Nectar van Instructie 8

तन्नामरूपचरितादिसुकीर्तनानुस्मृत्योः क्रमेण रसनामनसी नियोज्य ।
तिष्ठन्व्रजे तदनुरागिजनानुगामी कालं नयेदखिलमित्युपदेशसारम् ॥ ८ ॥
tan-nāma-rūpa-caritādi-sukīrtanānu-
smṛtyoḥ krameṇa rasanā-manasī niyojya
tiṣṭhan vraje tad-anurāgi-janānugāmī
kālaṁ nayed akhilam ity upadeśa-sāram

Synonyms

tatvan Heer Kṛṣṇa; nāmade heilige naam; rūpagedaante; carita-ādikarakter, activiteiten van vermaak, enzovoort; su-kīrtanadoor discussiëren of goed chanten; anusmṛtyoḥen door zich te herinneren; krameṇagelijdelijk aan; rasanāde tong; manasīen de geest; niyojyain beslag laten nemen door; tiṣṭhanverblijvend; vrajein Vraja; tataan Heer Kṛṣṇa; anurāgigehecht; janapersonen; anugāmīvolgend; kālamtijd; nayetmoet gebruiken; akhilamvolledig; itialdus; upadeśavan advies of instructie; sāramde essentie.

Translation

De essentie van alle goede raad is dat we al onze tijd — vierentwintig uur per dag — moeten gebruiken om geleidelijk aan met onze tong en geest de goddelijke naam, transcendentale gedaante, kwali­teiten en eeuwige activiteiten van vermaak van de Heer te verheerlijken en ons die te herinneren. Zo moet men in Vraja [Goloka Vṛndāvana dhāma] verblijven en Kṛṣṇa onder begeleiding van toegewijden dienen. Men moet het voetspoor volgen van de geliefde toegewijden van de Heer, die bijzonder gesteld zijn op devotionele dienst aan Hem.

Purport

Omdat de geest iemands vriend of vijand kan zijn, moeten we hem trainen om een vriend te worden. De beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn is speciaal bedoeld om de geest te trainen altijd bezig te zijn met Kṛṣṇa’s zaken. De geest bevat honderden en duizenden indrukken — niet alleen uit dit leven, maar ook uit vele, vele vorige levens. Deze indrukken raken soms door elkaar, wat tegenstrijdige beelden oplevert. Zo kan de activiteit van de geest gevaar opleveren voor een geconditioneerde ziel. Mensen die psychologie studeren zijn zich bewust van de uiteenlopende psychologische veranderingen in de geest. In de Bhagavad-gītā (8.6) staat:
yaṁ yaṁ vāpi smaran bhāvaṁ
tyajaty ante kalevaram
taṁ taṁ evaiti kaunteya
sadā tad-bhāva-bhāvitaḥ
‘Welke zijnstoestand iemand ook in gedachten heeft wanneer hij zijn lichaam opgeeft, o zoon van Kuntī, die toestand zal hij zeker bereiken.’
Op het moment van de dood creëren de geest en de intelligentie van een levend wezen de fijnstoffelijke gedaante van een bepaald soort lichaam voor het volgend leven. Als de geest dan plotseling aan iets ongepasts denkt, zal diegene in het volgende leven een lichaam moeten aannemen dat daarmee overeenstemt. Maar zijn we op het doodsmoment in staat om aan Kṛṣṇa denken, dan kunnen we worden overgebracht naar de spirituele wereld, Goloka Vṛndāvana. Dit proces van reïncarnatie is bijzonder subtiel. Śrīla Rūpa Gosvāmī ’s adviseert toegewijden dan ook om hun geest zo te trainen dat ze onmogelijk aan iets anders kunnen denken dan aan Kṛṣṇa. Zo moet ook de tong worden getraind om alleen over Kṛṣṇa te spreken en alleen kṛṣṇa-prasāda te proeven. Verder geeft Śrīla Rūpa Gosvāmī de volgende raad: tiṣṭhan vraje — woon in Vṛndāvana of waar dan ook in Vrajabhūmi. Naar verluidt heeft Vrajabhūmi, het land van Vṛndāvana, een oppervlakte van vierentachtig krośa’s. Eén krośa is ongeveer vijf vierkante kilometer. En als we in Vṛndāvana gaan wonen, moeten we daar onze toevlucht zoeken bij een gevorderde toegewijde. Op die manier moeten we altijd aan Kṛṣṇa en Zijn activiteiten van vermaak denken. Śrīla Rūpa Gosvāmī licht dit verder toe in zijn Bhakti-rasāmṛta-sindhu (1.2.294):
kṛṣṇaṁ smaran janaṁ cāsya
preṣṭhaṁ nija-samīhitam
tat-tat-kathā-rataś cāsau
kuryād vāsaṁ vraje sadā
‘Een toegewijde zou altijd in de transcendentale wereld van Vraja moeten verblijven en altijd bezig moeten zijn met kṛṣṇaṁ smaran janaṁ cāsya preṣṭham: zich Kṛṣṇa en Zijn geliefde metgezellen herinneren. Door het voetspoor van zulke metgezellen te volgen en hun eeuwige leiding te aanvaarden, kan men een intens verlangen ontwikkelen de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods te dienen.’
Ook stelt Śrīla Rūpa Gosvāmī in zijn Bhakti-rasāmṛta-sindhu (1.2.295):
sevā sādhaka-rūpeṇa
siddha-rūpeṇa cātra hi
tad-bhāva-lipsunā kāryā
vraja-lokānusārataḥ
‘In het transcendentale gebied van Vraja [Vraja-dhāma] moet men de Allerhoogste Heer, Śrī Kṛṣṇa, met dezelfde emotie dienen als die van Zijn metgezellen en zich onder de rechtstreekse hoede van een bepaalde metgezel van Kṛṣṇa plaatsen en in zijn voetspoor treden. Deze methode geldt zowel in het stadium van sādhana [spirituele praktijken die worden beoefend zonder bevrijd te zijn] als in het stadium van sādhya [godsrealisatie], waarin men een siddha-puruṣa is, een spiritueel volmaakte ziel.’
Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura gaf het volgende commentaar op dit vers: ‘Wie nog geen belangstelling heeft voor Kṛṣṇa-bewustzijn, moet alle materiële beweegredenen laten varen en zijn geest trainen door de zuiverende regulerende principes te volgen, namelijk het zich herinneren en verheerlijken van Kṛṣṇa en Zijn naam, gedaante, eigenschappen, activiteiten van vermaak, enzovoort. Hebben we de smaak voor zulke dingen eenmaal ontwikkeld, dan moeten we proberen in Vṛndāvana te leven en onze tijd doorbrengen met ons voortdurend de naam, roem, activiteiten van vermaak en eigenschappen van Kṛṣṇa te herinneren onder leiding en bescherming van een ervaren toegewijde. Dat is de essentie van alle onderricht over het cultiveren van devotionele dienst.
In het beginnersstadium moet men altijd naar kṛṣṇa-kathā luisteren; dit wordt śravaṇa-daśā genoemd: het luisterstadium. Door voortdurend naar de transcendentale heilige naam van Kṛṣṇa te luisteren en te horen over Zijn transcendentale gedaante, eigenschappen en activiteiten van vermaak, kan men het stadium van aanvaarding of varaṇa-daśā bereiken. Wie dit stadium bereikt, raakt gehecht aan het horen van kṛṣṇa-kathā. Wanneer men in extase kan chanten, bereikt men het stadium van smaraṇāvasthā, het stadium van herinnering. Herinnering, volledig opgaan, meditatie, voortdurende contemplatie en diepe meditatie zijn de vijf stadia van toenemende kṛṣṇa-smaraṇa.
In het begin kan de herinnering aan Kṛṣṇa op bepaalde momenten worden onderbroken, maar later gaat het herinneren ononderbroken door. Ononderbroken herinnering wordt steeds geconcentreerder en wordt meditatie genoemd. En meditatie die zich verder ontplooit en voortdurend aanhoudt, wordt anusmṛti genoemd. Onafgebroken en voordurende anusmṛti leidt tot het stadium van samādhi of diepe spirituele meditatie. Nadat smaraṇa-daśā of samādhi zich volledig heeft ontwikkeld, begint de ziel haar oorspronkelijke, wezenlijke positie te begrijpen. Op dat moment is het haar volkomen duidelijk wat haar eeuwige relatie met Kṛṣṇa is. Dat wordt sampatti-daśā genoemd, de perfectie van het leven.
Het Caitanya-caritāmṛta raadt beginnelingen aan alle zelfzuchtige verlangens te laten varen en zich eenvoudig toe te leggen op gereguleerde devotionele dienst aan de Heer volgens de richtlijnen van de heilige teksten. Zo kan een beginneling geleidelijk gehecht raken aan de naam, roem, gedaante, eigenschappen, enzovoort van Kṛṣṇa. Heeft men zulke gehechtheid ontwikkeld, dan kan men de lotusvoeten van Kṛṣṇa spontaan dienen, zelfs zonder de regulerende principes te volgen. Dit stadium wordt rāga-bhakti genoemd of devotionele dienst met spontane liefde. In dat stadium kan de toegewijde de voetstappen volgen van een van de eeuwige metgezellen van Kṛṣṇa in Vṛndāvana. Dit wordt rāgānuga-bhakti genoemd. Rāgānuga-bhakti of spontane devotionele dienst kan in śānta-rasa worden verricht als men ernaar verlangt een van de koeien van Kṛṣṇa, of Zijn stok, een fluit in Zijn hand of de bloemen rond Zijn nek te worden. In dāsya-rasa volgt men in de voetstappen van dienaren als Citraka, Patraka of Raktaka. In de vriendschappelijke sakhya-rasa kan men net als Baladeva, Śrīdāmā of Sudāmā een vriend worden. In vātsalya-rasa, die gekenmerkt wordt door ouderlijke liefde, kan men net als Nanda Mahārāja en Yaśodā worden. En in mādhurya-rasa, die wordt gekenmerkt door amoureuze liefde, kan men net als Śrīmatī Rādhārāṇī worden of als Haar vriendinnen, zoals Lalitā, of dienaressen (mañjarī ’s) als Rūpa en Rati. Dit is de essentie van alle instructies betreffende devotionele dienst.’