Śrī Īśopaniṣad 17

vāyur anilam amṛtam
athedaṁ bhasmāntaṁ śarīram
oṁ krato smara kṛtaṁ smara
krato smara kṛtaṁ smara

Synonyms

vāyuḥlevensadem; anilamde gezamenlijke lucht; amṛtamonverwoestbaar; athanu; idamdit; bhasmāntamna tot as te zijn verbrand; śarīramlichaam; oṁO Heer; kratodie alle offers geniet; smarawees zo goed te onthouden; kṛtamalles wat ik gedaan heb; smarawil onthouden; kratode allerhoogste begunstigde; smarawil onthouden; kṛtamalles wat ik voor U gedaan heb; smarawil onthouden.

Translation

Moge dit tijdelijk lichaam tot as verbranden en de levensadem opgaan in de gezamenlijke lucht. O mijn Heer, wil al mijn offers nu gedenken, en omdat uiteindelijk alles U ten deel valt, gedenk al wat ik voor U heb gedaan.

Purport

Dit tijdelijke stoffelijke lichaam is eigenlijk maar een vreemd gewaad. In de Bhagavad-gitā wordt duidelijk gezegd dat het levend wezen na de vernietiging van het stoffelijk líchaam niet teniet wordt gedaan en dat het evenmin zijn identiteit verliest. De identiteit van het levend wezen is daarom nooit onpersoonlijk of zonder eigen gedaante; het stoffelijk omhulsel daarentegen is wél gedaanteloos, het voegt zich naar de gedaante van de onvernietigbare persoon. Geen enkel levend wezen is van oorsprong gedaanteloos, zoals door niet al te snuggere lieden verondersteld wordt. Ook hier, in mantra zeventien van de Śrī Īśopaniṣad, wordt het beginsel verkondigd dat het levend wezen na de vernietiging van het stoffelijk lichaam blijft voortbestaan.
In de materiële wereld toont de materiële natuur prachtige staaltjes van creativiteit bij het maken van verschillende soorten lichamen voor de levende wezens al naar gelang de mate waarin ze hun zinnen willen bevredigen. Wie drek wilde proeven krijgt een stoffelijk lichaam dat zich ervoor leent om drek te slobberen - een varkenslijf. Evenzo heeft de tijger zó'n lichaam, dat het levend wezen in de tijger kan genieten van het bloed van andere dieren en hun vlees kan, eten. Het menselijk wezen is er niet voor bedoeld om drek of vlees te eten, want de vorm van de tanden is anders. Het heeft ook helemaal geen zin in drek, zelfs niet als het zich in de nederigste menselijke vorm bevindt. Het menselijk gebit is zo gemaakt, dat het fruit en groeten kan klieven en kauwen, met twee hoektanden, zodat men tevens vlees kán eten. De stoffelijke lichamen van alle soorten dieren en mensen zijn het levend wezen vréémd; ze wisselen elkaar af al naar gelang de lust tot zinsbevrediging van het levend wezen. In deze evolutie-kring-loop gaat men van lichaam tot lichaam: van leven in het water - toen de wereld vol water was - naar plantaardig leven, van plantaardig leven naar wormen-leven, van wormen-leven naar vogel-leven, van vogel-leven naar dierenleven en van dierenleven naar de menselijke gedaante.
Het hoogste punt van ontwikkeling in het stoffelijk leven wordt bereikt wanneer het levend wezen zich in de menselijke gedaante bevindt met volledig begrip van de geestelijke kennis, en de hoogste ontwikkelingsfase inzake geestelijke kennis wordt in deze mantra van de Veda beschreven: men dient dit stoffelíjk lichaam op te geven om het tot as te laten vergaan en de levensadem te laten opgaan in de gezamenlijke lucht. De activiteiten van het levend wezen in het lichaam worden verricht door bewegingen van verschillende soorten lucht, en dit wordt bij elkaar de prāņa-vāyu genoemd. De yogi's leggen zich er meestal op toe hun ademhaling te beheersen en de ziel wordt dan verondersteld van de ene luchtkring op te rijzen naar de andere tot ze opstijgt naar de hoogste, de brahma-randhra. Vandaar kan de volmaakte yogī zichzelf overbrengen naar elke planeet waar hij heen wil. De methode bestaat eruit dat men het ene stoffelijke lichaam verlaat en een ander lichaam binnengaat, en de hoogste volmaaktheid in deze kunst van het lichaam verwisselen wordt bereikt wanneer het levend wezen zijn stoffelijk lichaam helemaal kan opgeven, zoals in deze mantra te verstaan wordt gegeven. Het kan dan binnengaan in de geestelijke atmosfeer, waar het een volkomen ander soort lichaam ontwikkelt - een geestelijk lichaam - dat nooit zal hoeven sterven of veranderen.
Hier in de stoffelijke wereld dwingt de materiële natuur ons van lichaam te verwisselen overeenkomstig onze behoeften aan zinsbevrediging. Deze behoeften kunnen worden bevredigd in de verschillende levensvormen, van de microben tot de meest volmaakte vormen, zoals die van Brahmā en de halfgoden. Ze hebben allen stoffelijke lichamen van verschillende vorm; de intelligente persoon ziet daarin een eenheid, niet van gestalte dus, maar naar geestelijke identiteit. De geestelijke vonk, die integrerend deel van de Opperheer is, is overal hetzelfde, of hij nu in het lijf van een varken of in het lichaam van een halfgod zit. Er bestaan verschillende lichamen al naar gelang de goede en slechte activiteiten van het levend wezen. Het menselijk lichaam is hoog ontwikkeld, met volledig bewustzijn van de toestand van het lichaam; en volgens de Vedische schriften geeft de meest volmaakte mens zich na vele, vele levens van kennis vergaren aan de Heer over. Het ontwikkelen van kennis bereikt zijn volmaaktheid wanneer men zo ver komt, dat men zich overgeeft aan de Opperheer, Vāsudeva. Maar zelfs al heeft men kennis aangaande 's mensen geestelijke identiteit, maar men ziet niet in dat de levende wezens eeuwige integrerende deeltjes zijn van het Geheel en dat ze nooit aan het Geheel gelijk kunnen zijn, dan zal men weer in de stoffelijke atmosfeer moeten terugvallen, ook al is men reeds één geworden met de brahmajyoti.
De brahmajyoti, die uit het bovenzinnelijk lichaam van de Heer emaneert, is vol geestelijke vonken. Deze geestelijke vonken, die individuele levende wezens zijn met een volledig gevoel van hun bestaan, willen soms zingenot voor zichzelf en zo krijgen ze dan een plaats in de stoffelijke wereld, waar ze zogenaamd heer zijn, terwijl ze in feite door hun zinnen worden beheerst. Dit verlangen om, heer over alles te willen zijn is de materiële ziekte van het levend wezen, en in de ban van zijn zingenot verhuist het van het ene naar het andere lichaam dat in de materiële wereld geopenbaard wordt. Wie dus één wil worden met de brahmajyoti geeft daarmee geen blijk van voldragen kennis. Wie zich echter volkomen aan de Heer kan overgeven en een houding van geestelijke dienstbaarheid ontwikkelt bevindt zich in de hoogste fase van volmaaktheid.
In deze mantra bidt het levend wezen, of het na het stoffelijk lichaam en de stoffelijke adem te hebben prijsgegeven, mag binnengaan in het geestelijk Koninkrijk Gods. De toegewijde bidt de Heer of deze zijn daden en de offers die hij gebracht heeft wil gedenken, voordat zijn stoffelijk lichaam in as verandert. Dit gebed wordt opgezonden in het stervensuur, bij volledig bewustzijn van de daden die men verricht heeft en het uiteindelijke doel des levens. Wie volkomen onderhevig is aan de materiële wetten herinnert zich wanneer hij sterft de afschuwelijke dingen die hij tijdens het bestaan van zijn stoffelijk lichaam heeft gedaan en krijgt daarom na zijn dood wéér een stoffelijk lichaam. De Bhagavad-gitā bevestigt deze waarheid. Ze verklaart dat de geest in het stervensuur de neigingen van het stervende wezen meedraagt en het volgende leven is dan overeenkomstig deze geestesstaat.
yaṁ yaṁ vāpi smaran bhāvaṁ
tyajaty ante kalevaram
taṁ tam evaiti kaunteya
sadā tad-bhāva-bhāvitaḥ
"De wezensstaat die men zich bij het verlaten van het lichaam herinnert, die staat zal men voorzeker weer bereiken.”' (B.g.,8.6) Zo draagt de geest de neigingen van het stervende wezen mee naar zijn volgende leven.
In tegenstelling tot de eenvoudige dieren, die geen ontwikkeld verstand bezitten, kan het menselijk wezen zich de activiteiten van zijn verstreken leven herinneren als een dromenreeks 's nachts en daardoor blijft zijn geest geladen met materiële verlangens en kan het niet met een geestelijk lichaam in het geestelijk koninkrijk binnengaan. De toegewijden echter ontwikkelen, doordat ze zich oefenen in 's Heren toegewijde dienst, een gevoel van liefde voor God. En ook al herinnert een toegewijde zich in het uur van zijn dood zijn godsdienstoefening niet meer, dan gedenkt de Heer hem tóch1. Dit gebed is bedoeld om de Heer te herinneren aan de offers die de toegewijde Hem heeft gebracht, maar ook al blijft een aansporing als deze achterwege, dan zal de Heer de toegewijde dienst van de zuivere toegewijde toch niet vergeten.
In de Gitā geeft de Heer een duidelijke beschrijving van de innige band die Hij met Zijn toegewijden heeft. Over de betreffende verzen in de Gītā geeft Śrīla Bhaktivinode Thākur de volgende uiteenzetting:
"Men dient elke toegewijde aan te nemen die zich op het rechte pad der heiligen bevindt, ook al maakt hij een weinig karaktervaste indruk." Men moet goed proberen te begrijpen wat hier werkelijk bedoeld wordt met “weinig karakter vast”. Een geconditioneerde ziel heeft een dubbele functie te vervullen, namelijk te zorgen voor het levensonderhoud van haar lichaam én voor haar zelfverwerkelijking. Maatschappelijke rang, geestelijke ontwikkeling, netheid, soberheid, voedsel en de strijd om het bestaan zijn alle zaken die verband houden met het onderhoud van het lichaam. Haar zelfverwerkelijking-activiteit verricht de geconditioneerde ziel als toegewijde van de Heer, In beide functies verricht ze arbeid. De functies lopen parallel, omdat een geconditioneerde ziel haar lichaams-onderhoud niet kan staken, De hoeveelheid activiteit in verband met het lichaamsonderhoud neemt echter af, naarmate de activiteit in toegewijde dienst toeneemt. En zo lang het aandeel van de toegewijde dienst in de totale activiteit beneden het juiste peil blijft, bestaat de kans dat de ziel nu en dan tot werelds gedrag vervalt. Hier dient echter te worden opgemerkt dat dit soort wereldsheid niet onbeperkt kan blijven voortduren, omdat er, door de genade van de Heer, zeer snel een eind aan zulke onvolmaaktheden komt. Daarom is de weg der toegewijde dienst de enige juiste weg. Is men eenmaal op de goede weg, dan is zelfs een af en toe opduiken van wereldsgezindheid geen hinderpaal bij het naderen tot zijn zelfverwerkelijking." En in de Gitā zelf zegt Kṛṣṇa: "Wie zich in toegewijde dienst bevindt behoort, ook al doet hij iets afschuwelijks, als heilig te worden beschouwd, omdat hij op het goede pad is. Hij zal zeer spoedig rechtvaardig worden en zich blijvende vrede verwerven. O zoon van Kuntī, Ik beloof dat Mijn toegewijde nimmer verloren zal gaan. O zoon van Prthā, wie zijn toevlucht zoekt bij Mij - zelfs vrouw, koopman of laagge-borene - kan altijd het allerhoogste doel bereiken. Hoe veel groter zijn dan niet de brāhmana's, de rechtvaardigen, de toegewijden en de heilige vorsten! In deze ellendige wereld zijn zij het die hecht verankerd zijn in 's Heren toegewijde dienst . Dien Mij en geeft je aan Me over. Indien je volkomen in Me opgaat, zul je voorzeker tot Me komen.” (B.g.,9.30-34)
Deze voordelen die de toegewijde dienst biedt worden aan de impersonalisten onthouden, omdat zij alleen belangstelling hebben voor het brahmajyoti-aspect van de Heer. Ze kunnen niet door de brahmajyoti heen dringen, zoals voorgaande mantra's aanraden, en evenmin geloven ze in de Persoonlijkheid Gods. Ze houden zich voornamelijk bezig met allerlei gegoochel met woorden dat uit hun eigen brein voortkomt. Zo verrichten de impersonalisten arbeid die niets oplevert, zoals in de Bhagavad-gitā bevestigd wordt (B.g., 12.5).
Alle voordelen waar deze mantra van de Śri Isopanisad op wijst kunnen gemakkelijk worden verkregen wanneer men voortdurend in contact is met het persoonlijk aspect van de Absolute Waarheid. De toegewijde dienst aan de Heer bestaat in grote trekken uit negen bovenzinnelijke activiteiten welke door de toegewijde worden verricht:

1. horen over de Heer;
2. de Heer verheerlijken;
3. de Heer gedenken;
4. 's Heren lotusvoeten dienen;
5. de Heer vereren;
6. gebeden opzenden aan de Heer;
7. de Heer dienen;
8. vriendschappelijk met de Heer omgaan;
9. alles aan de Heer overgeven.

Men kan deze negen principes der toegewijde dienst hetzij tegelijk naleven, hetzij afzonderlijk. Dit zorgt ervoor dat de toegewijde voortdurend in contact is met de Heer, zodat hij bij zijn levenseinde gemakkelijk aan de Heer zal kunnen denken. Door slechts één van deze principes na te leven bereikten de hieronder genoemde beroemde toegewijden van de Heer de hoogste volmaaktheid:

1. Door alleen maar over de Heer te horen bereikte Mahārāja Parīksit, de held van het Śrimad-Bhāgavatam, het gewenste resultaat.
2. Louter door de Heer te verheerlijken kwam Śukadeva Gosvāmi, die het Śrimad-Bhāgavatam spreekt, tot volmaaktheid.
3. Door te bidden bereikte Akrūra het gewenste resultaat.
4. Door de Heer te gedenken bereikte Prahlāda Mahārāja het gewenste resultaat.
5. Door de Heer te vereren kwam Pṛthu Mahārāja tot volmaaktheid.
6. Door de lotusvoeten van de Heer te dienen kwam de godin van het geluk, Lakṣmī, tot volmaaktheid.
7. Door de Heer persoonlijk te dienen bereikte Hanumān het gewenste resultaat.
8. Door vriendschap bereikte Arjuna dit resultaat.
9. Door alles wat hij bezat aan de Heer over te geven bereikte Mahārāja Bali het gewenste resultaat.
De verklaring van deze mantra en van praktisch alle mantra's van de Vedische zangen wordt in essentie samengevat in de Vedānta-sūtra's; en ze worden daarna weer naar behoren verklaard in het Śrimad-Bhāgavatam. Het Śrimad-Bhāgavatam is de rijpe vrucht van de Vedische boom der wijsheid. In het Śrimad-Bhāgavatam wordt de onderhavige mantra verklaard in de vragen en antwoorden van Mahārāja Parīksit en Gosvāmī Śukadeva, wanneer ze elkaar juist hebben ontmoet. Horen en zingen van de kennis van God zijn de basisprincipes van het toegewijde leven en in die zin luisterde Mahārāja Parīkṣit naar het hele Śrimad-Bhāgavatam, dat gezongen werd door Śukadeva Gosvāmī. Mahārāja Parīkṣit stelde Śukadeva vragen,want Śukadeva was als geestelijk leraar groter dan alle yogi's of transcendentalisten van zijn tijd.
De vraag die Mahārāja Parīkṣit stelde was: "Wat is de plicht van ieder mens, vooral in het uur van zijn dood?”
tasmād bhārata sarvātmā
bhagavān īśvaro hariḥ
śrotavyaḥ kīrtitavyaś ca
smartavyaś cecchatābhayam
Het antwoord van Śukadeva Gosvāmī luidde dat ieder die vrij van alle zorg en angst wil zijn, voortdurend dient te horen en zingen van de Persoonlijkheid Gods, die de Allerhoogste Bestuurder van alles is, de verdelger van alle moeite en pijn en de Superziel van alle levende wezens (S.B., 2.1.5).
De zogenaamde menselijke samenleving houdt zich over het algemeen 's nachts bezig met slapen of seks bedrijven. En overdag houdt men zich bezig met zo veel mogelijk geld verdienen of klussen opknappen voor het gezin. De mensen hebben bijzonder weinig tijd om over de persoonlijkheid Gods te praten of navraag over Hem te doen. Ze hebben de kwestie van het bestaan van God op tal van manieren opzij geschoven, met name door God onpersoonlijk te achten-dat wil zeggen: te denken dat Hij van zintuigelijke waarneming verstoken is. Maar in de Vedísche literatuur - of men nu de Upaniṣads of de Vedānta-sūtra's neemt, de Bhagavad-gitā of het Śrimad-Bhāgavatam - wordt alom verklaard dat de Heer het levend en voelend wezen is dat alle andere levende wezens te boven gaat. En Zijn heerlijke daden zijn aan Hemzelf gelijk. Men moet daarom niet luisteren naar verhalen en meespreken over de waardeloze activiteiten van wereldse politici en de zogenaamde grote mensen van de samenleving, maar zijn leven zo inrichten, dat men geen seconde verspilt aan activiteiten die niet op God gericht zijn. De Śrī Īśopaniṣad wijst ons wat we moeten doen.
Als men niet aan de dagelijkse beoefening van toegewijde dienst gewoon is, waar zal men dan aan denken in het stervensuur, wanneer de ziel van het lichaam ontdaan wordt, en hoe zal men de Almachtige Heer kunnen bidden zijn offers te gedenken? Offeren betekent het eigenbelang van de zinnen opgeven. Deze kunst dient men te leren door tijdens zijn leven zijn zinnen in dienst van de Heer te stellen, zodat men in het stervensuur de vruchten hiervan kan plukken.