Śrī Īśopaniṣad 14

sambhūtiṁ ca vināśaṁ ca
yas tad vedobhayaḿ saha
vināśena mṛtyuṁ tīrtvā
sambhūtyāmṛtam aśnute

Synonyms

sambhūtimde eeuwige Persoonlijkheid Gods, Zijn bovenzinnelijke naam, vorm, spel, eigenschappen, attributen en de gevarieerdheid van Zijn woning enz.; caen; vināśamen de tijdelijke stoffelijke openbaring van halfgoden, mensen, dieren enz. alsmede hun valse naam, roem enz.; caook; yaḥzoals ze zijn; tatdat; vedaweet; ubhayambeide; sahaalsmede; vināśenaalles wat aan vernietiging onderhevig is; mṛtyumde dood; tīrtvāovertreffend; sambhūtyāin het eeuwige koninkrijk Gods; amṛtamonsterfelijkheid; aśnutegeniet.

Translation

Men dient volmaakte kennis te bezitten aangaande de Persoonlijkheid Gods en Zijn bovenzinnelijke naam, alsmede aangaande de tijdelijke stoffelijke schepping met haar tijdelijke halfgoden, mensen en dieren. Wanneer men dienaangaande kennis heeft, ontstijgt men aan de dood en de vergankelijke kosmische openbaring en geniet in het eeuwige koninkrijk Gods een eeuwig leven van kennis en gelukzaligheid.

Purport

De menselijke beschaving heeft door haar zogenaamde vooruitgang op het gebied van kennis en ontwikkeling vele stoffelijke zaken in het leven geroepen, zoals onder meer ruimtevaartuigen en atoomkracht. Maar ze is er niet in geslaagd een toestand te creëren waarin de mens niet hoeft te sterven, weer geboren te worden, oud te worden of aan ziekten te lijden. Telkens wanneer een intelligent persoon een wetenschapsman hierover aan de tand voelt, antwoordt deze, sluw ontwijkend, dat de materiële wetenschap vorderingen maakt en dat het uiteindelijk mogelijk zal blijken de mens van dood en ouderdom te vrijwaren. Dit soort antwoorden van de kant der materiële wetenschap laat zien hoe blind haar onwetendheid aangaande de materiële natuur is. In de materiële natuur is alles onderhevig aan de strenge wetten der stof en dient alles zes bestaans-fasen te doorlopen: geboorte, groei, tijdelijke volgroeide staat, overgang, verslechtering en tenslotte de dood. Niets wat met de materiële natuur in aanraking is kan zich aan de zes bovengenoemde bestaans-wetten onttrekken en daarom kan niets of niemand, of het nu om een halfgod, een mens, een dier of een boom gaat, eeuwig in de stoffelijke wereld blijven bestaan.
Verschillende levensvormen hebben een verschillende levensduur. Heer Brahma, het voornaamste levende wezen in dit materiële universum, blijft miljoenen en nog eens miljoenen jaren in leven, terwijl de minuscule microben zich misschien amper een paar uur roeren; maar dit maakt allemaal niets uit. Niets en niemand kan in deze stoffelijke wereld eeuwig blijven bestaan. Alles wordt hier onder bepaalde omstandigheden geboren of geschapen, is er een tijdje en als het levensvatbaar is zal het groeien, nageslacht verwekken, vervolgens geleidelijk achteruitgaan en tenslotte vernietigd worden. Deze wet maakt dat zelfs de Brahmā's (er zijn miljoenen Brahmā's in al de verschillende universa - de ene nog groter dan de andere) eens komen te sterven, de ene vandaag, de andere morgen. Daarom wordt de hele stoffelijke wereld Martya-loka, het oord des doods, genoemd.
De materiële geleerden en politici proberen dit oord dood-loos te maken, niet wetend dat er een geestelijke wereld is die geen dood kent, hetgeen ze zouden kunnen weten als ze de Vedísche literatuur raadpleegden. De Vedische literatuur is vol kennis welke door ervaring gerijpt is. Maar de moderne mens heeft er een afkeer van, kennis te ontvangen uit de Veda's, Purāṇas en andere Schriften.
viṣṇu-śaktiḥ parā proktā
kṣetrajñākhyā tathā parā
avidyā-karma-saṁjñānyā
tṛtīyā śaktir iṣyate
In de Viṣṇu Purāṇa (V.P., 6.7.61) lezen we dat Heer Visnu, de Persoonlijkheid Gods, verschillende energieën bezit, die men kent als parā, hoger, en aparā of avidyā, lager. De stoffelijke energie waarin wij nú gevangen zijn wordt de avidyā-lagere - energie genoemd; door deze energie wordt de stoffelijke schepping mogelijk gemaakt. Maar er is ook een andere, hogere energie, die parā-śakti wordt genoemd, en waarin alles anders is dan deze materiële, lagere natuur. Die natuur is de eeuwige, dood noch geboorte kennende schepping van de Heer (B.g.,8.20).
paras tasmāt tu bhāvo ’nyo
’vyakto ’vyaktāt sanātanaḥ
yaḥ sa sarveṣu bhūteṣu
naśyatsu na vinaśyati
Alle stoffelijke planeten-de hogere, lagere en middelste, met inbegrip van zon, maan en Venus - zijn over het universum verspreid. Deze planeten bestaan alleen zo lang Brahmā leeft. Sommige lagere planeten echter worden al vernietigd aan het eind van één levensdag van Brahmā en worden aan het begin van zijn volgende levensdag weer geschapen. De tijdrekening van de hogere planeten verschilt van de onze. Eén jaar van ons staat gelijk aan vierentwintig uur op veel van de hogere planeten. De vier tijdperken (satya, tretā, dvāpara, kali) van een volledige openbaring van de aarde duren volgens de tijdrekening van deze hogere planeten tezamen slechts 22.000 jaar en vijf maanden, terwijl ze in zonnejaren gemeten 4.320.000jaar belopen. Deze tijdsduur vermenigvuldigd met duizend levert de duur van één dag van Brahmā op en een nacht van Brahmā duurt even lang. Brahmā's levensduur bedraagt honderd jaar, waarvan ieder jaar is samengesteld uit twaalf maanden van dertig van zulke dagen. En aan het eind van zijn leven wordt de gehele universele openbaring tenietgedaan.
De levende wezens die op de zon en de maan verblijven, alsmede de levende wezens in het Martya-loka-stelsel-waar-toe de aarde en vele planeten onder de aarde behoren-ver-zínken alle tijdens de nacht van Brahma in het verwoestende water. Gedurende deze nacht is er geen enkele levensvorm en geen enkel levend wezen openbaar, hoewel alles geestelijk blijft voortbestaan, Deze niet-openbare fase wordt avyakta genoemd. Ook wanneer het gehele universum aan het eind van Brahmā's leven wordt tenietgedaan, is er een avyakta-fase. Maar voorbij deze twee niet-openbare fasen is er een andere, geestelijke staat of natuur, waarin zich een groot aantal geestelijke planeten bevindt, die, terwijl de planeten in dit stoffelijk heelal worden tenietgedaan, eeuwig blijven bestaan. De kosmische openbaring binnen de gezagssfeer van de verschillende Brahmā's omvat een kwart van de energie van de Heer, en deze energie wordt de lagere genoemd. De geestelijke natuur, waarin Brahmā geen zeggenschap heeft, wordt tripād-vibhūti, drie-kwart van 's Heren energie, genoemd en is de hogere energie of parā-prakṛti.
De Allerhoogste Persoon die in de geestelijke natuur de scepter zwaait is Heer Śrī Kṛṣṇa. Men kan alleen tot Hem komen door onvoorwaardelijke toegewijde dienst (B.g., 8.22) en niet door iets anders, zoals bijvoorbeeld jñāna (filosofie) en yoga (mysticisme), laat staan door karma (baatzuchtig streven). De karmi's - degenen die baatzuchtig streven - kunnen zich opwerken naar de Svarga-loka-planeten, waaronder zich zon en maan bevinden. Jñāni's en yogi's kunnen nog hogere planeten bereiken, zoals de Brahmā-loka; en indien ze zich, door over te gaan tot de uitoefening van toegewijde dienst, meer bevoegdheid verwerven, wordt het hun toegestaan binnen te gaan in de geestelijke natuur, hetzij in de lichtende kosmische atmosfeer van de geestelijke hemel (het Brahman), hetzij naar de geestelijke planeten; dit hangt af van hun mate van gevorderdheid. Het staat echter vast dat níemand naar de geestelijke planeten, de Vaikuntha's, kan gaan, als men zich niet eerst bekwaamd heeft in de toegewijde dienst.
Op de stoffelijke planeten probeert iedereen, van Brahmā tot de mier, de baas over de stoffelijke natuur te spelen, en dit wordt de materiële ziekte genoemd. Zo lang deze materiële ziekte voortwoekert, moet het levend wezen van het ene lichaam naar het andere-of hun nu van een halfgod, een mens of een dier is - blijven verhuizen; en uiteindelijk dient het ook de niet-openbare fasen te ondergaan van de tweeërlei verwoesting: de nachten van Brahmā en Brahmā's levenseinde. Als we een eind willen maken aan het eindeloze proces van doodgaan en geboren worden, met de begeleidende verschijnselen ziekte en ouderdom, moeten we trachten de geestelijke planeten te bereiken, waar Heer Kṛṣṇa - op iedere geestelijke planeet afzonderlijk - heerst in een gedaante die Zijn volkomen deel-aspect is.
Niemand kan over Kṛṣṇa heersen. En ieder die over de materiële natuur tracht te heersen wordt een geconditioneerde ziel genoemd, omdat hij onderworpen raakt aan de wetten der stoffelijke natuur en de pijn van de eindeloze herhaling van geboorte en dood moet ondergaan. De Heer daalt hier neer om de beginselen der religie in ere te herstellen- en het grondbeginsel is dat men een houding van overgave jegens Hem ontwikkelt. De Heer onderwijst ons dit in het laatste deel van de Bhagavad-gitā (B.g., 18.66), maar dwaze lieden hebben deze allerbelangrijkste leer op slinkse wijze verbasterd en de mensen op verschillende manieren misleid. Het is zo ver gekomen dat men ziekenhuizen bouwt teneinde de lichamelijke levensduur te verlengen, terwijl men de belangstelling voor het geestelijk koninkrijk en voor het verrichten van toegewijde dienst waardoor men dit koninkrijk betreden kan, verloren heeft. De mensen leren thans alleen belangstelling te hebben voor werk dat voor tijdelijke verlichting zorgt en waardoor ze dus nooit echt gelukkig kunnen worden. Ze zetten allerlei openbare en semioverheids-ondernemingen op touw om de verwoestende kracht der natuur tegen te gaan, maar ze weten niet hoe ze de onoverwinnelijke natuur kunnen bedwingen (B.g.,7.14).
De Śrī Īśopaniṣad leert ons in deze mantra dat men volmaakte kennis dient te bezitten zowel over de sambhūti als over de vināsa. Kent men alleen de vināsa-de tijdelijke stoffelijke openbaring - dan valt er niets te redden: de weg der natuur is van ogenblik tot ogenblik vol verwoesting. Niemand kan hieraan ontkomen door ziekenhuizen uit de grond te stampen. Men kan alleen worden gered als men zich volkomen kennis verwerft over het eeuwig leven van gelukzaligheid en bewustzijn. Het hele Vedische stelsel beoogt de mens de kunst van het verwerven des eeuwigen levens bij te brengen. De mensen laten zich vaak van de rechte weg af helpen door andere, tijdelijke zaken die samenhangen met zinsbevrediging, maar dit soort misleidende bijstand is van het laagste allooi.
Men moet zijn medemens redden, in de letterlijke zin des woords. Het punt is niet of men de waarheid aanvaardt of verwerpt. De waarheid is er. Wil men worden gered van de herhaling van geboorte en dood, dan dient men zich over te geven aan 's Heren toegewijde dienst. Als de nood dringt, is er geen tussenweg meer.