Nectar van Instructie 7
Devanagari
स्यात् कृष्णनामचरितादिसिताप्यविद्यापित्तोपतप्तरसनस्य न रोचिका नु ।
किन्त्वादरादनुदिनं खलु सैव जुष्टा स्वाद्वी क्रमाद्भवति तद्गदमूलहन्त्री ॥ ७ ॥
किन्त्वादरादनुदिनं खलु सैव जुष्टा स्वाद्वी क्रमाद्भवति तद्गदमूलहन्त्री ॥ ७ ॥
Verse text
syāt kṛṣṇa-nāma-caritādi-sitāpy avidyā-
pittopatapta-rasanasya na rocikā nu
kintv ādarād anudinaṁ khalu saiva juṣṭā
svādvī kramād bhavati tad-gada-mūla-hantrī
pittopatapta-rasanasya na rocikā nu
kintv ādarād anudinaṁ khalu saiva juṣṭā
svādvī kramād bhavati tad-gada-mūla-hantrī
Synonyms
syāt — is; kṛṣṇa — van Heer Kṛṣṇa; nāma — de heilige naam; carita-ādi — eigenschappen, activiteiten van vermaak, enzovoort; sitā — kandijsuiker; api — hoewel; avidyā — van onwetendheid; pitta — galstoornis; upatapta — lijdt aan; rasanasya — van de tong; na — niet; rocikā — aangenaam; nu — oh, zo wonderbaarlijk; kintu — maar; ādarāt — aandachtig; anudinam — elke dag, of vierentwintig uur per dag; khalu — naturally; sā — die (kandijsuiker van de heilige naam); eva — zeker; juṣṭā — genomen of gechant; svādvī — smakelijk; kramāt — geleidelijk aan; bhavati — wordt; tat- gada — van die ziekte; mūla — van de wortel; hantrī — de vernietiger.
Translation
De heilige naam, het karakter, het vermaak en de activiteiten van Kṛṣṇa zijn allemaal transcendentaal zoet als kandijsuiker. Hoewel de tong van iemand die lijdt aan de geelzucht van avidyā [onwetendheid], niets zoets kan proeven, is het wonderbaarlijk dat door het dagelijks aandachtig chanten van deze zoete namen er in zijn tong een natuurlijke smaak onwaakt en dat zijn ziekte geleidelijk aan met wortel en al wordt uitgeroeid.
Purport
De heilige naam van Kṛṣṇa, Zijn eigenschappen, activiteiten, enzovoort maken allemaal deel uit van de natuur van de absolute waarheid, schoonheid en geluk. Ze zijn van zichzelf heel zoet, als kandijsuiker, aantrekkelijk voor iedereen. Maar onwetendheid wordt vergeleken met geelzucht, die wordt veroorzaakt door galafscheiding. Door geelzucht kan de tong van de zieke niet genieten van de smaak van kandijsuiker. Integendeel, voor iemand met geelzucht proeft iets zoets juist heel bitter. Op dezelfde manier ondermijnt avidyā (onwetendheid) ons vermogen om genoegen te scheppen in de transcendentaal smakelijke naam, kwaliteit, gedaante en activiteiten van vermaak van Kṛṣṇa. Maar de onwetendheid van iemand die zich ondanks deze ziekte met veel zorg en aandacht op het Kṛṣṇa-bewustzijn toelegt en de heilige naam chant en over de activiteiten van vermaak van Kṛṣṇa hoort, zal vernietigd worden en zijn tong zal in staat zijn de zoetheid van de transcendentale aard van Kṛṣṇa en Zijn parafernalia te proeven. Zo’n herstel van spirituele gezondheid is alleen mogelijk door regelmatige cultivering van Kṛṣṇa-bewustzijn.
Wie in de materiële wereld meer interesse heeft voor een materialistische levensstijl dan voor het Kṛṣṇa-bewustzijn, wordt als ziek beschouwd. Onze normale toestand is die van een eeuwige dienaar van de Heer (jīvera ‘svarūpa’ haya-kṛṣṇera ‘nitya-dāsa’ — Caitanya-caritāmṛta, Madhya 20.108). Deze gezonde toestand gaat verloren als het levend wezen Kṛṣṇa vergeet, doordat het zich aangetrokken voelt tot de externe aspecten van de māyā-energie van Kṛṣṇa. Deze wereld van māyā wordt durāśraya genoemd, wat ‘valse of slechte toevlucht’ betekent. Die durāśraya vertrouwen is ijdele hoop. In de materiële wereld probeert iedereen gelukkig te worden, maar ook al worden al onze materiële pogingen op alle mogelijke manieren gefrustreerd, toch begrijpen we door onze onwetendheid niet wat we fout doen. Mensen proberen de ene fout met een andere te verhelpen en zo blijft de strijd om het bestaan in de materiële wereld maar doorgaan. Wie in zo’n toestand wordt aangeraden zich toe te leggen op het Kṛṣṇa-bewustzijn en zo gelukkig te worden, slaat zulke instructies in de wind.
Om deze diepe onwetendheid tegen te gaan, verspreiden wij de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn over de hele wereld. Mensen worden over het algemeen misleid door blinde leiders. De leiders binnen de menselijke samenleving — de politici, filosofen en wetenschappers — zijn blind, omdat ze niet Kṛṣṇa-bewust zijn. Omdat ze door hun atheïstische leefwijze van alle werkelijke kennis zijn beroofd, zijn ze volgens de Bhagavad-gītā eigenlijk zondige dwazen en de laagsten onder de mensen.
na māṁ duṣkṛtino mūḍhāḥ
prapadyante narādhamāḥ
māyayāpahṛta jñānā
āsuraṁ bhāvam āśritāḥ
prapadyante narādhamāḥ
māyayāpahṛta jñānā
āsuraṁ bhāvam āśritāḥ
‘Kwaadaardige personen die volkomen dwaas zijn, die de laagsten onder de mensen zijn, die door illusie van hun kennis beroofd zijn en die de atheïstische aard van demonen hebben, geven zich niet aan Mij over.’ (Gītā 7.15)
Zulke personen zullen zich nooit aan Kṛṣṇa overgeven en dwarsbomen de inspanningen van mensen die hun toevlucht bij Kṛṣṇa zoeken. Zodra zulke atheïsten de leiders van de samenleving worden, raakt alles doordrongen van onwetendheid. In zo’n toestand ontvangen mensen de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn niet met open armen, net zoals iemand die aan geelzucht lijdt de smaak van suiker niet kan waarderen. Maar suiker is wel het enige specifieke medicijn voor geelzucht. Zo is ook het Kṛṣṇa-bewustzijn, het chanten van de heilige naam van de Heer — Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare/ Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare — de enige remedie voor de verwarde toestand van de huidige mensheid en de wereld. Hoewel het Kṛṣṇa-bewustzijn voor een ziek persoon misschien niet zo smakelijk is, adviseert Śrīla Rūpa Gosvāmī toch dat we ons er met grote zorg en aandacht op moeten toeleggen als we willen genezen van de ziekte van het materialisme. De behandeling begint met het chanten van de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra, want door deze heilige naam van de Heer te chanten, zal een materialistische persoon van al zijn misvattingen worden bevrijd (ceto-darpaṇa-mārjanam — Caitanya-caritāmṛta, Antya 20.12). Avidyā, een verkeerde opvatting over onze spirituele identiteit, vormt de basis voor ahaṅkāra, het vals ego in het hart.
De werkelijke ziekte bevindt zich in het hart. Maar als de geest wordt gezuiverd, als het bewustzijn wordt gezuiverd, worden we immuun voor die materiële ziekte. Om de geest en het hart van alle misvattingen te zuiveren, moeten we ons toeleggen op het chanten van de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra. Dit is zowel gemakkelijk als gunstig. Door de heilige naam van de Heer te chanten, raken we onmiddellijk bevrijd van het laaiend vuur van het materiële bestaan.
Het chanten van de heilige naam van de Heer heeft drie stadia, namelijk die van overtredingen, van de afname van overtredingen en van zuiver chanten. Wanneer een beginneling zich begint toe te leggen op het chanten van de Hare Kṛṣṇa-mantra, begaat hij normaal gezien veel overtredingen. Er zijn tien basisovertredingen en de toegewijde die deze vermijdt, kan een glimp opvangen van het volgende stadium, het stadium tussen chanten met overtredingen en zuiver chanten in. Wanneer we het zuivere stadium bereiken, zijn we onmiddellijk bevrijd. Dit wordt bhava-mahā-dāvāgni-nirvāpanam (Śikṣāṣṭaka 1) genoemd. Zodra we bevrijd zijn van het laaiende vuur van het materiële bestaan, kunnen we de smaak van het transcendentale leven proeven.
De conclusie is dat als we bevrijd willen raken van de materiële ziekte, we ons moeten toeleggen op het chanten van de Hare Kṛṣṇa-mantra. En de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn is daar speciaal voor bedoeld, namelijk om een sfeer te creëren waarin mensen zich kunnen toeleggen op het chanten van de Hare Kṛṣṇa-mantra. We moeten beginnen met geloof of vertrouwen en wanneer dit vertrouwen door te chanten toeneemt, kunnen we lid worden van de gemeenschap. We sturen saṅkīrtana-groepen naar alle delen van de wereld en deze toegewijden zien dat zelfs in de meest afgelegen delen van de wereld waar het aan kennis van Kṛṣṇa ontbreekt, de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra duizenden mensen tot onze beweging aantrekt. In sommige streken, en soms al binnen enkele dagen na het horen van de mantra, beginnen mensen de toegewijden te imiteren door hun hoofd kaal te scheren en de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra te chanten. Dit mag dan imitatie zijn, maar het imiteren van iets goeds is zelf ook goed. Sommige imitators ontwikkelen geleidelijk aan het verlangen om te worden geïnitieerd door een spiritueel leraar en vragen om initiatie.
Wie oprecht is, wordt geïnitieerd. Dat stadium wordt bhajana-kriyā genoemd, wat betekent dat we ons daadwerkelijk toeleggen op dienst aan de Allerhoogste Heer door regelmatig — zestien ronden per dag — de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra te chanten en door af te zien van vrije seks, drugsgebruik, vleeseten en gokken. Door bhajana-kriyā kunnen we de besmetting van het materialistische leven van ons afschudden. We zullen geen restaurants of hotels meer aandoen voor zogenaamd smakelijke vleesgerechten met uien of om te roken of om thee en koffie te drinken. Niet alleen onthouden we ons van vrije seks, we vermijden seks volledig. En we verliezen alle interesse voor tijdverspillend gespeculeer of gegok. Dat zijn duidelijke aanwijzingen dat we gezuiverd beginnen te raken van ongewenste dingen (anartha-nivṛtti). Het woord anartha verwijst naar ongewenste dingen. Anartha’s kunnen bedwongen worden als we serieus betrokken raken bij de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn.
Wie verlost is van ongewenste dingen, zal vastberaden zijn Kṛṣṇa-bewuste activiteiten verrichten. Sterker nog, zo iemand raakt gehecht aan zulke activiteiten en ervaart extase tijdens zijn devotionele dienst. Dit wordt bhāva genoemd, een beginnend ontwaken van sluimerende liefde voor God. Zo raakt de geconditioneerde ziel bevrijd van het materiële bestaan en verliest ze alle belangstelling voor de lichamelijke levensopvatting, inclusief materiële rijkdom, materiële kennis en alle andere materiële aantrekkelijkheden. Op dat moment begrijpen we wie de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is en wat Zijn māyā is.
Māyā mag dan aanwezig zijn, maar een toegewijde die het bhāva-stadium heeft bereikt, laat zich hierdoor niet verstoren. Dit komt omdat zo’n toegewijde inziet wat māyā’s werkelijke positie is. Māyā betekent Kṛṣṇa vergeten en Kṛṣṇa vergeten en Kṛṣṇa-bewustzijn gaan zij aan zij, zoals licht en schaduw. Wie in de schaduw blijft, kan niet van het licht genieten, en wie in het licht blijft, wordt niet verstoord door het duister van de schaduw. Wie zich toelegt op het Kṛṣṇa-bewustzijn, raakt geleidelijk aan bevrijd en blijft in het licht. Sterker nog, zo iemand zal niet eens met duisternis in aanraking komen. Dit wordt bevestigd in het Caitanya-caritāmṛta (Madhya 22.31):
kṛṣṇa – sūrya-sama; māyā haya andhakāra
yāhāṅ kṛṣṇa, tāhāṅ nāhi māyāra adhikāra
yāhāṅ kṛṣṇa, tāhāṅ nāhi māyāra adhikāra
‘Kṛṣṇa is als de zonneschijn en māyā is als de duisternis. Waar zonneschijn is, kan geen duisternis zijn. Zodra we met Kṛṣṇa-bewustzijn beginnen, zal de duisternis van de illusie, de invloed van de externe energie, onmiddellijk verdwijnen.’