Nectar van Instructie 10
Devanagari
कर्मिभ्यः परितो हरेः प्रियतया व्यक्तिं ययुर्ज्ञानिनस्तेभ्यो ज्ञानविमुक्तभक्तिपरमाः प्रेमैकनिष्ठास्ततः ।
तेभ्यस्ताः पशुपालपङ्कजदृशस्ताभ्योऽपि सा राधिका प्रेष्ठा तद्वदियं तदीयसरसी तां नाश्रयेत्कः कृती ॥ १० ॥
तेभ्यस्ताः पशुपालपङ्कजदृशस्ताभ्योऽपि सा राधिका प्रेष्ठा तद्वदियं तदीयसरसी तां नाश्रयेत्कः कृती ॥ १० ॥
Verse text
karmibhyaḥ parito hareḥ priyatayā vyaktiṁ yayur jñāninas
tebhyo jñāna-vimukta-bhakti-paramāḥ premaika-niṣṭhās tataḥ
tebhyas tāḥ paśu-pāla-paṅkaja-dṛśas tābhyo ’pi sā rādhikā
preṣṭhā tadvad iyaṁ tadīya-sarasī tāṁ nāśrayet kaḥ kṛtī
tebhyo jñāna-vimukta-bhakti-paramāḥ premaika-niṣṭhās tataḥ
tebhyas tāḥ paśu-pāla-paṅkaja-dṛśas tābhyo ’pi sā rādhikā
preṣṭhā tadvad iyaṁ tadīya-sarasī tāṁ nāśrayet kaḥ kṛtī
Synonyms
karmibhyaḥ — dan alle resultaatgerichte werkers; paritaḥ — in alle opzichten; hareḥ — door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods; priyatayā — door begunstigd te zijn; vyaktim yayuḥ — het wordt gezegd in de śāstra; jñāninaḥ — zij die gevorderd zijn in kennis; tebhyaḥ — boven hen; jñāna-vimukta — door kennis bevrijd; bhakti-paramāḥ — zij die devotionele dienst verrichten; prema-eka-niṣṭhāḥ — zij die zuivere liefde voor God hebben bereikt; tataḥ — boven hen; tebhyaḥ — beter dan hen; tāḥ — zij; paśu-pāla-paṅkaja-dṛśaḥ — de gopī ’s die altijd van Kṛṣṇa, de koeherdersjongen, afhangen; tābhyaḥ — boven hen allemaal; api — zeker; sā — Zij; rādhikā — Śrīmatī Rādhikā; preṣṭhā — zeer dierbaar; tadvat — op dezelfde manier; iyam — dit; tadīya-sarasī — Haar meer, Śrī Rādhā-kuṇḍa; tām — Rādhā-kuṇḍa; na — niet; āśrayet — zou zijn toevlucht nemen; kaḥ — wie; kṛtī — meest fortuinlijk.
Translation
In de śāstra staat dat van alle soorten resultaatgerichte werkers de persoon die diepgaande kennis heeft van hogere levenswaarden de gunst van Allerhoogste Heer Hari geniet. Van de vele mensen die zo geleerd zijn [jñānī ’s], kan iemand die door zijn kennis zo goed als bevrijd is, zich toeleggen op devotionele dienst. Hij is superieur aan de anderen. Maar wie daadwerkelijk prema of zuivere liefde voor Kṛṣṇa heeft verworven, is superieur aan hem. De gopī’s zijn boven alle gevorderde toegewijden verheven, omdat zij altijd volkomen afhankelijk zijn van Śrī Kṛṣṇa, de transcendentale koeherdersjongen. En van alle gopī’s is Śrīmatī Rādhārāṇī het allerdierbaarst aan Kṛṣṇa. Haar meer [kuṇḍa] is Heer Kṛṣṇa net zo innig dierbaar als die meest geliefde van alle gopī’s. Wie verlangt er daarom niet naar om bij Rādhā-kuṇḍa te verblijven? En wie verlangt er niet naar om daar in een spiritueel lichaam, vervuld van extatische devotionele emoties [aprākṛta-bhāva] liefdevolle dienst te verrichten aan Śrī Śrī Rādhā-Govinda, het goddelijke paar, dat Hun dagelijkse achtvoudige activiteiten van vermaak [aṣṭakālīya-līlā] beleeft? Wie aan de oevers van Rādhā-kuṇḍa devotionele dienst verricht, is beslist de fortuinlijkste mens in het universum.
Purport
Tegenwoordig houdt nagenoeg iedereen zich bezig met een of andere soort resultaatgerichte activiteit. Wie door te werken naar materieel gewin verlangt, wordt een karmī genoemd of iemand die op de resultaten van zijn werk uit is. Alle levende wezens in de materiële wereld zijn in de ban geraakt van māyā. Dit wordt beschreven in de Viṣṇu Purāṇa (6.7.61; geciteerd in Caitanya-caritāmṛta, Madhya 6.154):
viṣṇu-śaktiḥ parā proktā
kṣetrajñākhyā tathā parā
avidyā-karma-saṁjñānyā
tṛtīyā śaktir iṣyate
kṣetrajñākhyā tathā parā
avidyā-karma-saṁjñānyā
tṛtīyā śaktir iṣyate
Wijzen hebben de energieën van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods onderverdeeld in drie categorieën: de spirituele energie, de tussenenergie en de materiële energie. De materiële energie wordt beschouwd als de derderangs energie (tṛtīyā śaktiḥ). De levende wezens binnen de invloedssfeer van de materiële energie zwoegen soms net als honden en varkens voor zinsbevrediging. Maar sommige karmī ’s raken in dit leven of, na vrome activiteiten te hebben verricht, in het volgende zeer gehecht aan het brengen van verschillende soorten offers die in de Veda’s vermeld staan. Zo worden ze op grond van hun vrome verdiensten naar hemelse planeten bevorderd. In feite worden degenen die strikt volgens de vedische geboden offers brengen, verheven naar de maan en de planeten boven de maan. Zoals in de Bhagavad-gītā (9.21) staat: kṣīṇe puṇye martya-lokaṁ viśanti — nadat ze de resultaten van hun zogenaamde vrome activiteiten hebben opgebruikt, keren ze weer terug naar de aarde, die martya-loka wordt genoemd, het oord des doods. Ook al worden zulke personen door hun vrome activiteiten naar de hemelse planeten bevorderd en ook al mogen ze daar vele duizenden jaren van het leven genieten, toch moeten ze weer naar deze planeet terugkeren wanneer de resultaten van hun vrome activiteiten zijn uitgeput.
Dit is de positie van alle karmī ’s, of ze nu vroom of goddeloos handelen. Deze planeet is rijk aan zakenlieden, politici en andere mensen die alleen maar geïnteresseerd zijn in materieel geluk. Op alle mogelijke manieren proberen ze geld te verdienen, zonder erbij stil te staan of deze manieren vroom of goddeloos zijn. Zulke mensen worden karmī ’s of uitgesproken materialisten genoemd. Onder de karmī ’s bevinden zich enkele vikarmī ’s of mensen die handelen zonder te letten op de richtlijnen van de vedische kennis. Zij die handelen volgens de vedische kennis, verrichten offers voor de voldoening van Heer Viṣṇu en om zegeningen van Hem te ontvangen. Op die manier worden ze bevorderd naar hogere planetenstelsels. Zulke karmī ’s staan boven de vikarmī ’s, want ze zijn de aanwijzingen van de Veda’s trouw en zijn Kṛṣṇa beslist dierbaar. In de Bhagavad-gītā (4.11) zegt Kṛṣṇa: ye yathā māṁ prapadyante tāṁs tathaiva bhajāmy aham — ‘Op welke manier iemand zich ook aan Mij overgeeft, Ik laat zijn beloning ermee overeenstemmen.’ Kṛṣṇa is zo vriendelijk dat Hij de verlangens van de karmī ’s en jñānī ’s vervult, om nog maar te zwijgen van die van de bhakta’s. Hoewel karmī ’s soms naar hogere planetenstelsels worden bevorderd, moeten ze, zolang ze gehecht blijven aan resultaatgerichte activiteiten, na hun dood een nieuw materieel lichaam aannemen. Wie vroom handelt, kan een nieuw lichaam krijgen onder de halfgoden binnen de hogere planetenstelsels of een positie bereiken waarin hij een hogere standaard van materieel geluk geniet. Maar wie zich met goddeloze activiteiten bezighoudt, wordt gedegradeerd en wordt geboren als een dier, boom of plant. Geleerde, heilige personen hebben daarom geen waardering voor vikarmī ’s of zij die uit zijn op de resultaten van hun werk zonder zich daarbij iets van de vedische richtlijnen aan te trekken. Zoals in het Śrīmad-Bhāgavatam (5.5.4) staat:
nūnaṁ pramattaḥ kurute vikarma
yad indriya-prītaya āpṛṇoti
na sādhu manye yata ātmano ’yam
asann api kleśada āsa dehaḥ
yad indriya-prītaya āpṛṇoti
na sādhu manye yata ātmano ’yam
asann api kleśada āsa dehaḥ
‘Materialisten, die net als honden en varkens alleen maar hard werken voor zinsbevrediging, zijn feitelijk krankzinnig. Enkel voor zinsbevrediging zijn ze bereid allerlei afschuwelijke dingen te begaan. Materialistische activiteiten zijn een intelligent mens onwaardig, want door zulke activiteiten staat men een materieel lichaam vol ellende te wachten.’
Het doel van het mensenleven is om te ontkomen aan de drie vormen van ellende die samengaan met het materiële bestaan. Jammer genoeg proberen degenen die resultaatgericht te werk gaan op alle mogelijke manieren als bezetenen geld te verdienen voor tijdelijk materieel comfort; hierdoor riskeren ze degradatie naar lagere levensvormen. Materialisten maken in hun dwaasheid vele plannen om in deze materiële wereld gelukkig te worden. Ze staan er niet bij stil dat ze slechts een bepaald aantal jaren zullen leven, waarvan ze de meeste zullen spenderen aan geld verdienen voor zinsbevrediging. Zulke activiteiten monden uiteindelijk uit in de dood. Materialisten bedenken niet dat ze na het verlaten van hun lichaam de lichamen van lagere dieren, planten of bomen kunnen krijgen. Al hun activiteiten dwarsbomen het doel van het leven. Ze worden niet alleen onwetend geboren, maar handelen ook vanuit onwetendheid en denken materieel profijt te krijgen in de vorm van wolkenkrabbers, grote wagens, prestigieuze posities, enzovoort. Materialisten weten niet dat ze in hun volgend leven gedegradeerd zullen worden en dat al hun activiteiten alleen maar tot hun parābhava of nederlaag leiden. Dat is het oordeel van het Śrīmad-Bhāgavatam (5.5.5): parābhavas tāvad abodha-jātaḥ.
Het doel van het mensenleven is om te ontkomen aan de drie vormen van ellende die samengaan met het materiële bestaan. Jammer genoeg proberen degenen die resultaatgericht te werk gaan op alle mogelijke manieren als bezetenen geld te verdienen voor tijdelijk materieel comfort; hierdoor riskeren ze degradatie naar lagere levensvormen. Materialisten maken in hun dwaasheid vele plannen om in deze materiële wereld gelukkig te worden. Ze staan er niet bij stil dat ze slechts een bepaald aantal jaren zullen leven, waarvan ze de meeste zullen spenderen aan geld verdienen voor zinsbevrediging. Zulke activiteiten monden uiteindelijk uit in de dood. Materialisten bedenken niet dat ze na het verlaten van hun lichaam de lichamen van lagere dieren, planten of bomen kunnen krijgen. Al hun activiteiten dwarsbomen het doel van het leven. Ze worden niet alleen onwetend geboren, maar handelen ook vanuit onwetendheid en denken materieel profijt te krijgen in de vorm van wolkenkrabbers, grote wagens, prestigieuze posities, enzovoort. Materialisten weten niet dat ze in hun volgend leven gedegradeerd zullen worden en dat al hun activiteiten alleen maar tot hun parābhava of nederlaag leiden. Dat is het oordeel van het Śrīmad-Bhāgavatam (5.5.5): parābhavas tāvad abodha-jātaḥ.
We moeten daarom enthousiast de wetenschap van de ziel (ātma-tattva) leren begrijpen. Totdat we het niveau van ātma-tattva bereiken — het niveau waarop we beseffen dat het zelf de ziel is en niet het lichaam — blijven we in onwetendheid. Uit duizenden en zelfs miljoenen onwetende mensen die hun tijd verspillen met alleen maar hun zintuigen te bevredigen, bereikt er misschien één het niveau van kennis waarop hij de hogere waarden van het leven begrijpt. Zo iemand wordt een jñānī genoemd. Een jñānī weet dat resultaatgerichte activiteiten hem aan het materiële bestaan binden, waardoor hij gedwongen wordt van de ene lichaamssoort naar de andere te verhuizen. In het Śrīmad-Bhāgavatam geeft de term śarīra-bandha (gebonden aan het lichamelijk bestaan) aan dat zolang we gedachten aan zingenot blijven koesteren, onze geest geheel in beslag wordt genomen door karma, resultaatgerichte activiteit, en dat dit ons dwingt om van het ene lichaam naar het andere te verhuizen.
Daarom wordt een jñānī beschouwd als superieur aan een karmī, omdat die zich ten minste onthoudt van blinde zinsbevrediging. Dat is het standpunt van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Maar hoewel een jñānī bevrijd is van de onwetendheid van de karmī ’s, wordt hij nog steeds als onwetend (avidyā) beschouwd, tenzij hij het niveau van devotionele dienst bereikt. Iemand mag dan misschien worden erkend als een jñānī of iemand met veel kennis, toch wordt zijn kennis als onzuiver beschouwd, omdat hij geen informatie heeft over devotionele dienst en daarom het direct vereren van de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods verwaarloost.
Een jñānī die zich begint toe te leggen op devotionele dienst, wordt al heel snel superieur aan een gewone jñānī. Zo’n gevorderd persoon wordt beschreven als jñāna-vimukta-bhakti-parama. Hoe een jñānī zich op devotionele dienst begint toe te leggen, staat in de Bhagavad-gītā (7.19), waarin Kṛṣṇa zegt:
bahūnāṁ janmanām ante
jñānavān māṁ prapadyate
vāsudevaḥ sarvam iti
sa mahātmā sudurlabhaḥ
jñānavān māṁ prapadyate
vāsudevaḥ sarvam iti
sa mahātmā sudurlabhaḥ
‘Na vele malen geboren en gestorven te zijn, geeft degene die werkelijk kennis bezit, zich aan Mij over, wetend dat Ik de oorzaak ben van alle oorzaken en dat Ik alles ben wat er bestaat. Zo’n grootmoedige ziel is zeer zeldzaam.’ In feite is iemand pas wijs wanneer hij zich aan de lotusvoeten van Kṛṣṇa overgeeft, maar zo’n mahātmā of grootmoedige ziel is uiterst zeldzaam.
Na zich te hebben toegelegd op devotionele dienst volgens de regulerende principes, kan iemand het niveau van spontane liefde voor God bereiken en het voetspoor volgen van grote toegewijden, zoals Nārada, Sanaka en Sanātana. De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods beschouwt hem vervolgens als superieur. De toegewijden die liefde voor God hebben ontwikkeld, bevinden zich beslist in een verheven positie.
Van al deze toegewijden worden de gopī ’s als de hoogste beschouwd, omdat ze niets liever willen dan Kṛṣṇa tevreden stellen. En de gopī ’s willen er niets voor terug hebben van Kṛṣṇa. Sterker nog, soms laat Kṛṣṇa ze ontzettend lijden door Zich van hen af te zonderen. Maar toch kunnen ze Kṛṣṇa niet vergeten. Toen Kṛṣṇa Vṛndāvana verliet om naar Mathurā te gaan, brachten de gopī ’s, bedroefd door gescheidenheid van Kṛṣṇa, de rest van hun leven huilend door. Dit betekent dat ze in een bepaald opzicht nooit echt van Kṛṣṇa waren gescheiden. Er is namelijk geen verschil tussen denken aan Kṛṣṇa en met Hem omgaan. Vipralambha-sevā of in gescheidenheid aan Kṛṣṇa denken, zoals Śrī Caitanya Mahāprabhu deed, is juist veel beter dan Kṛṣṇa rechtstreeks dienen. Daarom zijn van alle toegewijden die zuivere liefde voor Kṛṣṇa hebben ontwikkeld, de gopī ’s het meest verheven en van al deze verheven gopī ’s is Śrīmatī Rādhārāṇī de hoogste. Niemand overtreft Śrīmatī Rādhārāṇī ’s devotionele dienst. Sterker nog, zelfs Kṛṣṇa begrijpt Śrīmatī Rādhārāṇī ’s houding niet; dat was de reden waarom Hij Haar positie innam en als Śrī Caitanya Mahāprabhu verscheen om Haar transcendentale gevoelens te doorgronden.
Op deze manier komt Śrīla Rūpa Gosvāmī geleidelijk aan tot de conclusie dat Śrīmatī Rādhārāṇī de meest verheven toegewijde van Kṛṣṇa is en Haar kuṇḍa (meer), Śrī Rādhā-kuṇḍa, de meest verheven plaats. Dit wordt bevestigd door een citaat uit het Laghu-bhāgavatāmṛta (Uttara-khaṇḍa 45) dat in het Caitanya-caritāmṛta wordt aangehaald:
yathā rādhā priyā viṣṇos
tasyāḥ kuṇḍaṁ priyaṁ tathā
sarva-gopīṣu saivaikā
viṣṇor atyanta-vallabhā
tasyāḥ kuṇḍaṁ priyaṁ tathā
sarva-gopīṣu saivaikā
viṣṇor atyanta-vallabhā
‘Net zoals Śrīmatī Rādhārāṇī dierbaar is aan de Allerhoogste Heer Kṛṣṇa [Viṣṇu], zo is Haar badplaats [Rādhā-kuṇḍa] Kṛṣṇa even dierbaar. Van alle gopī ’s overtreft alleen Zij hen allemaal als de hoogste geliefde van de Heer.’
Daarom moet iedereen die geïnteresseerd is in Kṛṣṇa-bewustzijn uiteindelijk zijn toevlucht zoeken tot Rādhā-kuṇḍa en daar zijn leven lang devotionele dienst beoefenen. Dat is Rūpa Gosvāmī ’s conclusie in dit tiende vers van zijn Upadeśāmṛta.