Nectar van Instructie 4

ददाति प्रतिगृह्णाति गुह्यमाख्याति पृच्छति ।
भुङ्क्ते भोजयते चैव षड्विधं प्रीतिलक्षणम् ॥ ४ ॥
dadāti pratigṛhṇāti
guhyam ākhyāti pṛcchati
bhuṅkte bhojayate caiva
ṣaḍ-vidhaṁ prīti-lakṣaṇam

Synonyms

dadātiis vrijgevig; pratigṛhṇātiaanvaardt op zijn beurt; guhyamvertrouwelijke onderwerpen; ākhyātilegt uit; pṛcchativraagt; bhuṅkteeet; bhojayatevoedsel geven; caook; evazeker; ṣaṭ-vidhamzes soorten; prītivan liefde; lakṣaṇamkenmerken.

Translation

Geschenken geven en geschenken aannemen, in vertrouwen van gedachten wisselen en vertrouwelijk vragen stellen, prasāda aanvaarden en prasāda aanbieden, dat zijn de zes kenmerken van liefde tussen toegewijden.

Purport

In dit vers legt Śrīla Rūpa Gosvāmī uit hoe we in het gezelschap van andere toegewijden devotionele activiteiten moeten verrichten. Er zijn zes soorten activiteiten: (1) toegewijden geschenken geven; (2) van toegewijden aannemen wat ze ook maar teruggeven; (3) vertrouwelijk van gedachten wisselen met toegewijden; (4) vragen aan hen stellen over vertrouwelijke dienst aan de Heer; (5) prasāda of spiritueel voedsel eren dat de toegewijden geven en (6) toegewijden prasāda aanbieden. Een ervaren toegewijde geeft uitleg aan een onervaren toegewijde, die zo van hem leert. Dit is guhyam ākhyāti pṛcchati. Wanneer een toegewijde prasāda (de overblijfselen van het voedsel dat aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is geofferd) uitdeelt, dan moeten we, om onze devotionele mentaliteit te behouden, deze prasāda aanvaarden als de genade van de Heer die we ontvangen via de zuivere toegewijden. Ook zouden we de zuivere toegewijden thuis moeten uitnodigen om hen prāsada te geven en hen in alle opzichten tevreden te stellen. Dit wordt bhuṅkte bhojayate caiva genoemd.
Zelfs in de gewone, alledaagse omgang zijn deze zes soorten uitwisselingen tussen twee dierbare vrienden absoluut noodzakelijk. Als een zakenman bijvoorbeeld contact wil leggen met een andere zakenman, zorgt hij voor een feestmaal in een hotel en tijdens die maaltijd maakt hij vrijuit zijn plannen kenbaar. Hij vraagt zijn zakenvriend om raad en soms worden er geschenken uitgewisseld. Zodra er dus sprake is van uitwisselingen van prīti of liefde, dan vinden deze zes activiteiten plaats.

In het vorige vers adviseerde Śrīla Rūpa Go­svāmī dat we wereldse omgang moeten opgeven en in het gezelschap van toegewijden moeten blijven (saṅga-tyāgāt sato vṛtteḥ). De Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn is opgericht om deze zes soorten van liefdevolle uitwisselingen tussen toegewijden mogelijk te maken. Deze gemeenschap werd eigenhandig opgericht, maar omdat verschillende mensen zich aanmelden en het idee van geven en nemen steunen, breidt de gemeenschap zich nu steeds verder uit over de hele wereld. We zijn blij met de royale donaties van mensen voor het ontwikkelen van de activiteiten van de gemeenschap en mensen accepteren graag onze nederige giften in de vorm van onze boeken en tijdschriften, die uitsluitend over het Kṛṣṇa-bewustzijn gaan. Soms organiseren we Hare Kṛṣṇa-festivals en nodigen we leden en vrienden uit om tijdens feestmaaltijden prasāda te aanvaarden. Hoewel de meeste van onze leden uit de hogere kringen van de samenleving komen, komen ze toch en accepteren ze de prasāda die wij hun kunnen aanbieden. Soms stellen leden en sympathisanten vertrouwelijke vragen over het verrichten van devotionele dienst en wij proberen die dan te beantwoorden. Zo verspreidt de beweging zich met succes over de hele wereld en langzamerhand beginnen de intellectuelen van alle landen onze Kṛṣṇa-bewuste activiteiten te waarderen. Deze zes soorten van liefdevolle uitwisselingen tussen leden onderling zijn de levensadem voor de gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn. Mensen moeten daarom in de gelegenheid worden gesteld om met iskcon-toegewijden om te gaan, want eenvoudig door de bovengenoemde zes uitwisselingen kan een gewoon mens zijn sluimerende Kṛṣṇa-bewustzijn volledig opwekken. In de Bhagavad-gītā (2.62) staat: saṅgāt sañjāyate kāmaḥ — iemands verlangens en ambities ontwikkelen zich naar gelang het gezelschap waarin hij of zij zich bevindt. Er wordt wel gezegd: ‘Zeg mij wie je vrienden zijn en ik zal je zeggen wie je bent.’ Een gewoon mens die met toegewijden omgaat, zal ongetwijfeld zijn sluimerend Kṛṣṇa-bewustzijn opwekken. Kṛṣṇa-bewustzijn is van nature in ieder levend wezen aanwezig en is al tot op zekere hoogte ontwikkeld wanneer het levend wezen een menselijk lichaam aanneemt. In het Caitanya-caritāmṛta (Madhya 22.107) staat:
nitya-siddha kṛṣṇa-prema ‘sādhya’ kabhu naya
śravaṇādi-śuddha-citte karaye udaya
‘Zuivere liefde voor Kṛṣṇa is eeuwig verankerd in de harten van de levende wezens. Deze hoeft nergens anders te worden verkregen. Is het hart door horen en chanten eenmaal gezuiverd, dan zal deze liefde vanzelf ontwaken.’ Omdat Kṛṣṇa-bewustzijn inherent is aan elk levend wezen, moet iedereen de kans krijgen om over Kṛṣṇa te horen. Door eenvoudig te horen en te chanten — śravaṇaṁ kīrta­nam — zuiveren we direct ons hart en zal ons oorspronkelijke Kṛṣṇa-bewustzijn onmiddellijk ontwaken. Kṛṣṇa-bewustzijn kan niet kunstmatig aan het hart worden opgedrongen, want het is daar al aanwezig. Wanneer we de heilige naam van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods chanten, wordt ons hart gezuiverd van alle wereldse besmetting. In het eerste couplet van Zijn Śrī Śikṣāṣṭaka zegt Heer Śrī Caitanya Mahāprabhu:
ceto-darpaṇa-mārjanam bhava-mahā-dāvāgni-nirvāpaṇaṁ
śreyaḥ-kairava-candrikā-vitaraṇaṁ vidyā-vadhū-jīvanam
ānandāmbudhi-vardhanaṁ prati-padaṁ pūrṇāmṛtāsvādanaṁ
sarvātma-snapanaṁ paraṁ vijayate śrī-kṛṣṇa-saṅkīrtanam
‘Alle eer aan Śrī Kṛṣṇa saṅkīrtana, die het hart zuivert van al het stof dat zich daar jarenlang heeft opgehoopt en die het vuur dooft van ons geconditio­neerde leven van herhaalde geboorte en dood. Deze saṅkīrtana-beweging is de allerhoogste zegening voor de hele mensheid, want zij verspreidt de stralengloed van de zegenrijke Maan. Zij geeft leven aan alle transcendentale kennis en zorgt ervoor dat de oceaan van transcendentale gelukzaligheid al maar toeneemt. Zij laat ons met diepe teugen proeven van de nectar waarnaar we altijd verlangen.’
Niet alleen degene die de mahā-mantra chant, wordt gezuiverd maar ook het hart van iedereen die toevallig het transcendentale geluid van Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare/ Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare hoort. Zelfs de zielen in lichamen van lagere dieren, insecten, bomen of andere levenssoorten worden door eenvoudig dat transcendentale geluid te horen gezuiverd en voorbereid om volledig Kṛṣṇa-bewust te worden. Ṭhākura Haridāsa legde dit uit toen Caitanya Mahāprabhu hem vroeg hoe levende wezens in levensvormen lager dan de menselijke uit hun materiële gebondenheid kunnen worden bevrijd. Haridāsa Ṭhākura zei dat het chanten van de heilige namen zo krachtig is, dat zelfs al chant iemand in de meest afgelegen delen van de jungle, de bomen en de dieren vooruitgang zullen maken in Kṛṣṇa-bewustzijn door eenvoudig dat transcendentale geluid te horen. Śrī Caitanya Mahāprabhu bewees dit Zelf toen Hij door het woud van Jhārikhaṇḍa trok: alle tijgers, slangen, herten en alle andere dieren lieten hun natuurlijke vijandigheid varen en zongen en dansten in saṅkīrtana.
Natuurlijk mogen wij de activiteiten van Śrī Caitanya Mahāprabhu niet imiteren, maar moeten we in Zijn voetspoor volgen. Wij missen het vermogen om lagere dieren, zoals tijgers, slangen, katten en honden zo te betoveren of over te halen dat ze gaan dansen, maar door de heilige namen van de Heer te chanten, kunnen we wel veel mensen over de hele wereld overhalen het Kṛṣṇa-bewustzijn te accepteren. Het bijdragen of verspreiden van de heilige naam van de Heer is een subliem voorbeeld van een bijdrage leveren of liefdadigheid verrichten (het dadāti-principe). Zo moeten we ook het pratigṛhṇāti-principe volgen en bereid zijn het transcendentale geschenk te aanvaarden. We zouden navraag moeten doen naar de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn en met een open geest de situatie in de materiële wereld moeten proberen te begrijpen. Op die manier kunnen de principes van guhyam ākhyāti pṛcchati worden toegepast.

De leden van de Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn nodigen iedere zondag leden en sympathisanten uit om met hen te dineren tijdens de feestelijke bijeenkomsten die er op die dag in alle tempels of vestigingen worden gehouden. Vele geïnteresseerden komen dan om prasāda te eren en zodra ze de gelegenheid krijgen om leden van de gemeenschap bij hen thuis uit te nodigen, voorzien ze hen vervolgens rijkelijk van prasāda. Zo hebben zowel de leden van de gemeenschap als geïnteresseerde toehoorders er voordeel van.

Mensen zouden alle omgang met zogenaamde yogī ’s, jñānī ’s, karmī ’s en filantropen moeten opgeven, want zulk gezelschap is voor niemand goed. Als we echt het doel van het menselijk leven willen bereiken, moeten we met de toegewijden van de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn omgaan, want dat is de enige beweging die leert hoe we liefde voor God kunnen ontwikkelen. Religiositeit is typisch voor de menselijke samenleving en is bepalend voor het onderscheid tussen mensen en dieren. Dieren hebben geen kerk, moskee of religieus systeem. Maar in alle delen van de wereld is er wel een of andere religie aanwezig, hoe onderdrukt de mensen er ook zijn. Zelfs inboorlingen die in de jungle in stamverband leven, hebben een religie. Wanneer een religieus systeem tot liefde voor God leidt, is het succesvol. In het eerste canto van het Śrīmad-Bhāgavatam (1.2.6) staat:
sa vai puṁsāṁ paro dharmo
yato bhaktir adhokṣaje
ahaituky apratihatā
yayātmā suprasīdati
‘De allerhoogste bezigheid [dharma] voor de hele mensheid is die waardoor men liefdevolle devotio­nele dienst aan de transcendentale Heer bereikt. Zulke devotionele dienst moet belangeloos en ononderbroken zijn om het zelf volledig tevreden te stellen.’
Wil de menselijke samenleving tot gemoedsrust, kalmte en vriendelijke relaties tussen mensen en landen komen, dan moet ze het religieuze systeem van het Kṛṣṇa-bewustzijn volgen. Hierdoor kunnen mensen hun sluimerende liefde voor Kṛṣṇa, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, ontwikkelen. Zodra ze dit doen, wordt hun geest onmiddellijk vredig en kalm.
Op dit punt waarschuwt Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura alle toegewijden die de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn verspreiden om niet te spreken met impersonalisten, of māyāvādī ’s, die altijd vastberaden weerstand bieden aan theïstische bewegingen. De wereld is vol māyāvādī ’s en atheïsten en politieke partijen over de hele wereld trekken profijt uit deze māyāvāda-filosofie en andere atheïstische filosofieën om het materialisme te promoten. Soms steunen ze zelfs een sterke partij om zo het Kṛṣṇa-bewustzijn tegen te werken.

De māyāvādī ’s en andere atheïsten willen niet dat de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn zich ontwikkelt, omdat zij mensen kennis geeft over godsbewustzijn. Dat is het beleid van atheïsten. Het heeft geen zin om een slang melk en bananen te geven, want de slang zal nooit tevreden zijn. Integendeel, door melk en bananen wordt de slang alleen maar giftiger (kevalaṁ viṣa-vardhanamCāṇakya-sūtra 107). Als je een slang melk te drinken geeft, neemt het gif alleen maar toe. Om dezelfde reden moeten we de slangachtige māyāvādī ’s en karmī ’s niet in vertrouwen nemen. Zulk vertrouwen helpt niemand. Het is het beste om hun gezelschap volledig te mijden en hun nooit iets vertrouwelijks te vragen, want ze zijn niet in staat om goed advies te geven.

Ook moeten we geen māyāvādī ’s en atheïsten uitnodigen of uitnodigingen van hen aanvaarden, want door zulke vrije omgang zouden we negatief beïnvloed kunnen raken door hun atheïstische mentaliteit (saṅgāt sañjāyate kāmaḥGītā 2.62). Het negatieve gebod in dit vers is dat we māyāvādī ’s en atheïsten niets moeten aanbieden en niets van hen moeten aanvaarden. Śrī Caitanya Mahāprabhu heeft ons hier ook voor gewaarschuwd: viṣayīra anna khāile duṣṭa haya mana — ‘Voedsel eten dat door wereldse mensen is bereid, bederft de geest.’ Alleen iemand die zeer gevorderd is, kan ieders bijdrage gebruiken om de belangen van de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn te behartigen, anderen niet. Daarom moeten we in principe geen giften van māyāvādī ’s en atheïsten aanvaarden. Sterker nog, Śrī Caitanya Mahāprabhu heeft toegewijden verboden om te gaan met gewone mensen die te verslaafd zijn aan materiële zinsbevrediging.
De conclusie is dat we altijd voor het gezelschap van toegewijden moeten kiezen, de regulerende devotionele principes moeten naleven, het voetspoor van de ācārya’s moeten volgen en in volledige gehoorzaamheid de opdrachten van de spiritueel leraar moeten uitvoeren. Op die manier zullen we onze devotionele dienst en ons sluimerend Kṛṣṇa-bewustzijn kunnen ontwikkelen. Van een toegewijde die geen beginneling is en evenmin een mahā-bhāgavata (een zeer gevorderde toegewijde), maar die zich op het middenniveau van devotionele dienst bevindt, valt te verwachten dat hij de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods liefheeft, vriendschap sluit met toegewijden, onwetenden begunstigt en afgunstigen en demonen verwerpt.

In dit vers wordt kort iets gezegd over hoe we tot liefdevolle uitwisselingen met de Aller­hoogste Persoonlijkheid Gods kunnen komen en vriendschap met toegewijden kunnen sluiten. Volgens het dadāti-principe wordt van een gevorderde toegewijde verwacht dat hij ten minste vijftig procent van zijn inkomen besteedt aan het dienen van de Heer en Zijn toegewijden. Śrīla Rūpa Gosvāmī gaf hiervan tijdens zijn leven het voorbeeld. Toen hij besloot zich uit het actieve bestaan terug te trekken, maakte hij vijftig procent van zijn spaargeld vrij voor dienst aan Kṛṣṇa en gaf hij vijfentwintig procent aan zijn familieleden; zelf hield hij vijfentwintig procent voor persoonlijke noodgevallen. Alle toegewijden zouden dit voorbeeld moeten volgen. Wat iemands inkomen ook is, vijftig procent daarvan moet worden besteed ten behoeve van Kṛṣṇa en Zijn toegewijden. Op die manier voldoen we aan het dadāti-principe.
In de volgende tekst laat Śrīla Rūpa Gosvāmī ons zien welke soort vaiṣṇava we als vriend moeten kiezen en hoe we de vaiṣṇava’s moeten dienen.