Śrī Īśopaniṣad 8
Verse text
sa paryagāc chukram akāyam avraṇam
asnāviraḿ śuddham apāpa-viddham
kavir manīṣī paribhūḥ svayambhūr
yāthātathyato ’rthān vyadadhāc chāśvatībhyaḥ samābhyaḥ
asnāviraḿ śuddham apāpa-viddham
kavir manīṣī paribhūḥ svayambhūr
yāthātathyato ’rthān vyadadhāc chāśvatībhyaḥ samābhyaḥ
Synonyms
saḥ — die; paryagāt — dient in feite te weten; śukram — de almachtige; akāyam — onbelichaamd; avraṇam — geheel zonder blaam; asnāviram — geheel zonder adderen; śuddham — rein; apāpa-viddham — tegen besmetting beschermd; kaviḥ — alwetend; manīṣī — filosoof; paribhūḥ — de grootste van alle; svayambhūḥ — genoeghebbend aan zichzelf; yāthātathyataḥ — rechtvaardig in de naleving van; arthān — gewenste zaken; vyadadhāt — toekent; śāśvatībhyaḥ — onheugelijk; samābhyaḥ — tijd.
Translation
Zo iemand moet werkelijk de Allergrootste kennen, die onbelichaamd is, alwetend, onberispelijk, zonder aderen, zuiver en onbevlekt, de onafhankelijke wijze, die sinds onheuglijke tijden de verlangens van elk levend wezen vervult.
Purport
Dit is een beschrijving van de bovenzinnelijke en eeuwige gedaante van de Absolute Persoonlijkheid Gods. De Opperheer is niet vormloos. Hij heeft Zijn eigen bovenzinnelijke gedaante, die in het geheel niet lijkt op de gedaanten van de aardse wereld. De levende wezens in deze wereld hebben gedaanten die belichaamd zijn door de materiële natuur en die werken als alle andere materiële machinerieën. De fysiologische anatomische structuur van een levend wezen dient een mechanische constructie te hebben met aderen en dergelijke. Maar in het bovenzinnelijk lichaam van de Heer is niets van aderen te bespeuren. Er wordt duidelijk gezegd dat Hij onbelichaamd is. Dat betekent dat er geen verschil is tussen Zijn lichaam en ziel en dat Hij, in tegenstelling tot ons, geen lichaam krijgt volgens de wet der natuur. In de materiële opvatting van het belichaamde leven verschilt de ziel van het grofstoffelijk lichaam en de fijnstoffelijke geest. De Opperheer staat echter buiten dit soort onderverdelingen. Bij de Opperheer valt er niets te bespeuren van een verschil tussen lichaam en geest. Hij is het Volkomen Geheel en Zijn geest en lichaam en Hijzelf zijn alle één en hetzelfde.
In de Brahma-saṁhitā staat een vergelijkbare beschrijving van het lichaam van de Heer. Hij wordt daar beschreven als sac-cid-ānanda-vigraha. Dit betekent dat Hij de eeuwige gedaante is waarin bovenzinnelijke werkelijkheid, kennis en gelukzaligheid volledig vertegenwoordigd zijn. De Vedische literatuur zegt duidelijk dat Hij een volkomen andersoortig, bovenzinnelijk lichaam heeft en dat Hij daarom soms als vormloos beschreven wordt. Dit vormloze betekent dat Hij geen gedaante heeft die wij met onze huidige zintuigen kunnen zien. In de Brahma-saṁhitā wordt verder verteld dat de Heer alles en nog wat kan met al Zijn lichaamsdelen. Er wordt gezegd dat Hij met willekeurig welk deel van Zijn lichaam het werk van alle andere lichaamsdelen kan doen. Dit houdt in dat de Heer met Zijn handen kan lopen, met Zijn voeten dingen kan pakken en aannemen, dat Hij met Zijn handen en voeten kan zien en kan eten met Zijn ogen. In de śruti mantra's wordt gezegd dat Hij geen armen en benen heeft zoals wij, maar dat Hij een ander soort armen en benen heeft, waarmee Hij alles wat we Hem geven kan aannemen en sneller kan lopen dan wie ook in het universum. Deze zaken worden in deze mantra van de Śri Isopaniad door het gebruik van woorden als allergrootste en alwetend bevestigd.
Ook de Srī Vigraha van de Heer, Zijn aanbiddings-gedaante, die door bevoegde ācārya's, welke de Heer hebben doorgrond in de zin van mantra zeven, in de tempels wordt geïnstalleerd, verschilt niet van de oorspronkelijke gedaante van de Heer. De oorspronkelijke gedaante van de Heer is de gestalte van Śrī Kṛṣṇa. Śrī Kṛṣṇa breidt Zichzelf uit in een onbegrensd aantal gedaanten, zoals Baladeva, Rāma, Nṛsiṁha, Varāha enz. - en alle zijn één en dezelfde Persoonlijkheid Gods. Evenzo is de arcā-vigraha die in de tempels aanbeden wordt een uitbreidings-gedaante van de Heer. Wanneer men de arcā-vigraha van de Heer aanbidt, kan men zo de Heer rechtstreeks naderen, en door Zijn alvermogende energie neemt Hij de diensten van Zijn toegewijde zonder omwegen aan. De vigraha van de Heer daalt neer op verzoek van de ācārya's, de heilige leraren, en gaat door Zijn alvermogende energie te werk als Hijzelf. Dwaze lieden die geen kennis hebben van deze mantra's van de Śrī Īśopaniṣad of van welke śruti mantra's dan ook, denken dat de arcā-vigraha, die door de zuivere toegewijden aanbeden wordt, van stoffelijke elementen is vervaardigd. Zoals de dwaze mensen met hun onvolmaakte manier van kijken of zoals de kaniṣṭha-adhikārī’s het zien, wordt deze gedaante als stoffelijk beschouwd. Maar deze mensen met hun schamel beetje kennis weten niet dat de Heer, almachtig en alwetend als Hij is, naar believen stof in geest en geest in stof kan veranderen.
In de Bhagavad-gītā (B.g., 9.11-12) betreurt de Heer de gevallen staat waarin de mensen met weinig kennis verkeren, die het lichaam van de Heer als stoffelijk beschouwen, omdat Hij als mens in deze wereld verschijnt. Dergelijke slecht ingelichte personen kennen het alvermogen van de Heer niet. Daarom openbaart de Heer Zich aan de theoretici niet in Zijn volheid, Hij toont Zich slechts in de mate waarin men Zich aan Hem overgeeft, en de gevallen staat van de levende wezens is uitsluitend te wijten aan het feit dat we onze relatie met God uit het oog verloren zijn.
In deze mantra en in vele andere Vedische mantra's wordt duidelijk verklaard: sinds onheuglijke tijden schenkt de Heer. Het begint ermee dat het levend wezen ergens naar verlangt en dan schenkt de Heer de begeerde zaak al naar gelang de bevoegdheid tot ontvangen. Als iemand rechter wil worden, dient hij daartoe niet alleen de bevoegdheden te bezitten, maar zich tevens afhankelijk te stellen van de beslissing van het college dat rechters benoemt. Louter voldoen aan de eisen die aan een rechter worden gesteld is niet genoeg om het ambt te krijgen. Het wordt verleend door een hogere instantie. Evenzo verleent de Heer het levend wezen genietingen overeenkomstig zijn bevoegdheid tot genieten-met andere woorden: overeenkomstig de wet van karma. Deze bevoegdheden zijn echter op zichzelf onvoldoende: de genade van de Heer is doorslaggevend.
Gewoonlijk weet het levend wezen niet wat het de Heer moet vragen of op welke taak het zich dient voor te bereiden. Kent het levend wezen echter zijn wezensstaat, dan vraagt het te worden aangenomen in bovenzinnelijke omgang met de Heer teneinde Hem bovenzinnelijke liefdedienst te kunnen bewijzen. In plaats van hierom te vragen, vraagt het levend wezen dat door de materiële natuur besmet is om tal van andere zaken en zijn mentaliteit wordt in de Bhagavad-gitā beschreven (B.g.,2.41) als een gespleten of kromgetrokken verstand. Geestelijke intelligentie is één, en het tegenovergestelde is verdeeldheid. In het Śrīmad-Bhāgavatam wordt gezegd dat personen die in de ban zijn van de tijdelijke schoonheid van de uitwendige energie hun werkelijke levensdoel vergeten, dat inhoudt: terugkeren naar God. Wanneer men dit uit het oog verliest, probeert men zich aan de hierdoor veranderde situatie aan te passen met verschillende plannen en bedenksels, die er allemaal op neerkomen dat men het gekauwde blijft herkauwen. Maar de Heer is zo goed, dat Hij het vergeetachtige levend wezen laat begaan zonder het in zijn bezigheden te storen. Als een levend wezen naar de hel wil, legt de Heer het geen strobreed in de weg, en wil het terugkeren naar huis, terug naar God, dan helpt de Heer het ook hierbij.
God wordt hier beschreven als paribhūḥ, de allergrootste. Niemand is groter dan Hij of aan Hem gelijk. De andere levende wezens worden hier beschreven als bedelaars die aalmoezen vragen van de Heer, en de Heer voldoet aan hun verlangens. Als andere levende wezens hetzelfde konden als de Heer of als ze evenals Hij almachtig of alwetend waren, zou er geen sprake zijn van bedelen bij de Heer, zelfs niet om “verlossing". De werkelijke verlossing van het levende wezen bestaat eruit dat het terugkeert naar God. Anders blijft de verlossing, zoals de impersonalist haar dus opvat, een fabeltje en moet het bedelen om zingenot eeuwig blijven doorgaan, tenzij de bedelaar opeens zijn verstand terugkrijgt en zijn wezensstaat doorgrondt.
De Allerhoogste Heer is Zichzelf genoeg. Toen Heer Kṛṣṇa 5000 jaar geleden op Aarde verscheen, openbaarde Hij Zich door Zijn verschillende activiteiten volledig als God. In Zijn kinderjaren doodde Hij tal van machtige demonen en er was geen sprake van dat Hij Zich deze macht langs ongoddelijke weg zou hebben kunnen eigen maken. Hij tilde de heuvel Govardhana heuvel op zonder enige ervaring in het gewichtheffen. Hij danste met de gopi's zonder Zich aan de regels van het maatschappelijk verkeer te storen, maar tegelijk ook zonder aanstoot te geven. Hoewel de gopi's op Hem af kwamen met gevoelens van tedere verliefdheid, is de omgang van de gopi's en Heer Kṛṣṇa zelfs verheerlijkt door Heer Caitanya, die het leven van een sannyāsi leidde en Zich streng aan alle desbetreffende regels en bepalingen hield. Om dit nog eens te bevestigen zegt de Śrī Īśopaniṣad dat Hij zuiver en onbevlekt is. Hij is zuiver in de zin dat zelfs iets wat naar wereldse maat onzuiver is alleen al door Zijn aanraking gezuiverd kan worden. Het woord onbevlekt heeft betrekking op de omgang met Hem; het wordt ook in de Bhagavad-gitā genoemd. Daar wordt gezegd (B.g., 9.30-31) dat een ijverig toegewijde in het begin nogal su-durācāra, slechtgemanierd kan aandoen. Toch dient hij dan als zuiver te worden beschouwd, omdat hij zich op de juiste weg bevindt. .Dat is de onbevlekte aard van de omgang met de Heer. De Heer is apāpaviddham, dat wil zeggen: niets zondigs kan Hem aantasten. Ook al doet Hij soms iets wat zondig aandoet, dan is het toch goed, aangezien er geen sprake van is dat de Heer door zondige neigingen kan worden bevangen. Hij is onder alle omstandigheden śuddham, aller zuiverst, en wordt als zodanig dikwijls met de zon vergeleken. De zon onttrekt vocht aan velerlei onreine plaatsen op aarde, maar blijft zelf zuiver. In feite loutert hij schadelijke zaken door ze te steriliseren. Als de zon al zo machtig is - en de zon is slecht een stoffelijk ding - kunnen we ons enigszins indenken hoe zuiver en sterk de almachtige Heer is.