Śrī Īśopaniṣad 4
Verse text
anejad ekaṁ manaso javīyo
nainad devā āpnuvan pūrvam arṣat
tad dhāvato ’nyān atyeti tiṣṭhat
tasminn apo mātariśvā dadhāti
nainad devā āpnuvan pūrvam arṣat
tad dhāvato ’nyān atyeti tiṣṭhat
tasminn apo mātariśvā dadhāti
Synonyms
anejat — gevestigd; ekam — een; manasaḥ — meer dan de geest; javīyaḥ — snel; na — niet; enat — deze Opperheer; devāḥ — de halfgoden als Indra enz.; āpnuvan — kunnen naderen; pūrvam — de eerste van allen; arṣat — iemand die alles weet; tat — dat; dhāvataḥ — degenen die hollen; anyān — anderen; atyeti — over-treft; tiṣṭhat — hoewel gelaatst; tasmin — op één plaats; apaḥ — water; mātariśvā — de goden die lucht en regen beheersen; dadhāti — uitvoeren.
Translation
Hoewel immer in Zijn Woning, is de Persoonlijkheid Gods sneller dan de geest, en sneller te voet dan alle anderen. De machtige halfgoden kunnen Hem niet naderen. Hoewel op één plaats, gebiedt Hij hen die wind en regen geven. Hij gaat allen in voortreffelijkheid te boven.
Purport
De Opperheer, de Absolute Persoonlijkheid Gods, kan zelfs door de grootste filosoof niet worden gekend langs theo-retische weg. Hij kan alleen door zijn toegewijden worden gekend door Zijn genade. In de Brahma-saṁhitā staat geschreven dat de niet-toegewijde filosoof, die zich met de snelheid van de geest of de lucht kan verplaatsen en met die snelheid honderden jaren door de ruimte reist, nog bij lange na niet het Absolute zal hebben bereikt. Zoals beschreven in de Upaniṣads, heeft de Absolute Persoonlijkheid Gods Zijn bovenzinnelijke Woning, bekend als Kṛṣṇa-loka, waar Hij Zijn spel ontvouwt. Maar krachtens Zijn onvoorstelbaar alvermogen kan Hij in elk punt van Zijn kreatieve energie tegelijkertijd verschijnen. In de Viṣṇu Purāṇa wordt dit vermogen vergeleken met licht en hitte van het vuur. Vuur kan vanaf één plaats zijn hitte en licht verspreiden; evenzo kan de Absolute Persoonlijkheid Gods, hoewel immer verblijvend in Zijn bovenzinnelijke Woning, Zijn verschillende energieën overal heen zenden.
Deze energieën zijn ontelbaar, maar in grote lijnen kunnen ze worden ingedeeld in drie hoofdgroepen: Zijn innerlijk vermogen, Zijn tussenenergie en Zijn uitwendige energie.Binnen elk van deze energieën bevinden zich honderden en miljoenen sub-energieën. De belangrijkste halfgoden, wie macht gegeven is over natuurverschijnselen als lucht, licht,regen enz., worden allen tot de tussenenergie van de Absolute Persoon gerekend. De levende wezens, met inbegrip van de menselijke, zijn eveneens voortbrengselen van de tussenenergie van de Heer. De stoffelijke wereld is een schepping van de uitwendige energie van de Heer, en de geestelijke hemel, waarin zich het Koninkrijk Gods bevindt, is de openbaring van Zijn innerlijke energie.
De verschillende energieën van de Opperheer zijn overal vertegenwoordigd door Zijn verschillende vermogens. Hoewel er geen verschil tussen Hemzelf en Zijn energieën bestaat, mag men hieruit niet ten onrechte konkluderen dat de Opperheer,als Hij op deze manier overal verspreid is, Zijn persoonlijk bestaan slechts heeft in het onpersoonlijk Brahman. De mensen plegen nu eenmaal hun beperkt bevattingsvermogen te gebruíken om er verregaande konklusies mee te trekken.De Opperheer hoeft Zich geenszins naar ons beperkt begrip te schikken. Hierom waarschuwen de Upaniṣads ons dan ook: niemand kan de Heer vanuit zijn eigen beperkt vermogen naderen.
In de Bhagavad-gitā zegt de Heer (B.g., 10.2) dat niemand Hem kan kennen; zelfs de grote ṛṣi’s en sura's kunnen dat niet. Wat dan te zeggen van de asura's, die zich niet eens op een peil bevinden, dat ze de wegen van de Heer kunnen bevatten? Alle woorden hier genoemd in mantra vier van de Śrī Īśopaniṣad geven zeer duidelijk aan dat de Absolute Waarheid uiteindelijk de Absolute Persoon is; waarom zou het anders nodig zijn zo veel uiteenlopende zaken op te sommen die Zijn persoonlijk karakter benadrukken?
Ook al hebben de individuele integrerende deeltjes van de vermogens van de Heer alle symptomen van de Heer Zelf, toch is hun actieradius beperkt en daarom zijn ze alle beperkt. Integrerende delen zijn nimmer gelijk aan het geheel. Daarom kunnen de integrerende deeltjes geen volledig inzicht hebben in het alvermogen van de Heer. Er zijn van die dwaze en on-wetende wezens, die hoewel ze integrerende deeltjes van de Heer zijn, onder de begoochelende invloed van de materiële energie de bovenzinnelijke positie van de Heer proberen te taxeren. De Śrī Īśopaniṣad waarschuwt ze, niet over de identi-teit van de Heer te theoretiseren. Men dient het Bovenzinnelijke te leren kennen vanuit de superieure bron der Veda’s, die van kennis van het Bovenzinnelijke vervuld zijn
Elk deel van het volkomen geheel is begiftigd met een speciale energie waarmee het kan handelen en wanneer dit deel vergeet wat zijn speciale aktiviteiten zijn, heet het in māyā,illusie, te verkeren. De Śrī Īśopaniṣad waarschuwt ons dan ook van stonde af aan dat we nauwlettend de rol dienen te spelen die de Heer ons heeft toebedeeld. Dit betekent echter niet dat de individuele ziel geen eigen initiatief heeft. Omdat ze integre-rend deel van de Heer is, moet ze ook een deel van het eigen initiatief van de Heer hebben. Een goed gebruik van het eigen initiatief, de aktieve aard, met dien verstande dat we voort-durend beseffen dat alles louter alvermogen is van de Heer, kan ertoe leiden dat we ons oorspronkelijk bewustzijn weer tot leven wekken, dat als gevolg van ons kontakt met māyā, de uitwendige energie, verloren is gegaan.
Alle macht wordt verkregen van de Heer en daarom moet elke vorm van macht worden benut om 's Heren wil te dienen en nergens anders om. De Heer kan worden gekend door wie zich aan Hem onderworpen betoont. Volmaakte kennis betekent dat men de Heer in al Zijn aspekten en al Zijn ver-mogens kent en weet hoe Zijn vermogens geregeerd worden door Zijn wil. Deze zaken worden op uitgelezen wijze door de Heer beschreven in de Bhagavad-gitā, die de essentie der Upaniṣads is.