Śrī Īśopaniṣad 5

tad ejati tan naijati
tad dūre tad v antike
tad antar asya sarvasya
tad u sarvasyāsya bāhyataḥ

Synonyms

tatdeze Opperheer; ejatiloopt; tatHij; naniet; ejatiloopt; tatHij (is); dūrever weg; tatHij (is); uook; antikezeer dichtbij; tatHij (is); antaḥbinnen; asyahiervan; sarvasyaalles; tatHij (is); uook; sarvasyaalles; asyahiervan; bāhyataḥuitwendig aan.

Translation

De Allerhoogste loopt en loopt niet. Hij is ver weg en tevens zeer dichtbij. Hij is in alles en Hij is ook weer buiten alles.

Purport

Hier wordt verklaard hoe de Opperheer door Zijn onvoorstelbare vermogen Zijn bovenzinnelijke activiteiten ontwikkelt. Er worden hier drie tegenstrijdige verklaringen gegeven om het alvermogen van de Heer te tonen. Als iemand kan lopen is het onjuist te zeggen dat hij niet kan lopen. Zo'n tegenstrijdigheid laat zien hoe onvoorstelbaar Gods macht is. Met ons schamel beetje kennis kunnen we dit allemaal niet bevatten en daarom wordt de Heer in zulke bewoordingen beschreven, dat ons beperkt bevattingsvermogen het nog net aan kan. De impersonalistische filosofen van de Māyāvāda-school aanvaarden alleen het impersonalistisch gedeelte van de activiteiten van de Heer en weigeren Zijn persoonlijk aspect te aanvaarden. De Bhāgavata-school echter aanvaardt de Heer op beide manieren, namelijk als persoonlijk en als onpersoonlijk. En de Bhāgavata aanvaardt tevens Zijn onvoorstelbare vermogens. Zonder onvoorstelbaar alvermogen zou de Opperheer geen Opperheer zijn.
We moeten niet zo maar aannemen dat, omdat we de Heer niet werkelijk binnen ons gezichtsveld kunnen zien, er geen persoonlijk bestaande God is. De Śrī Isopanisad weerlegt zo'n gedachte met de waarschuwing dat de Heer weliswaar ver van ons vandaan is, maar tegelijk heel dichtbij. De Woning van de Heer bevindt zich buiten de materiële hemel, maar hoe uitgestrekt de materiële hemel is, kunnen we niet eens meten. Als de grenzen van de materiële hemel al zo eindeloos ver van ons vandaan liggen, hoe zit het dan met de geestelijke hemel, die zich geheel buiten de stoffelijke hemel bevindt? Dat de geestelijke hemel zich eindeloos ver van de materiële wereld bevindt wordt nader bevestigd in de Bhagavad-gītā (B.g.,15.6). Maar in weerwil van de omstandigheid dat de Heer zo ver van ons vandaan is, kan Hij onmiddellijk, nog binnen deze seconde, voor ons neerdalen met een snelheid die de snelheid van de geest of de lucht te boven gaat. Hij kan zo snel lopen dat niemand Hem kan inhalen. Dit is in het vorige vers al duidelijk gemaakt.
Wanneer echter de Persoonlijkheid Gods zo aan ons verschijnt, slaan we geen acht op Hem. Deze veronachtzaming door de dwaze mensheid wordt in de Bhagavad-gitā door de Heer veroordeeld. De Heer zegt dat de dwazen Hem bespotten en Hem voor een gewone sterveling aanzien (B.g.,9.11). Hij is echter geen sterveling en verschijnt ook niet aan ons in een líchaam dat door de materiële natuur geschapen is. Er zijn heel wat zogenaamde geleerden die zeggen dat de Heer wanneer Hij verschijnt, dit doet in een materieel lichaam als dat van een gewoon levend wezen, Zulke dwazen plaatsen de Heer op het peil van een gewoon mens, omdat ze geen idee hebben van Zijn onvoorstelbaar alvermogen.
Omdat Hij vol onvoorstelbare vermogens is, kan God onze diensten langs velerlei wegen aannemen en Zijn verschillende vermogens naar believen laten wisselen en veranderen. De ongelovigen beweren dat de Heer Zichzelf niet kan incarneren, of zo ja, dan in een verschijningsvorm van de materiële energie. Er blijft niets van deze bewering over als we aannemen dat 's Heren onvoorstelbaar alvermogen een feit is. Zelfs indien Hij in materiële gedaante voor ons verschijnt, kan Hij Zijn materiële energie heel goed in geestelijke energie veranderen. Aangezien de bron van alle energieën één en dezelfde is, kunnen de energieën precies zo gebruikt worden als de bron van alle kracht het wil. Zo verschijnt de Heer bijvoorbeeld in de gedaante van arcā-vigraha of beelden, die van klei of steen gemaakt schijnen te zijn. Deze van hout of steen of welk ander materiaal dan ook gebeeldhouwde gedaanten zijn, in tegenstelling tot wat de beeldenstormers beweren, geen afgodsbeelden.
In de Bhagavad-gitā zegt de Heer dat Hij Zijn toegewijde behandelt naar gelang de mate waarin de toegewijde zich aan Hem overgeeft (B.g., 4.11). Hij behoudt Zich het recht voor Zich niet aan iedereen te vertonen, behalve aan degenen die zich aan Hem overgeven. Daarom is Hij voor de toegewijde ziel altijd binnen bereik, terwijl Hij voor de niet-toegewijde ziel zeer ver weg is en niet kan worden benaderd.
Er zijn in de geopenbaarde Schriften twee woorden die in dit verband van belang zijn: saguna en nirguna - met geaardheid of eigenschappen en zonder geaardheid of eigenschappen. Saguna betekent niet dat de Heer wanneer Hij verschijnt onderworpen raakt aan de wetten der stoffelijke natuur, ook al bezit Hij eigenschappen en verschijnt Hij in materiële gedaante. Er bestaat voor Hem geen verschil tussen stoffelijke en geestelijke energie, omdat Hij de bron van dergelijke energieën is. Hij is de bestuurder van de verschillende energieën en uit dien hoofde kan Hij nooit, in tegenstelling tot ons, onder hun invloed zijn. De materiële energie werkt volgens Zijn aanwijzingen en daarom kan Hij de materiële energie naar Zijn hand zetten, zonder dat Hij door ook maar één eigenschap van Zijn energieën wordt beïnvloed. Evenmin verschijnt Hij ooit als vormloos wezen. Uiteindelijk is Hij de eeuwige gedaante, de oorspronkelijke Heer. En Zijn onpersoonlijk aspect of Brahman-uitstraling is de gloed van Zijn persoonlijk licht, zoals de zonnestralen de gloed van de Zonnegod zijn.
Toen het heilig kind Prahlāda Mahārāja voor zijn atheïstische vader stond, vroeg deze hem: 'Waar is die God van jou?' De kleine Prahlāda antwoordde dat God overal is. Zijn vader vroeg toen boos of God soms ook in de pilaar vlak bij hen in het paleis zat en het kind zei ja. Meteen sloeg de atheïstische koning de pilaar in stukken, waarop vanuit de pilaar de Heer verscheen als Nṛsiṁha (de half mens-, half leeuw-incarnatie) en de vorst doodde. Dit betekent dat de Heer Zich in alles bevindt wat door Zijn verschillende energie-en geschapen is. En door Zijn onvoorstelbaar alvermogen kan Hij op willekeurig welke plaats verschijnen om Zijn oprechte toegewijde een gunstbewijs te verlenen. Heer Nṛsiṁha kwam niet uit de pilaar op bevel van de atheïstische koning, maar omdat de toegewijde Prahlada het wenste. Een atheïst kan de Heer niet bevelen te verschijnen, maar om Zijn toegewijde Zijn genade te bewijzen kan de Heer altijd en overal plotseling staan. Dit wordt bevestigd in de Bhagavad-gita, waar gezegd wordt dat de Heer verschijnt om de ongelovigen te overwinnen en de gelovigen te beschermen (B.g., 4.8). Om een ongelovige te overwinnen heeft de Heer uiteraard voldoende energieën en medewerkers die zoiets kunnen opknappen, maar het bewijzen van een gunst aan een toegewijde vindt Hij een aangename taak en daartoe daalt Hij Zelf als incarnatie neer. Maar nogmaals, Hij doet dit alleen om Zijn toegewijden een gunst te bewijzen en om geen enkele andere reden.
In de Brahma-saṁhitā wordt gezegd dat Govinda, de oorspronkelijke Heer, in alles binnengaat in Zijn volkomen deel-aspect, zowel in het universum als in de atomen van het universum. Hij is buiten in Zijn virāṭ-vorm en binnen als antaryāmi. Als antaryāmi is Hij getuige van ons doen en laten en geeft ons het resultaat van onze activiteiten als karma-phala. Ook al vergeten we zelf wat we in onze vorige levens hebben gedaan, toch blijft het resultaat van onze aktiviteiten, omdat de Heer er altijd getuige van is, altijd aanwezig en dienen we er alsnog de reacties van te ondergaan.
In feite is er zowel binnen als buiten niets anders dan God. Alles wordt geopenbaard door Zijn verschillende energieën, zoals de hitte en het licht van vuur, hetgeen betekent dat er in de verschillende energieën eenheid is. In weerwil van deze eenheid echter geniet de Heer van Zijn persoonlijke gedaante alles wat genietbaar is voor de zintuigjes van de levende wezens, die Zijn integrerende deeltjes zijn.