Nectar van Instructie 3

उत्साहान्निश्चयाद्धैर्यात्तत्तत्कर्मप्रवर्तनात् ।
सङ्गत्यागात्सतो वृत्तेः षड्भिर्भक्तिः प्रसिध्यति ॥ ३ ॥
utsāhān niścayād dhairyāt
tat-tat-karma-pravartanāt
saṅga-tyāgāt sato vṛtteḥ
ṣaḍbhir bhaktiḥ prasidhyati

Synonyms

utsāhātdoor enthousiasme; niścayātdoor vertrouwen; dhairyātdoor geduld; tat-tat-karmaverschillende activiteiten die gunstig zijn voor devotionele dienst; pravartanātdoor het verrichten; saṅga-tyāgātdoor de omgang met niet-toegewijden op te geven; sataḥvan de grote voorgaande ācārya’s; vṛtteḥdoor het volgen van de voetsporen; ṣaḍbhiḥdoor deze zes; bhaktiḥdevotionele dienst; prasidhyatiwordt bevorderd of wordt succesvol.

Translation

Zes principes zijn bevorderlijk voor zuivere devotionele dienst: (1) enthousiasme, (2) zich vol vertrouwen inspannen, (3) geduld, (4) handelen in overeenstemming met regulerende principes [zoals śravaṇaṁ kīrtanaṁ viṣṇoḥ smaraṇam — het horen over, verheerlijken en zich herinneren van Kṛṣṇa], (5) het gezelschap van niet-toegewijden opgeven en (6) in de voetsporen van de voorgaande ācārya’s treden. Zonder twijfel verzekeren deze zes principes het volledige succes van zuivere devotionele dienst.

Purport

Devotionele dienst is geen kwestie van sentimentele speculatie of fantasie-extase. Praktische activiteit is de substantie van devotionele dienst. Śrīla Rūpa Gosvāmī geeft in zijn Bhakti-rasāmṛta-sindhu (1.1.11) de volgende definitie van devotionele dienst:
anyābhilāṣitā-śūnyaṁ
jñāna-karmādy-anāvṛtam
ānukūlyena kṛṣṇānu-
śīlanaṁ bhaktir uttamā
Uttamā bhakti of onvermengde devotie voor de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Śrī Kṛṣṇa, betekent devotionele dienst verrichten op een manier die gunstig is voor de Heer. Deze devotionele dienst moet vrij zijn van alle onzuivere motivaties en van resultaatgericht karma, impersonalistische jñāna en alle andere zelfzuchtige verlangens.’
Bhakti is een kwestie van cultiveren. En het woord ‘cultiveren’ verwijst natuurlijk naar een activiteit. Spiritualiteit cultiveren betekent niet stilzitten en mediteren, zoals sommige pseudo-yogī ’s leren. Zulke passieve meditatie is misschien goed voor wie geen kennis heeft over devotionele dienst en wordt om die reden soms aangeraden als een methode om afleidende materialistische activiteiten te stoppen. Meditatie betekent dat we even alle onzinnige activiteiten stoppen. Devotionele dienst beëindigt echter niet alleen alle onzinnige wereldse activiteiten, maar betrekt iemand ook in betekenisvolle devotionele activiteiten. Śrī Prahlāda Mahārāja geeft dit advies:
śravaṇaṁ kīrtanaṁ viṣṇoḥ
smaraṇaṁ pāda-sevanam
arcanaṁ vandanaṁ dāsyaṁ
sakhyam ātma-nivedanam
Devotionele dienst heeft negen onderdelen:
1. horen over de naam en glorie van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods;
2. bezingen van Zijn roem;
3. denken aan de Heer en zich Hem herinneren;
4. dienen van de voeten van de Heer;
5. vereren van de Beeldgedaante op het altaar;
6. eerbetuigingen brengen aan de Heer;
7. handelen als dienaar van de Heer;
8. vriendschap sluiten met de Heer;
9. zich volledig overgeven aan de Heer
Śravaṇam of horen is de eerste stap in het verwerven van transcendentale kennis. In plaats van naar onbevoegde personen te luisteren, moeten we de juiste persoon benaderen, zoals in de Bhagavad-gītā (4.34) wordt aangeraden:
tad viddhi praṇipātena
paripraśnena sevayā
upadekṣyanti te jñānaṁ
jñāninas tattva-darśinaḥ
‘Probeer de waarheid te begrijpen door een spiritueel leraar te benaderen. Stel hem in alle nederigheid vragen en wees hem dienstbaar. De zelfgerealiseerde zielen kunnen kennis aan je overdragen, omdat ze de waarheid hebben gezien.’
Verder geeft de Muṇḍaka Upaniṣad (1.2.12) het volgende advies: tad-vijñānārthaṁ sa gurum evābhi­gacchet — ‘Om die transcendentale wetenschap te begrijpen, moet men een betrouwbare spiritueel leraar benaderen.’ Deze methode om op een nederige manier vertrouwelijke, transcendentale kennis te ontvangen is dus niet gebaseerd op mentale speculatie. Śrī Caitanya Mahāprabhu zei hierover tegen Rūpa Gosvāmī:
brahmāṇḍa bhramite kona bhāgyavān jīva
guru-kṛṣṇa-prasāde pāya bhakti-latā-bīja
‘Door de genade van guru en Kṛṣṇa is het mogelijk dat een fortuinlijke ziel tijdens het doorkruisen van de kosmische schepping van heer Brahmā de bhakti-latā of de kiem van de klimplant van devotionele dienst ontvangt.’ (Caitanya-caritāmṛta, Madhya 19.151)

De materiële wereld is een plaats waar levende wezens, die van nature ānandamaya zijn of altijd op zoek naar plezier, worden opgesloten. Eigenlijk willen ze vrij zijn van de beperkingen van deze wereld van voorwaardelijk geluk, maar omdat ze de methode om bevrijd te worden niet kennen, zijn ze gedwongen om van de ene levenssoort naar de andere en van de ene planeet naar de andere te reïncarneren. Zo dolen de levende wezens door heel het materiële universum. Pas wanneer we fortuinlijk genoeg zijn om in contact te komen met een zuivere toegewijde en geduldig naar hem luisteren, begint ons pad van devotionele dienst. Wie oprecht is, krijgt zo’n kans. De Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn geeft de hele menselijke samenleving zo’n kans. Hebben we het geluk deze kans op devotionele dienst aan te grijpen, dan ligt het pad van bevrijding onmiddellijk voor ons open.
Deze kans om terug te keren naar huis, terug naar God, zouden we met groot enthousiasme moeten aangrijpen. Zonder enthousiasme bereikt niemand succes. Zelfs in de materiële wereld vereist succes in een bepaalde vaardigheid veel enthousiasme. Een student, zakenman, kunstenaar of wie dan ook die ergens succes in wil behalen, moet heel enthousiast zijn. Zulk enthousiasme is dus ook nodig voor devotionele dienst. En enthousiasme betekent activiteit. Maar activiteit voor wie? Het antwoord is dat we altijd actief moeten zijn voor Kṛṣṇa: kṛṣṇārthā­khila-ceṣṭā (Bhakti-rasāmṛta-sindhu).
In alle levensfasen moeten we onder leiding van de spiritueel leraar devotionele activiteiten verrichten om volmaaktheid te bereiken in bhakti-yoga. Het is niet zo dat we onze activiteiten hoeven te beperken of in te dammen. Kṛṣṇa is alomtegenwoordig. En daarom is niets onafhankelijk van Hem. In de Bhagavad-gītā (9.4) zegt Kṛṣṇa Zelf:
mayā tatam idaṁ sarvaṁ
jagad avyakta-mūrtinā
mat-sthāni sarva-bhūtāni
na cāhaṁ teṣv avasthitaḥ
‘In Mijn ongemanifesteerde vorm doordring Ik dit hele universum. Alle wezens bevinden zich in Mij, maar ik ben niet in hen.’ Onder leiding van een betrouwbare spiritueel leraar moeten we zorgen dat alles gunstig is voor dienst aan Kṛṣṇa. Op dit moment gebruik ik bijvoorbeeld een dicteerapparaat. De materialist die deze machine heeft uitgevonden, had zakenmensen of schrijvers van wereldse onderwerpen voor ogen. Hij heeft er beslist nooit aan gedacht de dictafoon in dienst aan God te gebruiken, maar wij gebruiken hem om Kṛṣṇa-bewuste literatuur te schrijven. Het fabriceren van een dictafoon is natuurlijk iets wat geheel binnen de energie van Kṛṣṇa plaatsvindt. Alle onderdelen van het apparaat, inclusief de elektronica, zijn gemaakt van verschillende combinaties en interacties van de vijf grondtypen van de materiële energie, namelijk: bhūmi [aarde], jala [water], agni [vuur], vāyu [lucht] en ākāśa [ether]. De uitvinder heeft zijn brein gebruikt om deze gecompliceerde machine te maken, en zijn brein en ook de ingrediënten werden geleverd door Kṛṣṇa. Kṛṣṇa zegt Zelf: mat-sthāni sarva-bhūtāni (Gītā 9.4) — ‘Alles berust op Mijn energie.’ Zo beseft een toegewijde dat alles in dienst aan Kṛṣṇa moet worden gebruikt, omdat alles afhankelijk is van Zijn energie.
Inspanning in combinatie met intelligentie in Kṛṣṇa-bewustzijn wordt utsāha genoemd of enthousiasme. Toegewijden weten hoe ze alles op de juiste manier in dienst aan de Heer kunnen gebruiken (nirbandhaḥ kṛṣṇa-sambandhe yuktaṁ vairāgyam ucyate). Devotionele dienst is niet een kwestie van passieve meditatie maar van praktische activiteit op de voorgrond van spiritueel leven.
Zulke activiteiten moeten vol geduld worden uitgevoerd. In Kṛṣṇa-bewustzijn is het niet goed om ongeduldig te zijn. Sterker nog, deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn werd eigenhandig gestart en eerst was er geen respons, maar omdat we onze devotionele activiteiten geduldig hebben voortgezet, begonnen mensen langzaam maar zeker het belang van deze beweging in te zien en nu nemen ze enthousiast deel. Ongeduld past niet bij devotionele dienst. We moeten de instructies van de spiritueel leraar aanvaarden, deze geduldig uitvoeren en op de genade van guru en Kṛṣṇa vertrouwen. Voor succes in Kṛṣṇa-bewuste activiteiten is zowel geduld als vertrouwen nodig. Een pasgetrouwd meisje verwacht natuurlijk kinderen van haar echtgenoot, maar ze kan die niet gelijk na haar bruiloft verwachten. Zodra ze getrouwd is kan ze proberen een kind te krijgen, maar ze zal zich aan haar echtgenoot moeten overgeven en erop moeten vertrouwen dat haar kind zich zal ontwikkelen en uiteindelijk geboren zal worden. Zo betekent overgave in devotionele dienst ook dat we vertrouwen moeten ontwikkelen. De toegewijde denkt: ‘avaśya rakṣibe kṛṣṇa — Kṛṣṇa zal me zeker beschermen en me helpen mijn devotionele dienst succesvol te maken.’ Dit wordt vertrouwen genoemd.
Zoals eerder uitgelegd, moeten we niet passief zijn maar juist heel enthousiast de regulerende principes volgen — tat-tat-karma-pravartanāt. Regulerende principes veronachtzamen vernietigt devotionele dienst. In deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn zijn er vier fundamentele regulerende principes die vrije seks, vleeseten, gokken en het gebruik van opwekkende en verdovende middelen verbieden. Een toegewijde moet deze principes heel enthousiast volgen. Wordt hij laks in het volgen van om het even welk van deze principes, dan zal zijn vooruitgang zeker stagneren. Śrīla Rūpa Gosvāmī ’s advies is dan ook: tat-tat-karma-pravartanāt — ‘Men moet de regulerende principes van vaidhī-bhakti strikt navolgen.’ Naast deze verboden (yama) zijn er ook positieve regulerende principes (niyama), zoals dagelijks zestien ronden chanten op een japa-mālā (meditatiesnoer). Deze regulerende activiteiten moeten oprecht en met enthousiasme worden verricht. Dat wordt tat-tat-karma-pravartanāt genoemd of gevarieerde bezigheden in devotionele dienst.
Voor succes in devotionele dienst moeten we verder het gezelschap van ongewenste mensen opgeven, inclusief karmī ’s, jñānī ’s, yogī ’s en andere niet-toegewijden. Een van de getrouwde toegewijden van Śrī Caitanya Mahāprabhu vroeg Hem eens naar de algemene principes van het vaiṣṇavisme en naar de algemene dagelijkse activiteiten van een vaiṣṇava. Śrī Caitanya Mahāprabhu antwoordde onmiddellijk: asat-saṅga-tyāga, ei vaiṣṇava-ācāra — ‘Voor een vaiṣṇava is het kenmerkend om het gezelschap van wereldse mensen of niet-toegewijden op te geven’ (Caitanya-caritāmṛta, Madhya 22.87). Śrīla Narottama dāsa Ṭhākura raadde daarom het volgende aan: tāṅdera caraṇa sevi bhakta-sane vāsa — men moet samenleven met zuivere toegewijden en de regulerende principes naleven die bepaald zijn door de voorgaande ācārya’s, de Zes Gosvāmī ’s (Śrī Rūpa Gosvāmī, Śrī Sanātana Gosvāmī, Śrī Jīva Gosvāmī, Śrī Raghunātha dāsa Gosvāmī, Śrī Gopāla Bhaṭṭa Gosvāmī en Śrī Raghunātha Bhaṭṭa Gosvāmī). Als we met toegewijden samenleven, is er nauwelijks de gelegenheid om met niet-toegewijden om te gaan. De Internationale Gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn opent vele centra alleen maar om mensen uit te nodigen met toegewijden samen te leven en de regulerende principes van het spiritueel leven te beoefenen.
Devotionele dienst betekent transcendentale activiteit. Op het transcendentale niveau raken we niet besmet door de drie hoedanigheden van de materiële natuur. Dat wordt viśuddha-sattva genoemd, het niveau van zuivere goedheid of goedheid die onaangetast is door de hoedanigheden hartstocht en onwetendheid. In deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn vragen we iedereen vroeg op te staan, rond vier uur, en de maṅgala-ārati of de ochtenddienst bij te wonen en daarna het Śrīmad-Bhāgavatam te lezen, kīrtana te houden, enzovoort. Dagelijks verrichten we zo doorlopend, vierentwintig uur per dag, activiteiten in Kṛṣṇa-bewustzijn. Dat wordt sato vṛtti genoemd: in de voetstappen volgen van voorgaande ācārya’s, die bekwaam al hun tijd besteedden aan Kṛṣṇa-bewuste activiteiten.
Als we Śrīla Rūpa Gosvāmī ’s advies in dit vers opvolgen — enthousiast zijn, vertrouwen hebben, geduldig zijn, omgang met ongewenste personen opgeven, regulerende principes volgen en in het gezelschap van toegewijden blijven — zullen we beslist vooruitgang maken in devotionele dienst. Op dit punt merkt Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura op dat kennis cultiveren door filosofische speculatie, materiële rijkdom vergaren door resultaatgerichte activiteiten en verlangen naar materiële volmaaktheden (yoga-siddhi’s) allemaal in strijd zijn met de principes van devotionele dienst. We moeten volkomen ongevoelig worden voor zulke tijdelijke activiteiten en in plaats daarvan onze aandacht richten op de regulerende principes van devotionele dienst. De Bhagavad-gītā (2.69) zegt:
yā niśā sarva-bhūtānāṁ
tasyāṁ jāgarti saṁyamī
yasyāṁ jāgrati bhūtāni
sā niśā paśyato muneḥ
‘Wat nacht is voor alle levende wezens, is de tijd van ontwaken voor iemand met zelfbeheersing. En wat voor alle wezens de tijd van ontwaken is, is nacht voor de wijze die bezig is met zelfbeschouwing.’
Activiteiten verrichten in devotionele dienst aan de Heer is de ziel en zaligheid van het levend wezen. Het is het verlangde doel en de ultieme vervolmaking van het menselijk leven. Hiervan moeten we overtuigd raken. En we moeten er ook van overtuigd raken dat alle activiteiten buiten devotionele dienst, zoals theoretische speculatie, resultaatgericht werk en mystieke inspanningen, nooit enig blijvend voordeel zullen opleveren. Door volledig op het pad van devotionele dienst te vertrouwen, bereiken we ons verlangde doel, maar pogingen om andere paden te volgen maken ons alleen maar rusteloos. In het zevende canto van het Śrīmad-Bhāgavatam staat: ‘Men moet met kalme overtuiging inzien dat zij die devotionele dienst hebben opgegeven om voor andere doeleinden strenge ascese te beoefenen, ondanks hun gevorderde ascese geen zuivere geest hebben, want ze hebben geen kennis over de transcendentale liefdedienst aan de Heer.’
In het zevende canto staat verder: ‘Hoewel personen die speculeren en resultaatgerichte activiteiten verrichten, serieuze ascese beoefenen, zullen ze alsnog ten val komen, omdat ze geen kennis hebben over de lotusvoeten van de Heer.’ Maar de toegewijden van de Heer komen nooit ten val. De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods stelt Arjuna in de Bhagavad-gītā (9.31) gerust dat Zijn toegewijde nooit vergaat: kaunteya pratijānīhi na me bhaktaḥ praṇaśyati — ‘O zoon van Kuntī, maak het alom bekend dat Mijn toegewijde nooit zal vergaan.’
En in de Bhagavad-gītā (2.40) zegt Kṛṣṇa ook:
nehābhikrama-nāśo ’sti
pratyavāyo na vidyate
svalpam apy asya dharmasya
trāyate mahato bhayāt
‘Dit streven kent geen verlies en geen vermindering en een kleine vooruitgang op dit pad kan iemand voor het grootste gevaar behoeden.’
Devotionele dienst is zo zuiver en volmaakt, dat wanneer we er eenmaal mee beginnen, we onvermijdelijk worden meegesleept naar ons uiteindelijk succes. Soms ziet iemand af van zijn gewone materiële activiteiten en neemt uit een soort sentiment zijn toevlucht tot de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer en begint met zijn voorlopige devotionele dienst. Zelfs al komt zo’n onvolledig ontwikkelde toegewijde ten val, dan nog heeft hij niets verloren. Maar wat winnen we als we overeenkomstig onze varṇa en āśrama wel onze voorgeschreven plichten verrichten, maar ons niet toeleggen op devotionele dienst? Hoewel een gevallen toegewijde in zijn volgend leven in een familie van lage afkomst kan worden geboren, zal hij zijn devotionele dienst toch weer opnemen waar hij was geëindigd. Devotionele dienst is ahaituky apratihatā: deze wordt door geen enkele materiële oorzaak veroorzaakt en kan ook door geen enkele materiële oorzaak worden beëindigd of voorgoed door materiële onderbrekingen worden beperkt. Een toegewijde moet daarom vol vertrouwen zijn bezigheden uitvoeren en niet te veel interesse hebben in wat karmī ’s, jñānī ’s en yogī ’s doen.
Mensen die resultaatgerichte activiteiten verrichten of filosofisch speculeren of mystieke vermogens proberen te krijgen, hebben zeker veel goede eigenschappen, maar in een toegewijde ontwikkelen alle goede eigenschappen zich vanzelf, zonder extra inspanningen. Het Śrīmad-Bhāgavatam (5.18.12) bevestigt dat alle goede eigenschappen van de halfgoden zich geleidelijk aan manifesteren in iemand die zuivere devotionele dienst heeft ontwikkeld. Omdat een toegewijde geen interesse heeft voor welke materiële activiteit dan ook, raakt hij niet onzuiver door zijn contact met materie. Hij leeft onmiddellijk op een transcendentaal niveau. Maar wie zich met materiële activiteiten bezighoudt — of hij nu een zogenaamde jñānī, yogī, karmī, filantroop, nationalist of wat dan ook is — kan het hogere niveau van mahātmā niet bereiken. Hij blijft een durātmā, iemand met een kreupele geest. De Bhagavad-gītā (9.13) zegt:
mahātmānas tu māṁ pārtha
daivīṁ prakṛtim āśritāḥ
bhajanty ananya-manaso
jñātvā bhūtādim avyayam
‘O zoon van Pṛthā, zij die niet misleid zijn, de grote zielen, worden door de goddelijke natuur beschermd. Ze zijn voortdurend en uitsluitend bezig met devotionele dienst, omdat ze Me kennen als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, die oorspronkelijk en onuitputtelijk is.’
Omdat alle toegewijden van de Heer onder de bescherming van Zijn allerhoogste energie leven, moeten ze niet van het pad van devotionele dienst afwijken om zich toe te leggen op het pad van de karmī, jñānī of yogī. Dit wordt utsāhān niścayād dhairyāt tat-tat-karma-pravartanāt genoemd: met enthousiasme, geduld en vertrouwen de regulerende activiteiten van devotionele dienst verrichten. Op die manier kunnen we ongehinderd vooruitgang maken in devotionele dienst.