Śrī Īśopaniṣad 15

hiraṇmayena pātreṇa
satyasyāpihitaṁ mukham
tat tvaṁ pūṣann apāvṛṇu
satya-dharmāya dṛṣṭaye

Synonyms

hiraṇmayenadoor de lichtgloed; pātreṇadoor de verblindende verhulling; satyasyavan de Allerhoogste Waarheid; apihitambedekt; mukhamhet gezicht; tatdie bedekking; tvamUzelf; pūṣanO instandhouder; apāvṛṇuwil wegnemen; satyazuiver; dharmāyavoor de toegewijde; dṛṣṭayeom te tonen.

Translation

O mijn Heer, die al wat leeft in stand houdt, Uw ware gelaat is verhuld door Uw stralende luister. Neem alstublieft die verhulling weg en toon Uzelf aan Uw zuivere toegewijde.

Purport

In de Bhagavad-gitā zegt de Heer over Zijn Persoonlijke uitstraling, die de brahma-jyoti wordt genoemd-de verblindende gloed van Zijn persoonlijke gedaante-het volgende:
brahmaṇo hi pratiṣṭhāham
amṛtasyāvyayasya ca
śāśvatasya ca dharmasya
sukhasyaikāntikasya ca
“Ik ben de grondslag van het onpersoonlijk Brahman, dat de wezensstaat is van het allerhoogste geluk, en dat onsterfelijk,onvergankelijk en eeuwig is.” (B.g.,14.27)
Brahman, Paramātmā en Bhagavān zijn drie verschijningsvormen van dezelfde Absolute Waarheid. Brahman is de fase van de Absolute Waarheid die het duidelijkst zichtbaar is voor de beginneling in het schouwen. Paramātmā is de fase van de Absolute Waarheid voor degenen die gevorderd zijn. En Bhagavān is de uiteindelijke volkomen doorschouwing van de Absolute Waarheid. Dit wordt bevestigd in de Gitā, waar de Heer zegt dat Hij de uiteindelijke samenvatting van de Absolute Waarheid is. Hij is de bron van zowel de brahmajyoti als het allesdoordringende Paramātmā-aspect.
atha vā bahunaitena
kiṁ jñātena tavārjuna
viṣṭabhyāham idaṁ kṛtsnam
ekāṁśena sthito jagat
"Maar waar is al deze gedetailleerde kennis voor nodig? O Arjuna. Met één deeltje van Mijzelf doordring en draag Ik dit hele universum.” (B.g., 10.42) Kort samengevat kan ervan worden gezegd dat Hij in Zijn ene volkomen deel-aspect - de allesdoordringende Paramātmā - de hele stoffelijke kosmische schepping in stand houdt. En ook in de geestelijke wereld is Hij de instandhouder van alle openbaringen. Daarom wordt Hij in de śruti mantra van de Śrī Īśopaniṣad aangesproken als pūṣan, de allerhoogste instandhouder.
De Persoonlijkheid Gods, Srī Kṛṣṇa, is altijd vervuld van bovenzinnelijke gelukzaligheid. Toen Hij 5000 jaar geleden ín Vṛndāvana in India was, verkeerde Hij in bovenzinnelijke gelukzaligheid vanaf het prilste begin van Zijn kinderspel. Het doden van allerlei demonen zoals Agha, Baka, Pūtanā en Pralamba was voor Hem een reeks plezierige uitstapjes. Toen Hij in Zijn dorp was, maakte Hij pret met Zijn moeder, zusters en vrienden als de ondeugende boterdief en al Zijn metgezellen genoten door 'Zijn boterdieverij in bovenzinnelijke mate. De Heer is bekend als de boterdief, maar dit woord wordt nooit in schampere zin gebezigd. De term boterdief met betrekking tot de Heer getuigt altijd van het plezier dat Hij Zijn zuivere toegewijden met Zijn spel gegeven heeft. Alles wat de Heer in Vṛndāvana deed gebeurde om Zijn metgezellen daar gelukkig te maken. Hij verrichtte Zijn opzienbarende daden om de aandacht te trekken van degenen die het bovenzinnelijke met droog theoretiseren probeerden te doorgronden, alsmede van de acrobaten van het zogeheten haṭha-yoga systeem, die de Absolute Waarheid probeerden te vinden.
Van 's Heren kinderspel met Zijn speelmakkers, de koeherdersjongens, zei Śukadeva Gosvāmī in het Śrīmad-Bhāgavatam:
itthaṁ satāṁ brahma-sukhānubhūtyā
dāsyaṁ gatānāṁ para-daivatena
māyāśritānāṁ nara-dārakeṇa
sākaṁ vijahruḥ kṛta-puṇya-puñjāḥ
“De Persoonlijkheid Gods, die waargenomen wordt als het onpersoonlijk Brahman der gelukzaligheid, die als Opperheer aanbeden wordt door de toegewijden en die door de wereldlingen als een gewoon menselijk wezen wordt beschouwd, speelde met de koeherdersjongens, die hun positie te danken hadden aan de reusachtige hoeveelheid vrome daden door hen verricht.”(S.B.,10.12.11)
Zo houdt de Heer Zich altijd met bovenzinnelijk liefdevolle activiteiten bezig met Zijn geestelijke metgezellen, terwijl ze elkaar over en weer bejegenen met gevoelens van sānta, vredige kalmte, dāsya, dienstbaarheid, sakhya, vriendschap, vāisālya, ouderliefde, en mādhurya, echtelijke liefde.
Men zegt dat de Heer nooit weggaat uit Vṛndāvana-dhāma, zodat men zich afvraagt hoe Hij dan de aangelegenheden van Zijn verschillende scheppingen behartigt. Deze vraag wordt in de Gitā beantwoord (B.g,, 13,14): Hij doordringt de hele stoffelijke schepping met Zijn volkomen deelaspect, dat men kent als de Purușa-incarnatie. De Heer heeft niets te maken met de schepping, instandhouding en vernietiging van de stof, maar behartigt deze aangelegenheden via Zijn volkomen deel-aspect, Paramātmā - de Superziel.
Dit hele God-verwerkelijkings-systeem is een grandioze wetenschap. De materialisten kunnen slechts de vierentwintig factoren van de stoffelijke schepping analyseren en erover mediteren. Ze weten zeer weinig van de puruṣa, de Heer, af. Degenen die slechts in een onpersoonlijke God geloven zijn verblind door de stralende gloed van de brahma-jyoti. Wil men de Absolute Waarheid in haar geheel doorschouwen, dan dient men zowel door de vierentwintig materiële elementen als door de verblindende stralengloed heen te dringen. De Śrī Īśopaniṣad geeft aanwijzingen in deze richting en bidt dat de hiraṇmaya-pātra, de blikkerende omhulling, mag worden weggenomen. Als deze omhulling niet wordt weggenomen en als men de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods niet kan aanschouwen zoals Hij is, kan men de Absolute Waarheid nooit werkelijk doorgronden.
Het Paramātmā-aspect van de Persoonlijkheid Gods is een der drie volkomen deel-aspecten, die gezamenlijk viṣṇu-tattva worden genoemd. De viṣṇu-tattva in het universum (deVviṣṇu van de trits der voornaamste goden Brahmā, Viṣṇu en Śiva) wordt de Ksirodakasāyī Viṣṇu genoemd. Hij is de alles-door-dringende Paramātmā in ieder levend wezen afzonderlijk. En de Garbhodakaśāyī Viṣṇu is de collectieve Superziel van alle leven - de wezens. Boven deze twee bevindt zich de Kāranodakasāyī Viṣṇu die languit terneerligt in de Oceaan der Oorzaken. Hij is de schepper van alle universa. Het yoga-systeem leert de serieuze onderzoeker hoe hij, na de vierentwintig stoffelijke elementen van de kosmische schepping te hebben overwonnen ,deze viṣṇu-tattva's kan onderscheiden. Onderzoek langs empirisch-filosofische weg kan tot inzicht leiden aangaande de brahma-jyoti, die de schitterende uitstraling is van het bovenzinnelijk lichaam van Heer Śrī Kṛṣṇa. Dit wordt zowel in de Bhagavad-gītā (B.g,, 14.27) als in de Brahma-samhitā (5.40) bevestigd:
yasya prabhā prabhavato jagad-aṇḍa-koṭi-
koṭiṣv aśeṣa-vasudhādi vibhūti-bhinnam
tad brahma niṣkalam anantam aśeṣa-bhūtaṁ
govindam ādi-puruṣaṁ tam ahaṁ bhajāmi
"In de miljoenen en nog eens miljoenen universa zijn ontelbare planeten, die stuk voor stuk naar kosmische samenstelling van elkaar verschillen en zich alle in een hoek van de brahma-jyoti bevinden. Deze brahmajyoti is de persoonlijke uitstraling van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, die ik aanbid.” Deze mantra van de Brahma-samhitā geeft de positie aan waarin men zich de Absolute Waarheid realiseert en de śrutimantra die hier besproken wordt bevestigt het verwerkelijkings-proces waarop de mantra van de Brahma-samhitā betrekking heeft. Deze mantra is een eenvoudig gebed tot de Heer om de brahma-jyoti weg te nemen, zodat men het ware gelaat Gods kan aanschouwen.
hiraṇmaye pare kośe
virajaṁ brahma niṣkalam
tac chubhraṁ jyotiṣāṁ jyotis
tad yad ātma-vido viduḥ
na tatra sūryo bhāti na candra-tārakaṁ
nemā vidyuto bhānti kuto ’yam agniḥ
tam eva bhāntam anu bhāti sarvaṁ
tasya bhāsā sarvam idaṁ vibhāti
brahmaivedam amṛtaṁ purastād brahma
paścād brahma dakṣiṇataś cottareṇa
adhaś cordhvaṁ ca prasṛtaṁ brahmai-
vedaṁ viśvam idaṁ variṣṭham
Volmaakte kennis houdt in dat men de grondslag van Brahman kent. De grondslag van Brahman is Heer Srī Kṛṣṇa, en in de schriften, zoals het Śrīmad-Bhāgavatam, wordt de wetenschap aangaande Kṛṣṇa volmaakt uiteengezet. De schrijver, Srila Vyāsadeva, heeft door doorschouwing vastgesteld dat de Allerhoogste Waarheid als Brahman, Paramātmā of Bhagavān beschreven dient te worden. Maar hij zegt nergens dat de Allerhoogste Waarheid ooit beschreven wordt als de jiva, het gewone levende wezen. Daarom is het levende wezen niet de almachtige Allerhoogste Waarheid. Anders zou het nergens voor nodig zijn dat het levend wezen tot de Heer bidt om de verblindende omhulling weg te nemen, zodat het Zijn ware gelaat zal kunnen aanschouwen.
We kunnen dus samenvattend zeggen dat het onpersoonlijk Brahman kan worden doorschouwd, zo lang zich geen krachtige openbaringen van de Allerhoogste Waarheid voordoen. Wanneer men vervolgens de materiële vermogens van de Heer doorgrondt, maar nog weinig of niets van Zijn geestelijke vermogens afweet, verwerkelijkt men Paramātmā. Brahman en Paramātmā zijn daarom beide slechts een gedeeltelijke verwerkelijking van de Absolute Waarheid. Wanneer men echter de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Srī Kṛṣṇa, aanschouwt in volle glorie nadat, in verhoring van het gebed van deze mantra, de hiraṇmaya-pātra is weggenomen, beseft men dat vāsudevah sarvam iti: Heer Šrī Krşņa, ook Vāsudeva genoemd, is alles - Brahman, Paramātmā en Bhagavān. Hij is Bhagavān, de wortelstronk, en Brahman en Paramātmā zijn Zijn takken.
In de Bhagavad-gitā staat een vergelijkende analyse van de drie klassen van personen die het bovenzinnelijke nastreven: de jnāni's, die het onpersoonlijk Brahman vereren, de yogi's, of aanbidders van het Paramātmā-aspect, en de bhakta's, of toegewijden van Heer Srī Kṛṣṇa. In de Gitā wordt verklaard (B.g., 6.46-47) dat van alle typen transcendentalisten degenen die jñāni zijn, dus die zich in de Vedische kennis hebben verdiept, het hoogst staan aangeschreven. Maar de yogi's zijn nog verder dan de jñāni's en zijn tevens verre superieur aan degenen die zich met baatzuchtig werk bezighouden. En van alle yogi's is "degene die de Heer met al zijn kracht voortdurend dient de eerste"'. De conclusie luidt dat een filosoof beter af is dan iemand die zich met baatzuchtig werk bezighoudt en dat een mysticus véél beter af is dan een filosoof. En van alle mystieke yogi's, is de bhakti-yogi, die voortdurend actief is in dienst van de Heer, het hoogst. De Śrī Īśopaniṣad wijst ons aldus de weg naar de volmaaktheid des levens.