Nectar van Instructie 5
Devanagari
कृष्णेति यस्य गिरि तं मनसाद्रियेत दीक्षास्ति चेत्प्रणतिभिश्च भजन्तमीशम् ।
शुश्रूषया भजनविज्ञमनन्यमन्यनिन्दादिशून्यहृदमीप्सितसङ्गलब्ध्या ॥ ५ ॥
शुश्रूषया भजनविज्ञमनन्यमन्यनिन्दादिशून्यहृदमीप्सितसङ्गलब्ध्या ॥ ५ ॥
Verse text
kṛṣṇeti yasya giri taṁ manasādriyeta
dīkṣāsti cet praṇatibhiś ca bhajantam īśam
śuśrūṣayā bhajana-vijñam ananyam anya-
nindādi-śūnya-hṛdam īpsita-saṅga-labdhyā
dīkṣāsti cet praṇatibhiś ca bhajantam īśam
śuśrūṣayā bhajana-vijñam ananyam anya-
nindādi-śūnya-hṛdam īpsita-saṅga-labdhyā
Synonyms
kṛṣṇa — de heilige naam van Heer Kṛṣṇa; iti — zo; yasya — van wie; giri — in woorden of in het spreken; tam — hem; manasā — met de geest; ādriyeta — men moet eren; dīkṣā — initiatie; asti — er is; cet — als; praṇatibhiḥ — met eerbetuigingen; ca — ook; bhajantam — bezig met devotionele dienst; īśam — aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods; śuśrūṣayā — met praktische dienst; bhajana-vijñam — iemand die gevorderd is in devotionele dienst; ananyam — zonder af te dwalen; anya-nindā-ādi — van kwaadsprekerij van anderen; śūnya — volledig vrij; hṛdam — het hart van wie; īpsita — wenselijk; saṅga — omgang; labdhyā — door het verkrijgen.
Translation
We moeten een toegewijde die de heilige naam van Heer Kṛṣṇa chant in gedachten eren; een toegewijde die spirituele initiatie [dīkṣā] heeft ontvangen en die de Beeldgedaante in de tempel vereert, moeten we nederig eerbetuigingen brengen; en we moeten omgang zoeken met en trouwe dienst bewijzen aan de zuivere toegewijde die gevorderd is in onafgebroken devotionele dienst en wiens hart volledig vrij is van de neiging om anderen te bekritiseren.
Purport
Om de zes liefdevolle uitwisselingen die in de vorige tekst werden genoemd intelligent toe te passen, moeten we zorgvuldig de juiste personen uitkiezen. Śrīla Rūpa Gosvāmī raadt ons daarom aan de vaiṣṇava’s op een gepaste manier te behandelen overeenkomstig hun bepaalde status. In dit vers laat hij ons zien hoe we horen om te gaan met drie soorten toegewijden: de kaniṣṭha-adhikārī, madhyama-adhikārī en uttama-adhikārī. De kaniṣṭha-adhikārī is een beginneling die hari-nāma-initiatie heeft ontvangen van de spiritueel leraar en de heilige naam van Kṛṣṇa probeert te chanten. Zo’n persoon moeten we in gedachten respecteren als een kaniṣṭha-vaiṣṇava. Een madhyama-adhikārī heeft spirituele initiatie ontvangen van zijn spiritueel leraar en wordt door hem volledig betrokken in de transcendentale liefdedienst aan de Heer. De madhyama-adhikārī moet worden beschouwd als halfgevorderd in devotionele dienst. De uttama-adhikārī, de toegewijde van het hoogste niveau, is bijzonder vergevorderd in devotionele dienst. Een uttama-
adhikārī heeft geen interesse in het belasteren van anderen; zijn hart is volkomen zuiver en hij heeft de bewustzijnstoestand van zuiver Kṛṣṇa-bewustzijn bereikt. Het gezelschap van en dienst aan zo’n mahā-
bhāgavata, of volmaakte vaiṣṇava, is volgens Śrīla Rūpa Gosvāmī dan ook bijzonder wenselijk.
adhikārī heeft geen interesse in het belasteren van anderen; zijn hart is volkomen zuiver en hij heeft de bewustzijnstoestand van zuiver Kṛṣṇa-bewustzijn bereikt. Het gezelschap van en dienst aan zo’n mahā-
bhāgavata, of volmaakte vaiṣṇava, is volgens Śrīla Rūpa Gosvāmī dan ook bijzonder wenselijk.
Het is niet de bedoeling dat we kaniṣṭha-adhikārī ’s blijven, dat we blijven steken op het laagste niveau van devotionele dienst waar we alleen maar interesse hebben voor het vereren van de Beeldgedaante in de tempel. Het elfde canto van het Śrīmad-Bhāgavatam (11.2.47) beschrijft zo’n toegewijde:
arcāyām eva haraye
pūjāṁ yaḥ śraddhayehate
na tad-bhakteṣu cānyeṣu
sa bhaktaḥ prākṛtaḥ smṛtaḥ
pūjāṁ yaḥ śraddhayehate
na tad-bhakteṣu cānyeṣu
sa bhaktaḥ prākṛtaḥ smṛtaḥ
‘Wie heel getrouw de Beeldgedaante in de tempel vereert, maar niet weet hoe hij zich tegenover toegewijden of mensen in het algemeen moet gedragen, wordt een prākṛta-bhakta of kaniṣṭha-adhikāri genoemd.’
We moeten het niveau van kaniṣṭha-adhikārī daarom ontstijgen en verder gaan naar het niveau van madhyama-adhikārī. Het Śrīmad-Bhāgavatam (11.2.46) beschrijft de madhyama-adhikārī als volgt:
īśvare tad-adhīneṣu
bāliśeṣu dviṣatsu ca
prema-maitrī-kṛpopekṣā
yaḥ karoti sa madhyamaḥ
bāliśeṣu dviṣatsu ca
prema-maitrī-kṛpopekṣā
yaḥ karoti sa madhyamaḥ
‘De madhyama-adhikārī is een toegewijde die de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods vereert als het hoogste voorwerp van liefde, die vriendschap sluit met de toegewijden van de Heer, genadig is voor onwetenden en mensen mijdt die van nature vijandig zijn.’
Dat is de juiste manier om devotionele dienst te cultiveren. Daarom geeft Śrīla Rūpa Gosvāmī in dit vers aan hoe we verschillende toegewijden moeten behandelen. Eigen ervaring leert dat er verschillende soorten vaiṣṇava’s zijn. De prākṛta-sahajiyā’s chanten meestal de Hare Kṛṣṇa-mahā-mantra, maar zijn ondertussen wel gehecht aan vrouwen, geld en drugs. Hoewel ze de heilige naam van de Heer chanten, zijn ze nog niet zuiver genoeg. Zulke mensen moeten we in gedachten respecteren maar verder vermijden. Personen die onschuldig zijn maar gewoonweg door slecht gezelschap worden meegesleept, moeten met sympathie worden behandeld als ze enthousiast de juiste instructies van zuivere toegewijden willen ontvangen. Maar beginnende toegewijden die daadwerkelijk zijn geïnitieerd door een betrouwbare spiritueel leraar en zich serieus toeleggen op het uitvoeren van zijn opdrachten, verdienen onze respectvolle eerbetuigingen.
De beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn geeft iedereen een kans zonder onderscheid van sociale klasse, geloof of huidskleur. Iedereen is uitgenodigd om zich met deze beweging te verbinden en samen met ons prasāda te eten en over Kṛṣṇa te horen. En zien we dat iemand oprecht geïnteresseerd is in Kṛṣṇa-bewustzijn en geïnitieerd wil worden, dan aanvaarden we die persoon als een discipel in het chanten van de heilige naam van de Heer. Als een beginnende toegewijde eenmaal is geïnitieerd en in opdracht van de spiritueel leraar devotionele dienst verricht, moet hij onmiddellijk als een echte vaiṣṇava worden aanvaard en met alle eerbetuigingen en respect worden behandeld. Onder vele van zulke vaiṣṇava’s is er misschien één die heel serieus dienst aan de Heer verricht en strikt alle regulerende principes volgt, zoals het chanten van een voorgeschreven aantal mantra’s op een meditatiesnoer en voortdurend nadenkt over hoe deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn zich verder kan uitbreiden. Zo’n vaiṣṇava moet worden erkend als een uttama-adhikārī, een bijzonder vergevorderde toegewijde, en we moeten altijd zijn gezelschap opzoeken.
Het Caitanya-caritāmṛta (Antya 4.192) beschrijft de methode waardoor een toegewijde gehecht raakt aan Kṛṣṇa:
dīkṣā-kāle bhakta kare ātma-samarpaṇa
sei-kāle kṛṣṇa tāre kare ātma-sama
sei-kāle kṛṣṇa tāre kare ātma-sama
‘Op het moment van initiatie, wanneer een toegewijde zich volledig overgeeft aan de dienst van de Heer, beschouwt Kṛṣṇa hem als net zo goed Zichzelf.’
Śrīla Jīva Gosvāmī legt in zijn Bhakti-sandarbha (868) uit wat dīkṣā of spirituele initiatie is:
divyaṁ jñānaṁ yato dadyāt
kuryāt pāpasya saṅkṣayam
tasmād dīkṣeti sā proktā
deśikais tattva-kovidaiḥ
kuryāt pāpasya saṅkṣayam
tasmād dīkṣeti sā proktā
deśikais tattva-kovidaiḥ
‘Door dīkṣā verliest men geleidelijk aan alle interesse in materieel genot en raakt men steeds meer geïnteresseerd in spiritueel leven.’
Vooral in Europa en Amerika hebben we hiervan veel voorbeelden gezien. Veel studenten uit rijke en voorname families die naar ons toekomen, verliezen heel snel al hun interesse in materieel genot en leggen zich met veel enthousiasme toe op spiritueel leven. Hoewel ze uit zeer rijke families komen, hebben velen van hen levensomstandigheden aanvaard die niet zo comfortabel zijn. Voor Kṛṣṇa zijn ze bereid elke levensomstandigheid te aanvaarden, zolang ze maar samen met vaiṣṇava’s in de tempel kunnen wonen. Wie zo zijn interesse voor materieel genot heeft verloren, is er klaar voor om door een spiritueel leraar te worden geïnitieerd.
Het Śrīmad-Bhāgavatam (6.1.13) schrijft het volgende voor om vooruitgang te maken in spiritueel leven: tapasā brahmacaryeṇa śamena ca damena ca. Wie serieus overweegt dīkṣā te aanvaarden, moet bereid zijn ascese te beoefenen, celibatair te leven en zijn geest en lichaam te beheersen. Wie daartoe bereid is en spirituele verlichting (divyaṁ jñānam) wil bereiken, is rijp voor initiatie. Divyaṁ jñānam wordt technisch gesproken tad-vijñāna genoemd, kennis over de Allerhoogste. Tad-vijñānārthaṁ sa gurum evābhigacchet (Muṇḍaka Upaniṣad 1.2.12): Wie geïnteresseerd is in de transcendentale Absolute Waarheid, moet worden geïnitieerd. Zo iemand moet een spiritueel leraar benaderen om dīkṣā te ontvangen. Het Śrīmad-Bhāgavatam (11.3.21) schrijft hetzelfde voor: tasmād guruṁ prapadyeta jijñāsuḥ śreya uttamam — ‘Wie oprecht geïnteresseerd is in de transcendentale wetenschap van de Absolute Waarheid moet een spiritueel leraar benaderen.’
Het Śrīmad-Bhāgavatam (6.1.13) schrijft het volgende voor om vooruitgang te maken in spiritueel leven: tapasā brahmacaryeṇa śamena ca damena ca. Wie serieus overweegt dīkṣā te aanvaarden, moet bereid zijn ascese te beoefenen, celibatair te leven en zijn geest en lichaam te beheersen. Wie daartoe bereid is en spirituele verlichting (divyaṁ jñānam) wil bereiken, is rijp voor initiatie. Divyaṁ jñānam wordt technisch gesproken tad-vijñāna genoemd, kennis over de Allerhoogste. Tad-vijñānārthaṁ sa gurum evābhigacchet (Muṇḍaka Upaniṣad 1.2.12): Wie geïnteresseerd is in de transcendentale Absolute Waarheid, moet worden geïnitieerd. Zo iemand moet een spiritueel leraar benaderen om dīkṣā te ontvangen. Het Śrīmad-Bhāgavatam (11.3.21) schrijft hetzelfde voor: tasmād guruṁ prapadyeta jijñāsuḥ śreya uttamam — ‘Wie oprecht geïnteresseerd is in de transcendentale wetenschap van de Absolute Waarheid moet een spiritueel leraar benaderen.’
We moeten geen spiritueel leraar aanvaarden als we niet bereid zijn om zijn instructies op te volgen. Ook zouden we niet voor de show een spiritueel leraar moeten aanvaarden alleen maar omdat dat ‘in de mode is’. We moeten jijñāsu zijn: bijzonder leergierig naar wat de spiritueel leraar onderwijst. En de vragen die we stellen, mogen alleen betrekking hebben op de transcendentale wetenschap (jijñāsuḥ śreya uttamam). Het woord uttamam heeft betrekking op zaken die hoger gaan dan materiële kennis. Tama betekent ‘het duister van deze materiële wereld’ en ut betekent ‘transcendentaal’. Over het algemeen horen mensen graag over wereldse onderwerpen, maar wie zijn interesse in die dingen verloren heeft, is rijp voor initiatie. Wie daadwerkelijk door een betrouwbare spiritueel leraar is geïnitieerd en zich serieus toelegt op dienst aan de Heer, moet worden erkend als een madhyama-adhikārī.
Het chanten van de heilige namen van Kṛṣṇa is zo subliem, dat wie de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra chant en zorgvuldig de tien overtredingen vermijdt, langzaam maar zeker leert inzien dat er geen verschil bestaat tussen de heilige naam van de Heer en de Heer Zelf. Wie dit inzicht bereikt, verdient het diepste respect van beginnende toegewijden. Eén ding is zeker: zonder overtredingloos de heilige naam van de Heer te chanten, zijn we geen geschikte kandidaten om vooruitgang te maken in Kṛṣṇa-bewustzijn. In Śrī Caitanya-caritāmṛta (Madhya 22.69) staat:
yāhāra komala śraddhā, se ‘kaniṣṭha’ jana
krame krame teṅho bhakta ha-ibe ‘uttama’
krame krame teṅho bhakta ha-ibe ‘uttama’
‘Iemand wordt een beginneling genoemd als zijn geloof zacht en buigzaam is. Maar door het proces te blijven volgen, komt men op het niveau van een eersteklas toegewijde.’
Iedereen begint zijn devotionele leven op het beginnersniveau, maar door het voorgeschreven aantal ronden hari-nāma op de juiste manier op een meditatiesnoer te chanten, worden we stap voor stap tot het hoogste niveau van uttama-adhikārī verheven. De beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn schrijft zestien ronden per dag voor, omdat mensen in het Westen zich niet voor langere tijd achter elkaar kunnen concentreren als ze op meditatiekralen chanten. Daarom hebben we dit minimumaantal ronden voorgeschreven. Eigenlijk zei Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura dat we als gevallen (patita) moet worden beschouwd als we niet minstens vierenzestig ronden japa chanten (honderdduizend namen). Als we zo rekenen, zijn we nagenoeg allemaal gevallen. Maar omdat we de Allerhoogste Heer heel serieus en zonder dubbelhartigheid proberen te dienen, kunnen we de genade verwachten van Śrī Caitanya Mahāprabhu, die bekendstaat als patita-pāvana, de verlosser van de gevallenen.
Iedereen begint zijn devotionele leven op het beginnersniveau, maar door het voorgeschreven aantal ronden hari-nāma op de juiste manier op een meditatiesnoer te chanten, worden we stap voor stap tot het hoogste niveau van uttama-adhikārī verheven. De beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn schrijft zestien ronden per dag voor, omdat mensen in het Westen zich niet voor langere tijd achter elkaar kunnen concentreren als ze op meditatiekralen chanten. Daarom hebben we dit minimumaantal ronden voorgeschreven. Eigenlijk zei Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura dat we als gevallen (patita) moet worden beschouwd als we niet minstens vierenzestig ronden japa chanten (honderdduizend namen). Als we zo rekenen, zijn we nagenoeg allemaal gevallen. Maar omdat we de Allerhoogste Heer heel serieus en zonder dubbelhartigheid proberen te dienen, kunnen we de genade verwachten van Śrī Caitanya Mahāprabhu, die bekendstaat als patita-pāvana, de verlosser van de gevallenen.
Toen Śrīla Satyarāja Khān, een groot toegewijde van Śrī Caitanya Mahāprabhu, de Heer vroeg waaraan we een vaiṣṇava kunnen herkennen, antwoordde de Heer:
prabhu kahe, – “yāṅra mukhe śuni eka-bāra
kṛṣṇa-nāma, sei pūjya, – śreṣṭha sabākāra”
kṛṣṇa-nāma, sei pūjya, – śreṣṭha sabākāra”
‘Als je een persoon zelfs maar één keer het woord “Kṛṣṇa” hoort zeggen, moet die persoon worden aanvaard als de beste onder de gewone mensen.’ (Caitanya-caritāmṛta, Madhya 15.106) Heer Caitanya Mahāprabhu vervolgde:
“ataeva yāṅra mukhe eka kṛṣṇa-nāma
sei ta ’vaiṣṇava, kariha tāṅhāra sammāna”
sei ta ’vaiṣṇava, kariha tāṅhāra sammāna”
‘Wie geïnteresseerd is in het chanten van de heilige naam van Kṛṣṇa of het na oefening prettig vindt de namen van Kṛṣṇa te chanten, moet worden gezien als een vaiṣṇava en verdient alle respect, op zijn minst in gedachten.’ (Caitanya-caritāmṛta, Madhya 15.111) Een van onze vrienden, een beroemde Engelse muzikant, voelt zich aangetrokken tot de heilige namen van Kṛṣṇa. Hij heeft zelfs op zijn platen de heilige naam van Kṛṣṇa een aantal keren genoemd. Thuis brengt hij zijn eerbetuigingen aan afbeeldingen van Kṛṣṇa en ook aan de toegewijden die het Kṛṣṇa-bewustzijn verspreiden. Hij heeft in alle opzichten een diep respect voor de naam van Kṛṣṇa en Zijn activiteiten. We respecteren hem dan ook zonder terughoudendheid, omdat we zien dat deze gentleman geleidelijk aan vooruitgang maakt in Kṛṣṇa-bewustzijn. Zo iemand moeten we altijd respect betuigen. De conclusie is dan ook dat vaiṣṇava’s altijd iedereen moeten respecteren die vooruitgang probeert te maken in Kṛṣṇa-bewustzijn door regelmatig de heilige naam te chanten. We hebben echter ook gezien dat sommige van onze tijdgenoten — zogenaamd grote predikers — zijn teruggevallen in de materiële levensopvatting, omdat ze het chanten van de heilige naam van de Heer verzuimden.
Toen Heer Caitanya Mahāprabhu instructies aan Sanātana Gosvāmī gaf, onderscheidde Hij drie categorieën van devotionele dienst.
śāstra-yukti nāhi jāne dṛḍha, śraddhāvān
‘madhyama-adhikārī’ sei mahā-bhāgyavān
‘madhyama-adhikārī’ sei mahā-bhāgyavān
‘Iemand zonder toereikende kennis van de śāstra’s maar met een vast vertrouwen in het chanten van de Hare Krishna mahā-mantra en die zich niet laat ontmoedigen in het verrichten van zijn devotionele dienst moet als een madhyama-adhikārī worden beschouwd. Zo iemand is heel fortuinlijk.’ (Caitanya-caritāmṛta, Madhya 22.67) Een madhyama-adhikārī is een śraddhāvān, iemand met een onwankelbaar vertrouwen en iemand die werkelijk in aanmerking komt om verdere vooruitgang te maken in devotionele dienst. Daarom staat er in het Caitanya-caritāmṛta (Madhya 22.64):
śraddhāvān jana haya bhakti-adhikārī
‘uttama’, ‘madhyama’, ‘kaniṣṭha’ – śraddhā-anusārī
‘uttama’, ‘madhyama’, ‘kaniṣṭha’ – śraddhā-anusārī
‘De ontwikkeling van śraddhā [geloof, vertrouwen] bepaalt of een toegewijde zich kwalificeert voor het beginnersniveau, het tussenniveau of het hoogste niveau van devotionele dienst.’
‘śraddhā’-śabde – viśvāsa kahe sudṛḍha niścaya
kṛṣṇe bhakti kaile sarva-karma kṛta haya
kṛṣṇe bhakti kaile sarva-karma kṛta haya
‘“Door transcendentale dienst aan Kṛṣṇa te verrichten, worden ook alle ondergeschikte activiteiten vanzelf verricht.” Dit vaste geloof, deze overtuiging die bevorderlijk is voor devotionele dienst, wordt śraddhā genoemd.’ Śraddhā of geloof in Kṛṣṇa is het begin van Kṛṣṇa-bewustzijn. Geloof betekent een sterk geloof. De woorden in de Bhagavad-gītā zijn gezaghebbende instructies voor mensen met geloof en wat Kṛṣṇa ook in de Bhagavad-gītā zegt, moet worden aanvaard zoals het is, zonder interpretatie. Dat is de manier waarop Arjuna de Bhagavad-gītā aanvaardde. Nadat Arjuna de Bhagavad-gītā van Kṛṣṇa gehoord had, zei hij: sarvam etad ṛtaṁ manye yan māṁ vadasi keśava — ‘O Kṛṣṇa, alles wat Je me gezegd hebt, aanvaard ik volkomen.’ (Gītā 10.14)
Dat is de juiste manier om de Bhagavad-gītā te begrijpen en dat wordt śraddhā genoemd. Het is niet de bedoeling dat we bepaalde gedeelten van de Bhagavad-gītā volgens onze eigen willekeurige interpretaties aanvaarden en andere gedeelten verwerpen. Dat is geen śraddhā. Śraddhā betekent dat we de instructies van de Bhagavad-gītā in hun geheel aanvaarden en dan vooral de laatste instructie: sarva-dharmān parityajya mām ekaṁ śaraṇaṁ vraja — ‘Laat alle vormen van religie achter je en geef je alleen over aan Mij.’ (Gītā 18.66) Voor wie deze instructie volledig vertrouwt, wordt dit sterke geloof de basis voor vooruitgang in het spiritueel leven.
Wanneer we ons volledig toeleggen op het chanten van de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra, worden we ons geleidelijk aan bewust van onze spirituele identiteit. Maar tenzij we vol vertrouwen de Hare Kṛṣṇa-mantra chanten, zal Kṛṣṇa Zich niet laten zien: sevonmukhe hi jihvādau svayam eva sphuraty adaḥ. (Bhakti-rasāmṛta-sindhu 1.2.234) We kunnen ons niet kunstmatig bewust worden van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. We moeten ons oprecht toeleggen op de dienst aan de Heer. Zulke dienst begint met de tong (sevonmukhe hi jihvādau) en dat betekent dat we altijd de heilige naam van de Heer moeten chanten en kṛṣṇa-prasāda moeten aanvaarden. We zouden niets anders moeten chanten of aanvaarden. Wanneer deze methode oprecht wordt gevolgd, zal de Heer Zich aan de toegewijde onthullen.
Wie zich realiseert een eeuwige dienaar van Kṛṣṇa te zijn, verliest zijn interesse in alles behalve Kṛṣṇa’s dienst. Terwijl hij altijd aan Kṛṣṇa denkt en manieren verzint om de heilige naam van Kṛṣṇa te verspreiden, beseft hij dat het zijn enige taak is om de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn over de hele wereld te verbreiden. Zo iemand moet worden erkend als een uttama-adhikārī en we moeten zijn gezelschap onmiddellijk aanvaarden volgens de zes eerdergenoemde methoden (dadāti pratigṛhṇāti, enzovoort). Sterker nog, zo’n gevorderde uttama-adhikāri vaiṣṇava moet worden aanvaard als een spiritueel leraar. We moeten hem alles wat we bezitten aanbieden, want het voorschrift luidt dat men alles wat men bezit aan de spiritueel leraar moet geven. Zeker de brahmacārī wordt verondersteld bij anderen om aalmoezen te bedelen en deze aan zijn spiritueel leraar te geven. Maar we mogen het gedrag van een gevorderde toegewijde of mahā-bhāgavata niet imiteren zonder zelfgerealiseerd te zijn, want door zulke imitatie degenereren we uiteindelijk.
In dit vers adviseert Śrīla Rūpa Gosvāmī de toegewijde om verstandig genoeg te zijn en onderscheid te maken tussen de kaniṣṭha-adhikārī, madhyama-adhikārī en uttama-adhikārī. De toegewijde moet ook beseffen wat zijn eigen positie is en moet niet proberen een toegewijde te imiteren die zich op een hoger niveau bevindt. Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura heeft enkele praktische aanwijzingen gegeven die erop neerkomen dat een uttama-adhikārī vaiṣṇava herkend kan worden aan zijn vermogen om veel gevallen zielen te bekeren tot het vaiṣṇavisme. Zonder het niveau van uttama-adhikārī te hebben bereikt, zou niemand een spiritueel leraar moeten worden. Een beginnende vaiṣṇava of een vaiṣṇava op het tussenniveau kan ook discipelen aanvaarden, maar deze discipelen moeten zich op hetzelfde niveau bevinden en moeten beseffen dat ze onder zijn ontoereikende leiding niet zo goed vooruitgang kunnen maken naar het uiteindelijke doel van het leven. Een discipel moet er daarom goed op letten een uttama-adhikārī als spiritueel leraar te aanvaarden.