Śrī Īśopaniṣad 7

yasmin sarvāṇi bhūtāny
ātmaivābhūd vijānataḥ
tatra ko mohaḥ kaḥ śoka
ekatvam anupaśyataḥ

Synonyms

yasminin de toestand; sarvāṇialle; bhūtānilevende wezens; ātmāde geestelijke vonk; evaslechts; abhūtwordt een feit; vijānataḥiemand die weet; tatradaarin; kaḥwat; mohaḥillusie; kaḥwat; śokaḥbezorgdheid; ekatvamvan dezelfde hoedanigheid; anupaśyataḥiemand die op orthodoxe wijze ziet of iemand die steeds zo ziet.

Translation

Wie alle levende wezens altijd ziet als geestelijke vonken, die in hoedanigheid één zijn met de Heer, verwerft zich de ware kennis der dingen. Wat zal hem nog kunnen begoochelen of benauwen?

Purport

Op de twee soorten gevorderde toegewijden na, die hierboven beschreven zijn, kan verder niemand zuiver onderscheiden wat de geestelijke positie van het levend wezen is. De levende wezens zijn kwalitatief één met de Opperheer, zoals de vonken van het vuur kwalitatief één zijn met de aard van het vuur. Maar vonken zijn, kwantitatief gesproken, op zichzelf nog geen vuur. De hoeveelheid hitte en licht aanwezig in het vuur is niet gelijk aan de hoeveelheid hitte en licht aanwezig in de vonk. De mahā-bhāgavata, de grote toegewijde, ziet eenheid in die zin, dat alles energie van de Opperheer is. En aangezien er geen verschil bestaat tussen de energie en de energiebron, is er dit gevoel van eenheid. Zonder hitte en licht kan er geen sprake zijn van vuur; analytisch bekeken echter verschillen hitte en licht van vuur. Maar in samenhang gezien zijn hitte, licht en vuur één en hetzelfde.
De Sanskrit woorden die we hier aantreffen, ekatvam anupaśyataḥ betekenen: de eenheid der levende wezens zien vanuit het gezichtspunt der geopenbaarde Schriften. Iedere individuele vonk van het allerhoogste Geheel bevat ongeveer tachtig percent van de bekende eigenschappen van het Geheel, maar zijn eigenschappen zijn niet zo sterk als die van de Opperheer Zelf. Ze zijn aanwezig in uiterst geringe kwantiteit, aangezien het levend wezen een uiterst gering deeltje van het allerhoogste Geheel is. We kunnen hier de vergelijking trekken tussen de waterdruppel en de oceaan: de hoeveelheid zout aanwezig in de druppel valt niet te vergelijken met de hoeveelheid zout aanwezig in de oceaan. Maar de kwaliteit van het zout aanwezig in de druppel is qua chemische samenstelling gelijk aan die van het oceaanzout.

Als het individuele levende wezen zowel kwantitatief als kwalitatief gelijk was aan de Opperheer, zou er geen sprake van zijn dat het onder de invloed van de stoffelijke energie had kunnen komen. Maar in voorgaande mantra's is al besproken dat geen enkel levend wezen, zelfs geen machtige halfgod, het Opperwezen in enig opzicht kan evenaren of voorbijstreven. Daarom betekent ekatvam niet dat een levend wezen in alle opzichten aan de Allerhoogste gelijk is. Het betekent, in bredere zin, dat er één gemeenschappelijk belang is, zoals alle leden van een familie één familiebelang kennen. Een volk kent, ongeacht hoeveel verschillende individuele burgers er zijn, één nationaal belang. Dus omdat de levende wezens volkomen deel uitmaken van dezelfde allerhoogste familie, zijn de belangen van het Opperwezen en van de volkomen deeltjes geenszins verschillend. Ieder levend wezen is de zoon van het Opperwezen. In de Bhagavad-gitā wordt gezegd (B.g., 7.5) dat alle levende wezens - vogels, reptielen, mieren, waterbewoners, bomen enz. in het gehele universum-deel uitmaken van de tussenenergie van de Allerhoogste Heer. Daarom behoren ze allemaal tot dezelfde familie-die van het Opperwezen. Het geestelijk leven kent geen botsingen tussen verschillende belangen.
Het is de bedoeling dat de geestelijke wezens genieten. Ieder levend wezen - zowel de Opperheer als ieder integrerend deeltje afzonderlijk - is er van nature en in wezen toe bestemd eeuwig te genieten. De levende wezens die opgesloten zitten in hun stoffelijk omhulsel streven dan ook naar genot, maar zoeken het op een vlak waar ze niet thuishoren. Naast deze stoffelijke wereld is er de geestelijke wereld, waar het Opperwezen genietend met Zijn ontelbare metgezellen omgaat zonder een zweem van stoffelijkheid. Dit geestelijk vlak wordt nirguṇa genoemd. Op nirguṇa-niveau komen de verschillende genietingen niet met elkaar in botsing. Hier in de materiële wereld hebben de verschillende individuele wezens het altijd met elkaar aan de stok, omdat hier het middelpunt van alle genot ontbreekt. Het middelpunt van alle genot is de Opperheer, die het middelpunt van de verheven en geestelijke rāsa-dans is. Het is de bedoeling dat we ons allemaal rondom Hem scharen en dat we van het leven genieten met één bovenzinnelijk belang voor ogen en zonder botsingen. Dit is het hoge peil waarop de geestelijke belangen worden gediend en zodra men zo'n volmaakte vorm van eenheid verwezenlijkt, kan er geen sprake van illusie of leed meer zijn.
Māyā of illusie eist haar tol in een goddeloze samenleving, met leed als gevolg. De goddeloze samenleving zoals ze door de huidige politici in stand wordt gehouden is altijd vol benauwdheid en dat is de wet der natuur. Niemand kan zich, zoals de Bhagavad-gitā verklaart (B.g., 7.14), aan deze wet onttrekken. Alleen degenen die zich aan de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer overgeven kunnen de strenge wetten der natuur overwinnen, Willen we dus door geen enkele vorm van illusie meer worden begoocheld en alle uiteenlopende belangen samensmeden tot één belang, dan moeten we al onze activiteiten van God vervuld laten zijn.
Het resultaat van onze activiteiten moet worden benut om de belangen van de Heer te dienen en niet voor enig ander doel, want alleen door de belangen van de Heer te dienen kunnen we het ātma- bhūta-belang gewaarworden dat hier in de Śrī Īśopaniṣad wordt genoemd. Dit en het brahma-bhūta-belang waarover in de Bhagavad-gitā wordt gesproken (B.g.,18.54) zijn één en hetzelfde: de allerhoogste Atmā of ziel is de Heer Zelf en de uiterst kleine ātmā is het levend wezen. De allerhoogste Atmā of Paramātmā alleen onderhoudt alle individuele, uiterst kleine wezens, omdat de Opperheer van hun liefde wil genieten. De vader vertakt zich in zijn kinderen en onderhoudt ze om van ze te genieten. Gehoorzamen de kinderen de wil van de vader, dan verlopen de gezinsaangelegenheden, die dan één belang dienen, soepel en in een aangename sfeer. Precies hetzelfde speelt zich op bovenzinnelijk niveau af in Brahman of het absolute gezin van de Para-brahman, de Allerhoogste Geest.
De Para-brahman is evenzeer een Persoon als de individuele wezens persoonlijk zijn. Geen van ze is onpersoonlijk. Deze bovenzinnelijke persoonlijkheden zijn vol bovenzinnelijk gelukzaligheid, kennis en eeuwig leven. Dat is de ware aard van het geestelijk bestaan en zodra men de situatie op het bovenzinnelijk vlak geheel beseft, geeft men zich onmiddellijk over aan de lotusvoeten van het Opperwezen, Śrī Kṛṣṇa. Dergelijke mahātmā's, grote zielen, die tot zo'n overgave komen, ziet men echter zelden, omdat men eerst na vele, vele geboorten dit transcendentale inzicht verkrijgt (B.g., 7.19). Maar heeft men het eenmaal verkregen, dan zijn er geen illusie en verdriet meer en geen ellende van het stoffelijk bestaan, dan kent men geen geboorte en dood meer, zoals we die in onze huidige levenstoestand beleven. Dat zijn de gegevens die deze mantra van de Śrī Īśopaniṣad ons verstrekt.