Hem aan u overbrengen: "Hier is Hij, pak aan."' Die macht hebben de toegewijden van Kṛṣṇa.
Aanvankelijk was er slechts één Veda en het was niet nodig dat men hem las. De mensen waren zo schrander en bezaten zo'n scherp geheugen, dat ze elk woord ervan dat over de lippen van de geestelijk leraar kwam onthielden. En ze begrepen de betekenis onmiddellijk. 5000 jaar geleden echter stelde Vyāsadeva de Veda’s te boek voor de mensen van dit tijdperk, kali-yuga, Hij wist dat er een periode zou komen waarín de mensen korter zouden leven en een zwak geheugen en een schamel verstand zouden hebben. "Laat mij daarom deze Vedische kennis onderwijzen door haar te boek te stellen." Hij verdeelde de Veda’s in vieren: Rk, Sāma, Atharva en Yajus. Daarna vertrouwde hij de Veda’s toe aan de hoede van verschillende leerlingen. Vervolgens dacht hij aan de minder intelligente mensen, strī, sūdra en dvija-bandhu. Strī zijn de vrouwen, śūdra is de arbeidersklasse en dvija-bandhu zijn degenen die in een aanzienlijke familie geboren zijn, maar wier eigenschappen bij hun voorname stand ten achter blijven. Iemand die in de familie van een brāhmaṇa geboren wordt ,maar niet voldoet aan de eisen waaraan een brāhmaṇa dient te beantwoorden, wordt dvija-bandhu genoemd. Voor deze mensen stelde hij het Mahābhārata samen, dat de geschiedenis van India genoemd wordt, en de achttien Purāna's. Dit is allemaal Vedische literatuur: de Purāna's, het Mahābhārata, de vier Veda’s en de Upanisads. De Upanisads maken deel uit van de Veda’s. Daarna vatte Vyāsadeva alle Vedische kennis samen voor geleerden en filosofen in een werk dat Vedānta-sutra wordt genoemd. Dit is het laatste woord van de Veda’s.
Vyāsadeva schreef de Vedānta-sūtra persoonlijk volgens aanwijzingen van Nārada, zijn guru mahārāja of geestelijk leraar, maar hij voelde zich hierna nog niet tevreden. Dit is een lange geschiedenis, die beschreven wordt in het Śrimad-Bhāgavatam. Vyāsadeva was niet bijster tevreden zelfs nadat hij vele Purāna's, Upanisads en ook de Vedānta-sūtra op schrift had gesteld. Toen zei zijn geestelijk leraar, Nārada, tegen hem “Schrijf een verklaring van de Vedānta.” Vedānta betekent absolute kennis en de absolute kennis is Kṛṣṇa. Kṛṣṇa zegt dat men overal in de Veda's Hem moet zien te vinden. Vedānta-krd Veda-vid eva cāham, “Ik ben de samensteller van de Vedānta en Ik ben de kenner van de Veda’s." Daarom is het uiteindelijke doel Kṛṣṇa. Dit wordt uitgelegd in alle commentaren van de Vaiṣṇavas op de Vedānta-filosofie. Wij Gaudiya Vaiṣṇavas hebben ons commentaar op de Vedānta-filosofie, Govinda-bhāsya, door Baladeva Vidyābhūsaņa. Evenzo heeft Rāmā-nujācārya zijn commentaar en Madhvācārya het zijne. De versie van Sańkarācārya is niet de enige. Er bestaan vele Vedānta-commentaren, maar omdat de Vaiṣṇavas niet als eersten met een commentaar zijn komen aandragen, verkeert men in de onjuiste veronderstelling dat het enige Vedānta-kommentaar dat van Sankarācārya is. Afgezien hiervan, heeft Vyāsadeva zelf het volmaakte Vedānta-commentaar geschreven - Śrīmad-Bhāgavatam. Het Śrīmad-Bhāgavatam begint ook met de eerste woorden van de Vedānta-sūtra: janmādyasya yatah. En dit janmādyasya yatah wordt volledig uiteengezet in het Śrīmad-Bhāgavatam. De Vedanta-sūtra laat gewoon zien wat Brahman, de Absolute Waarheid, is: “De Absolute Waarheid is datgene waaruit alles voortkomt." Dit is slechts een korte samenvatting, maar alles wordt in detail verklaard in het Śrīmad-Bhāgavatam. De Absolute Waarheid moet bewustzijn hebben. Svarāt. Ze verlicht Zichzelf. Wij ontwikkelen ons bewustzijn en onze kennis door van anderen te leren, maar van Haar wordt gezegd, dat Ze Zichzelf verlicht. De volledige samenvatting van de Vedische kennis is de Vedānta-sūtra en de Vedānta-sūtra wordt door de auteur zelf in het Śrimad-Bhāgavatam uitgelegd. We verzoeken tot besluit degenen die zich Vedische kennis willen verwerven te proberen de verklaring van alle Vedische kennis te lezen en begrijpen, zoals ze gegeven wordt in het Śrimad-Bhāgavatam en de Bhagavad-gītā.