Śrī Īśopaniṣad 2

kurvann eveha karmāṇi
jijīviṣec chataḿ samāḥ
evaṁ tvayi nānyatheto ’sti
na karma lipyate nare

Synonyms

kurvanvoortdurend doen; evazo; ihatijdens dit leven; karmāṇiwerk; jijīviṣetmen moet willen leven; śatamhonderd; samāḥjaren; evamzo levend; tvayitot u; naniet; anyathāalternatief; itaḥvan dit pad; astiis; naniet; karmawerk; lipyatekan gebonden worden; narevoor een mens.

Translation

Als men in deze geest handelt en wandelt, mag men ernaar streven honderd jaar te worden, want zo'n leven bindt de mens niet aan de wet van karma. En een andere weg dan deze is er voor hem niet.

Purport

Niemand wil sterven en iedereen wil zijn leven zo lang rekken als hij maar kan. Deze instelling is niet alleen individueel waarneembaar, maar ook collectief in samenleving, maatschappij en volk. Onder alle typen van levende wezens komen we een felle strijd om het bestaan tegen en de Veda zegt dat dit heel gewoon is voor het levende wezen. Het levend wezen is van nature eeuwig, maar doordat het gevangen is geraakt in het materieel bestaan, moet het telkens weer van lichaam verwisselen. Dit proces wordt zielsverhuizing genoemd. Deze verhuizing noemt men ook karma-bandhana of de gebondenheid aan ons doen en laten. Het levend wezen moet werken om in zijn levensonderhoud te voorzien, want zo wil het de wet der natuur; en als het zich niet houdt aan de plichten die aan zijn vorm van leven zijn voorgeschreven, overtreedt het de wet der natuur en raakt steeds hechter gebonden aan de kringloop van geboorte en dood.
De kringloop van geboorte en dood voltrekt zich ook in ander leven dan het menselijke. Wanneer het levend wezen de kans krijgt naar een menselijke vorm te verhuizen, is dit tevens zijn kans zich te bevrijden uit de ketenen van de wet van karma. Karma, akarma en vikarma zijn principes die in de Bhagavad-gitā zeer duidelijk worden beschreven. De handelingen die men verricht overeenkomstig de voorschriften in de geopenbaarde Schriften worden karma genoemd. Handelingen die iemand bevrijden uit de kringloop van geboorte en dood worden akarma genoemd. En handelingen die mén verricht door misbruik te maken van zijn vrijheid, waardoor men naar de lagere levensregionen afzakt, worden vikarma genoemd. Van deze drie soorten activiteit heeft de activiteit die het levend wezen uit de kringloop van geboorte en dood bevrijdt bij intelligente lieden de voorkeur. Gewone mensen doen graag goed werk om zich erkenning en een zekere status te verwerven in deze wereld of in de hemel, maar de wat meer gevorderden willen liever helemaal bevrijd worden van de acties en reacties die uit hun doen en laten voortkomen. Intelligente lieden beseffen namelijk dat zowel goed als kwaad werk gelijkelijk tot de ellenden van het stoffelijk leven leidt. Daarom trachten ze werk te verrichten dat hen van de terugslagen van goed en kwaad werk bevrijden zal. Dat men zich deze vrijheid verwerven kan wordt hier in de Śrī Īśopaniṣad bevestigd.
De leer van de Śrī Īśopaniṣad wordt omstandiger uiteengezet in de Bhagavad-gitā, die soms de Gītopaniṣad wordt genoemd, de kroon van alle Upaniṣads. In de Bhagavad-gītā zegt de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods dat niemand het stadium van naiṣkarmya of akarma kan bereiken zonder eerst te beginnen zich aan de voorgeschreven plichten te houden die in de Vedische literatuur worden vermeld (B.g., 3.9-16). De Vedische literatuur weet de arbeidsenergie van het menselijk wezen zo te besturen, dat het geleidelijk aan het gezag van het Opperwezen begint te ervaren. Wanneer men het gezag van de Persoonlijkheid Gods volkomen beseft, heeft men het stadium der positieve kennis bereikt. In deze gelouterde levensfase, waarin de drieërlei aard der natuur – goedheid, hartstocht, onwetendheid – geen invloed meer uitoefent, kan men handelen op basis van naiṣkarmya: zó werken, dat men er niet door aan de kringloop van geboorte en dood gebonden raakt.
Niemand hoeft in feite iets anders te doen dan de Heer toegewijd te dienen. In de minder gevorderde levensfase echter kan men niet ineens overschakelen op de activiteiten van de toegewijde dienst en evenmin kan men geheel ophouden met werk dat tot terugslagen leidt. Een geconditioneerde ziel is er nu eenmaal aan gewend voor zingenot, voor zijn zelfzuchtig eigenbelang nu of later, te werken. Een gewoon mens werkt teneinde zijn zinnen te kunnen bevredigen en wanneer het zinsbevredigingsbeginsel niet alleen individueel, maar ook collectief wordt nagestreefd door samenleving, natie of de mensheid in het algemeen, worden er allerlei mooie namen aan gegeven, zoals altruïsme, socialisme, communisme, nationalisme, filantropie enz. Al deze ismen zijn beslist heel fraaie vormen van karma-bandhana, gebondenheid aan ons doen en laten, maar het Vedisch voorschrift dat de Śrī Īśopaniṣad in deze geeft luidt: als u voor een van deze ismen leeft, plaats God dan in het centrum. Er schuilt geen kwaad in, een altruïst, socialist, communist, nationalist of filantroop te zijn-mits men het allemaal maar is in relatie tot īśāvāsya, tot de levensbeschouwing die God voorop stelt.
Op God gerichte activiteiten worden in de Bhagavad-gītā zo gunstig genoemd (B.g., 2.40), dat slechts het geringste aandeel dat men erin heeft het grootste gevaar kan afwenden. Het grootste gevaar van het mensenleven is dat men weer terug zakt in de evolutionaire kringloop van geboorte en dood. Als men hoe dan ook de geestelijke kans mist die de menselijke levensvorm biedt en bijgevolg terug zakt in de evolutionaire kringloop, dient dit te worden beschouwd ais het treurigste wat iemand kan overkomen, ook al zal een dwaas dit niet beamen omdat hij afgaat op de gegevens die zijn onvolmaakte zintuigen hem verschaffen. De Śrī Īśopaniṣad raadt ons daarom aan onze energie in de geest van īśāvāsya te gebruiken en handelen we zo, dan mogen we ernaar verlangen vele, vele jaren te leven. Een lang leven zou anders niets meer waard zijn dan het lange leven van een boom, die eveneens een levend wezen is en die honderden jaren leeft. Het heeft geen zin even lang als een boom te leven of te ademen als een blaasbalg of nakroost te verwekken zoals varkens of honden het doen, of te eten als een kameel. Zelfs een nederig leven dat zijn activiteiten op God richt heeft meer waarde dan die enorme bluf van zogenaamd altruïsme of socialisme zonder enige relatie met God.
Wanneer - bijvoorbeeld - altruïstische activiteiten echter worden verricht in de geest van de Śrī Īśopaniṣad, worden ze alle een vorm van karma-yoga, zoals de Bhagavad-gitā aanbeveelt (B.g., 18.5-9). En zulks vrijwaart degene die zo handelt van het gevaar dat hij zal terug vallen in het evolutionaire proces van geboorte en dood. Ook al worden dergelijke op God gerichte activiteiten slechts ten dele uitgevoerd, dan is dat nóg goed, want het garandeert dat men in zijn volgend leven opnieuw een menselijke vorm zal hebben. Op deze manier kan men wederom de kans benutten die alleen ménselijke wezens geboden wordt om vooruit te komen op het pad der bevrijding.