Nectar van Instructie 2

अत्याहारः प्रयासश्च प्रजल्पो नियमाग्रहः ।
जनसङ्गश्च लौल्यं च षड्भिर्भक्तिर्विनश्यति ॥ २ ॥
atyāhāraḥ prayāsaś ca
prajalpo niyamāgrahaḥ
jana-saṅgaś ca laulyaṁ ca
ṣaḍbhir bhaktir vinaśyati

Synonyms

ati-āhāraḥoverdadig eten of te veel vergaren; prayāsaḥzich te veel inspannen; caen; prajalpaḥzinloos praten; niyamaregels en bepalingen; āgrahaḥte gehecht zijn aan (of agrahaḥ — te veel onachtzaamheid); jana-saṅgaḥomgang met wereldse mensen; caen; laulyamhevig verlangen of hebzucht; caen; ṣaḍbhiḥdoor deze zes; bhaktiḥdevotionele dienst; vinaśyatiis vernietigd.

Translation

Iemands devotionele dienst raakt ontwricht door te grote verstrikking in zes activiteiten: (1) meer eten of meer geld verzamelen dan nodig is; (2) zich overdreven inspannen voor wereldse zaken die bijzonder moeilijk te bereiken zijn; (3) onnodig praten over wereldse onderwerpen; (4) de regels en bepalingen in de heilige teksten alleen volgen om het volgen zelf en niet voor spirituele vooruitgang, of die regels juist verwerpen en onafhankelijk of eigenmachtig handelen; (5) omgaan met wereldse mensen, die niet geïnteresseerd zijn in Kṛṣṇa-bewustzijn; (6) hunkeren naar werelds succes.

Purport

Het menselijk leven is bedoeld voor eenvoudig leven en verheven denken. Omdat alle geconditioneerde levende wezens worden beheerst door de derde energie van de Heer, is de materiële wereld zo ontworpen dat we gedwongen worden te werken. De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods heeft drie basisenergieën. De eerste energie wordt antaraṅga-śakti genoemd, de interne energie. De tweede wordt taṭasthā-śakti genoemd, de tussenenergie. En de derde wordt bahiraṅga-śakti of de externe energie genoemd. De tussenenergie bestaat uit de levende wezens en zij bevinden zich tussen de interne en externe energie. Als ondergeschikte, eeuwige dienaren van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods blijven de jīvātmā’s of atomische levende wezens altijd onder de controle van óf de externe óf de interne energie. Zolang ze onder de controle van de interne energie zijn, doen ze wat ze van nature doen: voortdurend bezig zijn met devotio­nele dienst aan de Heer. In de Bhagavad-gītā (9.13) staat het volgende:
mahātmānas tu māṁ pārtha
daivīṁ prakṛtim āśritāḥ
bhajanty ananya-manaso
jñātvā bhūtādim avyayam
‘O zoon van Pṛthā, zij die niet misleid zijn, de grote zielen, worden door de goddelijke natuur beschermd. Ze zijn voortdurend en uitsluitend bezig met devotionele dienst, omdat ze Me kennen als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, die oorspronkelijk en onuitputtelijk is.’
Het woord mahātmā verwijst naar ruimdenkende mensen, niet naar kleingeestige. Kleingeestige mensen, die zich altijd met het bevredigen van hun zintuigen bezighouden, breiden hun activiteiten soms uit om via een of ander ‘isme’, zoals nationalisme, humanitarisme of altruïsme, iets goeds te doen voor anderen. Ze geven hierbij misschien hun eigen zinsbevrediging op voor die van anderen, zoals familieleden, leden van hun gemeenschap of samenleving, zowel op nationaal als internationaal niveau. Maar eigenlijk is dit allemaal uitgebreide zinsbevrediging: van persoonlijke naar gemeenschappelijke naar sociale zinsbevrediging. Vanuit een materialistisch oogpunt lijkt dit misschien allemaal heel goed, maar zulke activiteiten hebben geen spirituele waarde. De basis van zulke activiteit is zinsbevrediging, of die nu op iemand zelf of op dierbaren is gericht. Iemand kan alleen een mahātmā, een ruimdenkend persoon, worden genoemd als hij de zintuigen van de Allerhoogste Heer bevredigt.
In het vers uit de Bhagavad-gītā dat hierboven werd geciteerd, verwijzen de woorden daivīṁ pra­kṛtim naar de macht van het interne vermogen of de vreugde-energie van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Deze vreugde-energie is Śrīmatī Rādhārāṇī of Haar expansie Lakṣmī, de geluksgodin. Wanneer indivuele jīva’s, de zielen, door de interne energie worden beheerst, is hun enige bezigheid het tevredenstellen van Kṛṣṇa of Viṣṇu. Dat is de positie van een mahātmā. Wie geen mahātmā is, is een durātmā, iemand met een kreupele geest. Zulke kleingeestige durātmā’s worden onder het toezicht gesteld van mahāmāyā, de externe energie van de Heer.
In de materiële wereld worden alle levende wezens zonder meer beheerst door mahāmāyā. Het is haar taak om hen te onderwerpen aan de drie soorten ellende: adhidaivika-kleśa (door halfgoden veroorzaakte ellende, zoals droogte, aardbevingen en stormen), adhibhautika-kleśa (ellende veroorzaakt door andere levende wezens, zoals insecten of vijanden) en adhyātmika-kleśa (ellende veroorzaakt door iemands eigen lichaam en geest, zoals mentale en fysieke kwalen). Daiva-bhūtātma-hetavaḥ: de geconditioneerde zielen, die door de beheersing van de externe energie onderhevig zijn aan deze drie soorten ellende, lijden door allerlei moeilijkheden.
Het grootste probleem waarmee geconditioneerde zielen worden geconfronteerd, is herhaalde geboorte, ouderdom, ziekte en dood. In de materiële wereld worden we tot werken gedwongen om lichaam en ziel in stand te houden, maar hoe kunnen we zulk werk doen op een manier die bevorderlijk is voor het beoefenen van Kṛṣṇa-bewustzijn?
Iedereen heeft bezittingen nodig, zoals granen, kleding, geld en andere benodigdheden die het lichaam in stand houden, maar we moeten niet meer verzamelen dan nodig is voor echte basisbehoeften. Wordt dit natuurlijke principe gevolgd, dan is het niet moeilijk om het lichaam in stand te houden.

Levende wezens die lager op de evolutionaire ladder staan, eten of verzamelen van nature niet meer dan ze nodig hebben. In het dierenrijk zijn er daarom over het algemeen geen economische problemen en is er geen gebrek aan benodigheden. Wanneer er ergens op een plein een zak rijst wordt neergelegd, zullen vogels erop afkomen voor een paar korrels om daarna weer verder te vliegen. Maar een mens zal de hele zak meenemen. Hij zal zich volstoppen en de rest proberen op te slaan. Volgens de heilige teksten is het verboden om meer te verzamelen dan nodig (atyāhāra). Dit is waardoor de hele wereld tegenwoordig lijdt.
Meer geld verzamelen en meer eten dan noodzakelijk is, veroorzaakt ook prayāsa of onnodige inspanning. Door Gods plan kan iedereen, waar dan ook ter wereld, heel vredig leven met wat land en een melkkoe. Mensen hoeven niet van de ene plaats naar de andere te verhuizen om de kost te verdienen, want ze kunnen hun graan lokaal verbouwen en melk van de koe krijgen. Dat kan alle economische problemen oplossen. Gelukkig heeft de mens een hogere intelligentie gekregen voor het cultiveren van Kṛṣṇa-bewustzijn, of het begrijpen van God, zijn relatie met Hem en het uiteindelijke doel van het leven: liefde voor God. Jammer genoeg gebruikt de zogenaamd beschaafde mens, zonder ook maar iets om godsrealisatie te geven, zijn intelligentie om meer te verzamelen dan noodzakelijk is en eet hij alleen maar om zijn tong te bevredigen. Door Gods plan hebben alle mensen ter wereld volop de kans om melk en granen te produceren. Maar in plaats van hun hogere intelligentie te gebruiken om godsbewustzijn te cultiveren, misbruiken zogenaamd intelligente mensen hun intelligentie om vele nutteloze en onwenselijke dingen te maken. Daarom worden er fabrieken, slachthuizen, bordelen en drankzaken geopend. Als mensen geadviseerd wordt niet te veel goederen te verzamelen, niet te veel te eten of niet te hard te werken voor bezittingen die het leven op een onnatuurlijke manier aangenaam maken, denken ze dat hen wordt aangeraden om terug te keren naar een primitieve levensstandaard. Over het algemeen zijn mensen niet geneigd een eenvoudig leven van verheven denken te aanvaarden, en dat is heel onfortuinlijk voor hen.
Het menselijk leven is bedoeld voor godsrealisatie en hiervoor heeft de mens een hogere intelligentie gekregen. Wie gelooft dat deze hogere intelligentie ervoor bedoeld is een hogere toestand te bereiken, moet de instructies van de vedische literatuur opvolgen. Door zulke instructies van hogere autoriteiten na te leven, kunnen we volmaakte kennis krijgen en daadwerkelijk betekenis aan ons leven geven.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (1.2.9) beschrijft Śrī Sūta Gosvāmī de menselijke dharma op de volgende manier:
dharmasya hy āpavargyasya
nārtho ’rthāyopakalpate
nārthasya dharmaikāntasya
kāmo lābhāya hi smṛtaḥ
‘Alle voorgeschreven activiteiten [dharma] zijn zonder twijfel bedoeld om uiteindelijk bevrijding te bereiken. Ze moeten nooit worden verricht voor materieel profijt. En wie zijn primaire voorgeschreven activiteit [dharma] verricht, mag zijn materiële profijt nooit gebruiken voor het cultiveren van zingenot.’
Menselijke beschaving bestaat allereerst uit het verrichten van voorgeschreven activiteiten volgens de geboden in de heilige teksten. De hogere intelligentie van de mens moet worden getraind om de fundamentele dharma te begrijpen. In de menselijke samenleving leven er verschillende religieuze opvattingen — boeddhistische, hindoeïstische, christelijke, joodse, mohammedaanse, enzovoort — want zonder religie is de menselijke samenleving niet beter dan een dierlijke samenleving.
Zoals hierboven al werd gezegd is religie bedoeld voor het bereiken van bevrijding, niet voor broodwinning (dharmasya hy āpavargyasya nārtho ’rthāyopakalpate). Mensen verzinnen soms een zogenaamd religieus stelsel dat gericht is op materiële vooruitgang, maar dat schiet het doel van werkelijke dharma ver voorbij. Religie houdt in dat we de wetten van God begrijpen, want correcte naleving van die wetten zorgt ervoor dat we uiteindelijk uit de verstrikking in de materie komen. Dat is het werkelijke doel van religie. Maar door atyāhāra of buitensporig verlangen naar materiële voorspoed aanvaarden mensen zulke materiële welvaart jammer genoeg als religie. Maar ware religie leert mensen hoe ze tijdens het cultiveren van hun Kṛṣṇa-bewustzijn tevreden kunnen zijn met alleen strikt noodzakelijke levensbehoeften. Hoewel we economische ontwikkeling nodig hebben, is dat binnen een ware religie alleen toegestaan om in de primaire levensbehoeften te voorzien. Jīvasya tattva jijñāsā: het werkelijke doel van het leven is onderzoek doen naar de Absolute Waarheid. Als onze inspanning (prayāsa) niet op onderzoek naar de Absolute Waarheid is gericht, zal ons streven naar kunstmatige behoeftebevrediging alleen maar toenemen. Wie een spiritueel leven nastreeft, moet wereldse inspanningen vermijden.
Een ander obstakel is prajalpa of onnodig gepraat. Zodra we bij vrienden zijn, beginnen we onmiddellijk te kletsen en klinken we net als kwakende kikkers. Als we dan toch moeten praten, moeten we het hebben over de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn. Mensen buiten de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn lezen graag stapels kranten, tijdschriften en romans, lossen enthousiast kruiswoordpuzzels op en doen allerlei andere onzinnige dingen. Op die manier verspillen mensen simpelweg hun waardevolle tijd en energie. In de westerse landen doen oude, gepensioneerde mannen aan kaartspelen, vissen en televisiekijken en bediscussiëren ze nutteloze socio-politieke plannen. Al deze en andere onnozele activiteiten vallen onder de categorie prajalpa. Intelligente personen die geïnteresseerd zijn in Kṛṣṇa-bewustzijn, zouden nooit aan zulke activiteiten moeten deelnemen.
Jana-saṅga heeft betrekking op omgang met personen die niet geïnteresseerd zijn in Kṛṣṇa-bewustzijn. Zulke omgang moet strikt worden vermeden. Śrīla Narottama dāsa Ṭhākura adviseert ons dan ook om alleen met Kṛṣṇa-bewuste toegewijden te leven (bhakta-sane vāsa). We moeten Kṛṣṇa altijd in het gezelschap van Zijn toegewijden dienen. Omgang met personen die dezelfde zakenbelangen hebben, bevordert het zakendoen. Daarom richten materialistische mensen allerlei verenigingen en clubs op: zo stimuleren ze elkaars inspanningen. In de zakenwereld zijn er bijvoorbeeld de effectenbeurs en de Kamer van Koophandel. Om dezelfde reden hebben wij de Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn gesticht om mensen de gelegenheid te geven om te gaan met personen die Kṛṣṇa niet vergeten zijn. Dit spirituele gezelschap dat iskcon biedt, groeit dagelijks. Overal ter wereld sluiten vele mensen zich bij deze gemeenschap aan om hun sluimerende Kṛṣṇa-bewustzijn op te wekken.
Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura writes in his Anuvṛtti commentary that too much endeavor to acquire knowledge on the part of mental speculators or dry philosophers falls within the category of atyāhāra (collecting more than needed). According to Śrīmad-Bhāgavatam, the endeavor of philosophical speculators to write volumes of books on dry philosophy devoid of Kṛṣṇa consciousness is entirely futile. The work of karmīs who write volumes of books on economic development also falls within the category of atyāhāra. Similarly, those who have no desire for Kṛṣṇa consciousness and who are simply interested in possessing more and more material things – either in the shape of scientific knowledge or monetary gain – are all included under the control of atyāhāra.
Alleen omdat karmī ’s niet weten wat hun toekomstige situatie zal zijn, werken ze hard om meer en meer geld te vergaren voor volgende generaties. Omdat zulke dwaze mensen alleen maar geïnteresseerd zijn in meer en meer geld verzamelen voor hun zonen en kleinzonen, weten ze niet eens wat hun situatie in hun volgende leven zal zijn. Er zijn vele voorbeelden die dit illustreren. Er was eens een karmī die voor zijn zonen en kleinzonen een gigantisch fortuin had vergaard, maar die later door zijn karma in het huis van een schoenmaker werd geboren, vlakbij het gebouw dat hij in zijn vorige leven voor zijn kinderen had neergezet. Toen deze schoenmaker toevallig bij zijn vorige huis kwam, sloegen zijn vorige zonen en kleinzonen hem met schoenen. Karmī ’s en jñānī ’s verspillen hun leven met vruchteloze activiteiten, behalve als ze geïnteresseerd raken in Kṛṣṇa-bewustzijn.
Het voor onmiddellijk voordeel aanvaarden van sommige regels en bepalingen in de heilige teksten, zoals de utilitaristen bepleiten, wordt niyama-āgraha genoemd. En het veronachtzamen van de regels en bepalingen van de śāstra’s, die bedoeld zijn voor spirituele vooruitgang, wordt niyama-agraha genoemd. Het woord āgraha betekent ‘enthousiast aanvaarden’, en agraha betekent: ‘nalaten te aanvaarden’. Gecombineerd met het woord niyama (‘regels en bepalingen’) vormen beide woorden het woord niyamāgraha. Zo heeft niyamāgraha dus twee betekenissen, afhankelijk van hoe de woorden worden gecombineerd. Wie geïnteresseerd is in Kṛṣṇa-bewustzijn, zou de regels en voorschriften niet moeten accepteren om economisch voordeel te behalen. Maar om vooruitgang te maken in Kṛṣṇa-bewustzijn is het juist wel goed om oprecht de regels en bepalingen uit de heilige teksten te aanvaarden. Zulke mensen moeten de regulerende principes strikt volgen door vrije seks, vleeseten, gokken en drugsgebruik te vermijden.
Ook moeten we het gezelschap vermijden van māyāvādī ’s, die de vaiṣṇava’s (toegewijden) ronduit zwartmaken. Bhukti-kāmī ’s, die alleen maar geïnteresseerd zijn in materieel geluk, mukti-kāmī ’s, die naar bevrijding verlangen door op te gaan in het bestaan van het vormloze Absolute (Brahman), en siddhi-kāmī ’s, die volmaaktheid in mystieke yogabeoefening nastreven, worden geclassificeerd als atyāhārī ’s. Omgang met zulke personen is absoluut onwenselijk.
Verlangens naar geestverruiming door perfecte beoefening van mystieke yoga, door op te gaan in Brahman of door onbestendige materiële rijkdom te vergaren, vallen allemaal onder de categorie hebzucht (laulya). Alle pogingen om zulke materiële voordelen of zogenaamde spirituele vooruitgang te maken, zijn obstakels op het pad van Kṛṣṇa-bewustzijn.
De moderne oorlogvoering tussen kapitalisten en communisten bestaat omdat beide Śrīla Rūpa Gosvāmī ’s advies over atyāhāra in de wind slaan. Moderne kapitalisten vergaren meer geld dan ze nodig hebben en de communisten, die jaloers zijn op hun succes, willen alle rijkdom en bezittingen tot staatseigendom maken. Jammer genoeg weten de communisten niet hoe ze het probleem van de rijkdom en de verdeling ervan moeten oplossen. Dus zelfs als de rijkdom van de kapitalisten in handen komt van de communisten, leidt dat niet tot een oplossing. In tegenstelling tot deze twee filosofieën stelt de ideologie van het Kṛṣṇa-bewustzijn dat alle rijkdom het bezit is van Kṛṣṇa. Het economische probleem van de mensheid blijft onopgelost, tenzij alle rijkdom onder Kṛṣṇa’s beheer komt. Rijkdom in handen geven van communisten of kapitalisten lost niets op. Als er een biljet van honderd euro op straat ligt, is de kans groot dat iemand het oppakt en in zijn zak stopt en dat is niet eerlijk. Maar iemand anders die het biljet ziet, zal het laten liggen, omdat hij vindt dat hij van andermans eigendom moet afblijven. Hoewel de tweede persoon het geld niet voor zichzelf steelt, is hij zich niet bewust van het juiste gebruik ervan. Een derde persoon die het honderd euro biljet ziet liggen, zal het oprapen, degene die het verloren heeft opsporen en het daarna aan de eigenaar teruggeven. Die derde persoon steelt het geld niet om het voor zichzelf uit te geven en evenmin negeert hij het door het op straat te laten liggen. Door het op te rapen en terug te geven aan degene die het verloor, is deze persoon zowel eerlijk als wijs.
Simpelweg rijkdom overdragen van kapitalisten naar communisten kan het probleem van de moderne politiek niet oplossen, want er is al aangetoond dat als een communist geld krijgt, hij het voor zijn eigen zinsbevrediging zal gebruiken. In feite is de rijkdom van de wereld Kṛṣṇa’s bezit en elk levend wezen, zowel mens als dier, heeft het aangeboren recht om het bezit van God te gebruiken voor zijn levensonderhoud. Wie meer neemt dan nodig voor zijn levensonderhoud — kapitalist of communist — is een dief en strafbaar volgens de wetten van de natuur.
De rijkdom van de wereld moet worden gebruikt voor de welvaart van alle levende wezens, want dat is het plan van Moeder Natuur. Iedereen heeft het recht om te leven door gebruik te maken van de rijkdom van de Heer. Wanneer mensen de kunst leren verstaan om op een wetenschappelijke manier het bezit van de Heer te gebruiken, zullen ze niet langer inbreuk maken op de rechten van anderen. Pas dan kan een ideale samenleving worden gevormd. De eerste mantra van Śrī Īśopaniṣad geeft het basisprincipe van zo’n spirituele samenleving:
īśāvāsyam idaṁ sarvaṁ
yat kiñca jagatyāṁ jagat
tena tyaktena bhuñjīthā
mā gṛdhaḥ kasya svid dhanam
‘Al het bezielde en onbezielde in het universum wordt door de Heer bestuurd en is Zijn eigendom. Iedereen moet daarom alleen die dingen aanvaarden die hij voor zichzelf nodig heeft en die hem zijn toegemeten als zijn deel. Men zou geen andere dingen moeten aanvaarden, goed wetend aan wie ze toebehoren.’
Kṛṣṇa-bewuste toegewijden weten heel goed dat de materiële wereld ontworpen is volgens het totaalplan van de Heer om in de levensbehoeften van alle levende wezens te voorzien, zonder dat ze inbreuk hoeven te maken op elkaars leven of rechten. Dit totaalplan kent iedereen een passend deel van de rijkdom toe overeenkomstig ieders werkelijke behoefte. Op die manier kunnen we allemaal vredig leven volgens het principe van eenvoudig leven en verheven denken. Jammer genoeg misbruiken materialisten, die niet in het plan van God geloven en ook geen aspiraties hebben voor hogere, spirituele ontwikkeling, hun door God gegeven intelligentie om hun materiële bezit te vergroten. Ze verzinnen vele systemen — zoals kapitalisme en communisme — om hun materiële positie te verbeteren. Ze zijn niet geïnterresseerd in de wetten van God of in een hoger doel. Omdat ze altijd hun oneindige verlangens naar zinsbevrediging proberen te vervullen, blinken ze uit in het uitbuiten van hun medeschepselen.
Wanneer de menselijke samenleving de fundamentele fouten die Śrīla Rūpa Gosvāmī hier opsomt (atyāhāra, enz.) vermijdt, zal alle vijandigheid tussen mens en dier, kapitalisten en communisten, enzovoort stoppen. Bovendien zullen alle problemen die door slecht economisch of politiek beleid en instabiliteit zijn ontstaan, worden opgelost. Dit zuivere bewustzijn wordt opgewekt door het juiste spirituele onderwijs en de juiste levenswijze en de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn biedt beide op een wetenschappelijke manier aan.
Deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn biedt een spirituele gemeenschap die vrede in de wereld kan brengen. Ieder intelligent persoon zou zijn bewustzijn moeten zuiveren en zich van de zes hierboven genoemde obstakels voor devotionele dienst moeten bevrijden door oprecht zijn toevlucht te zoeken bij deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn.