Nectar van Instructie 6

दृष्टैः स्वभावजनितैर्वपुषश्च दोषैर्न प्राकृतत्वमिह भक्तजनस्य पश्येत् ।
गङ्गाम्भसां न खलु बुद्बुदफेनपङ्कैर्ब्रह्मद्रवत्वमपगच्छति नीरधर्मैः ॥ ६ ॥
dṛṣṭaiḥ svabhāva-janitair vapuṣaś ca doṣair
na prākṛtatvam iha bhakta-janasya paśyet
gaṅgāmbhasāṁ na khalu budbuda-phena-paṅkair
brahma-dravatvam apagacchati nīra-dharmaiḥ

Synonyms

dṛṣṭaiḥbeschouwd vanuit een ordinair standpunt; svabhāva-janitaiḥvoortgekomen uit zijn eigen aard; vapuṣaḥvan het lichaam; caen; doṣaiḥdoor gebreken; naniet; prākṛtatvamde materiële aard; ihain deze wereld; bhakta-janasyavan een zuivere toegewijde; paśyetmen moet zien; gaṅgā-ambhasāmvan het Ganges-water; naniet; khaluzeker; budbuda-phena-paṅkaiḥdoor luchtbellen, schuim en modder; brahma-dravatvamde transcendentale aard; apagacchatiis bedorven; nīra-dharmaiḥde eigenschappen van water.

Translation

Omdat een zuivere toegewijde gegrond is in zijn oorspronkelijke Kṛṣṇa-bewustzijn, vereenzelvigt hij zich niet met zijn lichaam. Zo’n toegewijde mag niet vanuit een materialistisch oogpunt worden beschouwd. Sterker nog, zelfs al heeft een toegewijde een lichaam van lage komaf, een lichaam met een slechte huid, een misvormd lichaam of een ziek of zwak lichaam, dan moet men dit over het hoofd zien. Vanuit een gewoon standpunt bezien, vallen zulke onvolkomenheden in het lichaam van een zuivere toegewijde misschien meteen op, maar ondanks zulke schijnbare gebreken, kan het lichaam van een zuivere toegewijde niet onzuiver zijn. Het is net als het water van de Ganges dat tijdens het regenseizoen soms vol luchtbellen, schuim en modder is. Gangeswater raakt nooit onzuiver. Wie spiritueel vergevorderd is, zal een bad nemen in de Ganges zonder zich te bekommeren om de toestand van het water.

Purport

Śuddha-bhakti of opgaan in de transcendentale liefdedienst aan de Heer — de eigenlijke activiteit van de ziel — wordt verricht in een bevrijde toestand. In de Bhagavad-gītā (14.26) staat:
māṁ ca yo ’vyabhicāreṇa
bhakti-yogena sevate
sa guṇān samatītyaitān
brahma-bhūyāya kalpate
‘Wie in alle omstandigheden volledig en onfeilbaar opgaat in devotionele dienst, ontstijgt onmiddellijk aan de hoedanigheden van de materiële natuur en komt zo tot het niveau van Brahman.’
Avyabhicāriṇī bhakti betekent zuivere devotie. Wie devotionele dienst verricht, moet vrij zijn van materiële motieven. In onze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn is het de bedoeling dat iemands bewustzijn verandert. Zodra ons bewustzijn gericht is op materieel genot, is het materieel bewustzijn. Maar is het gericht op dienst aan Kṛṣṇa, dan is het Kṛṣṇa-bewustzijn. Een ziel die zich aan Kṛṣṇa heeft overgegeven, dient Hem zonder materiële overwegingen (anyābhilāṣitā-śūnyam — Bhakti-rasāmṛta-sindhu 1.1.11). Jñāna-karmādy-anāvṛtam: zuivere bhakti-yoga betekent zuivere, onvermengde devotionele dienst die transcendentaal is aan de activiteiten van lichaam en geest, zoals jñāna (mentale speculatie) en karma (resultaatgerichte activiteiten). Bhakti-yoga is de eigenlijke activiteit van de ziel en wanneer we werkelijk in zuivere, onbezoedelde devotionele dienst opgaan, zijn we al bevrijd (sa guṇān samatītyaitān — Gītā 14.26).

Een toegewijde van Kṛṣṇa is niet onderworpen aan materiële omstandigheden, ook al lijken zijn lichamelijke kenmerken materieel geconditioneerd. We moeten een zuivere toegewijde daarom niet vanuit een materialistisch oogpunt beschouwen. Tenzij we zelf echt toegewijden zijn, is het onmogelijk een andere toegewijde perfect te zien.

In het vorige vers werd al uitgelegd dat er drie soorten toegewijden zijn: de kaniṣṭha-adhikārī, madhya­ma-adhikārī en uttama-adhikārī. De kaniṣṭha-adhi-
kārī
is niet in staat om onderscheid maken tussen een toegewijde en een niet-toegewijde. Hij houdt zich alleen maar bezig met het vereren van de Beeldgedaante in de tempel. Maar een madhya­ma-adhikārī kan wel onderscheid maken tussen een toegewijde en een niet-toegewijde en ook tussen een toegewijde en de Heer. Daarom gaat hij op verschillende manieren om met de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, de toegewijde en de niet-toegewijde.
Niemand mag de lichamelijke gebreken van een zuivere toegewijde bekritiseren. Als er al onvolkomenheden zijn, moeten die over het hoofd worden gezien. Waar het uiteindelijk om gaat, is wat de voornaamste activiteit van de spiritueel leraar is, namelijk devotionele dienst, zuivere dienst aan de Allerhoogste Heer. Zoals de Bhagavad-gītā (9.30) zegt:
api cet sudurācāro
bhajate mām ananya-bhāk
sādhur eva sa mantavyaḥ
samyag vyavasito hi saḥ
Ook al lijkt het alsof een toegewijde soms afschuwelijke activiteiten verricht, toch moet hij worden beschouwd als een sādhu, een heilig mens, want zijn werkelijke identiteit is die van een persoon die opgaat in liefdedienst aan de Heer. Met andere woorden: hij hoort niet als een gewoon mens worden beschouwd.
Een zuivere toegewijde mag dan misschien niet in een brāhmaṇa- of gosvāmī-familie geboren zijn, maar als hij de Heer dient, mag hij niet worden genegeerd of veronachtzaamd. In feite kan een familie die gebaseerd is op materiële overwegingen, kaste of erfelijkheid geen gosvāmī-familie zijn. De titel go­svāmī is eigenlijk het alleenrecht van zuivere toegewijden en daarom spreken we van de Zes Gosvāmī ’s, met Rūpa Gosvāmī en Sanātana Gosvāmī aan het hoofd. Rūpa Gosvāmī en Sanātana Gosvāmī waren praktisch moslims geworden en hadden daarom hun namen veranderd in Dabira Khāsa en Sākara Mallika. Maar Śrī Caitanya Mahāprabhu Zelf maakte go­­svāmī ’s van ze. En daarom is de titel gosvāmī niet erfelijk. Het woord ‘gosvāmī ’ heeft betrekking op iemand die zijn zintuigen kan beheersen, die meester is over zijn zintuigen. Een toegewijde wordt niet door de zintuigen beheerst, maar is zijn zintuigen juist de baas. Daarom verdient hij de titel svāmī of gosvāmī, ook al is hij niet in een gosvāmī-familie geboren.
Volgens deze vaststelling zijn de gosvāmī ’s die nakomelingen zijn van Śrī Nityānanda Prabhu en Śrī Advaita Prabhu zeker toegewijden, maar toegewijden die uit andere families komen moeten niet als minderwaardig worden behandeld; sterker nog, of toegewijden nu uit een familie van voorgaande ācārya’s of uit een gewone familie komen, ze moeten als gelijken worden behandeld. We mogen niet denken: ‘O, hier is een Europese gosvāmī ’ en hem vervolgens als minderwaardig behandelen. En evenmin mogen we denken: ‘Hier is een nityānanda-vaṁsa-gosvāmī.’ Er bestaat een onderstroom van protest tegen het feit dat wij de titel Gosvāmī toekennen aan de Europese vaiṣṇava’s van de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn. Soms zeggen mensen de Europese toegewijden botweg dat hun sannyāsa of gosvāmī-titel ongeldig is. Maar volgens dit vers van Śrīla Rūpa Gosvāmī verschillen een Europese gosvāmī en een gosvāmī uit een familie van ācārya’s niet van elkaar.
Aan de andere kant moet een toegewijde die de gosvāmī-titel heeft verkregen maar niet afstamt van een brāhmaṇa-vader of van een gosvāmī uit de familie van Nityānanda of Advaita Prabhu, geen valse trots koesteren en niet denken dat hij een gosvāmī is geworden. Hij moet altijd goed beseffen dat hij onmiddellijk ten val komt als hij materiële trots ontwikkelt. De beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn onderwijst een transcendentale wetenschap en er is geen plaats voor afgunst. De beweging is bestemd voor paramahaṁsa’s, die volledig vrij zijn van afgunst (paramaṁ nirmatsarāṇām). Of we nu in een familie van gosvāmī ’s zijn geboren of de titel gosvāmī toegekend hebben gekregen, we moeten geen afgunst koesteren. Wie afgunstig wordt, valt onmiddellijk van het paramahaṁsa-niveau.
Als we op de lichamelijke onvolkomenheden van een vaiṣṇava letten, moeten we beseffen dat we zo een overtreding begaan tegenover de lotusvoeten van die vaiṣṇava. Een overtreding tegenover de lotusvoeten van een vaiṣṇava is zeer ernstig. Sterker nog, Śrī Caitanya Mahāprabhu beschreef deze overtreding als hātī-mātā, de ‘dolle-olifantovertreding’. Een dolle olifant kan een catastrofe aanrichten, zeker wanneer hij een keurig getrimde tuin binnendendert. We moeten daarom bijzonder voorzichtig zijn om geen enkele overtreding maken tegenover een vaiṣṇava. Iedere toegewijde moet bereid zijn om de instructies van een superieure vaiṣṇava op te volgen, die op zijn beurt bereid moet zijn een inferieure vaiṣṇava in alle opzichten bij te staan. Superioriteit en inferioriteit zijn afhankelijk van iemands spirituele ontwikkeling in Kṛṣṇa-bewustzijn. Het is niet toegestaan om de activiteiten van een zuivere vaiṣṇava vanuit een materieel gezichtspunt te beschouwen. Zeker voor een beginneling is het bijzonder schadelijk om een zuivere toegewijde volgens materiële maatstaven te beoordelen. We mogen een zuivere toegewijde daarom niet op uiterlijke criteria beoordelen. In plaats daarvan moeten we proberen de innerlijke aspecten te zien en leren begrijpen hoe een zuivere toegewijde opgaat in transcendentale liefdedienst aan de Heer. Zo vermijden we dat we de zuivere toegewijde vanuit een materieel gezichtspunt beschouwen en zo kunnen we zelf ook geleidelijk aan zuivere toegewijden worden.
Wie denkt dat Kṛṣṇa-bewustzijn zich beperkt tot een bepaalde groep mensen, een bepaalde groep toegewijden of een bepaalde landstreek, zal gauw geneigd zijn alleen de externe aspecten van een toegewijde te zien. Zulke beginnelingen, die niet in staat zijn de verheven dienst van de gevorderde toegewijde te waarderen, zullen de mahā-bhāgavata naar hun eigen niveau proberen te brengen. Zelf ervaren we zulke moeilijkheden tijdens het wereldwijd verspreiden van dit Kṛṣṇa-bewustzijn. Jammer genoeg zien we ons omringd door godsbroeders die beginnelingen zijn en geen waardering kunnen opbrengen voor deze buitengewone wereldwijde verspreiding van het Kṛṣṇa-bewustzijn. Ze proberen ons alleen maar naar hun eigen niveau te brengen en bekritiseren ons in alle mogelijke opzichten. We betreuren hun naïeve activiteiten en gebrek aan kennis ten zeerste. Een geautoriseerd persoon die zich volledig inzet in de vertrouwelijke dienst aan de Heer, mag niet als een gewoon mens worden behandeld, want er is gezegd dat we de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn alleen over de hele wereld kunnen verspreiden als we door Kṛṣṇa zijn geautoriseerd.
Wie een zuivere toegewijde bekritiseert, begaat dus een overtreding (vaiṣṇava-aparādha) die een grote belemmering en gevaar is voor wie vooruitgang wil maken in het Kṛṣṇa-bewustzijn. Wie een overtreding maakt tegenover de lotusvoeten van een vaiṣṇava, haalt daaruit geen enkel spiritueel voordeel. Iedereen moet daarom bijzonder op zijn hoede zijn voor afgunst tegenover een speciaal geautoriseerde vaiṣṇava of śuddha-vaiṣṇava. Het is ook een overtreding om een geautoriseerde vaiṣṇava te zien als iemand die we disciplinaire maatregelen kunnen opleggen. Hem advies proberen te geven of te corrigeren is ook beledigend.

Beginnende en gevorderde vaiṣṇava’s kunnen op grond van hun activiteiten van elkaar worden onderscheiden. De gevorderde vaiṣṇava heeft altijd de positie van spiritueel leraar en de beginner wordt altijd beschouwd als zijn leerling. De spiritueel leraar mag nooit afhankelijk zijn van het advies van een leerling en evenmin mag een spiritueel leraar ooit verplicht zijn instructies te aanvaarden van personen die niet zijn leerlingen zijn. Dat is de essentie van Śrīla Rūpa Gosvāmī ’s advies in dit zesde vers.