Śrī Īśopaniṣad 18

agne naya supathā rāye asmān
viśvāni deva vayunāni vidvān
yuyodhy asmaj juhurāṇam eno
bhūyiṣṭhāṁ te nama-uktiṁ vidhema

Synonyms

agneo mijn Heer, machtig als het vuur; nayawil mij leiden; supathāop het rechte pad; rāyeO Almachtige; asmānons allen; viśvānialles omvattend; devaO mijn Heer; vayunānialle acties; vidvānhij die weet; yuyodhibevrijd me van; asmatonszelf; juhurāṇamalle hinderpalen op de weg; enaḥalle slechtheden; bhūyiṣṭhāmop de grond gevallen; tetot u; namaḥvan eerbetuigingen; uktimwoorden; vidhemahandel ik.

Translation

O mijn Heer, die machtig zijt als het vuur, Alvermogende, ik breng U alle eerbetuigingen en val op de grond U ten voet. O mijn Heer, wil me leiden op het rechte pad naar U en -omdat U alles weet wat ik in het verleden heb gedaan - wil me bevrijden van de terugslag van vroegere zonden, opdat ik ongehinderd tot U naderen mag.

Purport

De overgave aan de Heer en het bidden om Zijn grondeloze genade brengen de toegewijde steeds dichter bij zijn volkomen zelfverwerkelijking. De Heer wordt aangesproken als het vuur, omdat Hij alles tot as kan verbranden, met inbegrip van de zonden van de ziel die zich aan Hem heeft overgegeven. Zoals in de vorige mantra's aangegeven, is het werkelijke of allerhoogste aspect van de Absolute Waarheid het aspect van de Persoonlijkheid Gods. Het onpersoonlijk aspect van de brahmajyoti is een verblindend schijnsel dat 's Heren gelaat aan het gezicht onttrekt. De weg van het baatzuchtig streven, het karma-kāṇḍa-pad, vormt de laagste fase in het naderen tot de zelfverwerkelijking. En zodra dit type activiteit ook maar éven afwijkt van de regulerende principes van de Veda's, wordt er onmiddellijk vikarma gevormd, of activiteit die tegen het belang van de handelende persoon ingaat. Zulk vikarma wordt louter uit zinsbevrediging door het begoochelde wezen teweeggebracht en belemmert het in zijn vooruitgang op de weg der zelfverwerkelijking.
Zelfverwerkelijking is alleen mogelijk voor wezens in de menselijke levensvorm en niet in andere levensvormen. Er zijn 8.400.000 soorten of levensvormen-en daarvan biedt de menselijke vorm, mits deze de kwaliteiten van de brahmaanse cultuur bezit, de enige kans om zich kennis van het bovenzinnelijke te verwerven. De brahmaanse cultuur houdt in: waarheidlievendheid, beheersing van de zinnen, verdraagzaamheid, eenvoud, volledige kennis en volledig geloof in God -en niet: trots rondstappen omdat men in een brahmaanse familie is geboren. Zoon zijn van een brāhmaṇa is een kans dat men zelf ook brāhmaṇa wordt, zoals de zoon van een groot man ook zelf een groot maan kan worden. Maar zo'n hoge geboorte zegt niet alles, want men dient zich zélf de brahmaanse kwaliteiten te verwerven. Zodra men trots is op het feit dat men als zoon van een brāhmaṇa geboren is en verzuimt zich de kwaliteiten van een echte brāhmaṇa eigen te maken, verlaagt men daarmee onmiddellijk zijn positie en faalt in het volbrengen van zijn levenstaak als menselijk wezen.
In de Bhagavad-gītā wordt ons door de Heer verzekerd (B.g, 6.41-42) dat de yoga-bhraṣṭa’s, of de zielen die op de weg der zelfverwerkelijking zijn gestruikeld, een kans krijgen om het goed te maken, doordat ze óf in een goede brahmaanse familie of in de familie van een rijke zakenman worden geboren. Dit zijn namelijk goede kansen op zelfverwerkelijking: de zoon van een rijk man worden, of de zoon van een goede brāhmaṇa. Worden deze kansen echter door het begoochelde menselijk wezen misbruikt, dan is het gevolg hiervan dat het zijn verdere kansen op een menselijke existentie, zoals de Heer die geeft, verspeelt.
De regulerende principes zitten zo in elkaar, dat wie zich eraan houdt van het niveau van het baatzuchtig streven bevorderd wordt naar het vlak der bovenzinnelijke kennis, en door bovenzinnelijke kennis wordt men na vele, vele wedergeboorten volmaakt wanneer men zich overgeeft aan de Heer. Dit is zo de algemene gang van zaken. Maar iemand die zich meteen al overgeeft, zoals aangeduid in deze mantra, passeert doordat hij de houding van de toegewijde aanneemt ineens alle fasen van nadering tot de Heer. Zoals de Gitā zegt (B.g., 18.66), ontfermt de Heer Zich meteen over de ziel die zich aan Hem overgeeft en bevrijdt haar van alle terugslagen van zondige handelingen uit het verleden. In de karma- kāṇḍa-activiteiten schuilen veel zondige handelingen; in de jñāna- kāṇḍa, de weg der filosofische ontwikkeling, is het aantal zondige handelingen minder. Maar in 's Heren toegewijde dienst, op het bhakti-pad, bestaat er praktisch geen kans op terugslagen van zondige. handelingen. Iemand die de Heer is toegewijd, verwerft zich alle goede eigenschappen van de Heer Zelf, nog afgezien van het feit dat hij tevens brāhmaṇa wordt. Een toegewijde verkrijgt vanzelf de kwalificaties van een ervaren brāhmaṇa en is gerechtigd om offerrituelen te leiden, ook al is zo'n toegewijde misschien niet eens in een brahmaanse familie geboren. Zo groot is de almacht van de Heer dat Hij iemand die in de familie van een brāhmaṇa geboren is kan vernederen tot een laag-geboren hondevleeseter, terwijl Hij tegelijk een laaggeboren hondevleeseter kan verheffen tot grotere hoogte dan de positie van een brāhmaṇa, louter om de mate van toegewijde dienst die Hem bewezen wordt.
De almachtige Heer, die Zich in ieders hart bevindt, kan Zijn oprechte toegewijde aanwijzingen geven over de juiste weg. Deze aanwijzingen worden vooral aan de toegewijde gegeven, ook al verlangt deze naar andere zaken. Wat anderen aangaat, is God met hen, zo lang ze goed handelen, maar de toegewijde wordt door de Heer steeds zo geleid, dat hij nooit verkeerd handelt. In het Śrīmad-Bhāgavatam staat geschreven:
sva-pāda-mūlaṁ bhajataḥ priyasya
tyaktānya-bhāvasya hariḥ pareśaḥ
vikarma yac cotpatitaṁ kathañcid
dhunoti sarvaṁ hṛdi sanniviṣṭaḥ
De Heer is Zijn toegewijde zo welgezind, dat ook al raakt deze soms verward in de strikken van vikarma - activiteiten die tegen de aanwijzingen van de Veda’s ingaan - de Heer de misstappen van de toegewijde van binnen in diens hart corrigeert, want zulke toegewijden zijn de Heer zeer dierbaar (S.B.,11.5.42).
Hier in deze mantra bidt de toegewijde dat de Heer hem van binnen in zijn hart op het rechte spoor zet. Vergissen is menselijk: een geconditioneerde ziel is maar al te vaak geneigd fouten te maken en de enige manier om zich tegen zulke zonden te beschermen is zich over te geven aan de lotusvoeten van de Heer, opdat Hij Zijn toegewijde leidt. De Heer neemt de verantwoordelijkheid op zich voor de zielen die zich volledig aan Hem overgeven en daarmee zijn alle problemen - als er dus sprake is van volledige overgave en men volgens de geboden van de Heer handelt - opgelost. Deze geboden en aanwijzingen ontvangt de oprechte toegewijde op tweeërlei wijze: enerzijds via de heiligen, de Schriften en de geestelijk leraar; anderzijds van de Heer Zelf, die woont in ieders hart. Zo is de toegewijde in alle opzichten beschermd.
De Vedische kennis is bovenzinnelijk en kan niet via wereldse onderwijsmethoden worden begrepen. Men kan de Vedische mantra's alleen begrijpen door de genade van de Heer en de geestelijk leraar, Zoekt men zijn toevlucht tot een bona fide geestelijk leraar, dan houdt dit in dat men terzelfdertijd de genade van de Heer ontvangt, De Heer verschijnt aan de toegewijde in de gedaante van de geestelijk leraar. Zo leiden de geestelijk leraar, de Vedische geboden en de Heer in het hart de toegewijde uit alle macht op zo'n manier, dat hij niet meer kan terugvallen in het moeras der materiële begoocheling. De toegewijde, op deze wijze aan alle kanten beschut, kan erop rekenen dat hij het einddoel der volmaaktheid bereiken zal.
Horen en zingen van de heerlijkheid van de Heer zijn op zichzelf al toegewijde activiteiten. De Heer wil dat iedereen zich hiermee bezighoudt, want Hij heeft met iedereen het beste voor. Beoefent men dit horen naar en zingen van de heerlijkheden van de Heer, dan wordt men gereinigd van alle ongerechtigheden in zichzelf, terwijl men in zijn toewijding hecht met de Heer verbonden raakt. In dit stadium verwerft de toegewijde zich de eigenschappen van de brāhmaṇaen worden de terugslagen van zijn lagere gedragingen volkomen tenietgedaan. Door zijn toegewijde dienst raakt hij geheel verlicht en leert zo de weg des Heren kennen en de manier waarop hij Hem bereiken moet. Alle twijfel verdwijnt en hij wordt een zuivere toegewijde.
Zo eindigen Bhaktivedanta's verklaringen bij de Śrī Īśopaniṣad, de kennis waarmee men nadert tot de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Kṛṣṇa.