Default ViewAdvanced
Dual Language

Nectar van Instructie

Tekst 1: Een wijs persoon die de drang tot spreken, de dwang van de geest, de uitingen van woede en de drang van de tong, maag en geslachtsdelen weet te verdragen, is bevoegd om over de hele wereld discipelen te maken.
Tekst 2: Iemands devotionele dienst raakt ontwricht door te grote verstrikking in zes activiteiten: (1) meer eten of meer geld verzamelen dan nodig is; (2) zich overdreven inspannen voor wereldse zaken die bijzonder moeilijk te bereiken zijn; (3) onnodig praten over wereldse onderwerpen; (4) de regels en bepalingen in de heilige teksten alleen volgen om het volgen zelf en niet voor spirituele vooruitgang, of die regels juist verwerpen en onafhankelijk of eigenmachtig handelen; (5) omgaan met wereldse mensen, die niet geïnteresseerd zijn in Kṛṣṇa-bewustzijn; (6) hunkeren naar werelds succes.
Tekst 3: Zes principes zijn bevorderlijk voor zuivere devotionele dienst: (1) enthousiasme, (2) zich vol vertrouwen inspannen, (3) geduld, (4) handelen in overeenstemming met regulerende principes [zoals śravaṇaṁ kīrtanaṁ viṣṇoḥ smaraṇam — het horen over, verheerlijken en zich herinneren van Kṛṣṇa], (5) het gezelschap van niet-toegewijden opgeven en (6) in de voetsporen van de voorgaande ācārya’s treden. Zonder twijfel verzekeren deze zes principes het volledige succes van zuivere devotionele dienst.
Tekst 4: Geschenken geven en geschenken aannemen, in vertrouwen van gedachten wisselen en vertrouwelijk vragen stellen, prasāda aanvaarden en prasāda aanbieden, dat zijn de zes kenmerken van liefde tussen toegewijden.
Tekst 5: We moeten een toegewijde die de heilige naam van Heer Kṛṣṇa chant in gedachten eren; een toegewijde die spirituele initiatie [dīkṣā] heeft ontvangen en die de Beeldgedaante in de tempel vereert, moeten we nederig eerbetuigingen brengen; en we moeten omgang zoeken met en trouwe dienst bewijzen aan de zuivere toegewijde die gevorderd is in onafgebroken devotionele dienst en wiens hart volledig vrij is van de neiging om anderen te bekritiseren.
Tekst 6: Omdat een zuivere toegewijde gegrond is in zijn oorspronkelijke Kṛṣṇa-bewustzijn, vereenzelvigt hij zich niet met zijn lichaam. Zo’n toegewijde mag niet vanuit een materialistisch oogpunt worden beschouwd. Sterker nog, zelfs al heeft een toegewijde een lichaam van lage komaf, een lichaam met een slechte huid, een misvormd lichaam of een ziek of zwak lichaam, dan moet men dit over het hoofd zien. Vanuit een gewoon standpunt bezien, vallen zulke onvolkomenheden in het lichaam van een zuivere toegewijde misschien meteen op, maar ondanks zulke schijnbare gebreken, kan het lichaam van een zuivere toegewijde niet onzuiver zijn. Het is net als het water van de Ganges dat tijdens het regenseizoen soms vol luchtbellen, schuim en modder is. Gangeswater raakt nooit onzuiver. Wie spiritueel vergevorderd is, zal een bad nemen in de Ganges zonder zich te bekommeren om de toestand van het water.
Tekst 7: De heilige naam, het karakter, het vermaak en de activiteiten van Kṛṣṇa zijn allemaal transcendentaal zoet als kandijsuiker. Hoewel de tong van iemand die lijdt aan de geelzucht van avidyā [onwetendheid], niets zoets kan proeven, is het wonderbaarlijk dat door het dagelijks aandachtig chanten van deze zoete namen er in zijn tong een natuurlijke smaak onwaakt en dat zijn ziekte geleidelijk aan met wortel en al wordt uitgeroeid.
Tekst 8: De essentie van alle goede raad is dat we al onze tijd — vierentwintig uur per dag — moeten gebruiken om geleidelijk aan met onze tong en geest de goddelijke naam, transcendentale gedaante, kwali­teiten en eeuwige activiteiten van vermaak van de Heer te verheerlijken en ons die te herinneren. Zo moet men in Vraja [Goloka Vṛndāvana dhāma] verblijven en Kṛṣṇa onder begeleiding van toegewijden dienen. Men moet het voetspoor volgen van de geliefde toegewijden van de Heer, die bijzonder gesteld zijn op devotionele dienst aan Hem.
Tekst 9: De heilige plaats Mathurā is spiritueel superieur aan Vaikuṇṭha, de spirituele wereld, omdat de Heer daar verscheen. Superieur aan Mathurā-purī is het transcendentale woud van Vṛndāvana, omdat Kṛṣṇa daar Zijn rāsa-līlā hield. En superieur aan het woud van Vṛndāvana is de heuvel Govardhana, omdat Śrī Kṛṣṇa die met Zijn goddelijke hand optilde en omdat het de plaats is waar Hij allerlei soorten liefdevol en speels plezier beleefde. Maar onovertroffen boven al die plaatsen staat Śrī Rādhā-kuṇḍa, want dat overvloeit van de ambrozijnen nectar van prema [liefde] voor Śrī Kṛṣṇa, de Heer van Gokula. Waar is dan die intelligente persoon die dit goddelijke Rādhā-kuṇḍa aan de voet van de heuvel Govardhana weigert te dienen?
Tekst 10: In de śāstra staat dat van alle soorten resultaatgerichte werkers de persoon die diepgaande kennis heeft van hogere levenswaarden de gunst van Allerhoogste Heer Hari geniet. Van de vele mensen die zo geleerd zijn [jñānī ’s], kan iemand die door zijn kennis zo goed als bevrijd is, zich toeleggen op devotionele dienst. Hij is superieur aan de anderen. Maar wie daadwerkelijk prema of zuivere liefde voor Kṛṣṇa heeft verworven, is superieur aan hem. De gopī’s zijn boven alle gevorderde toegewijden verheven, omdat zij altijd volkomen afhankelijk zijn van Śrī Kṛṣṇa, de transcendentale koeherdersjongen. En van alle gopī’s is Śrīmatī Rādhārāṇī het allerdierbaarst aan Kṛṣṇa. Haar meer [kuṇḍa] is Heer Kṛṣṇa net zo innig dierbaar als die meest geliefde van alle gopī’s. Wie verlangt er daarom niet naar om bij Rādhā-kuṇḍa te verblijven? En wie verlangt er niet naar om daar in een spiritueel lichaam, vervuld van extatische devotionele emoties [aprākṛta-bhāva] liefdevolle dienst te verrichten aan Śrī Śrī Rādhā-Govinda, het goddelijke paar, dat Hun dagelijkse achtvoudige activiteiten van vermaak [aṣṭakālīya-līlā] beleeft? Wie aan de oevers van Rādhā-kuṇḍa devotionele dienst verricht, is beslist de fortuinlijkste mens in het universum.
Tekst 11: Van alle begunstigde en charmante liefdesobjecten en van alle beminnelijke meisjes van Vrajabhūmi is Śrīmatī Rādhārāṇī beslist het meest gekoesterde middelpunt van Kṛṣṇa’s liefde. Grote wijzen beschrijven hoe Haar goddelijke kuṇḍa Hem in alle opzichten net zo dierbaar is. Rādhā-kuṇḍa wordt ongetwijfeld zelden bereikt, zelfs door grote toegewijden. Voor gewone toegewijden is het daarom nog moeilijker te bereiken. Eén keer baden in dat heilige water is al voldoende om iemands zuivere liefde voor Kṛṣṇa volledig op te wekken.