Nectar van Instructie 1

वाचो वेगं मनसः क्रोधवेगं जिह्वावेगमुदरोपस्थवेगम् ।
एतान्वेगान्यो विषहेत धीरः सर्वामपीमां पृथिवीं स शिष्यात् ॥ १ ॥
vāco vegaṁ manasaḥ krodha-vegaṁ
jihvā-vegam udaropastha-vegam
etān vegān yo viṣaheta dhīraḥ
sarvām apīmāṁ pṛthivīṁ sa śiṣyāt

Synonyms

vācaḥvan het spreken; vegamdrang; mana­saḥvan de geest; krodhavan woede; vegamdrang; jihvāvan de tong; vegamdrang; udara-upasthavan de maag en geslachtsdelen; vegamdrang; etāndeze; vegāndrang; yaḥwie ook; viṣahetakan verdragen; dhīraḥsober; sarvāmhele; apizeker; imāmdeze; pṛthivīmwereld; saḥdie persoon; śiṣyātkan discipelen maken.

Translation

Een wijs persoon die de drang tot spreken, de dwang van de geest, de uitingen van woede en de drang van de tong, maag en geslachtsdelen weet te verdragen, is bevoegd om over de hele wereld discipelen te maken.

Purport

In het Śrīmad-Bhāgavatam (6.1.9-10) stelt Parīkṣit Mahārāja een aantal intelligente vragen aan Śukadeva Gosvāmī. Een van deze vragen is: ‘Waarom ondergaan mensen boetedoening als ze hun zintuigen niet kunnen bedwingen?’ Een dief weet bijvoorbeeld heel goed dat hij gearresteerd kan worden voor diefstal, maar zelfs al ziet hij een andere dief door de politie worden opgepakt, dan nog zal hij doorgaan met stelen.

Door te luisteren en te zien doen we ervaring op. Wie minder intelligent is, doet ervaring op door te zien, maar wie intelligenter is, doet dat door te luisteren. Als een intelligent persoon uit het wetboek of de śāstra’s (de heilige teksten) hoort dat stelen verkeerd is en dat een dief na zijn arrestie wordt gestraft, zal hij ophouden met stelen. Wie niet zo intelligent is, zal eerst gearresteerd en gestraft moeten worden voor diefstal voordat hij stopt met stelen. Maar voor dwazen geldt dat ook al hebben ze nog zo geluisterd en gezien en zijn ze misschien zelfs gestraft, ze toch doorgaan met stelen. Zelfs al ondergaat zo iemand boetedoening en wordt hij door de regering gestraft, dan zal hij, zodra hij uit de gevangenis komt, toch weer stelen. Als een gevangenisstraf een soort boetedoening is, wat is dan het nut van zo’n boetedoening? Daarom vroeg Parīkṣit Mahārāja (Bhāgavatam 6.1.9-10):
dṛṣṭa-śrutābhyāṁ yat pāpaṁ
jānann apy ātmano ’hitam
karoti bhūyo vivaśaḥ
prāyaścittam atho katham


kvacin nivartate ’bhadrāt
kvacic carati tat punaḥ
prāyaścittam atho ’pārthaṁ
manye kuñjara-śaucavat
Hij vergeleek boetedoening met het baden van een olifant. Een olifant mag zich dan grondig in de rivier baden, maar zodra hij weer op de oever staat, gooit hij modder over zijn hele lichaam. Wat is dan het nut van zijn bad? Op dezelfde manier chanten vele spirituele beoefenaars de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra, hoewel ze tegelijkertijd vele verboden dingen doen en denken dat het chanten hun overtredingen wel zal neutraliseren.

Van de tien overtredingen die chanters van de heilige naam van de Heer kunnen begaan, wordt deze overtreding nāmno balād yasya hi pāpa-buddhiḥ genoemd of overtredingen begaan op kracht van het chanten van de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra. Sommige christenen gaan naar de kerk met dezelfde instelling: ze biechten hun zonden op en denken dat hun biecht bij de priester en hun boetedoening hen zal bevrijden van de resultaten van hun wekelijkse zonden. Zodra de zaterdag voorbij is en de zondag aanbreekt, beginnen ze weer met hun zondige activiteiten en verwachten ze dat ze de volgende zaterdag opnieuw zullen worden vergeven. Mahārāja Parīkṣit, de intelligentste koning van zijn tijd, veroordeelt dit soort prāyaścitta of boetedoening. Śuka­deva Gosvāmī, die net zo intelligent was — wat passend is voor de spiritueel leraar van Mahārāja Parīkṣit — antwoordde de koning en bevestigde zijn uitspraak over boetedoening. Een zondige activiteit wordt niet geneutraliseerd door een vrome. Ons sluimerende Kṛṣṇa-bewustzijn opwekken is daarom de ware prāyaścitta of boetedoening.
Werkelijke boetedoening berust op werkelijke kennisverwerving, waarvoor een standaardmethode bestaat. Wie op een gereguleerde, hygiënische manier leeft, wordt niet ziek. Een mens moet volgens bepaalde principes worden getraind om zich zijn oorspronkelijke kennis te herinneren. Zo’n gereguleerd en ordelijk leven leiden wordt gezien als tapasya. Door ascese en seksuele onthouding (brahmacarya) te beoefenen, de geest en de zintuigen te beheersen, vrijgevig bezittingen te schenken, open en eerlijk te zijn, schoon te blijven en yoga-āsana’s te beoefenen, kunnen we geleidelijk tot het niveau van werkelijke kennis of Kṛṣṇa-bewustzijn worden verheven. Maar wie het geluk heeft in contact te komen met een zuivere toegewijde, kan alle oefeningen voor het beheersen van de geest door de mystieke yogamethode gemakkelijk achterwege laten door eenvoudig de regulerende principes van het Kṛṣṇa-bewustzijn te volgen — afzien van: vrije seks, vleeseten, opwekkende en bedwelmende middelen gebruiken en gokken — en door devotionele dienst te verrichten voor de Allerhoogste Heer onder begeleiding van een betrouwbare spiritueel leraar. Dit is de eenvoudige methode die Śrīla Rūpa Gosvāmī ons aanraadt.
Allereerst moeten we ons spraakvermogen beheersen. Iedereen heeft dit vermogen: zodra het maar even kan, beginnen we te praten. Maar als we niet over Kṛṣṇa praten, praten we over allerlei onzin. Zoals een kikker in het veld spreekt door te kwaken, zo wil iedereen die een tong heeft, spreken, zelfs al is het alleen maar onzin. Maar het kwaken van kikkers nodigt slangen uit: ‘Kom hier en eet me maar.’ Maar ook al trekt de kikker met zijn gekwaak de dood aan, toch gaat hij ermee door. Het praten van materialisten en impersonalistische māyāvādī-filosofen is als kikkergezang. Ze spreken altijd onzin en nodigen zo de dood uit om hen te vangen.

Maar het spraakvermogen beheersen is niet een zelfopgelegd zwijgen (de externe methode van mauna), zoals māyāvādī-filosofen denken. Zwijgen lijkt misschien tijdelijk te helpen, maar uiteindelijk mislukt het. De manier die Śrīla Rūpa Gosvāmī bepleit om ons spraakvermogen te beheersen is juist de positieve methode van kṛṣṇa-kathā: onze spraak gebruiken om de Allerhoogste Heer, Śrī Kṛṣṇa, te verheerlijken. Zo kan de tong de naam, vorm, eigenschappen en activiteiten van vermaak van de Heer verheerlijken. Wie kṛṣṇa-kathā verkondigt, ontkomt altijd aan de greep van de dood. Dat is wat het betekent om de drang tot spreken te beheersen.
De rusteloosheid of wispelturigheid van de geest (mano-vega) kunnen we bedwingen door onze geest op de lotusvoeten van Kṛṣṇa te richten. Het Caitanya-caritāmṛta (Madhya 22.31) zegt:
kṛṣṇa – sūrya-sama; māyā haya andhakāra
yāhāṅ kṛṣṇa, tāhāṅ nāhi māyāra adhikāra
Kṛṣṇa is als de zon en māyā als de duisternis. Is de zon aanwezig, dan is er van duisternis geen sprake. Zo kan de geest door māyā’s invloed onmogelijk onrustig worden als Kṛṣṇa aanwezig is. De yogamethode waarbij alle materiële gedachten worden genegeerd, zal ons niet helpen. Een vacuüm in de geest proberen te creëren is kunstmatig, want het vacuüm blijft niet. Maar door altijd aan Kṛṣṇa te denken en ons af te vragen hoe we Hem het beste kunnen dienen, krijgen we de geest gemakkelijk onder controle.
Op dezelfde manier kunnen we woede bedwingen. Woede kan nooit helemaal worden gestopt, maar als we alleen kwaad worden op degenen die de Heer of Zijn toegewijden bespotten en belasteren, dan bedwingen we onze woede op een Kṛṣṇa-bewuste manier. Heer Caitanya Mahāprabhu werd woedend op de kwaadaardige broers Jagāi en Mādhāi, die Nityānanda Prabhu belasterden en aanvielen. In Zijn Śikṣāṣṭaka schreef Heer Caitanya: tṛṇād api sunīcena taror api sahiṣṇunā — ‘Men moet nederiger zijn dan het gras en verdraagzamer dan een boom.’ We kunnen ons afvragen waarom de Heer Zijn woede toonde. Het idee is dat we zelf altijd bereid moeten zijn om persoonlijke beledigingen te verdragen, maar wanneer Kṛṣṇa of Zijn zuivere toegewijde wordt bespot of belasterd, wordt een echte toegewijde kwaad en reageert fel tegen de overtreders. Krodha, woede, kan niet worden gestopt, maar wel op de juiste manier worden toegepast. Uit woede stak Hanumān Laṅka in brand, maar toch wordt hij als de grootste toegewijde van Heer Rāmacandra vereerd. Dit betekent dat hij zijn woede op de juiste manier gebruikte. Arjuna is een ander voorbeeld. Hij wilde niet vechten, maar Kṛṣṇa’s woorden — ‘Je moet vechten!’ — wekten zijn woede. Zonder woede is vechten onmogelijk. Maar in dienst van de Heer kan woede wel worden bedwongen.
Wat betreft de drang van de tong: we weten allemaal dat de tong smakelijke gerechten wil eten. Eigenlijk zouden we de tong niet alles moeten laten eten wat ze maar wil, maar zouden we haar moeten beheersen met prasāda. De instelling van een toegewijde is dat hij alleen eet wanneer Kṛṣṇa hem prasāda te eten geeft. Dat is de juiste manier om de drang van de tong te bedwingen. We zouden op bepaalde tijden prasāda moeten nemen en niet in restaurants of snoepwinkels moeten eten om aan de grillen van de tong en de maag toe te geven. Als we vasthouden aan het principe van alleen maar prasāda eten, kan de drang van de maag en de tong worden bedwongen.
Op dezelfde manier kan de drang van de ge­­slachtsdelen, de geslachtsdrift, onder controle worden gebracht door deze niet onnodig te gebruiken. De geslachtsdelen moeten worden gebruikt om een Kṛṣṇa-bewust kind te verwekken en nergens anders voor. De beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn moedigt het huwelijk aan, niet voor het bevredigen van de geslachtsorganen, maar voor het verwekken van Kṛṣṇa-bewuste kinderen. Zodra de kinderen wat groter zijn, worden ze naar onze gurukula gestuurd, onze school waar ze getraind worden om volledig Kṛṣṇa-bewuste toegewijden te worden. Er zijn veel van die Kṛṣṇa-bewuste kinderen nodig en wie in staat is zulke Kṛṣṇa-bewuste nakomelingen te verwekken, mag zijn geslachtsorganen gebruiken.
Wie de methoden van Kṛṣṇa-bewuste beheersing volledig onder de knie heeft, komt in aanmerking om een betrouwbare spiritueel leraar te worden.
In zijn Anuvṛtti, een commentaar op de Upa­deś­āmṛta, schrijft Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura dat onze vereenzelviging met materie drie soorten van drang veroorzaakt: de drang om te spreken, de drang of behoefte van de geest en de behoeften van het lichaam. Als een levend wezen ten prooi valt aan die drie soorten van drang, voorspelt dat niet veel goeds voor zijn leven. Wie die behoeften of drangen leert weerstaan, wordt een tapasvī genoemd, iemand die ascese beoefent. Zulke tapasya voorkomt dat we ten prooi vallen aan de materiële energie, de externe energie van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods.
Als we het hebben over de drang tot praten, hebben we het over onnodig gepraat, zoals dat van de māyāvādī-filosofen, of van personen die bezig zijn met resultaatgerichte activiteiten (die technisch karma-kāṇda worden genoemd), of van materialistische mensen die alleen maar onbelemmerd van het leven willen genieten. Al deze gesprekken of literatuur zijn reële voorbeelden van de drang tot praten. Veel mensen spreken nonsens en schrijven waardeloze boekdelen vol met onzin; allemaal het resultaat van de drang tot praten. Om deze neiging tegen te gaan, moeten we Kṛṣṇa tot ons gespreksonderwerp maken. Dit wordt uitgelegd in het Śrīmad-Bhāgavatam (1.5.10-11):
na yad vacaś citra-padaṁ harer yaśo
jagat-pavitraṁ pragṛṇīta karhicit
tad vāyasaṁ tīrtham uśanti mānasā
na yatra haṁsā niramanty uśik-kṣayāḥ
‘Woorden die niet de heerlijkheid van de Heer beschrijven, die als enige de sfeer van het hele universum kan zuiveren, worden door heilige personen beschouwd als een pelgrimsoord voor kraaien. Volmaakte personen beleven daar geen genoegen, omdat ze inwoners zijn van de transcendentale wereld.’
tad-vāg-visargo janatāgha-viplavo
yasmin prati-ślokam abaddhavaty api
nāmāny anantasya yaśo ’ṅkitāni yat
śṛṇvanti gāyanti gṛṇanti sādhavaḥ
‘Maar literatuur die de transcendentale glorie van de naam, roem, gedaanten, activiteiten van vermaak, enzovoort van de onbegrensde Allerhoogste Heer rijkelijk beschrijft, is van een andere aard, want ze staat vol transcendentale woorden die bedoeld zijn om een ommekeer teweeg te brengen in het goddeloze bestaan van deze misleide wereldbeschaving. Hoewel zulke transcendentale literatuur soms onvolkomenheden vertoont, wordt ze toch aangehoord, gereciteerd en aanvaard door gezuiverde personen die door en door oprecht zijn.’
De conclusie is dat we ons alleen van waardeloos en onzinnig gepraat kunnen weerhouden als we over devotionele dienst aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods praten. We moeten er altijd voor zorgen dat we ons spraakvermogen alleen gebruiken voor het realiseren van Kṛṣṇa-bewustzijn.
De rusteloosheid van de wispelturige geest wordt onderverdeeld in twee categorieën. De eerste wordt avirodha-prīti of onbeperkte gehechtheid genoemd en de tweede virodha-yukta-krodha of woede die voortkomt uit frustratie. Avirodha-prīti verwijst naar het volgen van māyāvāda-filosofie, het geloven in de vruchten van de resultaatgerichte activiteiten van de karma-vādī ’s en het vertrouwen op plannen die gebaseerd zijn op materialistische verlangens. Meestal zijn het de jñānī ’s, karmī ’s en materialistische plannenmakers die de aandacht van geconditioneerde zielen trekken, maar als materialisten hun plannen niet kunnen verwezenlijken en al hun kunstgrepen op niets uitlopen, worden ze kwaad. Gefrus­treerde materiële verlangens veroorzaken woede.
Op dezelfde manier kunnen lichamelijke be­hoeften in drie categorieën worden onderverdeeld: de behoeften van de tong, de maag en de geslachtsdelen. Fysiek gezien kunnen we vaststellen dat die drie zintuigen zich op één lijn bevinden en dat lichamelijke behoeften beginnen met de tong. Slagen we erin de behoeften van de tong te bedwingen door de activiteiten van de tong te beperken tot het eten van prasāda, dan zullen we de behoeften van de maag en de geslachtsdelen ook vanzelf onder controle krijgen. Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura zegt hierover het volgende:
śarīra avidyā jāla, jaḍendriya tāhe kāla,
jīve phele viṣaya-sāgare
tā’ra madhye jihvā ati, lobhamāyā sudurmati,
tā’ke jetā kaṭhina saṁsāre
kṛṣṇa baḍa dayāmaya, karibāre jihvā jaya,
sva-prasāda-anna dila bhāi
sei annāmṛta khāo, rādhā-kṛṣṇa-guṇa gāo,
preme ḍāka caitanya-nitāi
‘O Heer, dit materiële lichaam is een brok onwetendheid en de zintuigen zijn een netwerk van paden die uitlopen op de dood. Op een of andere manier zijn wij in deze oceaan van materieel zingenot gevallen. Van alle zintuigen is de tong het vraatzuchtigst en het moeilijkst te bedwingen. Het is in deze wereld bijzonder moeilijk om de tong te overwinnen, maar U, dierbare Kṛṣṇa, bent zo vriendelijk voor ons. U heeft ons deze heerlijke prasāda gezonden om ons te helpen onze tong te overwinnen. Laten we daarom tot onze volle tevredenheid deze prasāda eten, Śrī Śrī Rādhā-Kṛṣṇa verheerlijken en Heer Caitanya en Prabhu Nityānanda uit liefde te hulp roepen.’
Er zijn zes soorten rasa’s (smaken) en wie door om het even welke van deze zes wordt geprikkeld, wordt beheerst door de drang van de tong. Sommige mensen houden van vlees, vis, krab, eieren en andere dingen die voortkomen uit zaad en bloed en die in de vorm van dode lichamen worden gegeten. Andere mensen houden van groenten, planten, spinazie of zuivelproducten, maar alleen voor het bevredigen van de tong. Van Kṛṣṇa-bewuste personen wordt verwacht dat ze het eten voor zinsbevrediging opgeven, inclusief overmatig gebruik van kruiden, zoals chilipeper en tamarinde. Om onaanvaardbare verlangens te vervullen, doen sommige mensen zich ook te goed aan het kauwen op betelbladeren en aan haritakī, betelnoten, verschillende kruiden die worden gebruikt voor het maken van pruimtabak van betelbladeren, tabak, lsd, marihuana, opium, sterke drank, koffie en thee. Als we leren om alleen de overblijfselen te aanvaarden van het voedsel dat Kṛṣṇa heeft gegeten, kunnen we aan māyā’s grip ontkomen.

Groente, granen, fruit, zuivelproducten en water zijn geschikte ingrediënten om aan Heer Kṛṣṇa te offeren en deze worden ook door Hemzelf voorgeschreven. Maar als we prasāda alleen aanvaarden omdat het lekker smaakt en daardoor te veel eten, vallen we ook ten prooi aan het bevredigen van de behoeften van de tong. Śrī Caitanya Mahāprabhu heeft ons geleerd bijzonder smakelijke gerechten te vermijden, zelfs al is het prasāda. Als we heerlijke gerechten aan de Beeldgedaanten offeren om daardoor zelf lekker te kunnen eten, zijn we bezig met het bevredigen van de behoeften van de tong. Ook als we een uitnodiging van een rijk persoon aanvaarden met de achterliggende gedachte daardoor op smakelijk voedsel te worden onthaald, proberen we de behoeften van de tong te bevredigen. In het Caitanya-caritāmṛta (Antya 6.227) staat:
jihvāra lālase yei iti-uti dhāya
śiśnodara-parāyaṇa kṛṣṇa nāhi pāya
‘Wie van hier naar daar rent om zijn tong te bevredigen en te veel gesteld is op de verlangens van zijn maag en geslachtsdelen, kan Kṛṣṇa niet bereiken.’
Zoals eerder gezegd, bevinden de tong, de maag en de geslachtsorganen zich allemaal op één lijn en vallen ze onder dezelfde categorie. Heer Caitanya zei: bhāla nā khāibe āra bhāla nā paribe — ‘Draag geen luxueuze kleren en eet geen overheerlijk voedsel.’ (Caitanya-caritāmṛta, Antya 6.236)
Volgens deze analyse zijn mensen met maagaandoeningen niet in staat om de drang van hun maag te beheersen. Door ons verlangen om meer te eten dan noodzakelijk, halen we onszelf onvermijdelijk allerlei ongemakken op de hals. Maar door op dagen als Ekādaśī en Janmāṣṭamī te vasten, kunnen we de drang van de maag bedwingen.
Wat betreft de drang van de geslachtsdelen zijn er twee categorieën: gepaste en ongepaste of toegestane en vrije seks. Wanneer een man werkelijk volwassen is, kan hij volgens de regels en bepalingen van de śāstra’s trouwen en zijn geslachtsdelen gebruiken voor het verwekken van goede kinderen. Dat is toegestaan en religieus. Anders zal hij op vele kunstmatige manieren de behoeften van zijn geslachtsdelen bevredigen, zonder zich daarbij beperkingen op te leggen. Wie toegeeft aan vrije seks zoals die in de śāstra’s wordt gedefinieerd — door denken, plannen, erover te praten, daadwerkelijk geslachtsgemeenschap te hebben of door de geslachtsdelen op een kunstmatige manier te bevredigen — valt ten prooi aan māyā. Deze instructies zijn er niet alleen voor getrouwde mensen, maar ook voor tyāgī ’s of personen in de onthechte levensorde. In het zevende hoofdstuk van zijn boek Prema-vivarta zegt Śrī Jagadānanda Paṇḍita:
vairāgī bhāi grāmya-kathā nā śunibe kāne
grāmya-vārtā nā kahibe yabe milibe āne


svapane o nā kara bhāi strī-sambhāṣaṇa
gṛhe strī chāḍiyā bhāi āsiyācha vana


yadi cāha praṇaya rākhite gaurāṅgera sane
choṭa haridāsera kathā thāke yena mane


bhāla nā khāibe āra bhāla nā paribe
hṛdayete rādhā-kṛṣṇa sarvadā sevibe
‘Dierbare broeder, je bevindt je in de onthechte levensorde en zou daarom niet naar gesprekken over wereldse dingen moeten luisteren en evenmin zou je over wereldse dingen moeten praten wanneer je anderen ontmoet. Zelfs in dromen moet je niet aan vrouwen denken. Je hebt de onthechte levensorde aanvaard met een gelofte die je verbiedt met vrouwen om te gaan. Wil je met Heer Caitanya Mahāprabhu omgaan, herinner je dan altijd hoe Choṭa Haridāsa door de Heer werd verstoten. Zorg dat je geen luxueus voedsel eet en kleed je niet in prachtige gewaden, maar blijf altijd nederig en dien Śrī Śrī Rādhā-Kṛṣṇa vanuit het diepst van je hart.’
De conclusie is dat wie deze zes onderdelen — spraak, geest, woede, tong, maag en geslachtsdelen — beheerst, een svāmī of gosvāmī moet worden genoemd. Svāmī betekent ‘meester’ en gosvāmī betekent ‘meester van de go (zintuigen)’. Wanneer iemand de onthechte levensorde aanvaardt, ontvangt hij automatisch de titel svāmī. Dit betekent niet dat hij de meester is van zijn familie of van zijn gemeenschap of samenleving; hij moet meester zijn over zijn zintuigen. Alleen iemand die meester is over zijn zintuigen, mag een gosvāmī worden genoemd, anders past go-dāsa, dienaar van de zintuigen, beter. Volgend in het voetspoor van de Zes Gosvāmī’s van Vṛndāvana zouden alle svāmī ’s en gosvāmī ’s zich volledig moeten toeleggen op transcendentale liefdedienst aan de Heer. Daar tegenover staat dat go-dāsa’s zich bezighouden met dienst aan hun zintuigen of aan de materiële wereld. Ze houden zich met niets anders bezig. Prahlāda Mahārāja beschrijft de go-dāsa verder als adānta-go, wat verwijst naar iemand die zijn zintuigen niet onder controle heeft. Een adānta-go kan geen dienaar van Kṛṣṇa worden. Prahlāda Mahārāja zegt in het Śrīmad-Bhāgavatam (7.5.30):
matir na kṛṣṇe parataḥ svato vā
mitho ’bhipadyeta gṛha-vratānām
adānta-gobhir viśatāṁ tamisraṁ
punaḥ punaś carvita-carvaṇānām
‘Zij die vastberaden zijn hun bestaan in de materiële wereld voort te zetten voor het bevredigen van hun zintuigen, hebben geen schijn van kans om Kṛṣṇa-bewust te worden; niet door persoonlijke inspanning en niet door instructies van anderen of door gezamenlijke conferenties. Ze worden door hun onbeteugelde zintuigen naar de duisterste regionen van onwetendheid gesleept en houden zich daarom als bezetenen bezig met “kauwen wat al is uitgekauwd”.’