Śrī Īśopaniṣad 6

yas tu sarvāṇi bhūtāny
ātmany evānupaśyati
sarva-bhūteṣu cātmānaṁ
tato na vijugupsate

Synonyms

yaḥiemand; tumaar; sarvāṇialle; bhūtānilevende wezens; ātmaniin relatie tot de Opperheer; evaslechts; anupaśyatineemt op geregelde wijze waar; sarva-bhūteṣuin ieder levend wezen; caen; ātmānamde Superziel; tataḥdaarna; naniet; vijugupsateiemand haten.

Translation

Wie alles met betrekking tot de Allerhoogste ziet en alle levende wezens als Zijn volkomen deeltjes en de Allerhoogste in alles, zal nimmer enig-iets of iemand haten.

Purport

Hier wordt een beschrijving gegeven van de mahābhāgavata, de grote persoonlijkheid die alles met betrekking tot de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods ziet. Er zijn drie fasen waarin men zich de aanwezigheid van de Opperheer realiseert. De kaniṣṭha-adhikārī, iemand in de laagste fase van God-verwerkelijking, bezoekt de eredienst in een tempel, kerk of moskee, naar gelang het geloof dat hij aanhangt, en verricht de rituele handelingen die zijn Schrift hem voorschrijft. Zulke toegewijden menen dat de Heer zich alleen in de kerk of tempel bevindt en nergens anders. Ze kunnen niet onderscheiden wie welke positie inneemt in de toegewijde dienst of wie hoever gekomen is met zijn God-verwerkelijking. Ze houden zich bij de geijkte dingen en twisten soms onderling over geloofszaken, waarbij de een zijn geloof beter vindt dan het geloof van een ander. Deze kaniṣṭha-adhikārī’s, die zich in het laagste stadium van de toegewijde dienst bevinden, worden materialistische toegewijden genoemd of toegewijden die aan de stof proberen te ontstijgen om het bovenzinnelijk of transcendentaal vlak te kunnen bereiken.
Op de kaniṣṭha-adhikārī volgen de madhyama-adhikāri's, de toegewijden die zich in de tussenfase van de toegewijde dienst bevinden. Deze madhyama-adhikāri's houden zich aan vier beginselen met betrekking tot de Opperheer:
1. ze zien op de allereerste plaats de Allerhoogste Heer;
2. ze zien op de tweede plaats de toegewijden van de Heer;
3. ze zien ook de argelozen, die geen kennis over God hebben; en tenslotte:
4. de atheïsten, die niet in de Heer geloven en allen die Hem toegewijd zijn haten.
De madhyama-adhikāri gedraagt zich tegenover alle vier de hierboven beschrevenen verschillend. Hij vereert de Heer, die hij als het voorwerp van zijn liefde ziet, en hij sluit vriendschap met degenen die de Heer zijn toegewijd. Hij tracht de sluimerende liefde voor God in het hart van de argelozen te wekken, maar houdt afstand van de atheïsten, de Naam des Heren bespotten. Boven de madhyama-adhikāri hebben we de uttama-adhikāri, die alles in relatie tot de Opperheer ziet. Hij maakt geen speciaal onderscheid tussen de atheïst en de theïst, maar ziet in beiden eerder een volkomen deeltje van God. Hij weet dat er geen verschil is tussen een wijze brāhmaṇa en een straathond, omdat ze allebei van de Heer zijn, zij het in verschillende lichamen als gevolg van de verschillend geaarde wijzen van stoffelijke activiteit uit hun verleden. Het brāhmaṇa-deeltje van de Allerhoogste heeft het beetje onafhankelijkheid dat het van de Heer gekregen heeft niet misbruikt, maar het honden-deeltje heeft zijn onafhankelijkheid wél misbruikt en daarvoor is het door de wet der natuur gestraft met opsluiting in de onwetende levensvorm van een hond. Zonder op de respectieve gedragingen van de brāhmaṇa en de hond te letten, probeert de uttama-adhikāri ze beiden goed te doen. Zo'n wijze toegewijde van de Heer laat zich niet door het stoffelijk lichaam van de brāhmaṇa en de hond misleiden, maar voelt zich door de in beiden aanwezige geestelijke vonk gelijkelijk aangetrokken.
Degenen die een uttama-adhikāri in zijn gevoelens van eenheid en broederschap nabootsen, maar zich in feite laten leiden door lichamelijk bepaalde relaties, zijn huichelachtige mensenvrienden. Daarom moet de idee der universele broederschap worden geleerd van de uttama-adhikāri-toegewijde van de Heer en niet van een dwaas die geen juist beeld heeft van de ziel en de Superziel - de volkomen expansie van de Allerhoogste Heer, die overal woont.
In deze mantra wordt duidelijk gezegd dat men moet waarnemen of zien. Dit houdt in dat men de voorgaande ācārya, de volmaakte leraar, dient na te volgen. Anupaśyati is het Sanskrit woord dat in dit verband gebezigd is. Anu betekent: door te volgen; en paśyati betekent waarnemen. Men moet niet proberen de dingen te zien zoals men gewend is het te doen, met het blote oog. Het blote oog kan niets goed zien, vanwege zijn materiële onvolmaaktheid. Men kan niet op de goede wijze zien als men niet uit hogere bron verneemt hóe men móet zien. En de hoogste bron is de Vedische wijsheid, gesproken door de Heer Zelf. Deze waarheid bereikt ons via de erfopvolging der geestelijk leraren, van de Heer op Brahmā, van Brahmā op Nārada, van Nārada op Vyāsa en van Vyāsa op veel van zijn leerlingen. Vroeger was het niet nodig de Veda's te boekstaven, omdat de mensen van toen intelligenter waren en een scherper geheugen bezaten; ze hoefden maar eenmaal van een bona fide geestelijk leraar gehoord te hebben wat ze dienden te doen en ze begrepen en deden het.
Er zijn tegenwoordig heel wat commentaren op de geopenbaarde Schriften, maar de meeste vallen buiten de overlevering van Śrīla Vyāsadeva, die de Vedische wijsheid oorspronkelijk onderwees, Het laatste, meest volmaakte en verheven werk van Srila Vyāsadeva is het Śrīmad-Bhāgavatam, dat het juiste commentaar op de Vedānta-sūtra is. Evenzo is er de Bhagavad-gitā die gesproken wordt door de Heer Zelf en vastgelegd is door Vyāsadeva. Dit zijn de belangrijkste van de vele geopenbaarde Schriften en ieder commentaar dat afwijkt van de beginselen van de Gitā of het Śrimad-Bhāgavatam is onorthodox. Er is een volkomen symmetrische overeenstemming tussen de Upanisads, de Vedānta, de Veda's, de Bhagavad-gitā en het Śrimad-Bhāgavatam. Daarom moet niemand trachten iets definitiefs over de Veda's te zeggen als men zich niet eerst heeft laten onderrichten in de geest van de overlevering van Vyāsa-deva of althans door personen die in de Persoonlijkheid Gods en al Zijn verschillende energieën geloven.
Alleen iemand die al verlost is, volgens de normen van de Bhagavad-gītā (B.g., 6.9), kan een uttama-adhikāri-toegewijde worden en iedereen of elk levend wezen als zijn eigen broeder zien. Politici, die op materieel voordeel uit zijn, kunnen deze zienswijze niet delen. Wie doet alsof hij verlost is, dient hiermee slechts zijn stoffelijk omhulsel (dat naam gemaakt heeft of een vergelijkbare beloning heeft ontvangen), maar niet zijn geestelijke ziel. Dergelijke na-apers weten niets van de geestelijke wereld af. De uttama-adhikāri ziet de geestelijke ziel van het levend wezen en dient haar in haar geestelijkheid, waarin vanzelf de stof besloten is.