Default ViewAdvanced
Dual Language
Before Verses
Devanagari
Verse Text
Synonyms
Translation
Purport

Nectar van Instructie

वाचो वेगं मनसः क्रोधवेगं जिह्वावेगमुदरोपस्थवेगम् ।
एतान्वेगान्यो विषहेत धीरः सर्वामपीमां पृथिवीं स शिष्यात् ॥ १ ॥
vāco vegaṁ manasaḥ krodha-vegaṁ
jihvā-vegam udaropastha-vegam
etān vegān yo viṣaheta dhīraḥ
sarvām apīmāṁ pṛthivīṁ sa śiṣyāt

Synonyms

vācaḥvan het spreken; vegamdrang; mana­saḥvan de geest; krodhavan woede; vegamdrang; jihvāvan de tong; vegamdrang; udara-upasthavan de maag en geslachtsdelen; vegamdrang; etāndeze; vegāndrang; yaḥwie ook; viṣahetakan verdragen; dhīraḥsober; sarvāmhele; apizeker; imāmdeze; pṛthivīmwereld; saḥdie persoon; śiṣyātkan discipelen maken.

Translation

Een wijs persoon die de drang tot spreken, de dwang van de geest, de uitingen van woede en de drang van de tong, maag en geslachtsdelen weet te verdragen, is bevoegd om over de hele wereld discipelen te maken.

Purport

In het Śrīmad-Bhāgavatam (6.1.9-10) stelt Parīkṣit Mahārāja een aantal intelligente vragen aan Śukadeva Gosvāmī. Een van deze vragen is: ‘Waarom ondergaan mensen boetedoening als ze hun zintuigen niet kunnen bedwingen?’ Een dief weet bijvoorbeeld heel goed dat hij gearresteerd kan worden voor diefstal, maar zelfs al ziet hij een andere dief door de politie worden opgepakt, dan nog zal hij doorgaan met stelen.

Door te luisteren en te zien doen we ervaring op. Wie minder intelligent is, doet ervaring op door te zien, maar wie intelligenter is, doet dat door te luisteren. Als een intelligent persoon uit het wetboek of de śāstra’s (de heilige teksten) hoort dat stelen verkeerd is en dat een dief na zijn arrestie wordt gestraft, zal hij ophouden met stelen. Wie niet zo intelligent is, zal eerst gearresteerd en gestraft moeten worden voor diefstal voordat hij stopt met stelen. Maar voor dwazen geldt dat ook al hebben ze nog zo geluisterd en gezien en zijn ze misschien zelfs gestraft, ze toch doorgaan met stelen. Zelfs al ondergaat zo iemand boetedoening en wordt hij door de regering gestraft, dan zal hij, zodra hij uit de gevangenis komt, toch weer stelen. Als een gevangenisstraf een soort boetedoening is, wat is dan het nut van zo’n boetedoening? Daarom vroeg Parīkṣit Mahārāja (Bhāgavatam 6.1.9-10):
dṛṣṭa-śrutābhyāṁ yat pāpaṁ
jānann apy ātmano ’hitam
karoti bhūyo vivaśaḥ
prāyaścittam atho katham


kvacin nivartate ’bhadrāt
kvacic carati tat punaḥ
prāyaścittam atho ’pārthaṁ
manye kuñjara-śaucavat
Hij vergeleek boetedoening met het baden van een olifant. Een olifant mag zich dan grondig in de rivier baden, maar zodra hij weer op de oever staat, gooit hij modder over zijn hele lichaam. Wat is dan het nut van zijn bad? Op dezelfde manier chanten vele spirituele beoefenaars de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra, hoewel ze tegelijkertijd vele verboden dingen doen en denken dat het chanten hun overtredingen wel zal neutraliseren.

Van de tien overtredingen die chanters van de heilige naam van de Heer kunnen begaan, wordt deze overtreding nāmno balād yasya hi pāpa-buddhiḥ genoemd of overtredingen begaan op kracht van het chanten van de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra. Sommige christenen gaan naar de kerk met dezelfde instelling: ze biechten hun zonden op en denken dat hun biecht bij de priester en hun boetedoening hen zal bevrijden van de resultaten van hun wekelijkse zonden. Zodra de zaterdag voorbij is en de zondag aanbreekt, beginnen ze weer met hun zondige activiteiten en verwachten ze dat ze de volgende zaterdag opnieuw zullen worden vergeven. Mahārāja Parīkṣit, de intelligentste koning van zijn tijd, veroordeelt dit soort prāyaścitta of boetedoening. Śuka­deva Gosvāmī, die net zo intelligent was — wat passend is voor de spiritueel leraar van Mahārāja Parīkṣit — antwoordde de koning en bevestigde zijn uitspraak over boetedoening. Een zondige activiteit wordt niet geneutraliseerd door een vrome. Ons sluimerende Kṛṣṇa-bewustzijn opwekken is daarom de ware prāyaścitta of boetedoening.
Werkelijke boetedoening berust op werkelijke kennisverwerving, waarvoor een standaardmethode bestaat. Wie op een gereguleerde, hygiënische manier leeft, wordt niet ziek. Een mens moet volgens bepaalde principes worden getraind om zich zijn oorspronkelijke kennis te herinneren. Zo’n gereguleerd en ordelijk leven leiden wordt gezien als tapasya. Door ascese en seksuele onthouding (brahmacarya) te beoefenen, de geest en de zintuigen te beheersen, vrijgevig bezittingen te schenken, open en eerlijk te zijn, schoon te blijven en yoga-āsana’s te beoefenen, kunnen we geleidelijk tot het niveau van werkelijke kennis of Kṛṣṇa-bewustzijn worden verheven. Maar wie het geluk heeft in contact te komen met een zuivere toegewijde, kan alle oefeningen voor het beheersen van de geest door de mystieke yogamethode gemakkelijk achterwege laten door eenvoudig de regulerende principes van het Kṛṣṇa-bewustzijn te volgen — afzien van: vrije seks, vleeseten, opwekkende en bedwelmende middelen gebruiken en gokken — en door devotionele dienst te verrichten voor de Allerhoogste Heer onder begeleiding van een betrouwbare spiritueel leraar. Dit is de eenvoudige methode die Śrīla Rūpa Gosvāmī ons aanraadt.
Allereerst moeten we ons spraakvermogen beheersen. Iedereen heeft dit vermogen: zodra het maar even kan, beginnen we te praten. Maar als we niet over Kṛṣṇa praten, praten we over allerlei onzin. Zoals een kikker in het veld spreekt door te kwaken, zo wil iedereen die een tong heeft, spreken, zelfs al is het alleen maar onzin. Maar het kwaken van kikkers nodigt slangen uit: ‘Kom hier en eet me maar.’ Maar ook al trekt de kikker met zijn gekwaak de dood aan, toch gaat hij ermee door. Het praten van materialisten en impersonalistische māyāvādī-filosofen is als kikkergezang. Ze spreken altijd onzin en nodigen zo de dood uit om hen te vangen.

Maar het spraakvermogen beheersen is niet een zelfopgelegd zwijgen (de externe methode van mauna), zoals māyāvādī-filosofen denken. Zwijgen lijkt misschien tijdelijk te helpen, maar uiteindelijk mislukt het. De manier die Śrīla Rūpa Gosvāmī bepleit om ons spraakvermogen te beheersen is juist de positieve methode van kṛṣṇa-kathā: onze spraak gebruiken om de Allerhoogste Heer, Śrī Kṛṣṇa, te verheerlijken. Zo kan de tong de naam, vorm, eigenschappen en activiteiten van vermaak van de Heer verheerlijken. Wie kṛṣṇa-kathā verkondigt, ontkomt altijd aan de greep van de dood. Dat is wat het betekent om de drang tot spreken te beheersen.
De rusteloosheid of wispelturigheid van de geest (mano-vega) kunnen we bedwingen door onze geest op de lotusvoeten van Kṛṣṇa te richten. Het Caitanya-caritāmṛta (Madhya 22.31) zegt:
kṛṣṇa – sūrya-sama; māyā haya andhakāra
yāhāṅ kṛṣṇa, tāhāṅ nāhi māyāra adhikāra
Kṛṣṇa is als de zon en māyā als de duisternis. Is de zon aanwezig, dan is er van duisternis geen sprake. Zo kan de geest door māyā’s invloed onmogelijk onrustig worden als Kṛṣṇa aanwezig is. De yogamethode waarbij alle materiële gedachten worden genegeerd, zal ons niet helpen. Een vacuüm in de geest proberen te creëren is kunstmatig, want het vacuüm blijft niet. Maar door altijd aan Kṛṣṇa te denken en ons af te vragen hoe we Hem het beste kunnen dienen, krijgen we de geest gemakkelijk onder controle.
Op dezelfde manier kunnen we woede bedwingen. Woede kan nooit helemaal worden gestopt, maar als we alleen kwaad worden op degenen die de Heer of Zijn toegewijden bespotten en belasteren, dan bedwingen we onze woede op een Kṛṣṇa-bewuste manier. Heer Caitanya Mahāprabhu werd woedend op de kwaadaardige broers Jagāi en Mādhāi, die Nityānanda Prabhu belasterden en aanvielen. In Zijn Śikṣāṣṭaka schreef Heer Caitanya: tṛṇād api sunīcena taror api sahiṣṇunā — ‘Men moet nederiger zijn dan het gras en verdraagzamer dan een boom.’ We kunnen ons afvragen waarom de Heer Zijn woede toonde. Het idee is dat we zelf altijd bereid moeten zijn om persoonlijke beledigingen te verdragen, maar wanneer Kṛṣṇa of Zijn zuivere toegewijde wordt bespot of belasterd, wordt een echte toegewijde kwaad en reageert fel tegen de overtreders. Krodha, woede, kan niet worden gestopt, maar wel op de juiste manier worden toegepast. Uit woede stak Hanumān Laṅka in brand, maar toch wordt hij als de grootste toegewijde van Heer Rāmacandra vereerd. Dit betekent dat hij zijn woede op de juiste manier gebruikte. Arjuna is een ander voorbeeld. Hij wilde niet vechten, maar Kṛṣṇa’s woorden — ‘Je moet vechten!’ — wekten zijn woede. Zonder woede is vechten onmogelijk. Maar in dienst van de Heer kan woede wel worden bedwongen.
Wat betreft de drang van de tong: we weten allemaal dat de tong smakelijke gerechten wil eten. Eigenlijk zouden we de tong niet alles moeten laten eten wat ze maar wil, maar zouden we haar moeten beheersen met prasāda. De instelling van een toegewijde is dat hij alleen eet wanneer Kṛṣṇa hem prasāda te eten geeft. Dat is de juiste manier om de drang van de tong te bedwingen. We zouden op bepaalde tijden prasāda moeten nemen en niet in restaurants of snoepwinkels moeten eten om aan de grillen van de tong en de maag toe te geven. Als we vasthouden aan het principe van alleen maar prasāda eten, kan de drang van de maag en de tong worden bedwongen.
Op dezelfde manier kan de drang van de ge­­slachtsdelen, de geslachtsdrift, onder controle worden gebracht door deze niet onnodig te gebruiken. De geslachtsdelen moeten worden gebruikt om een Kṛṣṇa-bewust kind te verwekken en nergens anders voor. De beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn moedigt het huwelijk aan, niet voor het bevredigen van de geslachtsorganen, maar voor het verwekken van Kṛṣṇa-bewuste kinderen. Zodra de kinderen wat groter zijn, worden ze naar onze gurukula gestuurd, onze school waar ze getraind worden om volledig Kṛṣṇa-bewuste toegewijden te worden. Er zijn veel van die Kṛṣṇa-bewuste kinderen nodig en wie in staat is zulke Kṛṣṇa-bewuste nakomelingen te verwekken, mag zijn geslachtsorganen gebruiken.
Wie de methoden van Kṛṣṇa-bewuste beheersing volledig onder de knie heeft, komt in aanmerking om een betrouwbare spiritueel leraar te worden.
In zijn Anuvṛtti, een commentaar op de Upa­deś­āmṛta, schrijft Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura dat onze vereenzelviging met materie drie soorten van drang veroorzaakt: de drang om te spreken, de drang of behoefte van de geest en de behoeften van het lichaam. Als een levend wezen ten prooi valt aan die drie soorten van drang, voorspelt dat niet veel goeds voor zijn leven. Wie die behoeften of drangen leert weerstaan, wordt een tapasvī genoemd, iemand die ascese beoefent. Zulke tapasya voorkomt dat we ten prooi vallen aan de materiële energie, de externe energie van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods.
Als we het hebben over de drang tot praten, hebben we het over onnodig gepraat, zoals dat van de māyāvādī-filosofen, of van personen die bezig zijn met resultaatgerichte activiteiten (die technisch karma-kāṇda worden genoemd), of van materialistische mensen die alleen maar onbelemmerd van het leven willen genieten. Al deze gesprekken of literatuur zijn reële voorbeelden van de drang tot praten. Veel mensen spreken nonsens en schrijven waardeloze boekdelen vol met onzin; allemaal het resultaat van de drang tot praten. Om deze neiging tegen te gaan, moeten we Kṛṣṇa tot ons gespreksonderwerp maken. Dit wordt uitgelegd in het Śrīmad-Bhāgavatam (1.5.10-11):
na yad vacaś citra-padaṁ harer yaśo
jagat-pavitraṁ pragṛṇīta karhicit
tad vāyasaṁ tīrtham uśanti mānasā
na yatra haṁsā niramanty uśik-kṣayāḥ
‘Woorden die niet de heerlijkheid van de Heer beschrijven, die als enige de sfeer van het hele universum kan zuiveren, worden door heilige personen beschouwd als een pelgrimsoord voor kraaien. Volmaakte personen beleven daar geen genoegen, omdat ze inwoners zijn van de transcendentale wereld.’
tad-vāg-visargo janatāgha-viplavo
yasmin prati-ślokam abaddhavaty api
nāmāny anantasya yaśo ’ṅkitāni yat
śṛṇvanti gāyanti gṛṇanti sādhavaḥ
‘Maar literatuur die de transcendentale glorie van de naam, roem, gedaanten, activiteiten van vermaak, enzovoort van de onbegrensde Allerhoogste Heer rijkelijk beschrijft, is van een andere aard, want ze staat vol transcendentale woorden die bedoeld zijn om een ommekeer teweeg te brengen in het goddeloze bestaan van deze misleide wereldbeschaving. Hoewel zulke transcendentale literatuur soms onvolkomenheden vertoont, wordt ze toch aangehoord, gereciteerd en aanvaard door gezuiverde personen die door en door oprecht zijn.’
De conclusie is dat we ons alleen van waardeloos en onzinnig gepraat kunnen weerhouden als we over devotionele dienst aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods praten. We moeten er altijd voor zorgen dat we ons spraakvermogen alleen gebruiken voor het realiseren van Kṛṣṇa-bewustzijn.
De rusteloosheid van de wispelturige geest wordt onderverdeeld in twee categorieën. De eerste wordt avirodha-prīti of onbeperkte gehechtheid genoemd en de tweede virodha-yukta-krodha of woede die voortkomt uit frustratie. Avirodha-prīti verwijst naar het volgen van māyāvāda-filosofie, het geloven in de vruchten van de resultaatgerichte activiteiten van de karma-vādī ’s en het vertrouwen op plannen die gebaseerd zijn op materialistische verlangens. Meestal zijn het de jñānī ’s, karmī ’s en materialistische plannenmakers die de aandacht van geconditioneerde zielen trekken, maar als materialisten hun plannen niet kunnen verwezenlijken en al hun kunstgrepen op niets uitlopen, worden ze kwaad. Gefrus­treerde materiële verlangens veroorzaken woede.
Op dezelfde manier kunnen lichamelijke be­hoeften in drie categorieën worden onderverdeeld: de behoeften van de tong, de maag en de geslachtsdelen. Fysiek gezien kunnen we vaststellen dat die drie zintuigen zich op één lijn bevinden en dat lichamelijke behoeften beginnen met de tong. Slagen we erin de behoeften van de tong te bedwingen door de activiteiten van de tong te beperken tot het eten van prasāda, dan zullen we de behoeften van de maag en de geslachtsdelen ook vanzelf onder controle krijgen. Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura zegt hierover het volgende:
śarīra avidyā jāla, jaḍendriya tāhe kāla,
jīve phele viṣaya-sāgare
tā’ra madhye jihvā ati, lobhamāyā sudurmati,
tā’ke jetā kaṭhina saṁsāre
kṛṣṇa baḍa dayāmaya, karibāre jihvā jaya,
sva-prasāda-anna dila bhāi
sei annāmṛta khāo, rādhā-kṛṣṇa-guṇa gāo,
preme ḍāka caitanya-nitāi
‘O Heer, dit materiële lichaam is een brok onwetendheid en de zintuigen zijn een netwerk van paden die uitlopen op de dood. Op een of andere manier zijn wij in deze oceaan van materieel zingenot gevallen. Van alle zintuigen is de tong het vraatzuchtigst en het moeilijkst te bedwingen. Het is in deze wereld bijzonder moeilijk om de tong te overwinnen, maar U, dierbare Kṛṣṇa, bent zo vriendelijk voor ons. U heeft ons deze heerlijke prasāda gezonden om ons te helpen onze tong te overwinnen. Laten we daarom tot onze volle tevredenheid deze prasāda eten, Śrī Śrī Rādhā-Kṛṣṇa verheerlijken en Heer Caitanya en Prabhu Nityānanda uit liefde te hulp roepen.’
Er zijn zes soorten rasa’s (smaken) en wie door om het even welke van deze zes wordt geprikkeld, wordt beheerst door de drang van de tong. Sommige mensen houden van vlees, vis, krab, eieren en andere dingen die voortkomen uit zaad en bloed en die in de vorm van dode lichamen worden gegeten. Andere mensen houden van groenten, planten, spinazie of zuivelproducten, maar alleen voor het bevredigen van de tong. Van Kṛṣṇa-bewuste personen wordt verwacht dat ze het eten voor zinsbevrediging opgeven, inclusief overmatig gebruik van kruiden, zoals chilipeper en tamarinde. Om onaanvaardbare verlangens te vervullen, doen sommige mensen zich ook te goed aan het kauwen op betelbladeren en aan haritakī, betelnoten, verschillende kruiden die worden gebruikt voor het maken van pruimtabak van betelbladeren, tabak, lsd, marihuana, opium, sterke drank, koffie en thee. Als we leren om alleen de overblijfselen te aanvaarden van het voedsel dat Kṛṣṇa heeft gegeten, kunnen we aan māyā’s grip ontkomen.

Groente, granen, fruit, zuivelproducten en water zijn geschikte ingrediënten om aan Heer Kṛṣṇa te offeren en deze worden ook door Hemzelf voorgeschreven. Maar als we prasāda alleen aanvaarden omdat het lekker smaakt en daardoor te veel eten, vallen we ook ten prooi aan het bevredigen van de behoeften van de tong. Śrī Caitanya Mahāprabhu heeft ons geleerd bijzonder smakelijke gerechten te vermijden, zelfs al is het prasāda. Als we heerlijke gerechten aan de Beeldgedaanten offeren om daardoor zelf lekker te kunnen eten, zijn we bezig met het bevredigen van de behoeften van de tong. Ook als we een uitnodiging van een rijk persoon aanvaarden met de achterliggende gedachte daardoor op smakelijk voedsel te worden onthaald, proberen we de behoeften van de tong te bevredigen. In het Caitanya-caritāmṛta (Antya 6.227) staat:
jihvāra lālase yei iti-uti dhāya
śiśnodara-parāyaṇa kṛṣṇa nāhi pāya
‘Wie van hier naar daar rent om zijn tong te bevredigen en te veel gesteld is op de verlangens van zijn maag en geslachtsdelen, kan Kṛṣṇa niet bereiken.’
Zoals eerder gezegd, bevinden de tong, de maag en de geslachtsorganen zich allemaal op één lijn en vallen ze onder dezelfde categorie. Heer Caitanya zei: bhāla nā khāibe āra bhāla nā paribe — ‘Draag geen luxueuze kleren en eet geen overheerlijk voedsel.’ (Caitanya-caritāmṛta, Antya 6.236)
Volgens deze analyse zijn mensen met maagaandoeningen niet in staat om de drang van hun maag te beheersen. Door ons verlangen om meer te eten dan noodzakelijk, halen we onszelf onvermijdelijk allerlei ongemakken op de hals. Maar door op dagen als Ekādaśī en Janmāṣṭamī te vasten, kunnen we de drang van de maag bedwingen.
Wat betreft de drang van de geslachtsdelen zijn er twee categorieën: gepaste en ongepaste of toegestane en vrije seks. Wanneer een man werkelijk volwassen is, kan hij volgens de regels en bepalingen van de śāstra’s trouwen en zijn geslachtsdelen gebruiken voor het verwekken van goede kinderen. Dat is toegestaan en religieus. Anders zal hij op vele kunstmatige manieren de behoeften van zijn geslachtsdelen bevredigen, zonder zich daarbij beperkingen op te leggen. Wie toegeeft aan vrije seks zoals die in de śāstra’s wordt gedefinieerd — door denken, plannen, erover te praten, daadwerkelijk geslachtsgemeenschap te hebben of door de geslachtsdelen op een kunstmatige manier te bevredigen — valt ten prooi aan māyā. Deze instructies zijn er niet alleen voor getrouwde mensen, maar ook voor tyāgī ’s of personen in de onthechte levensorde. In het zevende hoofdstuk van zijn boek Prema-vivarta zegt Śrī Jagadānanda Paṇḍita:
vairāgī bhāi grāmya-kathā nā śunibe kāne
grāmya-vārtā nā kahibe yabe milibe āne


svapane o nā kara bhāi strī-sambhāṣaṇa
gṛhe strī chāḍiyā bhāi āsiyācha vana


yadi cāha praṇaya rākhite gaurāṅgera sane
choṭa haridāsera kathā thāke yena mane


bhāla nā khāibe āra bhāla nā paribe
hṛdayete rādhā-kṛṣṇa sarvadā sevibe
‘Dierbare broeder, je bevindt je in de onthechte levensorde en zou daarom niet naar gesprekken over wereldse dingen moeten luisteren en evenmin zou je over wereldse dingen moeten praten wanneer je anderen ontmoet. Zelfs in dromen moet je niet aan vrouwen denken. Je hebt de onthechte levensorde aanvaard met een gelofte die je verbiedt met vrouwen om te gaan. Wil je met Heer Caitanya Mahāprabhu omgaan, herinner je dan altijd hoe Choṭa Haridāsa door de Heer werd verstoten. Zorg dat je geen luxueus voedsel eet en kleed je niet in prachtige gewaden, maar blijf altijd nederig en dien Śrī Śrī Rādhā-Kṛṣṇa vanuit het diepst van je hart.’
De conclusie is dat wie deze zes onderdelen — spraak, geest, woede, tong, maag en geslachtsdelen — beheerst, een svāmī of gosvāmī moet worden genoemd. Svāmī betekent ‘meester’ en gosvāmī betekent ‘meester van de go (zintuigen)’. Wanneer iemand de onthechte levensorde aanvaardt, ontvangt hij automatisch de titel svāmī. Dit betekent niet dat hij de meester is van zijn familie of van zijn gemeenschap of samenleving; hij moet meester zijn over zijn zintuigen. Alleen iemand die meester is over zijn zintuigen, mag een gosvāmī worden genoemd, anders past go-dāsa, dienaar van de zintuigen, beter. Volgend in het voetspoor van de Zes Gosvāmī’s van Vṛndāvana zouden alle svāmī ’s en gosvāmī ’s zich volledig moeten toeleggen op transcendentale liefdedienst aan de Heer. Daar tegenover staat dat go-dāsa’s zich bezighouden met dienst aan hun zintuigen of aan de materiële wereld. Ze houden zich met niets anders bezig. Prahlāda Mahārāja beschrijft de go-dāsa verder als adānta-go, wat verwijst naar iemand die zijn zintuigen niet onder controle heeft. Een adānta-go kan geen dienaar van Kṛṣṇa worden. Prahlāda Mahārāja zegt in het Śrīmad-Bhāgavatam (7.5.30):
matir na kṛṣṇe parataḥ svato vā
mitho ’bhipadyeta gṛha-vratānām
adānta-gobhir viśatāṁ tamisraṁ
punaḥ punaś carvita-carvaṇānām
‘Zij die vastberaden zijn hun bestaan in de materiële wereld voort te zetten voor het bevredigen van hun zintuigen, hebben geen schijn van kans om Kṛṣṇa-bewust te worden; niet door persoonlijke inspanning en niet door instructies van anderen of door gezamenlijke conferenties. Ze worden door hun onbeteugelde zintuigen naar de duisterste regionen van onwetendheid gesleept en houden zich daarom als bezetenen bezig met “kauwen wat al is uitgekauwd”.’
अत्याहारः प्रयासश्च प्रजल्पो नियमाग्रहः ।
जनसङ्गश्च लौल्यं च षड्भिर्भक्तिर्विनश्यति ॥ २ ॥
atyāhāraḥ prayāsaś ca
prajalpo niyamāgrahaḥ
jana-saṅgaś ca laulyaṁ ca
ṣaḍbhir bhaktir vinaśyati

Synonyms

ati-āhāraḥoverdadig eten of te veel vergaren; prayāsaḥzich te veel inspannen; caen; prajalpaḥzinloos praten; niyamaregels en bepalingen; āgrahaḥte gehecht zijn aan (of agrahaḥ — te veel onachtzaamheid); jana-saṅgaḥomgang met wereldse mensen; caen; laulyamhevig verlangen of hebzucht; caen; ṣaḍbhiḥdoor deze zes; bhaktiḥdevotionele dienst; vinaśyatiis vernietigd.

Translation

Iemands devotionele dienst raakt ontwricht door te grote verstrikking in zes activiteiten: (1) meer eten of meer geld verzamelen dan nodig is; (2) zich overdreven inspannen voor wereldse zaken die bijzonder moeilijk te bereiken zijn; (3) onnodig praten over wereldse onderwerpen; (4) de regels en bepalingen in de heilige teksten alleen volgen om het volgen zelf en niet voor spirituele vooruitgang, of die regels juist verwerpen en onafhankelijk of eigenmachtig handelen; (5) omgaan met wereldse mensen, die niet geïnteresseerd zijn in Kṛṣṇa-bewustzijn; (6) hunkeren naar werelds succes.

Purport

Het menselijk leven is bedoeld voor eenvoudig leven en verheven denken. Omdat alle geconditioneerde levende wezens worden beheerst door de derde energie van de Heer, is de materiële wereld zo ontworpen dat we gedwongen worden te werken. De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods heeft drie basisenergieën. De eerste energie wordt antaraṅga-śakti genoemd, de interne energie. De tweede wordt taṭasthā-śakti genoemd, de tussenenergie. En de derde wordt bahiraṅga-śakti of de externe energie genoemd. De tussenenergie bestaat uit de levende wezens en zij bevinden zich tussen de interne en externe energie. Als ondergeschikte, eeuwige dienaren van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods blijven de jīvātmā’s of atomische levende wezens altijd onder de controle van óf de externe óf de interne energie. Zolang ze onder de controle van de interne energie zijn, doen ze wat ze van nature doen: voortdurend bezig zijn met devotio­nele dienst aan de Heer. In de Bhagavad-gītā (9.13) staat het volgende:
mahātmānas tu māṁ pārtha
daivīṁ prakṛtim āśritāḥ
bhajanty ananya-manaso
jñātvā bhūtādim avyayam
‘O zoon van Pṛthā, zij die niet misleid zijn, de grote zielen, worden door de goddelijke natuur beschermd. Ze zijn voortdurend en uitsluitend bezig met devotionele dienst, omdat ze Me kennen als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, die oorspronkelijk en onuitputtelijk is.’
Het woord mahātmā verwijst naar ruimdenkende mensen, niet naar kleingeestige. Kleingeestige mensen, die zich altijd met het bevredigen van hun zintuigen bezighouden, breiden hun activiteiten soms uit om via een of ander ‘isme’, zoals nationalisme, humanitarisme of altruïsme, iets goeds te doen voor anderen. Ze geven hierbij misschien hun eigen zinsbevrediging op voor die van anderen, zoals familieleden, leden van hun gemeenschap of samenleving, zowel op nationaal als internationaal niveau. Maar eigenlijk is dit allemaal uitgebreide zinsbevrediging: van persoonlijke naar gemeenschappelijke naar sociale zinsbevrediging. Vanuit een materialistisch oogpunt lijkt dit misschien allemaal heel goed, maar zulke activiteiten hebben geen spirituele waarde. De basis van zulke activiteit is zinsbevrediging, of die nu op iemand zelf of op dierbaren is gericht. Iemand kan alleen een mahātmā, een ruimdenkend persoon, worden genoemd als hij de zintuigen van de Allerhoogste Heer bevredigt.
In het vers uit de Bhagavad-gītā dat hierboven werd geciteerd, verwijzen de woorden daivīṁ pra­kṛtim naar de macht van het interne vermogen of de vreugde-energie van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Deze vreugde-energie is Śrīmatī Rādhārāṇī of Haar expansie Lakṣmī, de geluksgodin. Wanneer indivuele jīva’s, de zielen, door de interne energie worden beheerst, is hun enige bezigheid het tevredenstellen van Kṛṣṇa of Viṣṇu. Dat is de positie van een mahātmā. Wie geen mahātmā is, is een durātmā, iemand met een kreupele geest. Zulke kleingeestige durātmā’s worden onder het toezicht gesteld van mahāmāyā, de externe energie van de Heer.
In de materiële wereld worden alle levende wezens zonder meer beheerst door mahāmāyā. Het is haar taak om hen te onderwerpen aan de drie soorten ellende: adhidaivika-kleśa (door halfgoden veroorzaakte ellende, zoals droogte, aardbevingen en stormen), adhibhautika-kleśa (ellende veroorzaakt door andere levende wezens, zoals insecten of vijanden) en adhyātmika-kleśa (ellende veroorzaakt door iemands eigen lichaam en geest, zoals mentale en fysieke kwalen). Daiva-bhūtātma-hetavaḥ: de geconditioneerde zielen, die door de beheersing van de externe energie onderhevig zijn aan deze drie soorten ellende, lijden door allerlei moeilijkheden.
Het grootste probleem waarmee geconditioneerde zielen worden geconfronteerd, is herhaalde geboorte, ouderdom, ziekte en dood. In de materiële wereld worden we tot werken gedwongen om lichaam en ziel in stand te houden, maar hoe kunnen we zulk werk doen op een manier die bevorderlijk is voor het beoefenen van Kṛṣṇa-bewustzijn?
Iedereen heeft bezittingen nodig, zoals granen, kleding, geld en andere benodigdheden die het lichaam in stand houden, maar we moeten niet meer verzamelen dan nodig is voor echte basisbehoeften. Wordt dit natuurlijke principe gevolgd, dan is het niet moeilijk om het lichaam in stand te houden.

Levende wezens die lager op de evolutionaire ladder staan, eten of verzamelen van nature niet meer dan ze nodig hebben. In het dierenrijk zijn er daarom over het algemeen geen economische problemen en is er geen gebrek aan benodigheden. Wanneer er ergens op een plein een zak rijst wordt neergelegd, zullen vogels erop afkomen voor een paar korrels om daarna weer verder te vliegen. Maar een mens zal de hele zak meenemen. Hij zal zich volstoppen en de rest proberen op te slaan. Volgens de heilige teksten is het verboden om meer te verzamelen dan nodig (atyāhāra). Dit is waardoor de hele wereld tegenwoordig lijdt.
Meer geld verzamelen en meer eten dan noodzakelijk is, veroorzaakt ook prayāsa of onnodige inspanning. Door Gods plan kan iedereen, waar dan ook ter wereld, heel vredig leven met wat land en een melkkoe. Mensen hoeven niet van de ene plaats naar de andere te verhuizen om de kost te verdienen, want ze kunnen hun graan lokaal verbouwen en melk van de koe krijgen. Dat kan alle economische problemen oplossen. Gelukkig heeft de mens een hogere intelligentie gekregen voor het cultiveren van Kṛṣṇa-bewustzijn, of het begrijpen van God, zijn relatie met Hem en het uiteindelijke doel van het leven: liefde voor God. Jammer genoeg gebruikt de zogenaamd beschaafde mens, zonder ook maar iets om godsrealisatie te geven, zijn intelligentie om meer te verzamelen dan noodzakelijk is en eet hij alleen maar om zijn tong te bevredigen. Door Gods plan hebben alle mensen ter wereld volop de kans om melk en granen te produceren. Maar in plaats van hun hogere intelligentie te gebruiken om godsbewustzijn te cultiveren, misbruiken zogenaamd intelligente mensen hun intelligentie om vele nutteloze en onwenselijke dingen te maken. Daarom worden er fabrieken, slachthuizen, bordelen en drankzaken geopend. Als mensen geadviseerd wordt niet te veel goederen te verzamelen, niet te veel te eten of niet te hard te werken voor bezittingen die het leven op een onnatuurlijke manier aangenaam maken, denken ze dat hen wordt aangeraden om terug te keren naar een primitieve levensstandaard. Over het algemeen zijn mensen niet geneigd een eenvoudig leven van verheven denken te aanvaarden, en dat is heel onfortuinlijk voor hen.
Het menselijk leven is bedoeld voor godsrealisatie en hiervoor heeft de mens een hogere intelligentie gekregen. Wie gelooft dat deze hogere intelligentie ervoor bedoeld is een hogere toestand te bereiken, moet de instructies van de vedische literatuur opvolgen. Door zulke instructies van hogere autoriteiten na te leven, kunnen we volmaakte kennis krijgen en daadwerkelijk betekenis aan ons leven geven.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (1.2.9) beschrijft Śrī Sūta Gosvāmī de menselijke dharma op de volgende manier:
dharmasya hy āpavargyasya
nārtho ’rthāyopakalpate
nārthasya dharmaikāntasya
kāmo lābhāya hi smṛtaḥ
‘Alle voorgeschreven activiteiten [dharma] zijn zonder twijfel bedoeld om uiteindelijk bevrijding te bereiken. Ze moeten nooit worden verricht voor materieel profijt. En wie zijn primaire voorgeschreven activiteit [dharma] verricht, mag zijn materiële profijt nooit gebruiken voor het cultiveren van zingenot.’
Menselijke beschaving bestaat allereerst uit het verrichten van voorgeschreven activiteiten volgens de geboden in de heilige teksten. De hogere intelligentie van de mens moet worden getraind om de fundamentele dharma te begrijpen. In de menselijke samenleving leven er verschillende religieuze opvattingen — boeddhistische, hindoeïstische, christelijke, joodse, mohammedaanse, enzovoort — want zonder religie is de menselijke samenleving niet beter dan een dierlijke samenleving.
Zoals hierboven al werd gezegd is religie bedoeld voor het bereiken van bevrijding, niet voor broodwinning (dharmasya hy āpavargyasya nārtho ’rthāyopakalpate). Mensen verzinnen soms een zogenaamd religieus stelsel dat gericht is op materiële vooruitgang, maar dat schiet het doel van werkelijke dharma ver voorbij. Religie houdt in dat we de wetten van God begrijpen, want correcte naleving van die wetten zorgt ervoor dat we uiteindelijk uit de verstrikking in de materie komen. Dat is het werkelijke doel van religie. Maar door atyāhāra of buitensporig verlangen naar materiële voorspoed aanvaarden mensen zulke materiële welvaart jammer genoeg als religie. Maar ware religie leert mensen hoe ze tijdens het cultiveren van hun Kṛṣṇa-bewustzijn tevreden kunnen zijn met alleen strikt noodzakelijke levensbehoeften. Hoewel we economische ontwikkeling nodig hebben, is dat binnen een ware religie alleen toegestaan om in de primaire levensbehoeften te voorzien. Jīvasya tattva jijñāsā: het werkelijke doel van het leven is onderzoek doen naar de Absolute Waarheid. Als onze inspanning (prayāsa) niet op onderzoek naar de Absolute Waarheid is gericht, zal ons streven naar kunstmatige behoeftebevrediging alleen maar toenemen. Wie een spiritueel leven nastreeft, moet wereldse inspanningen vermijden.
Een ander obstakel is prajalpa of onnodig gepraat. Zodra we bij vrienden zijn, beginnen we onmiddellijk te kletsen en klinken we net als kwakende kikkers. Als we dan toch moeten praten, moeten we het hebben over de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn. Mensen buiten de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn lezen graag stapels kranten, tijdschriften en romans, lossen enthousiast kruiswoordpuzzels op en doen allerlei andere onzinnige dingen. Op die manier verspillen mensen simpelweg hun waardevolle tijd en energie. In de westerse landen doen oude, gepensioneerde mannen aan kaartspelen, vissen en televisiekijken en bediscussiëren ze nutteloze socio-politieke plannen. Al deze en andere onnozele activiteiten vallen onder de categorie prajalpa. Intelligente personen die geïnteresseerd zijn in Kṛṣṇa-bewustzijn, zouden nooit aan zulke activiteiten moeten deelnemen.
Jana-saṅga heeft betrekking op omgang met personen die niet geïnteresseerd zijn in Kṛṣṇa-bewustzijn. Zulke omgang moet strikt worden vermeden. Śrīla Narottama dāsa Ṭhākura adviseert ons dan ook om alleen met Kṛṣṇa-bewuste toegewijden te leven (bhakta-sane vāsa). We moeten Kṛṣṇa altijd in het gezelschap van Zijn toegewijden dienen. Omgang met personen die dezelfde zakenbelangen hebben, bevordert het zakendoen. Daarom richten materialistische mensen allerlei verenigingen en clubs op: zo stimuleren ze elkaars inspanningen. In de zakenwereld zijn er bijvoorbeeld de effectenbeurs en de Kamer van Koophandel. Om dezelfde reden hebben wij de Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn gesticht om mensen de gelegenheid te geven om te gaan met personen die Kṛṣṇa niet vergeten zijn. Dit spirituele gezelschap dat iskcon biedt, groeit dagelijks. Overal ter wereld sluiten vele mensen zich bij deze gemeenschap aan om hun sluimerende Kṛṣṇa-bewustzijn op te wekken.
Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura writes in his Anuvṛtti commentary that too much endeavor to acquire knowledge on the part of mental speculators or dry philosophers falls within the category of atyāhāra (collecting more than needed). According to Śrīmad-Bhāgavatam, the endeavor of philosophical speculators to write volumes of books on dry philosophy devoid of Kṛṣṇa consciousness is entirely futile. The work of karmīs who write volumes of books on economic development also falls within the category of atyāhāra. Similarly, those who have no desire for Kṛṣṇa consciousness and who are simply interested in possessing more and more material things – either in the shape of scientific knowledge or monetary gain – are all included under the control of atyāhāra.
Alleen omdat karmī ’s niet weten wat hun toekomstige situatie zal zijn, werken ze hard om meer en meer geld te vergaren voor volgende generaties. Omdat zulke dwaze mensen alleen maar geïnteresseerd zijn in meer en meer geld verzamelen voor hun zonen en kleinzonen, weten ze niet eens wat hun situatie in hun volgende leven zal zijn. Er zijn vele voorbeelden die dit illustreren. Er was eens een karmī die voor zijn zonen en kleinzonen een gigantisch fortuin had vergaard, maar die later door zijn karma in het huis van een schoenmaker werd geboren, vlakbij het gebouw dat hij in zijn vorige leven voor zijn kinderen had neergezet. Toen deze schoenmaker toevallig bij zijn vorige huis kwam, sloegen zijn vorige zonen en kleinzonen hem met schoenen. Karmī ’s en jñānī ’s verspillen hun leven met vruchteloze activiteiten, behalve als ze geïnteresseerd raken in Kṛṣṇa-bewustzijn.
Het voor onmiddellijk voordeel aanvaarden van sommige regels en bepalingen in de heilige teksten, zoals de utilitaristen bepleiten, wordt niyama-āgraha genoemd. En het veronachtzamen van de regels en bepalingen van de śāstra’s, die bedoeld zijn voor spirituele vooruitgang, wordt niyama-agraha genoemd. Het woord āgraha betekent ‘enthousiast aanvaarden’, en agraha betekent: ‘nalaten te aanvaarden’. Gecombineerd met het woord niyama (‘regels en bepalingen’) vormen beide woorden het woord niyamāgraha. Zo heeft niyamāgraha dus twee betekenissen, afhankelijk van hoe de woorden worden gecombineerd. Wie geïnteresseerd is in Kṛṣṇa-bewustzijn, zou de regels en voorschriften niet moeten accepteren om economisch voordeel te behalen. Maar om vooruitgang te maken in Kṛṣṇa-bewustzijn is het juist wel goed om oprecht de regels en bepalingen uit de heilige teksten te aanvaarden. Zulke mensen moeten de regulerende principes strikt volgen door vrije seks, vleeseten, gokken en drugsgebruik te vermijden.
Ook moeten we het gezelschap vermijden van māyāvādī ’s, die de vaiṣṇava’s (toegewijden) ronduit zwartmaken. Bhukti-kāmī ’s, die alleen maar geïnteresseerd zijn in materieel geluk, mukti-kāmī ’s, die naar bevrijding verlangen door op te gaan in het bestaan van het vormloze Absolute (Brahman), en siddhi-kāmī ’s, die volmaaktheid in mystieke yogabeoefening nastreven, worden geclassificeerd als atyāhārī ’s. Omgang met zulke personen is absoluut onwenselijk.
Verlangens naar geestverruiming door perfecte beoefening van mystieke yoga, door op te gaan in Brahman of door onbestendige materiële rijkdom te vergaren, vallen allemaal onder de categorie hebzucht (laulya). Alle pogingen om zulke materiële voordelen of zogenaamde spirituele vooruitgang te maken, zijn obstakels op het pad van Kṛṣṇa-bewustzijn.
De moderne oorlogvoering tussen kapitalisten en communisten bestaat omdat beide Śrīla Rūpa Gosvāmī ’s advies over atyāhāra in de wind slaan. Moderne kapitalisten vergaren meer geld dan ze nodig hebben en de communisten, die jaloers zijn op hun succes, willen alle rijkdom en bezittingen tot staatseigendom maken. Jammer genoeg weten de communisten niet hoe ze het probleem van de rijkdom en de verdeling ervan moeten oplossen. Dus zelfs als de rijkdom van de kapitalisten in handen komt van de communisten, leidt dat niet tot een oplossing. In tegenstelling tot deze twee filosofieën stelt de ideologie van het Kṛṣṇa-bewustzijn dat alle rijkdom het bezit is van Kṛṣṇa. Het economische probleem van de mensheid blijft onopgelost, tenzij alle rijkdom onder Kṛṣṇa’s beheer komt. Rijkdom in handen geven van communisten of kapitalisten lost niets op. Als er een biljet van honderd euro op straat ligt, is de kans groot dat iemand het oppakt en in zijn zak stopt en dat is niet eerlijk. Maar iemand anders die het biljet ziet, zal het laten liggen, omdat hij vindt dat hij van andermans eigendom moet afblijven. Hoewel de tweede persoon het geld niet voor zichzelf steelt, is hij zich niet bewust van het juiste gebruik ervan. Een derde persoon die het honderd euro biljet ziet liggen, zal het oprapen, degene die het verloren heeft opsporen en het daarna aan de eigenaar teruggeven. Die derde persoon steelt het geld niet om het voor zichzelf uit te geven en evenmin negeert hij het door het op straat te laten liggen. Door het op te rapen en terug te geven aan degene die het verloor, is deze persoon zowel eerlijk als wijs.
Simpelweg rijkdom overdragen van kapitalisten naar communisten kan het probleem van de moderne politiek niet oplossen, want er is al aangetoond dat als een communist geld krijgt, hij het voor zijn eigen zinsbevrediging zal gebruiken. In feite is de rijkdom van de wereld Kṛṣṇa’s bezit en elk levend wezen, zowel mens als dier, heeft het aangeboren recht om het bezit van God te gebruiken voor zijn levensonderhoud. Wie meer neemt dan nodig voor zijn levensonderhoud — kapitalist of communist — is een dief en strafbaar volgens de wetten van de natuur.
De rijkdom van de wereld moet worden gebruikt voor de welvaart van alle levende wezens, want dat is het plan van Moeder Natuur. Iedereen heeft het recht om te leven door gebruik te maken van de rijkdom van de Heer. Wanneer mensen de kunst leren verstaan om op een wetenschappelijke manier het bezit van de Heer te gebruiken, zullen ze niet langer inbreuk maken op de rechten van anderen. Pas dan kan een ideale samenleving worden gevormd. De eerste mantra van Śrī Īśopaniṣad geeft het basisprincipe van zo’n spirituele samenleving:
īśāvāsyam idaṁ sarvaṁ
yat kiñca jagatyāṁ jagat
tena tyaktena bhuñjīthā
mā gṛdhaḥ kasya svid dhanam
‘Al het bezielde en onbezielde in het universum wordt door de Heer bestuurd en is Zijn eigendom. Iedereen moet daarom alleen die dingen aanvaarden die hij voor zichzelf nodig heeft en die hem zijn toegemeten als zijn deel. Men zou geen andere dingen moeten aanvaarden, goed wetend aan wie ze toebehoren.’
Kṛṣṇa-bewuste toegewijden weten heel goed dat de materiële wereld ontworpen is volgens het totaalplan van de Heer om in de levensbehoeften van alle levende wezens te voorzien, zonder dat ze inbreuk hoeven te maken op elkaars leven of rechten. Dit totaalplan kent iedereen een passend deel van de rijkdom toe overeenkomstig ieders werkelijke behoefte. Op die manier kunnen we allemaal vredig leven volgens het principe van eenvoudig leven en verheven denken. Jammer genoeg misbruiken materialisten, die niet in het plan van God geloven en ook geen aspiraties hebben voor hogere, spirituele ontwikkeling, hun door God gegeven intelligentie om hun materiële bezit te vergroten. Ze verzinnen vele systemen — zoals kapitalisme en communisme — om hun materiële positie te verbeteren. Ze zijn niet geïnterresseerd in de wetten van God of in een hoger doel. Omdat ze altijd hun oneindige verlangens naar zinsbevrediging proberen te vervullen, blinken ze uit in het uitbuiten van hun medeschepselen.
Wanneer de menselijke samenleving de fundamentele fouten die Śrīla Rūpa Gosvāmī hier opsomt (atyāhāra, enz.) vermijdt, zal alle vijandigheid tussen mens en dier, kapitalisten en communisten, enzovoort stoppen. Bovendien zullen alle problemen die door slecht economisch of politiek beleid en instabiliteit zijn ontstaan, worden opgelost. Dit zuivere bewustzijn wordt opgewekt door het juiste spirituele onderwijs en de juiste levenswijze en de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn biedt beide op een wetenschappelijke manier aan.
Deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn biedt een spirituele gemeenschap die vrede in de wereld kan brengen. Ieder intelligent persoon zou zijn bewustzijn moeten zuiveren en zich van de zes hierboven genoemde obstakels voor devotionele dienst moeten bevrijden door oprecht zijn toevlucht te zoeken bij deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn.
उत्साहान्निश्चयाद्धैर्यात्तत्तत्कर्मप्रवर्तनात् ।
सङ्गत्यागात्सतो वृत्तेः षड्भिर्भक्तिः प्रसिध्यति ॥ ३ ॥
utsāhān niścayād dhairyāt
tat-tat-karma-pravartanāt
saṅga-tyāgāt sato vṛtteḥ
ṣaḍbhir bhaktiḥ prasidhyati

Synonyms

utsāhātdoor enthousiasme; niścayātdoor vertrouwen; dhairyātdoor geduld; tat-tat-karmaverschillende activiteiten die gunstig zijn voor devotionele dienst; pravartanātdoor het verrichten; saṅga-tyāgātdoor de omgang met niet-toegewijden op te geven; sataḥvan de grote voorgaande ācārya’s; vṛtteḥdoor het volgen van de voetsporen; ṣaḍbhiḥdoor deze zes; bhaktiḥdevotionele dienst; prasidhyatiwordt bevorderd of wordt succesvol.

Translation

Zes principes zijn bevorderlijk voor zuivere devotionele dienst: (1) enthousiasme, (2) zich vol vertrouwen inspannen, (3) geduld, (4) handelen in overeenstemming met regulerende principes [zoals śravaṇaṁ kīrtanaṁ viṣṇoḥ smaraṇam — het horen over, verheerlijken en zich herinneren van Kṛṣṇa], (5) het gezelschap van niet-toegewijden opgeven en (6) in de voetsporen van de voorgaande ācārya’s treden. Zonder twijfel verzekeren deze zes principes het volledige succes van zuivere devotionele dienst.

Purport

Devotionele dienst is geen kwestie van sentimentele speculatie of fantasie-extase. Praktische activiteit is de substantie van devotionele dienst. Śrīla Rūpa Gosvāmī geeft in zijn Bhakti-rasāmṛta-sindhu (1.1.11) de volgende definitie van devotionele dienst:
anyābhilāṣitā-śūnyaṁ
jñāna-karmādy-anāvṛtam
ānukūlyena kṛṣṇānu-
śīlanaṁ bhaktir uttamā
Uttamā bhakti of onvermengde devotie voor de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Śrī Kṛṣṇa, betekent devotionele dienst verrichten op een manier die gunstig is voor de Heer. Deze devotionele dienst moet vrij zijn van alle onzuivere motivaties en van resultaatgericht karma, impersonalistische jñāna en alle andere zelfzuchtige verlangens.’
Bhakti is een kwestie van cultiveren. En het woord ‘cultiveren’ verwijst natuurlijk naar een activiteit. Spiritualiteit cultiveren betekent niet stilzitten en mediteren, zoals sommige pseudo-yogī ’s leren. Zulke passieve meditatie is misschien goed voor wie geen kennis heeft over devotionele dienst en wordt om die reden soms aangeraden als een methode om afleidende materialistische activiteiten te stoppen. Meditatie betekent dat we even alle onzinnige activiteiten stoppen. Devotionele dienst beëindigt echter niet alleen alle onzinnige wereldse activiteiten, maar betrekt iemand ook in betekenisvolle devotionele activiteiten. Śrī Prahlāda Mahārāja geeft dit advies:
śravaṇaṁ kīrtanaṁ viṣṇoḥ
smaraṇaṁ pāda-sevanam
arcanaṁ vandanaṁ dāsyaṁ
sakhyam ātma-nivedanam
Devotionele dienst heeft negen onderdelen:
1. horen over de naam en glorie van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods;
2. bezingen van Zijn roem;
3. denken aan de Heer en zich Hem herinneren;
4. dienen van de voeten van de Heer;
5. vereren van de Beeldgedaante op het altaar;
6. eerbetuigingen brengen aan de Heer;
7. handelen als dienaar van de Heer;
8. vriendschap sluiten met de Heer;
9. zich volledig overgeven aan de Heer
Śravaṇam of horen is de eerste stap in het verwerven van transcendentale kennis. In plaats van naar onbevoegde personen te luisteren, moeten we de juiste persoon benaderen, zoals in de Bhagavad-gītā (4.34) wordt aangeraden:
tad viddhi praṇipātena
paripraśnena sevayā
upadekṣyanti te jñānaṁ
jñāninas tattva-darśinaḥ
‘Probeer de waarheid te begrijpen door een spiritueel leraar te benaderen. Stel hem in alle nederigheid vragen en wees hem dienstbaar. De zelfgerealiseerde zielen kunnen kennis aan je overdragen, omdat ze de waarheid hebben gezien.’
Verder geeft de Muṇḍaka Upaniṣad (1.2.12) het volgende advies: tad-vijñānārthaṁ sa gurum evābhi­gacchet — ‘Om die transcendentale wetenschap te begrijpen, moet men een betrouwbare spiritueel leraar benaderen.’ Deze methode om op een nederige manier vertrouwelijke, transcendentale kennis te ontvangen is dus niet gebaseerd op mentale speculatie. Śrī Caitanya Mahāprabhu zei hierover tegen Rūpa Gosvāmī:
brahmāṇḍa bhramite kona bhāgyavān jīva
guru-kṛṣṇa-prasāde pāya bhakti-latā-bīja
‘Door de genade van guru en Kṛṣṇa is het mogelijk dat een fortuinlijke ziel tijdens het doorkruisen van de kosmische schepping van heer Brahmā de bhakti-latā of de kiem van de klimplant van devotionele dienst ontvangt.’ (Caitanya-caritāmṛta, Madhya 19.151)

De materiële wereld is een plaats waar levende wezens, die van nature ānandamaya zijn of altijd op zoek naar plezier, worden opgesloten. Eigenlijk willen ze vrij zijn van de beperkingen van deze wereld van voorwaardelijk geluk, maar omdat ze de methode om bevrijd te worden niet kennen, zijn ze gedwongen om van de ene levenssoort naar de andere en van de ene planeet naar de andere te reïncarneren. Zo dolen de levende wezens door heel het materiële universum. Pas wanneer we fortuinlijk genoeg zijn om in contact te komen met een zuivere toegewijde en geduldig naar hem luisteren, begint ons pad van devotionele dienst. Wie oprecht is, krijgt zo’n kans. De Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn geeft de hele menselijke samenleving zo’n kans. Hebben we het geluk deze kans op devotionele dienst aan te grijpen, dan ligt het pad van bevrijding onmiddellijk voor ons open.
Deze kans om terug te keren naar huis, terug naar God, zouden we met groot enthousiasme moeten aangrijpen. Zonder enthousiasme bereikt niemand succes. Zelfs in de materiële wereld vereist succes in een bepaalde vaardigheid veel enthousiasme. Een student, zakenman, kunstenaar of wie dan ook die ergens succes in wil behalen, moet heel enthousiast zijn. Zulk enthousiasme is dus ook nodig voor devotionele dienst. En enthousiasme betekent activiteit. Maar activiteit voor wie? Het antwoord is dat we altijd actief moeten zijn voor Kṛṣṇa: kṛṣṇārthā­khila-ceṣṭā (Bhakti-rasāmṛta-sindhu).
In alle levensfasen moeten we onder leiding van de spiritueel leraar devotionele activiteiten verrichten om volmaaktheid te bereiken in bhakti-yoga. Het is niet zo dat we onze activiteiten hoeven te beperken of in te dammen. Kṛṣṇa is alomtegenwoordig. En daarom is niets onafhankelijk van Hem. In de Bhagavad-gītā (9.4) zegt Kṛṣṇa Zelf:
mayā tatam idaṁ sarvaṁ
jagad avyakta-mūrtinā
mat-sthāni sarva-bhūtāni
na cāhaṁ teṣv avasthitaḥ
‘In Mijn ongemanifesteerde vorm doordring Ik dit hele universum. Alle wezens bevinden zich in Mij, maar ik ben niet in hen.’ Onder leiding van een betrouwbare spiritueel leraar moeten we zorgen dat alles gunstig is voor dienst aan Kṛṣṇa. Op dit moment gebruik ik bijvoorbeeld een dicteerapparaat. De materialist die deze machine heeft uitgevonden, had zakenmensen of schrijvers van wereldse onderwerpen voor ogen. Hij heeft er beslist nooit aan gedacht de dictafoon in dienst aan God te gebruiken, maar wij gebruiken hem om Kṛṣṇa-bewuste literatuur te schrijven. Het fabriceren van een dictafoon is natuurlijk iets wat geheel binnen de energie van Kṛṣṇa plaatsvindt. Alle onderdelen van het apparaat, inclusief de elektronica, zijn gemaakt van verschillende combinaties en interacties van de vijf grondtypen van de materiële energie, namelijk: bhūmi [aarde], jala [water], agni [vuur], vāyu [lucht] en ākāśa [ether]. De uitvinder heeft zijn brein gebruikt om deze gecompliceerde machine te maken, en zijn brein en ook de ingrediënten werden geleverd door Kṛṣṇa. Kṛṣṇa zegt Zelf: mat-sthāni sarva-bhūtāni (Gītā 9.4) — ‘Alles berust op Mijn energie.’ Zo beseft een toegewijde dat alles in dienst aan Kṛṣṇa moet worden gebruikt, omdat alles afhankelijk is van Zijn energie.
Inspanning in combinatie met intelligentie in Kṛṣṇa-bewustzijn wordt utsāha genoemd of enthousiasme. Toegewijden weten hoe ze alles op de juiste manier in dienst aan de Heer kunnen gebruiken (nirbandhaḥ kṛṣṇa-sambandhe yuktaṁ vairāgyam ucyate). Devotionele dienst is niet een kwestie van passieve meditatie maar van praktische activiteit op de voorgrond van spiritueel leven.
Zulke activiteiten moeten vol geduld worden uitgevoerd. In Kṛṣṇa-bewustzijn is het niet goed om ongeduldig te zijn. Sterker nog, deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn werd eigenhandig gestart en eerst was er geen respons, maar omdat we onze devotionele activiteiten geduldig hebben voortgezet, begonnen mensen langzaam maar zeker het belang van deze beweging in te zien en nu nemen ze enthousiast deel. Ongeduld past niet bij devotionele dienst. We moeten de instructies van de spiritueel leraar aanvaarden, deze geduldig uitvoeren en op de genade van guru en Kṛṣṇa vertrouwen. Voor succes in Kṛṣṇa-bewuste activiteiten is zowel geduld als vertrouwen nodig. Een pasgetrouwd meisje verwacht natuurlijk kinderen van haar echtgenoot, maar ze kan die niet gelijk na haar bruiloft verwachten. Zodra ze getrouwd is kan ze proberen een kind te krijgen, maar ze zal zich aan haar echtgenoot moeten overgeven en erop moeten vertrouwen dat haar kind zich zal ontwikkelen en uiteindelijk geboren zal worden. Zo betekent overgave in devotionele dienst ook dat we vertrouwen moeten ontwikkelen. De toegewijde denkt: ‘avaśya rakṣibe kṛṣṇa — Kṛṣṇa zal me zeker beschermen en me helpen mijn devotionele dienst succesvol te maken.’ Dit wordt vertrouwen genoemd.
Zoals eerder uitgelegd, moeten we niet passief zijn maar juist heel enthousiast de regulerende principes volgen — tat-tat-karma-pravartanāt. Regulerende principes veronachtzamen vernietigt devotionele dienst. In deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn zijn er vier fundamentele regulerende principes die vrije seks, vleeseten, gokken en het gebruik van opwekkende en verdovende middelen verbieden. Een toegewijde moet deze principes heel enthousiast volgen. Wordt hij laks in het volgen van om het even welk van deze principes, dan zal zijn vooruitgang zeker stagneren. Śrīla Rūpa Gosvāmī ’s advies is dan ook: tat-tat-karma-pravartanāt — ‘Men moet de regulerende principes van vaidhī-bhakti strikt navolgen.’ Naast deze verboden (yama) zijn er ook positieve regulerende principes (niyama), zoals dagelijks zestien ronden chanten op een japa-mālā (meditatiesnoer). Deze regulerende activiteiten moeten oprecht en met enthousiasme worden verricht. Dat wordt tat-tat-karma-pravartanāt genoemd of gevarieerde bezigheden in devotionele dienst.
Voor succes in devotionele dienst moeten we verder het gezelschap van ongewenste mensen opgeven, inclusief karmī ’s, jñānī ’s, yogī ’s en andere niet-toegewijden. Een van de getrouwde toegewijden van Śrī Caitanya Mahāprabhu vroeg Hem eens naar de algemene principes van het vaiṣṇavisme en naar de algemene dagelijkse activiteiten van een vaiṣṇava. Śrī Caitanya Mahāprabhu antwoordde onmiddellijk: asat-saṅga-tyāga, ei vaiṣṇava-ācāra — ‘Voor een vaiṣṇava is het kenmerkend om het gezelschap van wereldse mensen of niet-toegewijden op te geven’ (Caitanya-caritāmṛta, Madhya 22.87). Śrīla Narottama dāsa Ṭhākura raadde daarom het volgende aan: tāṅdera caraṇa sevi bhakta-sane vāsa — men moet samenleven met zuivere toegewijden en de regulerende principes naleven die bepaald zijn door de voorgaande ācārya’s, de Zes Gosvāmī ’s (Śrī Rūpa Gosvāmī, Śrī Sanātana Gosvāmī, Śrī Jīva Gosvāmī, Śrī Raghunātha dāsa Gosvāmī, Śrī Gopāla Bhaṭṭa Gosvāmī en Śrī Raghunātha Bhaṭṭa Gosvāmī). Als we met toegewijden samenleven, is er nauwelijks de gelegenheid om met niet-toegewijden om te gaan. De Internationale Gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn opent vele centra alleen maar om mensen uit te nodigen met toegewijden samen te leven en de regulerende principes van het spiritueel leven te beoefenen.
Devotionele dienst betekent transcendentale activiteit. Op het transcendentale niveau raken we niet besmet door de drie hoedanigheden van de materiële natuur. Dat wordt viśuddha-sattva genoemd, het niveau van zuivere goedheid of goedheid die onaangetast is door de hoedanigheden hartstocht en onwetendheid. In deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn vragen we iedereen vroeg op te staan, rond vier uur, en de maṅgala-ārati of de ochtenddienst bij te wonen en daarna het Śrīmad-Bhāgavatam te lezen, kīrtana te houden, enzovoort. Dagelijks verrichten we zo doorlopend, vierentwintig uur per dag, activiteiten in Kṛṣṇa-bewustzijn. Dat wordt sato vṛtti genoemd: in de voetstappen volgen van voorgaande ācārya’s, die bekwaam al hun tijd besteedden aan Kṛṣṇa-bewuste activiteiten.
Als we Śrīla Rūpa Gosvāmī ’s advies in dit vers opvolgen — enthousiast zijn, vertrouwen hebben, geduldig zijn, omgang met ongewenste personen opgeven, regulerende principes volgen en in het gezelschap van toegewijden blijven — zullen we beslist vooruitgang maken in devotionele dienst. Op dit punt merkt Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura op dat kennis cultiveren door filosofische speculatie, materiële rijkdom vergaren door resultaatgerichte activiteiten en verlangen naar materiële volmaaktheden (yoga-siddhi’s) allemaal in strijd zijn met de principes van devotionele dienst. We moeten volkomen ongevoelig worden voor zulke tijdelijke activiteiten en in plaats daarvan onze aandacht richten op de regulerende principes van devotionele dienst. De Bhagavad-gītā (2.69) zegt:
yā niśā sarva-bhūtānāṁ
tasyāṁ jāgarti saṁyamī
yasyāṁ jāgrati bhūtāni
sā niśā paśyato muneḥ
‘Wat nacht is voor alle levende wezens, is de tijd van ontwaken voor iemand met zelfbeheersing. En wat voor alle wezens de tijd van ontwaken is, is nacht voor de wijze die bezig is met zelfbeschouwing.’
Activiteiten verrichten in devotionele dienst aan de Heer is de ziel en zaligheid van het levend wezen. Het is het verlangde doel en de ultieme vervolmaking van het menselijk leven. Hiervan moeten we overtuigd raken. En we moeten er ook van overtuigd raken dat alle activiteiten buiten devotionele dienst, zoals theoretische speculatie, resultaatgericht werk en mystieke inspanningen, nooit enig blijvend voordeel zullen opleveren. Door volledig op het pad van devotionele dienst te vertrouwen, bereiken we ons verlangde doel, maar pogingen om andere paden te volgen maken ons alleen maar rusteloos. In het zevende canto van het Śrīmad-Bhāgavatam staat: ‘Men moet met kalme overtuiging inzien dat zij die devotionele dienst hebben opgegeven om voor andere doeleinden strenge ascese te beoefenen, ondanks hun gevorderde ascese geen zuivere geest hebben, want ze hebben geen kennis over de transcendentale liefdedienst aan de Heer.’
In het zevende canto staat verder: ‘Hoewel personen die speculeren en resultaatgerichte activiteiten verrichten, serieuze ascese beoefenen, zullen ze alsnog ten val komen, omdat ze geen kennis hebben over de lotusvoeten van de Heer.’ Maar de toegewijden van de Heer komen nooit ten val. De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods stelt Arjuna in de Bhagavad-gītā (9.31) gerust dat Zijn toegewijde nooit vergaat: kaunteya pratijānīhi na me bhaktaḥ praṇaśyati — ‘O zoon van Kuntī, maak het alom bekend dat Mijn toegewijde nooit zal vergaan.’
En in de Bhagavad-gītā (2.40) zegt Kṛṣṇa ook:
nehābhikrama-nāśo ’sti
pratyavāyo na vidyate
svalpam apy asya dharmasya
trāyate mahato bhayāt
‘Dit streven kent geen verlies en geen vermindering en een kleine vooruitgang op dit pad kan iemand voor het grootste gevaar behoeden.’
Devotionele dienst is zo zuiver en volmaakt, dat wanneer we er eenmaal mee beginnen, we onvermijdelijk worden meegesleept naar ons uiteindelijk succes. Soms ziet iemand af van zijn gewone materiële activiteiten en neemt uit een soort sentiment zijn toevlucht tot de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer en begint met zijn voorlopige devotionele dienst. Zelfs al komt zo’n onvolledig ontwikkelde toegewijde ten val, dan nog heeft hij niets verloren. Maar wat winnen we als we overeenkomstig onze varṇa en āśrama wel onze voorgeschreven plichten verrichten, maar ons niet toeleggen op devotionele dienst? Hoewel een gevallen toegewijde in zijn volgend leven in een familie van lage afkomst kan worden geboren, zal hij zijn devotionele dienst toch weer opnemen waar hij was geëindigd. Devotionele dienst is ahaituky apratihatā: deze wordt door geen enkele materiële oorzaak veroorzaakt en kan ook door geen enkele materiële oorzaak worden beëindigd of voorgoed door materiële onderbrekingen worden beperkt. Een toegewijde moet daarom vol vertrouwen zijn bezigheden uitvoeren en niet te veel interesse hebben in wat karmī ’s, jñānī ’s en yogī ’s doen.
Mensen die resultaatgerichte activiteiten verrichten of filosofisch speculeren of mystieke vermogens proberen te krijgen, hebben zeker veel goede eigenschappen, maar in een toegewijde ontwikkelen alle goede eigenschappen zich vanzelf, zonder extra inspanningen. Het Śrīmad-Bhāgavatam (5.18.12) bevestigt dat alle goede eigenschappen van de halfgoden zich geleidelijk aan manifesteren in iemand die zuivere devotionele dienst heeft ontwikkeld. Omdat een toegewijde geen interesse heeft voor welke materiële activiteit dan ook, raakt hij niet onzuiver door zijn contact met materie. Hij leeft onmiddellijk op een transcendentaal niveau. Maar wie zich met materiële activiteiten bezighoudt — of hij nu een zogenaamde jñānī, yogī, karmī, filantroop, nationalist of wat dan ook is — kan het hogere niveau van mahātmā niet bereiken. Hij blijft een durātmā, iemand met een kreupele geest. De Bhagavad-gītā (9.13) zegt:
mahātmānas tu māṁ pārtha
daivīṁ prakṛtim āśritāḥ
bhajanty ananya-manaso
jñātvā bhūtādim avyayam
‘O zoon van Pṛthā, zij die niet misleid zijn, de grote zielen, worden door de goddelijke natuur beschermd. Ze zijn voortdurend en uitsluitend bezig met devotionele dienst, omdat ze Me kennen als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, die oorspronkelijk en onuitputtelijk is.’
Omdat alle toegewijden van de Heer onder de bescherming van Zijn allerhoogste energie leven, moeten ze niet van het pad van devotionele dienst afwijken om zich toe te leggen op het pad van de karmī, jñānī of yogī. Dit wordt utsāhān niścayād dhairyāt tat-tat-karma-pravartanāt genoemd: met enthousiasme, geduld en vertrouwen de regulerende activiteiten van devotionele dienst verrichten. Op die manier kunnen we ongehinderd vooruitgang maken in devotionele dienst.
ददाति प्रतिगृह्णाति गुह्यमाख्याति पृच्छति ।
भुङ्क्ते भोजयते चैव षड्विधं प्रीतिलक्षणम् ॥ ४ ॥
dadāti pratigṛhṇāti
guhyam ākhyāti pṛcchati
bhuṅkte bhojayate caiva
ṣaḍ-vidhaṁ prīti-lakṣaṇam

Synonyms

dadātiis vrijgevig; pratigṛhṇātiaanvaardt op zijn beurt; guhyamvertrouwelijke onderwerpen; ākhyātilegt uit; pṛcchativraagt; bhuṅkteeet; bhojayatevoedsel geven; caook; evazeker; ṣaṭ-vidhamzes soorten; prītivan liefde; lakṣaṇamkenmerken.

Translation

Geschenken geven en geschenken aannemen, in vertrouwen van gedachten wisselen en vertrouwelijk vragen stellen, prasāda aanvaarden en prasāda aanbieden, dat zijn de zes kenmerken van liefde tussen toegewijden.

Purport

In dit vers legt Śrīla Rūpa Gosvāmī uit hoe we in het gezelschap van andere toegewijden devotionele activiteiten moeten verrichten. Er zijn zes soorten activiteiten: (1) toegewijden geschenken geven; (2) van toegewijden aannemen wat ze ook maar teruggeven; (3) vertrouwelijk van gedachten wisselen met toegewijden; (4) vragen aan hen stellen over vertrouwelijke dienst aan de Heer; (5) prasāda of spiritueel voedsel eren dat de toegewijden geven en (6) toegewijden prasāda aanbieden. Een ervaren toegewijde geeft uitleg aan een onervaren toegewijde, die zo van hem leert. Dit is guhyam ākhyāti pṛcchati. Wanneer een toegewijde prasāda (de overblijfselen van het voedsel dat aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is geofferd) uitdeelt, dan moeten we, om onze devotionele mentaliteit te behouden, deze prasāda aanvaarden als de genade van de Heer die we ontvangen via de zuivere toegewijden. Ook zouden we de zuivere toegewijden thuis moeten uitnodigen om hen prāsada te geven en hen in alle opzichten tevreden te stellen. Dit wordt bhuṅkte bhojayate caiva genoemd.
Zelfs in de gewone, alledaagse omgang zijn deze zes soorten uitwisselingen tussen twee dierbare vrienden absoluut noodzakelijk. Als een zakenman bijvoorbeeld contact wil leggen met een andere zakenman, zorgt hij voor een feestmaal in een hotel en tijdens die maaltijd maakt hij vrijuit zijn plannen kenbaar. Hij vraagt zijn zakenvriend om raad en soms worden er geschenken uitgewisseld. Zodra er dus sprake is van uitwisselingen van prīti of liefde, dan vinden deze zes activiteiten plaats.

In het vorige vers adviseerde Śrīla Rūpa Go­svāmī dat we wereldse omgang moeten opgeven en in het gezelschap van toegewijden moeten blijven (saṅga-tyāgāt sato vṛtteḥ). De Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn is opgericht om deze zes soorten van liefdevolle uitwisselingen tussen toegewijden mogelijk te maken. Deze gemeenschap werd eigenhandig opgericht, maar omdat verschillende mensen zich aanmelden en het idee van geven en nemen steunen, breidt de gemeenschap zich nu steeds verder uit over de hele wereld. We zijn blij met de royale donaties van mensen voor het ontwikkelen van de activiteiten van de gemeenschap en mensen accepteren graag onze nederige giften in de vorm van onze boeken en tijdschriften, die uitsluitend over het Kṛṣṇa-bewustzijn gaan. Soms organiseren we Hare Kṛṣṇa-festivals en nodigen we leden en vrienden uit om tijdens feestmaaltijden prasāda te aanvaarden. Hoewel de meeste van onze leden uit de hogere kringen van de samenleving komen, komen ze toch en accepteren ze de prasāda die wij hun kunnen aanbieden. Soms stellen leden en sympathisanten vertrouwelijke vragen over het verrichten van devotionele dienst en wij proberen die dan te beantwoorden. Zo verspreidt de beweging zich met succes over de hele wereld en langzamerhand beginnen de intellectuelen van alle landen onze Kṛṣṇa-bewuste activiteiten te waarderen. Deze zes soorten van liefdevolle uitwisselingen tussen leden onderling zijn de levensadem voor de gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn. Mensen moeten daarom in de gelegenheid worden gesteld om met iskcon-toegewijden om te gaan, want eenvoudig door de bovengenoemde zes uitwisselingen kan een gewoon mens zijn sluimerende Kṛṣṇa-bewustzijn volledig opwekken. In de Bhagavad-gītā (2.62) staat: saṅgāt sañjāyate kāmaḥ — iemands verlangens en ambities ontwikkelen zich naar gelang het gezelschap waarin hij of zij zich bevindt. Er wordt wel gezegd: ‘Zeg mij wie je vrienden zijn en ik zal je zeggen wie je bent.’ Een gewoon mens die met toegewijden omgaat, zal ongetwijfeld zijn sluimerend Kṛṣṇa-bewustzijn opwekken. Kṛṣṇa-bewustzijn is van nature in ieder levend wezen aanwezig en is al tot op zekere hoogte ontwikkeld wanneer het levend wezen een menselijk lichaam aanneemt. In het Caitanya-caritāmṛta (Madhya 22.107) staat:
nitya-siddha kṛṣṇa-prema ‘sādhya’ kabhu naya
śravaṇādi-śuddha-citte karaye udaya
‘Zuivere liefde voor Kṛṣṇa is eeuwig verankerd in de harten van de levende wezens. Deze hoeft nergens anders te worden verkregen. Is het hart door horen en chanten eenmaal gezuiverd, dan zal deze liefde vanzelf ontwaken.’ Omdat Kṛṣṇa-bewustzijn inherent is aan elk levend wezen, moet iedereen de kans krijgen om over Kṛṣṇa te horen. Door eenvoudig te horen en te chanten — śravaṇaṁ kīrta­nam — zuiveren we direct ons hart en zal ons oorspronkelijke Kṛṣṇa-bewustzijn onmiddellijk ontwaken. Kṛṣṇa-bewustzijn kan niet kunstmatig aan het hart worden opgedrongen, want het is daar al aanwezig. Wanneer we de heilige naam van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods chanten, wordt ons hart gezuiverd van alle wereldse besmetting. In het eerste couplet van Zijn Śrī Śikṣāṣṭaka zegt Heer Śrī Caitanya Mahāprabhu:
ceto-darpaṇa-mārjanam bhava-mahā-dāvāgni-nirvāpaṇaṁ
śreyaḥ-kairava-candrikā-vitaraṇaṁ vidyā-vadhū-jīvanam
ānandāmbudhi-vardhanaṁ prati-padaṁ pūrṇāmṛtāsvādanaṁ
sarvātma-snapanaṁ paraṁ vijayate śrī-kṛṣṇa-saṅkīrtanam
‘Alle eer aan Śrī Kṛṣṇa saṅkīrtana, die het hart zuivert van al het stof dat zich daar jarenlang heeft opgehoopt en die het vuur dooft van ons geconditio­neerde leven van herhaalde geboorte en dood. Deze saṅkīrtana-beweging is de allerhoogste zegening voor de hele mensheid, want zij verspreidt de stralengloed van de zegenrijke Maan. Zij geeft leven aan alle transcendentale kennis en zorgt ervoor dat de oceaan van transcendentale gelukzaligheid al maar toeneemt. Zij laat ons met diepe teugen proeven van de nectar waarnaar we altijd verlangen.’
Niet alleen degene die de mahā-mantra chant, wordt gezuiverd maar ook het hart van iedereen die toevallig het transcendentale geluid van Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare/ Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare hoort. Zelfs de zielen in lichamen van lagere dieren, insecten, bomen of andere levenssoorten worden door eenvoudig dat transcendentale geluid te horen gezuiverd en voorbereid om volledig Kṛṣṇa-bewust te worden. Ṭhākura Haridāsa legde dit uit toen Caitanya Mahāprabhu hem vroeg hoe levende wezens in levensvormen lager dan de menselijke uit hun materiële gebondenheid kunnen worden bevrijd. Haridāsa Ṭhākura zei dat het chanten van de heilige namen zo krachtig is, dat zelfs al chant iemand in de meest afgelegen delen van de jungle, de bomen en de dieren vooruitgang zullen maken in Kṛṣṇa-bewustzijn door eenvoudig dat transcendentale geluid te horen. Śrī Caitanya Mahāprabhu bewees dit Zelf toen Hij door het woud van Jhārikhaṇḍa trok: alle tijgers, slangen, herten en alle andere dieren lieten hun natuurlijke vijandigheid varen en zongen en dansten in saṅkīrtana.
Natuurlijk mogen wij de activiteiten van Śrī Caitanya Mahāprabhu niet imiteren, maar moeten we in Zijn voetspoor volgen. Wij missen het vermogen om lagere dieren, zoals tijgers, slangen, katten en honden zo te betoveren of over te halen dat ze gaan dansen, maar door de heilige namen van de Heer te chanten, kunnen we wel veel mensen over de hele wereld overhalen het Kṛṣṇa-bewustzijn te accepteren. Het bijdragen of verspreiden van de heilige naam van de Heer is een subliem voorbeeld van een bijdrage leveren of liefdadigheid verrichten (het dadāti-principe). Zo moeten we ook het pratigṛhṇāti-principe volgen en bereid zijn het transcendentale geschenk te aanvaarden. We zouden navraag moeten doen naar de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn en met een open geest de situatie in de materiële wereld moeten proberen te begrijpen. Op die manier kunnen de principes van guhyam ākhyāti pṛcchati worden toegepast.

De leden van de Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn nodigen iedere zondag leden en sympathisanten uit om met hen te dineren tijdens de feestelijke bijeenkomsten die er op die dag in alle tempels of vestigingen worden gehouden. Vele geïnteresseerden komen dan om prasāda te eren en zodra ze de gelegenheid krijgen om leden van de gemeenschap bij hen thuis uit te nodigen, voorzien ze hen vervolgens rijkelijk van prasāda. Zo hebben zowel de leden van de gemeenschap als geïnteresseerde toehoorders er voordeel van.

Mensen zouden alle omgang met zogenaamde yogī ’s, jñānī ’s, karmī ’s en filantropen moeten opgeven, want zulk gezelschap is voor niemand goed. Als we echt het doel van het menselijk leven willen bereiken, moeten we met de toegewijden van de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn omgaan, want dat is de enige beweging die leert hoe we liefde voor God kunnen ontwikkelen. Religiositeit is typisch voor de menselijke samenleving en is bepalend voor het onderscheid tussen mensen en dieren. Dieren hebben geen kerk, moskee of religieus systeem. Maar in alle delen van de wereld is er wel een of andere religie aanwezig, hoe onderdrukt de mensen er ook zijn. Zelfs inboorlingen die in de jungle in stamverband leven, hebben een religie. Wanneer een religieus systeem tot liefde voor God leidt, is het succesvol. In het eerste canto van het Śrīmad-Bhāgavatam (1.2.6) staat:
sa vai puṁsāṁ paro dharmo
yato bhaktir adhokṣaje
ahaituky apratihatā
yayātmā suprasīdati
‘De allerhoogste bezigheid [dharma] voor de hele mensheid is die waardoor men liefdevolle devotio­nele dienst aan de transcendentale Heer bereikt. Zulke devotionele dienst moet belangeloos en ononderbroken zijn om het zelf volledig tevreden te stellen.’
Wil de menselijke samenleving tot gemoedsrust, kalmte en vriendelijke relaties tussen mensen en landen komen, dan moet ze het religieuze systeem van het Kṛṣṇa-bewustzijn volgen. Hierdoor kunnen mensen hun sluimerende liefde voor Kṛṣṇa, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, ontwikkelen. Zodra ze dit doen, wordt hun geest onmiddellijk vredig en kalm.
Op dit punt waarschuwt Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura alle toegewijden die de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn verspreiden om niet te spreken met impersonalisten, of māyāvādī ’s, die altijd vastberaden weerstand bieden aan theïstische bewegingen. De wereld is vol māyāvādī ’s en atheïsten en politieke partijen over de hele wereld trekken profijt uit deze māyāvāda-filosofie en andere atheïstische filosofieën om het materialisme te promoten. Soms steunen ze zelfs een sterke partij om zo het Kṛṣṇa-bewustzijn tegen te werken.

De māyāvādī ’s en andere atheïsten willen niet dat de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn zich ontwikkelt, omdat zij mensen kennis geeft over godsbewustzijn. Dat is het beleid van atheïsten. Het heeft geen zin om een slang melk en bananen te geven, want de slang zal nooit tevreden zijn. Integendeel, door melk en bananen wordt de slang alleen maar giftiger (kevalaṁ viṣa-vardhanamCāṇakya-sūtra 107). Als je een slang melk te drinken geeft, neemt het gif alleen maar toe. Om dezelfde reden moeten we de slangachtige māyāvādī ’s en karmī ’s niet in vertrouwen nemen. Zulk vertrouwen helpt niemand. Het is het beste om hun gezelschap volledig te mijden en hun nooit iets vertrouwelijks te vragen, want ze zijn niet in staat om goed advies te geven.

Ook moeten we geen māyāvādī ’s en atheïsten uitnodigen of uitnodigingen van hen aanvaarden, want door zulke vrije omgang zouden we negatief beïnvloed kunnen raken door hun atheïstische mentaliteit (saṅgāt sañjāyate kāmaḥGītā 2.62). Het negatieve gebod in dit vers is dat we māyāvādī ’s en atheïsten niets moeten aanbieden en niets van hen moeten aanvaarden. Śrī Caitanya Mahāprabhu heeft ons hier ook voor gewaarschuwd: viṣayīra anna khāile duṣṭa haya mana — ‘Voedsel eten dat door wereldse mensen is bereid, bederft de geest.’ Alleen iemand die zeer gevorderd is, kan ieders bijdrage gebruiken om de belangen van de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn te behartigen, anderen niet. Daarom moeten we in principe geen giften van māyāvādī ’s en atheïsten aanvaarden. Sterker nog, Śrī Caitanya Mahāprabhu heeft toegewijden verboden om te gaan met gewone mensen die te verslaafd zijn aan materiële zinsbevrediging.
De conclusie is dat we altijd voor het gezelschap van toegewijden moeten kiezen, de regulerende devotionele principes moeten naleven, het voetspoor van de ācārya’s moeten volgen en in volledige gehoorzaamheid de opdrachten van de spiritueel leraar moeten uitvoeren. Op die manier zullen we onze devotionele dienst en ons sluimerend Kṛṣṇa-bewustzijn kunnen ontwikkelen. Van een toegewijde die geen beginneling is en evenmin een mahā-bhāgavata (een zeer gevorderde toegewijde), maar die zich op het middenniveau van devotionele dienst bevindt, valt te verwachten dat hij de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods liefheeft, vriendschap sluit met toegewijden, onwetenden begunstigt en afgunstigen en demonen verwerpt.

In dit vers wordt kort iets gezegd over hoe we tot liefdevolle uitwisselingen met de Aller­hoogste Persoonlijkheid Gods kunnen komen en vriendschap met toegewijden kunnen sluiten. Volgens het dadāti-principe wordt van een gevorderde toegewijde verwacht dat hij ten minste vijftig procent van zijn inkomen besteedt aan het dienen van de Heer en Zijn toegewijden. Śrīla Rūpa Gosvāmī gaf hiervan tijdens zijn leven het voorbeeld. Toen hij besloot zich uit het actieve bestaan terug te trekken, maakte hij vijftig procent van zijn spaargeld vrij voor dienst aan Kṛṣṇa en gaf hij vijfentwintig procent aan zijn familieleden; zelf hield hij vijfentwintig procent voor persoonlijke noodgevallen. Alle toegewijden zouden dit voorbeeld moeten volgen. Wat iemands inkomen ook is, vijftig procent daarvan moet worden besteed ten behoeve van Kṛṣṇa en Zijn toegewijden. Op die manier voldoen we aan het dadāti-principe.
In de volgende tekst laat Śrīla Rūpa Gosvāmī ons zien welke soort vaiṣṇava we als vriend moeten kiezen en hoe we de vaiṣṇava’s moeten dienen.
कृष्णेति यस्य गिरि तं मनसाद्रियेत दीक्षास्ति चेत्प्रणतिभिश्च भजन्तमीशम् ।
शुश्रूषया भजनविज्ञमनन्यमन्यनिन्दादिशून्यहृदमीप्सितसङ्गलब्ध्या ॥ ५ ॥
kṛṣṇeti yasya giri taṁ manasādriyeta
dīkṣāsti cet praṇatibhiś ca bhajantam īśam
śuśrūṣayā bhajana-vijñam ananyam anya-
nindādi-śūnya-hṛdam īpsita-saṅga-labdhyā

Synonyms

kṛṣṇade heilige naam van Heer Kṛṣṇa; itizo; yasyavan wie; giriin woorden of in het spreken; tamhem; manasāmet de geest; ādri­yetamen moet eren; dīkṣāinitiatie; astier is; cetals; praṇatibhiḥmet eerbetuigingen; caook; bhajantambezig met devotionele dienst; īśamaan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods; śuśrūṣayāmet praktische dienst; bhajana-vijñamiemand die gevorderd is in devotionele dienst; ananyamzonder af te dwalen; anya-nindā-ādivan kwaadsprekerij van anderen; śūnyavolledig vrij; hṛdamhet hart van wie; īpsitawenselijk; saṅgaomgang; labdhyādoor het verkrijgen.

Translation

We moeten een toegewijde die de heilige naam van Heer Kṛṣṇa chant in gedachten eren; een toegewijde die spirituele initiatie [dīkṣā] heeft ontvangen en die de Beeldgedaante in de tempel vereert, moeten we nederig eerbetuigingen brengen; en we moeten omgang zoeken met en trouwe dienst bewijzen aan de zuivere toegewijde die gevorderd is in onafgebroken devotionele dienst en wiens hart volledig vrij is van de neiging om anderen te bekritiseren.

Purport

Om de zes liefdevolle uitwisselingen die in de vorige tekst werden genoemd intelligent toe te passen, moeten we zorgvuldig de juiste personen uitkiezen. Śrīla Rūpa Gosvāmī raadt ons daarom aan de vaiṣṇava’s op een gepaste manier te behandelen overeenkomstig hun bepaalde status. In dit vers laat hij ons zien hoe we horen om te gaan met drie soorten toegewijden: de kaniṣṭha-adhikārī, madhya­ma-adhikārī en uttama-adhikārī. De kaniṣṭha-adhi­kārī is een beginneling die hari-nāma-initiatie heeft ontvangen van de spiritueel leraar en de heilige naam van Kṛṣṇa probeert te chanten. Zo’n persoon moeten we in gedachten respecteren als een kaniṣṭha-vaiṣṇava. Een madhyama-adhikārī heeft spirituele initiatie ontvangen van zijn spiritueel leraar en wordt door hem volledig betrokken in de transcendentale liefdedienst aan de Heer. De madhyama-adhikārī moet worden beschouwd als halfgevorderd in devotionele dienst. De uttama-adhikārī, de toegewijde van het hoogste niveau, is bijzonder vergevorderd in devotionele dienst. Een uttama-
adhikārī
heeft geen interesse in het belasteren van anderen; zijn hart is volkomen zuiver en hij heeft de bewustzijnstoestand van zuiver Kṛṣṇa-bewustzijn bereikt. Het gezelschap van en dienst aan zo’n mahā-
bhāgavata
, of volmaakte vaiṣṇava, is volgens Śrīla Rūpa Gosvāmī dan ook bijzonder wenselijk.
Het is niet de bedoeling dat we kaniṣṭha-adhi­kārī ’s blijven, dat we blijven steken op het laagste niveau van devotionele dienst waar we alleen maar interesse hebben voor het vereren van de Beeldgedaante in de tempel. Het elfde canto van het Śrīmad-Bhāgavatam (11.2.47) beschrijft zo’n toegewijde:
arcāyām eva haraye
pūjāṁ yaḥ śraddhayehate
na tad-bhakteṣu cānyeṣu
sa bhaktaḥ prākṛtaḥ smṛtaḥ
‘Wie heel getrouw de Beeldgedaante in de tempel vereert, maar niet weet hoe hij zich tegenover toegewijden of mensen in het algemeen moet gedragen, wordt een prākṛta-bhakta of kaniṣṭha-adhikāri genoemd.’
We moeten het niveau van kaniṣṭha-adhikārī daarom ontstijgen en verder gaan naar het niveau van madhyama-adhikārī. Het Śrīmad-Bhāgavatam (11.2.46) beschrijft de madhyama-adhikārī als volgt:
īśvare tad-adhīneṣu
bāliśeṣu dviṣatsu ca
prema-maitrī-kṛpopekṣā
yaḥ karoti sa madhyamaḥ
‘De madhyama-adhikārī is een toegewijde die de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods vereert als het hoogste voorwerp van liefde, die vriendschap sluit met de toegewijden van de Heer, genadig is voor onwetenden en mensen mijdt die van nature vijan­dig zijn.’
Dat is de juiste manier om devotionele dienst te cultiveren. Daarom geeft Śrīla Rūpa Gosvāmī in dit vers aan hoe we verschillende toegewijden moeten behandelen. Eigen ervaring leert dat er verschillende soorten vaiṣṇava’s zijn. De prākṛta-sahajiyā’s chanten meestal de Hare Kṛṣṇa-mahā-mantra, maar zijn ondertussen wel gehecht aan vrouwen, geld en drugs. Hoewel ze de heilige naam van de Heer chanten, zijn ze nog niet zuiver genoeg. Zulke mensen moeten we in gedachten respecteren maar verder vermijden. Personen die onschuldig zijn maar gewoonweg door slecht gezelschap worden meegesleept, moeten met sympathie worden behandeld als ze enthousiast de juiste instructies van zuivere toegewijden willen ontvangen. Maar beginnende toegewijden die daadwerkelijk zijn geïnitieerd door een betrouwbare spiritueel leraar en zich serieus toeleggen op het uitvoeren van zijn opdrachten, verdienen onze respectvolle eerbetuigingen.
De beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn geeft iedereen een kans zonder onderscheid van sociale klasse, geloof of huidskleur. Iedereen is uitgenodigd om zich met deze beweging te verbinden en samen met ons prasāda te eten en over Kṛṣṇa te horen. En zien we dat iemand oprecht geïnteresseerd is in Kṛṣṇa-bewustzijn en geïnitieerd wil worden, dan aanvaarden we die persoon als een discipel in het chanten van de heilige naam van de Heer. Als een beginnende toegewijde eenmaal is geïnitieerd en in opdracht van de spiritueel leraar devotionele dienst verricht, moet hij onmiddellijk als een echte vaiṣṇava worden aanvaard en met alle eerbetuigingen en respect worden behandeld. Onder vele van zulke vaiṣṇava’s is er misschien één die heel serieus dienst aan de Heer verricht en strikt alle regulerende principes volgt, zoals het chanten van een voorgeschreven aantal mantra’s op een meditatiesnoer en voortdurend nadenkt over hoe deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn zich verder kan uitbreiden. Zo’n vaiṣṇava moet worden erkend als een uttama-adhikārī, een bijzonder vergevorderde toegewijde, en we moeten altijd zijn gezelschap opzoeken.
Het Caitanya-caritāmṛta (Antya 4.192) beschrijft de methode waardoor een toegewijde gehecht raakt aan Kṛṣṇa:
dīkṣā-kāle bhakta kare ātma-samarpaṇa
sei-kāle kṛṣṇa tāre kare ātma-sama
‘Op het moment van initiatie, wanneer een toegewijde zich volledig overgeeft aan de dienst van de Heer, beschouwt Kṛṣṇa hem als net zo goed Zichzelf.’
Śrīla Jīva Gosvāmī legt in zijn Bhakti-sandarbha (868) uit wat dīkṣā of spirituele initiatie is:
divyaṁ jñānaṁ yato dadyāt
kuryāt pāpasya saṅkṣayam
tasmād dīkṣeti sā proktā
deśikais tattva-kovidaiḥ
‘Door dīkṣā verliest men geleidelijk aan alle interesse in materieel genot en raakt men steeds meer geïnteresseerd in spiritueel leven.’
Vooral in Europa en Amerika hebben we hiervan veel voorbeelden gezien. Veel studenten uit rijke en voorname families die naar ons toekomen, verliezen heel snel al hun interesse in materieel genot en leggen zich met veel enthousiasme toe op spiritueel leven. Hoewel ze uit zeer rijke families komen, hebben velen van hen levensomstandigheden aanvaard die niet zo comfortabel zijn. Voor Kṛṣṇa zijn ze bereid elke levensomstandigheid te aanvaarden, zolang ze maar samen met vaiṣṇava’s in de tempel kunnen wonen. Wie zo zijn interesse voor materieel genot heeft verloren, is er klaar voor om door een spiritueel leraar te worden geïnitieerd.

Het Śrīmad-Bhāgavatam (6.1.13) schrijft het volgende voor om vooruitgang te maken in spiritueel leven: tapasā brahmacaryeṇa śamena ca damena ca. Wie serieus overweegt dīkṣā te aanvaarden, moet bereid zijn ascese te beoefenen, celibatair te leven en zijn geest en lichaam te beheersen. Wie daartoe bereid is en spirituele verlichting (divyaṁ jñānam) wil bereiken, is rijp voor initiatie. Divyaṁ jñānam wordt technisch gesproken tad-vijñāna genoemd, kennis over de Allerhoogste. Tad-vijñānārthaṁ sa gurum evābhigacchet (Muṇḍaka Upaniṣad 1.2.12): Wie geïnteresseerd is in de transcendentale Absolute Waarheid, moet worden geïnitieerd. Zo iemand moet een spiritueel leraar benaderen om dīkṣā te ontvangen. Het Śrīmad-Bhāgavatam (11.3.21) schrijft hetzelfde voor: tasmād guruṁ prapadyeta jijñāsuḥ śreya uttamam — ‘Wie oprecht geïnteresseerd is in de transcendentale wetenschap van de Absolute Waarheid moet een spiritueel leraar benaderen.’
We moeten geen spiritueel leraar aanvaarden als we niet bereid zijn om zijn instructies op te volgen. Ook zouden we niet voor de show een spiritueel leraar moeten aanvaarden alleen maar omdat dat ‘in de mode is’. We moeten jijñāsu zijn: bijzonder leergierig naar wat de spiritueel leraar onderwijst. En de vragen die we stellen, mogen alleen betrekking hebben op de transcendentale wetenschap (jijñāsuḥ śreya uttamam). Het woord uttamam heeft betrekking op zaken die hoger gaan dan materiële kennis. Tama betekent ‘het duister van deze materiële wereld’ en ut betekent ‘transcendentaal’. Over het algemeen horen mensen graag over wereldse onderwerpen, maar wie zijn interesse in die dingen verloren heeft, is rijp voor initiatie. Wie daadwerkelijk door een betrouwbare spiritueel leraar is geïnitieerd en zich serieus toelegt op dienst aan de Heer, moet worden erkend als een madhyama-adhikārī.
Het chanten van de heilige namen van Kṛṣṇa is zo subliem, dat wie de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra chant en zorgvuldig de tien overtredingen vermijdt, langzaam maar zeker leert inzien dat er geen verschil bestaat tussen de heilige naam van de Heer en de Heer Zelf. Wie dit inzicht bereikt, verdient het diepste respect van beginnende toegewijden. Eén ding is zeker: zonder overtredingloos de heilige naam van de Heer te chanten, zijn we geen geschikte kandidaten om vooruitgang te maken in Kṛṣṇa-bewustzijn. In Śrī Caitanya-caritāmṛta (Madhya 22.69) staat:
yāhāra komala śraddhā, se ‘kaniṣṭha’ jana
krame krame teṅho bhakta ha-ibe ‘uttama’
‘Iemand wordt een beginneling genoemd als zijn geloof zacht en buigzaam is. Maar door het proces te blijven volgen, komt men op het niveau van een eersteklas toegewijde.’

Iedereen begint zijn devotionele leven op het beginnersniveau, maar door het voorgeschreven aantal ronden hari-nāma op de juiste manier op een meditatiesnoer te chanten, worden we stap voor stap tot het hoogste niveau van uttama-adhikārī verheven. De beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn schrijft zestien ronden per dag voor, omdat mensen in het Westen zich niet voor langere tijd achter elkaar kunnen concentreren als ze op meditatiekralen chanten. Daarom hebben we dit minimumaantal ronden voorgeschreven. Eigenlijk zei Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura dat we als gevallen (patita) moet worden beschouwd als we niet minstens vierenzestig ronden japa chanten (honderdduizend namen). Als we zo rekenen, zijn we nagenoeg allemaal gevallen. Maar omdat we de Allerhoogste Heer heel serieus en zonder dubbelhartigheid proberen te dienen, kunnen we de genade verwachten van Śrī Caitanya Mahāprabhu, die bekendstaat als patita-pāvana, de verlosser van de gevallenen.
Toen Śrīla Satyarāja Khān, een groot toegewijde van Śrī Caitanya Mahāprabhu, de Heer vroeg waaraan we een vaiṣṇava kunnen herkennen, antwoordde de Heer:
prabhu kahe, – “yāṅra mukhe śuni eka-bāra
kṛṣṇa-nāma, sei pūjya, – śreṣṭha sabākāra
‘Als je een persoon zelfs maar één keer het woord “Kṛṣṇa” hoort zeggen, moet die persoon worden aanvaard als de beste onder de gewone mensen.’ (Caitanya-caritāmṛta, Madhya 15.106) Heer Caitanya Mahāprabhu vervolgde:
“ataeva yāṅra mukhe eka kṛṣṇa-nāma
sei ta ’vaiṣṇava, kariha tāṅhāra sammāna
‘Wie geïnteresseerd is in het chanten van de heilige naam van Kṛṣṇa of het na oefening prettig vindt de namen van Kṛṣṇa te chanten, moet worden gezien als een vaiṣṇava en verdient alle respect, op zijn minst in gedachten.’ (Caitanya-caritāmṛta, Madhya 15.111) Een van onze vrienden, een beroemde Engelse muzikant, voelt zich aangetrokken tot de heilige namen van Kṛṣṇa. Hij heeft zelfs op zijn platen de heilige naam van Kṛṣṇa een aantal keren genoemd. Thuis brengt hij zijn eerbetuigingen aan afbeeldingen van Kṛṣṇa en ook aan de toegewijden die het Kṛṣṇa-bewustzijn verspreiden. Hij heeft in alle opzichten een diep respect voor de naam van Kṛṣṇa en Zijn activiteiten. We respecteren hem dan ook zonder terughoudendheid, omdat we zien dat deze gentleman geleidelijk aan vooruitgang maakt in Kṛṣṇa-bewustzijn. Zo iemand moeten we altijd respect betuigen. De conclusie is dan ook dat vaiṣṇava’s altijd iedereen moeten respecteren die vooruitgang probeert te maken in Kṛṣṇa-bewustzijn door regelmatig de heilige naam te chanten. We hebben echter ook gezien dat sommige van onze tijdgenoten — zogenaamd grote predikers — zijn teruggevallen in de materiële levensopvatting, omdat ze het chanten van de heilige naam van de Heer verzuimden.
Toen Heer Caitanya Mahāprabhu instructies aan Sanātana Gosvāmī gaf, onderscheidde Hij drie categorieën van devotionele dienst.
śāstra-yukti nāhi jāne dṛḍha, śraddhāvān
‘madhyama-adhikārī’ sei mahā-bhāgyavān
‘Iemand zonder toereikende kennis van de śāstra’s maar met een vast vertrouwen in het chanten van de Hare Krishna mahā-mantra en die zich niet laat ontmoedigen in het verrichten van zijn devotionele dienst moet als een madhyama-adhikārī worden beschouwd. Zo iemand is heel fortuinlijk.’ (Caitanya-caritāmṛta, Madhya 22.67) Een madhyama-adhikārī is een śraddhāvān, iemand met een onwankelbaar vertrouwen en iemand die werkelijk in aanmerking komt om verdere vooruitgang te maken in devotionele dienst. Daarom staat er in het Caitanya-caritāmṛta (Madhya 22.64):
śraddhāvān jana haya bhakti-adhikārī
‘uttama’, ‘madhyama’, ‘kaniṣṭha’ – śraddhā-anusārī
‘De ontwikkeling van śraddhā [geloof, vertrouwen] bepaalt of een toegewijde zich kwalificeert voor het beginnersniveau, het tussenniveau of het hoogste niveau van devotionele dienst.’
‘śraddhā’-śabde – viśvāsa kahe sudṛḍha niścaya
kṛṣṇe bhakti kaile sarva-karma kṛta haya
‘“Door transcendentale dienst aan Kṛṣṇa te verrichten, worden ook alle ondergeschikte activiteiten vanzelf verricht.” Dit vaste geloof, deze overtuiging die bevorderlijk is voor devotio­nele dienst, wordt śraddhā genoemd.’ Śraddhā of geloof in Kṛṣṇa is het begin van Kṛṣṇa-bewustzijn. Geloof betekent een sterk geloof. De woorden in de Bhagavad-gītā zijn gezaghebbende instructies voor mensen met geloof en wat Kṛṣṇa ook in de Bhagavad-gītā zegt, moet worden aanvaard zoals het is, zonder interpretatie. Dat is de manier waarop Arjuna de Bhagavad-gītā aanvaardde. Nadat Arjuna de Bhagavad-gītā van Kṛṣṇa gehoord had, zei hij: sarvam etad ṛtaṁ manye yan māṁ vadasi keśava — ‘O Kṛṣṇa, alles wat Je me gezegd hebt, aanvaard ik volkomen.’ (Gītā 10.14)
Dat is de juiste manier om de Bhagavad-gītā te begrijpen en dat wordt śraddhā genoemd. Het is niet de bedoeling dat we bepaalde gedeelten van de Bhagavad-gītā volgens onze eigen willekeurige interpretaties aanvaarden en andere gedeelten verwerpen. Dat is geen śraddhā. Śraddhā betekent dat we de instructies van de Bhagavad-gītā in hun geheel aanvaarden en dan vooral de laatste instructie: sarva-dharmān parityajya mām ekaṁ śaraṇaṁ vraja — ‘Laat alle vormen van religie achter je en geef je alleen over aan Mij.’ (Gītā 18.66) Voor wie deze instructie volledig vertrouwt, wordt dit sterke geloof de basis voor vooruitgang in het spiritueel leven.
Wanneer we ons volledig toeleggen op het chanten van de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra, worden we ons geleidelijk aan bewust van onze spirituele identiteit. Maar tenzij we vol vertrouwen de Hare Kṛṣṇa-mantra chanten, zal Kṛṣṇa Zich niet laten zien: sevonmukhe hi jihvādau svayam eva sphuraty adaḥ. (Bhakti-rasāmṛta-sindhu 1.2.234) We kunnen ons niet kunstmatig bewust worden van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. We moeten ons oprecht toeleggen op de dienst aan de Heer. Zulke dienst begint met de tong (sevonmukhe hi jihvādau) en dat betekent dat we altijd de heilige naam van de Heer moeten chanten en kṛṣṇa-prasāda moeten aanvaarden. We zouden niets anders moeten chanten of aanvaarden. Wanneer deze methode oprecht wordt gevolgd, zal de Heer Zich aan de toegewijde onthullen.
Wie zich realiseert een eeuwige dienaar van Kṛṣṇa te zijn, verliest zijn interesse in alles behalve Kṛṣṇa’s dienst. Terwijl hij altijd aan Kṛṣṇa denkt en manieren verzint om de heilige naam van Kṛṣṇa te verspreiden, beseft hij dat het zijn enige taak is om de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn over de hele wereld te verbreiden. Zo iemand moet worden erkend als een uttama-adhikārī en we moeten zijn gezelschap onmiddellijk aanvaarden volgens de zes eerdergenoemde methoden (dadāti pratigṛhṇāti, enzovoort). Sterker nog, zo’n gevorderde uttama-adhikāri vaiṣṇava moet worden aanvaard als een spiri­tueel leraar. We moeten hem alles wat we bezitten aanbieden, want het voorschrift luidt dat men alles wat men bezit aan de spiritueel leraar moet geven. Zeker de brahmacārī wordt verondersteld bij anderen om aalmoezen te bedelen en deze aan zijn spiritueel leraar te geven. Maar we mogen het gedrag van een gevorderde toegewijde of mahā-bhāgavata niet imiteren zonder zelfgerealiseerd te zijn, want door zulke imitatie degenereren we uiteindelijk.
In dit vers adviseert Śrīla Rūpa Gosvāmī de toegewijde om verstandig genoeg te zijn en onderscheid te maken tussen de kaniṣṭha-adhikārī, madhya­ma-adhikārī en uttama-adhikārī. De toegewijde moet ook beseffen wat zijn eigen positie is en moet niet proberen een toegewijde te imiteren die zich op een hoger niveau bevindt. Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura heeft enkele praktische aanwijzingen gegeven die erop neerkomen dat een uttama-adhikārī vaiṣṇava herkend kan worden aan zijn vermogen om veel gevallen zielen te bekeren tot het vaiṣṇavisme. Zon­der het niveau van uttama-adhikārī te hebben bereikt, zou niemand een spiritueel leraar moeten worden. Een beginnende vaiṣṇava of een vaiṣṇava op het tussenniveau kan ook discipelen aanvaarden, maar deze discipelen moeten zich op hetzelfde niveau bevinden en moeten beseffen dat ze onder zijn ontoereikende leiding niet zo goed vooruitgang kunnen maken naar het uiteindelijke doel van het leven. Een discipel moet er daarom goed op letten een uttama-­adhikārī als spiritueel leraar te aanvaarden.
दृष्टैः स्वभावजनितैर्वपुषश्च दोषैर्न प्राकृतत्वमिह भक्तजनस्य पश्येत् ।
गङ्गाम्भसां न खलु बुद्बुदफेनपङ्कैर्ब्रह्मद्रवत्वमपगच्छति नीरधर्मैः ॥ ६ ॥
dṛṣṭaiḥ svabhāva-janitair vapuṣaś ca doṣair
na prākṛtatvam iha bhakta-janasya paśyet
gaṅgāmbhasāṁ na khalu budbuda-phena-paṅkair
brahma-dravatvam apagacchati nīra-dharmaiḥ

Synonyms

dṛṣṭaiḥbeschouwd vanuit een ordinair standpunt; svabhāva-janitaiḥvoortgekomen uit zijn eigen aard; vapuṣaḥvan het lichaam; caen; doṣaiḥdoor gebreken; naniet; prākṛtatvamde materiële aard; ihain deze wereld; bhakta-janasyavan een zuivere toegewijde; paśyetmen moet zien; gaṅgā-ambhasāmvan het Ganges-water; naniet; khaluzeker; budbuda-phena-paṅkaiḥdoor luchtbellen, schuim en modder; brahma-dravatvamde transcendentale aard; apagacchatiis bedorven; nīra-dharmaiḥde eigenschappen van water.

Translation

Omdat een zuivere toegewijde gegrond is in zijn oorspronkelijke Kṛṣṇa-bewustzijn, vereenzelvigt hij zich niet met zijn lichaam. Zo’n toegewijde mag niet vanuit een materialistisch oogpunt worden beschouwd. Sterker nog, zelfs al heeft een toegewijde een lichaam van lage komaf, een lichaam met een slechte huid, een misvormd lichaam of een ziek of zwak lichaam, dan moet men dit over het hoofd zien. Vanuit een gewoon standpunt bezien, vallen zulke onvolkomenheden in het lichaam van een zuivere toegewijde misschien meteen op, maar ondanks zulke schijnbare gebreken, kan het lichaam van een zuivere toegewijde niet onzuiver zijn. Het is net als het water van de Ganges dat tijdens het regenseizoen soms vol luchtbellen, schuim en modder is. Gangeswater raakt nooit onzuiver. Wie spiritueel vergevorderd is, zal een bad nemen in de Ganges zonder zich te bekommeren om de toestand van het water.

Purport

Śuddha-bhakti of opgaan in de transcendentale liefdedienst aan de Heer — de eigenlijke activiteit van de ziel — wordt verricht in een bevrijde toestand. In de Bhagavad-gītā (14.26) staat:
māṁ ca yo ’vyabhicāreṇa
bhakti-yogena sevate
sa guṇān samatītyaitān
brahma-bhūyāya kalpate
‘Wie in alle omstandigheden volledig en onfeilbaar opgaat in devotionele dienst, ontstijgt onmiddellijk aan de hoedanigheden van de materiële natuur en komt zo tot het niveau van Brahman.’
Avyabhicāriṇī bhakti betekent zuivere devotie. Wie devotionele dienst verricht, moet vrij zijn van materiële motieven. In onze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn is het de bedoeling dat iemands bewustzijn verandert. Zodra ons bewustzijn gericht is op materieel genot, is het materieel bewustzijn. Maar is het gericht op dienst aan Kṛṣṇa, dan is het Kṛṣṇa-bewustzijn. Een ziel die zich aan Kṛṣṇa heeft overgegeven, dient Hem zonder materiële overwegingen (anyābhilāṣitā-śūnyam — Bhakti-rasāmṛta-sindhu 1.1.11). Jñāna-karmādy-anāvṛtam: zuivere bhakti-yoga betekent zuivere, onvermengde devotionele dienst die transcendentaal is aan de activiteiten van lichaam en geest, zoals jñāna (mentale speculatie) en karma (resultaatgerichte activiteiten). Bhakti-yoga is de eigenlijke activiteit van de ziel en wanneer we werkelijk in zuivere, onbezoedelde devotionele dienst opgaan, zijn we al bevrijd (sa guṇān samatītyaitān — Gītā 14.26).

Een toegewijde van Kṛṣṇa is niet onderworpen aan materiële omstandigheden, ook al lijken zijn lichamelijke kenmerken materieel geconditioneerd. We moeten een zuivere toegewijde daarom niet vanuit een materialistisch oogpunt beschouwen. Tenzij we zelf echt toegewijden zijn, is het onmogelijk een andere toegewijde perfect te zien.

In het vorige vers werd al uitgelegd dat er drie soorten toegewijden zijn: de kaniṣṭha-adhikārī, madhya­ma-adhikārī en uttama-adhikārī. De kaniṣṭha-adhi-
kārī
is niet in staat om onderscheid maken tussen een toegewijde en een niet-toegewijde. Hij houdt zich alleen maar bezig met het vereren van de Beeldgedaante in de tempel. Maar een madhya­ma-adhikārī kan wel onderscheid maken tussen een toegewijde en een niet-toegewijde en ook tussen een toegewijde en de Heer. Daarom gaat hij op verschillende manieren om met de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, de toegewijde en de niet-toegewijde.
Niemand mag de lichamelijke gebreken van een zuivere toegewijde bekritiseren. Als er al onvolkomenheden zijn, moeten die over het hoofd worden gezien. Waar het uiteindelijk om gaat, is wat de voornaamste activiteit van de spiritueel leraar is, namelijk devotionele dienst, zuivere dienst aan de Allerhoogste Heer. Zoals de Bhagavad-gītā (9.30) zegt:
api cet sudurācāro
bhajate mām ananya-bhāk
sādhur eva sa mantavyaḥ
samyag vyavasito hi saḥ
Ook al lijkt het alsof een toegewijde soms afschuwelijke activiteiten verricht, toch moet hij worden beschouwd als een sādhu, een heilig mens, want zijn werkelijke identiteit is die van een persoon die opgaat in liefdedienst aan de Heer. Met andere woorden: hij hoort niet als een gewoon mens worden beschouwd.
Een zuivere toegewijde mag dan misschien niet in een brāhmaṇa- of gosvāmī-familie geboren zijn, maar als hij de Heer dient, mag hij niet worden genegeerd of veronachtzaamd. In feite kan een familie die gebaseerd is op materiële overwegingen, kaste of erfelijkheid geen gosvāmī-familie zijn. De titel go­svāmī is eigenlijk het alleenrecht van zuivere toegewijden en daarom spreken we van de Zes Gosvāmī ’s, met Rūpa Gosvāmī en Sanātana Gosvāmī aan het hoofd. Rūpa Gosvāmī en Sanātana Gosvāmī waren praktisch moslims geworden en hadden daarom hun namen veranderd in Dabira Khāsa en Sākara Mallika. Maar Śrī Caitanya Mahāprabhu Zelf maakte go­­svāmī ’s van ze. En daarom is de titel gosvāmī niet erfelijk. Het woord ‘gosvāmī ’ heeft betrekking op iemand die zijn zintuigen kan beheersen, die meester is over zijn zintuigen. Een toegewijde wordt niet door de zintuigen beheerst, maar is zijn zintuigen juist de baas. Daarom verdient hij de titel svāmī of gosvāmī, ook al is hij niet in een gosvāmī-familie geboren.
Volgens deze vaststelling zijn de gosvāmī ’s die nakomelingen zijn van Śrī Nityānanda Prabhu en Śrī Advaita Prabhu zeker toegewijden, maar toegewijden die uit andere families komen moeten niet als minderwaardig worden behandeld; sterker nog, of toegewijden nu uit een familie van voorgaande ācārya’s of uit een gewone familie komen, ze moeten als gelijken worden behandeld. We mogen niet denken: ‘O, hier is een Europese gosvāmī ’ en hem vervolgens als minderwaardig behandelen. En evenmin mogen we denken: ‘Hier is een nityānanda-vaṁsa-gosvāmī.’ Er bestaat een onderstroom van protest tegen het feit dat wij de titel Gosvāmī toekennen aan de Europese vaiṣṇava’s van de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn. Soms zeggen mensen de Europese toegewijden botweg dat hun sannyāsa of gosvāmī-titel ongeldig is. Maar volgens dit vers van Śrīla Rūpa Gosvāmī verschillen een Europese gosvāmī en een gosvāmī uit een familie van ācārya’s niet van elkaar.
Aan de andere kant moet een toegewijde die de gosvāmī-titel heeft verkregen maar niet afstamt van een brāhmaṇa-vader of van een gosvāmī uit de familie van Nityānanda of Advaita Prabhu, geen valse trots koesteren en niet denken dat hij een gosvāmī is geworden. Hij moet altijd goed beseffen dat hij onmiddellijk ten val komt als hij materiële trots ontwikkelt. De beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn onderwijst een transcendentale wetenschap en er is geen plaats voor afgunst. De beweging is bestemd voor paramahaṁsa’s, die volledig vrij zijn van afgunst (paramaṁ nirmatsarāṇām). Of we nu in een familie van gosvāmī ’s zijn geboren of de titel gosvāmī toegekend hebben gekregen, we moeten geen afgunst koesteren. Wie afgunstig wordt, valt onmiddellijk van het paramahaṁsa-niveau.
Als we op de lichamelijke onvolkomenheden van een vaiṣṇava letten, moeten we beseffen dat we zo een overtreding begaan tegenover de lotusvoeten van die vaiṣṇava. Een overtreding tegenover de lotusvoeten van een vaiṣṇava is zeer ernstig. Sterker nog, Śrī Caitanya Mahāprabhu beschreef deze overtreding als hātī-mātā, de ‘dolle-olifantovertreding’. Een dolle olifant kan een catastrofe aanrichten, zeker wanneer hij een keurig getrimde tuin binnendendert. We moeten daarom bijzonder voorzichtig zijn om geen enkele overtreding maken tegenover een vaiṣṇava. Iedere toegewijde moet bereid zijn om de instructies van een superieure vaiṣṇava op te volgen, die op zijn beurt bereid moet zijn een inferieure vaiṣṇava in alle opzichten bij te staan. Superioriteit en inferioriteit zijn afhankelijk van iemands spirituele ontwikkeling in Kṛṣṇa-bewustzijn. Het is niet toegestaan om de activiteiten van een zuivere vaiṣṇava vanuit een materieel gezichtspunt te beschouwen. Zeker voor een beginneling is het bijzonder schadelijk om een zuivere toegewijde volgens materiële maatstaven te beoordelen. We mogen een zuivere toegewijde daarom niet op uiterlijke criteria beoordelen. In plaats daarvan moeten we proberen de innerlijke aspecten te zien en leren begrijpen hoe een zuivere toegewijde opgaat in transcendentale liefdedienst aan de Heer. Zo vermijden we dat we de zuivere toegewijde vanuit een materieel gezichtspunt beschouwen en zo kunnen we zelf ook geleidelijk aan zuivere toegewijden worden.
Wie denkt dat Kṛṣṇa-bewustzijn zich beperkt tot een bepaalde groep mensen, een bepaalde groep toegewijden of een bepaalde landstreek, zal gauw geneigd zijn alleen de externe aspecten van een toegewijde te zien. Zulke beginnelingen, die niet in staat zijn de verheven dienst van de gevorderde toegewijde te waarderen, zullen de mahā-bhāgavata naar hun eigen niveau proberen te brengen. Zelf ervaren we zulke moeilijkheden tijdens het wereldwijd verspreiden van dit Kṛṣṇa-bewustzijn. Jammer genoeg zien we ons omringd door godsbroeders die beginnelingen zijn en geen waardering kunnen opbrengen voor deze buitengewone wereldwijde verspreiding van het Kṛṣṇa-bewustzijn. Ze proberen ons alleen maar naar hun eigen niveau te brengen en bekritiseren ons in alle mogelijke opzichten. We betreuren hun naïeve activiteiten en gebrek aan kennis ten zeerste. Een geautoriseerd persoon die zich volledig inzet in de vertrouwelijke dienst aan de Heer, mag niet als een gewoon mens worden behandeld, want er is gezegd dat we de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn alleen over de hele wereld kunnen verspreiden als we door Kṛṣṇa zijn geautoriseerd.
Wie een zuivere toegewijde bekritiseert, begaat dus een overtreding (vaiṣṇava-aparādha) die een grote belemmering en gevaar is voor wie vooruitgang wil maken in het Kṛṣṇa-bewustzijn. Wie een overtreding maakt tegenover de lotusvoeten van een vaiṣṇava, haalt daaruit geen enkel spiritueel voordeel. Iedereen moet daarom bijzonder op zijn hoede zijn voor afgunst tegenover een speciaal geautoriseerde vaiṣṇava of śuddha-vaiṣṇava. Het is ook een overtreding om een geautoriseerde vaiṣṇava te zien als iemand die we disciplinaire maatregelen kunnen opleggen. Hem advies proberen te geven of te corrigeren is ook beledigend.

Beginnende en gevorderde vaiṣṇava’s kunnen op grond van hun activiteiten van elkaar worden onderscheiden. De gevorderde vaiṣṇava heeft altijd de positie van spiritueel leraar en de beginner wordt altijd beschouwd als zijn leerling. De spiritueel leraar mag nooit afhankelijk zijn van het advies van een leerling en evenmin mag een spiritueel leraar ooit verplicht zijn instructies te aanvaarden van personen die niet zijn leerlingen zijn. Dat is de essentie van Śrīla Rūpa Gosvāmī ’s advies in dit zesde vers.
स्यात् कृष्णनामचरितादिसिताप्यविद्यापित्तोपतप्तरसनस्य न रोचिका नु ।
किन्त्वादरादनुदिनं खलु सैव जुष्टा स्वाद्वी क्रमाद्भवति तद्गदमूलहन्त्री ॥ ७ ॥
syāt kṛṣṇa-nāma-caritādi-sitāpy avidyā-
pittopatapta-rasanasya na rocikā nu
kintv ādarād anudinaṁ khalu saiva juṣṭā
svādvī kramād bhavati tad-gada-mūla-hantrī

Synonyms

syātis; kṛṣṇavan Heer Kṛṣṇa; nāmade heilige naam; carita-ādieigenschappen, activiteiten van vermaak, enzovoort; sitākandijsuiker; apihoewel; avidyāvan onwetendheid; pittagalstoornis; upataptalijdt aan; rasanasyavan de tong; naniet; rocikāaangenaam; nuoh, zo wonderbaarlijk; kintumaar; ādarātaandachtig; anudinamelke dag, of vierentwintig uur per dag; khalunaturally; die (kandijsuiker van de heilige naam); evazeker; juṣṭāgenomen of gechant; svādvīsmakelijk; kramātgeleidelijk aan; bhavatiwordt; tat- gadavan die ziekte; mūlavan de wortel; hantrīde vernietiger.

Translation

De heilige naam, het karakter, het vermaak en de activiteiten van Kṛṣṇa zijn allemaal transcendentaal zoet als kandijsuiker. Hoewel de tong van iemand die lijdt aan de geelzucht van avidyā [onwetendheid], niets zoets kan proeven, is het wonderbaarlijk dat door het dagelijks aandachtig chanten van deze zoete namen er in zijn tong een natuurlijke smaak onwaakt en dat zijn ziekte geleidelijk aan met wortel en al wordt uitgeroeid.

Purport

De heilige naam van Kṛṣṇa, Zijn eigenschappen, activiteiten, enzovoort maken allemaal deel uit van de natuur van de absolute waarheid, schoonheid en geluk. Ze zijn van zichzelf heel zoet, als kandijsuiker, aantrekkelijk voor iedereen. Maar onwetendheid wordt vergeleken met geelzucht, die wordt veroorzaakt door galafscheiding. Door geelzucht kan de tong van de zieke niet genieten van de smaak van kandijsuiker. Integendeel, voor iemand met geelzucht proeft iets zoets juist heel bitter. Op dezelfde manier ondermijnt avidyā (onwetendheid) ons vermogen om genoegen te scheppen in de transcendentaal smakelijke naam, kwaliteit, gedaante en activiteiten van vermaak van Kṛṣṇa. Maar de onwetendheid van iemand die zich ondanks deze ziekte met veel zorg en aandacht op het Kṛṣṇa-bewustzijn toelegt en de heilige naam chant en over de activiteiten van vermaak van Kṛṣṇa hoort, zal vernietigd worden en zijn tong zal in staat zijn de zoetheid van de transcendentale aard van Kṛṣṇa en Zijn parafernalia te proeven. Zo’n herstel van spirituele gezondheid is alleen mogelijk door regelmatige cultivering van Kṛṣṇa-bewustzijn.
Wie in de materiële wereld meer interesse heeft voor een materialistische levensstijl dan voor het Kṛṣṇa-bewustzijn, wordt als ziek beschouwd. Onze normale toestand is die van een eeuwige dienaar van de Heer (jīvera ‘svarūpa’ haya-kṛṣṇera ‘nitya-dāsa’Caitanya-caritāmṛta, Madhya 20.108). Deze gezonde toestand gaat verloren als het levend wezen Kṛṣṇa vergeet, doordat het zich aangetrokken voelt tot de externe aspecten van de māyā-energie van Kṛṣṇa. Deze wereld van māyā wordt durāśraya genoemd, wat ‘valse of slechte toevlucht’ betekent. Die durāśraya vertrouwen is ijdele hoop. In de materiële wereld probeert iedereen gelukkig te worden, maar ook al worden al onze materiële pogingen op alle mogelijke manieren gefrustreerd, toch begrijpen we door onze onwetendheid niet wat we fout doen. Mensen proberen de ene fout met een andere te verhelpen en zo blijft de strijd om het bestaan in de materiële wereld maar doorgaan. Wie in zo’n toestand wordt aangeraden zich toe te leggen op het Kṛṣṇa-bewustzijn en zo gelukkig te worden, slaat zulke instructies in de wind.
Om deze diepe onwetendheid tegen te gaan, verspreiden wij de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn over de hele wereld. Mensen worden over het algemeen misleid door blinde leiders. De leiders binnen de menselijke samenleving — de politici, filosofen en wetenschappers — zijn blind, omdat ze niet Kṛṣṇa-bewust zijn. Omdat ze door hun atheïstische leefwijze van alle werkelijke kennis zijn beroofd, zijn ze volgens de Bhagavad-gītā eigenlijk zondige dwazen en de laagsten onder de mensen.
na māṁ duṣkṛtino mūḍhāḥ
prapadyante narādhamāḥ
māyayāpahṛta jñānā
āsuraṁ bhāvam āśritāḥ
‘Kwaadaardige personen die volkomen dwaas zijn, die de laagsten onder de mensen zijn, die door illusie van hun kennis beroofd zijn en die de atheïstische aard van demonen hebben, geven zich niet aan Mij over.’ (Gītā 7.15)
Zulke personen zullen zich nooit aan Kṛṣṇa overgeven en dwarsbomen de inspanningen van mensen die hun toevlucht bij Kṛṣṇa zoeken. Zodra zulke atheïsten de leiders van de samenleving worden, raakt alles doordrongen van onwetendheid. In zo’n toestand ontvangen mensen de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn niet met open armen, net zoals iemand die aan geelzucht lijdt de smaak van suiker niet kan waarderen. Maar suiker is wel het enige specifieke medicijn voor geelzucht. Zo is ook het Kṛṣṇa-bewustzijn, het chanten van de heilige naam van de Heer — Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare/ Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare — de enige remedie voor de verwarde toestand van de huidige mensheid en de wereld. Hoewel het Kṛṣṇa-bewustzijn voor een ziek persoon misschien niet zo smakelijk is, adviseert Śrīla Rūpa Gosvāmī toch dat we ons er met grote zorg en aandacht op moeten toeleggen als we willen genezen van de ziekte van het materialisme. De behandeling begint met het chanten van de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra, want door deze heilige naam van de Heer te chanten, zal een materialistische persoon van al zijn misvattingen worden bevrijd (ceto-darpaṇa-mārjanamCaitanya-caritāmṛta, Antya 20.12). Avidyā, een verkeerde opvatting over onze spirituele identiteit, vormt de basis voor ahaṅkāra, het vals ego in het hart.
De werkelijke ziekte bevindt zich in het hart. Maar als de geest wordt gezuiverd, als het bewustzijn wordt gezuiverd, worden we immuun voor die materiële ziekte. Om de geest en het hart van alle misvattingen te zuiveren, moeten we ons toeleggen op het chanten van de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra. Dit is zowel gemakkelijk als gunstig. Door de heilige naam van de Heer te chanten, raken we onmiddellijk bevrijd van het laaiend vuur van het materiële bestaan.
Het chanten van de heilige naam van de Heer heeft drie stadia, namelijk die van overtredingen, van de afname van overtredingen en van zuiver chanten. Wanneer een beginneling zich begint toe te leggen op het chanten van de Hare Kṛṣṇa-mantra, begaat hij normaal gezien veel overtredingen. Er zijn tien basisovertredingen en de toegewijde die deze vermijdt, kan een glimp opvangen van het volgende stadium, het stadium tussen chanten met overtredingen en zuiver chanten in. Wanneer we het zuivere stadium bereiken, zijn we onmiddellijk bevrijd. Dit wordt bhava-mahā-dāvāgni-nirvāpanam (Śikṣāṣṭaka 1) genoemd. Zodra we bevrijd zijn van het laaiende vuur van het materiële bestaan, kunnen we de smaak van het transcendentale leven proeven.
De conclusie is dat als we bevrijd willen raken van de materiële ziekte, we ons moeten toeleggen op het chanten van de Hare Kṛṣṇa-mantra. En de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn is daar speciaal voor bedoeld, namelijk om een sfeer te creëren waarin mensen zich kunnen toeleggen op het chanten van de Hare Kṛṣṇa-mantra. We moeten beginnen met geloof of vertrouwen en wanneer dit vertrouwen door te chanten toeneemt, kunnen we lid worden van de gemeenschap. We sturen saṅkīrtana-groepen naar alle delen van de wereld en deze toegewijden zien dat zelfs in de meest afgelegen delen van de wereld waar het aan kennis van Kṛṣṇa ontbreekt, de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra duizenden mensen tot onze beweging aantrekt. In sommige streken, en soms al binnen enkele dagen na het horen van de mantra, beginnen mensen de toegewijden te imiteren door hun hoofd kaal te scheren en de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra te chanten. Dit mag dan imitatie zijn, maar het imiteren van iets goeds is zelf ook goed. Sommige imitators ontwikkelen geleidelijk aan het verlangen om te worden geïnitieerd door een spiritueel leraar en vragen om initiatie.
Wie oprecht is, wordt geïnitieerd. Dat stadium wordt bhajana-kriyā genoemd, wat betekent dat we ons daadwerkelijk toeleggen op dienst aan de Allerhoogste Heer door regelmatig — zestien ronden per dag — de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra te chanten en door af te zien van vrije seks, drugsgebruik, vleeseten en gokken. Door bhajana-kriyā kunnen we de besmetting van het materialistische leven van ons afschudden. We zullen geen restaurants of hotels meer aandoen voor zogenaamd smakelijke vleesgerechten met uien of om te roken of om thee en koffie te drinken. Niet alleen onthouden we ons van vrije seks, we vermijden seks volledig. En we verliezen alle interesse voor tijdverspillend gespeculeer of gegok. Dat zijn duidelijke aanwijzingen dat we gezuiverd beginnen te raken van ongewenste dingen (anartha-nivṛtti). Het woord anartha verwijst naar ongewenste dingen. Anartha’s kunnen bedwongen worden als we serieus betrokken raken bij de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn.
Wie verlost is van ongewenste dingen, zal vastberaden zijn Kṛṣṇa-bewuste activiteiten verrichten. Sterker nog, zo iemand raakt gehecht aan zulke activiteiten en ervaart extase tijdens zijn devotionele dienst. Dit wordt bhāva genoemd, een beginnend ontwaken van sluimerende liefde voor God. Zo raakt de geconditioneerde ziel bevrijd van het materiële bestaan en verliest ze alle belangstelling voor de lichamelijke levensopvatting, inclusief materiële rijkdom, materiële kennis en alle andere materiële aantrekkelijkheden. Op dat moment begrijpen we wie de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is en wat Zijn māyā is.
Māyā mag dan aanwezig zijn, maar een toegewijde die het bhāva-stadium heeft bereikt, laat zich hierdoor niet verstoren. Dit komt omdat zo’n toegewijde inziet wat māyā’s werkelijke positie is. Māyā betekent Kṛṣṇa vergeten en Kṛṣṇa vergeten en Kṛṣṇa-bewustzijn gaan zij aan zij, zoals licht en schaduw. Wie in de schaduw blijft, kan niet van het licht genieten, en wie in het licht blijft, wordt niet verstoord door het duister van de schaduw. Wie zich toelegt op het Kṛṣṇa-bewustzijn, raakt geleidelijk aan bevrijd en blijft in het licht. Sterker nog, zo iemand zal niet eens met duisternis in aanraking komen. Dit wordt bevestigd in het Caitanya-caritāmṛta (Madhya 22.31):
kṛṣṇa – sūrya-sama; māyā haya andhakāra
yāhāṅ kṛṣṇa, tāhāṅ nāhi māyāra adhikāra
‘Kṛṣṇa is als de zonneschijn en māyā is als de duisternis. Waar zonneschijn is, kan geen duisternis zijn. Zodra we met Kṛṣṇa-bewustzijn beginnen, zal de duisternis van de illusie, de invloed van de externe energie, onmiddellijk verdwijnen.’
तन्नामरूपचरितादिसुकीर्तनानुस्मृत्योः क्रमेण रसनामनसी नियोज्य ।
तिष्ठन्व्रजे तदनुरागिजनानुगामी कालं नयेदखिलमित्युपदेशसारम् ॥ ८ ॥
tan-nāma-rūpa-caritādi-sukīrtanānu-
smṛtyoḥ krameṇa rasanā-manasī niyojya
tiṣṭhan vraje tad-anurāgi-janānugāmī
kālaṁ nayed akhilam ity upadeśa-sāram

Synonyms

tatvan Heer Kṛṣṇa; nāmade heilige naam; rūpagedaante; carita-ādikarakter, activiteiten van vermaak, enzovoort; su-kīrtanadoor discussiëren of goed chanten; anusmṛtyoḥen door zich te herinneren; krameṇagelijdelijk aan; rasanāde tong; manasīen de geest; niyojyain beslag laten nemen door; tiṣṭhanverblijvend; vrajein Vraja; tataan Heer Kṛṣṇa; anurāgigehecht; janapersonen; anugāmīvolgend; kālamtijd; nayetmoet gebruiken; akhilamvolledig; itialdus; upadeśavan advies of instructie; sāramde essentie.

Translation

De essentie van alle goede raad is dat we al onze tijd — vierentwintig uur per dag — moeten gebruiken om geleidelijk aan met onze tong en geest de goddelijke naam, transcendentale gedaante, kwali­teiten en eeuwige activiteiten van vermaak van de Heer te verheerlijken en ons die te herinneren. Zo moet men in Vraja [Goloka Vṛndāvana dhāma] verblijven en Kṛṣṇa onder begeleiding van toegewijden dienen. Men moet het voetspoor volgen van de geliefde toegewijden van de Heer, die bijzonder gesteld zijn op devotionele dienst aan Hem.

Purport

Omdat de geest iemands vriend of vijand kan zijn, moeten we hem trainen om een vriend te worden. De beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn is speciaal bedoeld om de geest te trainen altijd bezig te zijn met Kṛṣṇa’s zaken. De geest bevat honderden en duizenden indrukken — niet alleen uit dit leven, maar ook uit vele, vele vorige levens. Deze indrukken raken soms door elkaar, wat tegenstrijdige beelden oplevert. Zo kan de activiteit van de geest gevaar opleveren voor een geconditioneerde ziel. Mensen die psychologie studeren zijn zich bewust van de uiteenlopende psychologische veranderingen in de geest. In de Bhagavad-gītā (8.6) staat:
yaṁ yaṁ vāpi smaran bhāvaṁ
tyajaty ante kalevaram
taṁ taṁ evaiti kaunteya
sadā tad-bhāva-bhāvitaḥ
‘Welke zijnstoestand iemand ook in gedachten heeft wanneer hij zijn lichaam opgeeft, o zoon van Kuntī, die toestand zal hij zeker bereiken.’
Op het moment van de dood creëren de geest en de intelligentie van een levend wezen de fijnstoffelijke gedaante van een bepaald soort lichaam voor het volgend leven. Als de geest dan plotseling aan iets ongepasts denkt, zal diegene in het volgende leven een lichaam moeten aannemen dat daarmee overeenstemt. Maar zijn we op het doodsmoment in staat om aan Kṛṣṇa denken, dan kunnen we worden overgebracht naar de spirituele wereld, Goloka Vṛndāvana. Dit proces van reïncarnatie is bijzonder subtiel. Śrīla Rūpa Gosvāmī ’s adviseert toegewijden dan ook om hun geest zo te trainen dat ze onmogelijk aan iets anders kunnen denken dan aan Kṛṣṇa. Zo moet ook de tong worden getraind om alleen over Kṛṣṇa te spreken en alleen kṛṣṇa-prasāda te proeven. Verder geeft Śrīla Rūpa Gosvāmī de volgende raad: tiṣṭhan vraje — woon in Vṛndāvana of waar dan ook in Vrajabhūmi. Naar verluidt heeft Vrajabhūmi, het land van Vṛndāvana, een oppervlakte van vierentachtig krośa’s. Eén krośa is ongeveer vijf vierkante kilometer. En als we in Vṛndāvana gaan wonen, moeten we daar onze toevlucht zoeken bij een gevorderde toegewijde. Op die manier moeten we altijd aan Kṛṣṇa en Zijn activiteiten van vermaak denken. Śrīla Rūpa Gosvāmī licht dit verder toe in zijn Bhakti-rasāmṛta-sindhu (1.2.294):
kṛṣṇaṁ smaran janaṁ cāsya
preṣṭhaṁ nija-samīhitam
tat-tat-kathā-rataś cāsau
kuryād vāsaṁ vraje sadā
‘Een toegewijde zou altijd in de transcendentale wereld van Vraja moeten verblijven en altijd bezig moeten zijn met kṛṣṇaṁ smaran janaṁ cāsya preṣṭham: zich Kṛṣṇa en Zijn geliefde metgezellen herinneren. Door het voetspoor van zulke metgezellen te volgen en hun eeuwige leiding te aanvaarden, kan men een intens verlangen ontwikkelen de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods te dienen.’
Ook stelt Śrīla Rūpa Gosvāmī in zijn Bhakti-rasāmṛta-sindhu (1.2.295):
sevā sādhaka-rūpeṇa
siddha-rūpeṇa cātra hi
tad-bhāva-lipsunā kāryā
vraja-lokānusārataḥ
‘In het transcendentale gebied van Vraja [Vraja-dhāma] moet men de Allerhoogste Heer, Śrī Kṛṣṇa, met dezelfde emotie dienen als die van Zijn metgezellen en zich onder de rechtstreekse hoede van een bepaalde metgezel van Kṛṣṇa plaatsen en in zijn voetspoor treden. Deze methode geldt zowel in het stadium van sādhana [spirituele praktijken die worden beoefend zonder bevrijd te zijn] als in het stadium van sādhya [godsrealisatie], waarin men een siddha-puruṣa is, een spiritueel volmaakte ziel.’
Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura gaf het volgende commentaar op dit vers: ‘Wie nog geen belangstelling heeft voor Kṛṣṇa-bewustzijn, moet alle materiële beweegredenen laten varen en zijn geest trainen door de zuiverende regulerende principes te volgen, namelijk het zich herinneren en verheerlijken van Kṛṣṇa en Zijn naam, gedaante, eigenschappen, activiteiten van vermaak, enzovoort. Hebben we de smaak voor zulke dingen eenmaal ontwikkeld, dan moeten we proberen in Vṛndāvana te leven en onze tijd doorbrengen met ons voortdurend de naam, roem, activiteiten van vermaak en eigenschappen van Kṛṣṇa te herinneren onder leiding en bescherming van een ervaren toegewijde. Dat is de essentie van alle onderricht over het cultiveren van devotionele dienst.
In het beginnersstadium moet men altijd naar kṛṣṇa-kathā luisteren; dit wordt śravaṇa-daśā genoemd: het luisterstadium. Door voortdurend naar de transcendentale heilige naam van Kṛṣṇa te luisteren en te horen over Zijn transcendentale gedaante, eigenschappen en activiteiten van vermaak, kan men het stadium van aanvaarding of varaṇa-daśā bereiken. Wie dit stadium bereikt, raakt gehecht aan het horen van kṛṣṇa-kathā. Wanneer men in extase kan chanten, bereikt men het stadium van smaraṇāvasthā, het stadium van herinnering. Herinnering, volledig opgaan, meditatie, voortdurende contemplatie en diepe meditatie zijn de vijf stadia van toenemende kṛṣṇa-smaraṇa.
In het begin kan de herinnering aan Kṛṣṇa op bepaalde momenten worden onderbroken, maar later gaat het herinneren ononderbroken door. Ononderbroken herinnering wordt steeds geconcentreerder en wordt meditatie genoemd. En meditatie die zich verder ontplooit en voortdurend aanhoudt, wordt anusmṛti genoemd. Onafgebroken en voordurende anusmṛti leidt tot het stadium van samādhi of diepe spirituele meditatie. Nadat smaraṇa-daśā of samādhi zich volledig heeft ontwikkeld, begint de ziel haar oorspronkelijke, wezenlijke positie te begrijpen. Op dat moment is het haar volkomen duidelijk wat haar eeuwige relatie met Kṛṣṇa is. Dat wordt sampatti-daśā genoemd, de perfectie van het leven.
Het Caitanya-caritāmṛta raadt beginnelingen aan alle zelfzuchtige verlangens te laten varen en zich eenvoudig toe te leggen op gereguleerde devotionele dienst aan de Heer volgens de richtlijnen van de heilige teksten. Zo kan een beginneling geleidelijk gehecht raken aan de naam, roem, gedaante, eigenschappen, enzovoort van Kṛṣṇa. Heeft men zulke gehechtheid ontwikkeld, dan kan men de lotusvoeten van Kṛṣṇa spontaan dienen, zelfs zonder de regulerende principes te volgen. Dit stadium wordt rāga-bhakti genoemd of devotionele dienst met spontane liefde. In dat stadium kan de toegewijde de voetstappen volgen van een van de eeuwige metgezellen van Kṛṣṇa in Vṛndāvana. Dit wordt rāgānuga-bhakti genoemd. Rāgānuga-bhakti of spontane devotionele dienst kan in śānta-rasa worden verricht als men ernaar verlangt een van de koeien van Kṛṣṇa, of Zijn stok, een fluit in Zijn hand of de bloemen rond Zijn nek te worden. In dāsya-rasa volgt men in de voetstappen van dienaren als Citraka, Patraka of Raktaka. In de vriendschappelijke sakhya-rasa kan men net als Baladeva, Śrīdāmā of Sudāmā een vriend worden. In vātsalya-rasa, die gekenmerkt wordt door ouderlijke liefde, kan men net als Nanda Mahārāja en Yaśodā worden. En in mādhurya-rasa, die wordt gekenmerkt door amoureuze liefde, kan men net als Śrīmatī Rādhārāṇī worden of als Haar vriendinnen, zoals Lalitā, of dienaressen (mañjarī ’s) als Rūpa en Rati. Dit is de essentie van alle instructies betreffende devotionele dienst.’
वैकुण्ठाज्जनितो वरा मधुपुरी तत्रापि रासोत्सवाद्वृन्दारण्यमुदारपाणिरामणात्तत्रापि गोवर्धनः ।
राधाकुण्डमिहापि गोकुलपतेः प्रेमामृताप्लावनात्कुर्यादस्य विराजतो गिरितटे सेवां विवेकी न कः ॥ ९ ॥
vaikuṇṭhāj janito varā madhu-purī tatrāpi rāsotsavād
vṛndāraṇyam udāra-pāṇi-ramaṇāt tatrāpi govardhanaḥ
rādhā-kuṇḍam ihāpi gokula-pateḥ premāmṛtāplāvanāt
kuryād asya virājato giri-taṭe sevāṁ vivekī na kaḥ

Synonyms

vaikuṇṭhātdan Vaikuṇṭha, de spirituele wereld; janitaḥdoor geboorte; varābeter; madhu-purīde transcendentale stad die bekend staat als Mathurā; tatra apidaar boven; rāsa-utsa­vātdoor het verrichten van de rāsa-līlā; vṛndā-araṇyamhet woud van Vṛndāvana; udāra-pāṇivan Heer Kṛṣṇa; ramaṇātdoor verschillende soorten liefdevolle activiteiten van vermaak; tatra apidaar boven; govardhanaḥGovardhana Heuvel; rādhā-kuṇḍamde plaats die Rādhā-kuṇḍa wordt genoemd; iha apidaar boven; gokula-pateḥvan Kṛṣṇa, de meester van Gokula; prema-amṛtadoor de nectar van goddelijke liefde; āplāvanātdoor overstroomd te zijn; kuryātzou verrichten; asyahiervan (Rādhā-kuṇḍa); virājataḥgesi­tueerd; giri-taṭeaan de voet van Govardhana Heuvel; sevāmdienst; vivekīwie intelligent is; naniet; kaḥwie.

Translation

De heilige plaats Mathurā is spiritueel superieur aan Vaikuṇṭha, de spirituele wereld, omdat de Heer daar verscheen. Superieur aan Mathurā-purī is het transcendentale woud van Vṛndāvana, omdat Kṛṣṇa daar Zijn rāsa-līlā hield. En superieur aan het woud van Vṛndāvana is de heuvel Govardhana, omdat Śrī Kṛṣṇa die met Zijn goddelijke hand optilde en omdat het de plaats is waar Hij allerlei soorten liefdevol en speels plezier beleefde. Maar onovertroffen boven al die plaatsen staat Śrī Rādhā-kuṇḍa, want dat overvloeit van de ambrozijnen nectar van prema [liefde] voor Śrī Kṛṣṇa, de Heer van Gokula. Waar is dan die intelligente persoon die dit goddelijke Rādhā-kuṇḍa aan de voet van de heuvel Govardhana weigert te dienen?

Purport

De spirituele wereld omvat driekwart van de totale schepping van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods en het is het meest verheven domein. De spirituele wereld is natuurlijk superieur aan de materiële wereld, maar ook al zijn Mathurā en aangrenzende gebieden in de materiële wereld verschenen, toch worden ze als nog hoger beschouwd, omdat de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods Zelf in Mathurā verscheen. De binnenste wouden van Vṛndāvana worden beschouwd als hoger dan Mathurā door de aanwezigheid van de twaalf wouden (dvādaśa-vana), zoals Tālavana, Madhuvana en Bahulāvana, die beroemd zijn om de uiteenlopende activiteiten van vermaak van de Heer. Het binnenste woud van Vṛndāvana wordt daarom beschouwd als hoger dan Mathurā. Maar de goddelijke heuvel Govardhana is superieur aan deze wouden, omdat Kṛṣṇa deze heuvel met Zijn prachtige lotushand als een paraplu optilde om zo Zijn metgezellen, de inwoners van Vraja, te beschermen tegen de stortbuien die de woedende Indra, de koning van de halfgoden, op hen had afgestuurd. Op de heuvel Govardhana hoeden Kṛṣṇa en Zijn koeherdersvrienden ook koeien en ook had Hij daar Zijn rendez-vous met Śrī Rādhā, Zijn innige geliefde en beleefde daar amoureus plezier met Haar. Maar Rādhā-kuṇḍa, dat aan de voet ligt van Govardhana, is superieur aan hen allemaal, omdat het daar overstroomt van liefde voor Kṛṣṇa. Gevorderde toegewijden verblijven het liefst in Rādhā-kuṇḍa, omdat deze plaats veel herinneringen oproept aan de eeuwige amoureuze activiteiten van Kṛṣṇa en Rādhārāṇī (rati-vilāsa).
In het Caitanya-caritāmṛta (Madhya-līlā) staat dat toen Heer Śrī Caitanya Mahāprabhu het gebied van Vrajabhūmi voor het eerst bezocht, Hij Rādhā-kuṇḍa niet meteen kon vinden. Dit betekent dat Śrī Caitanya Mahāprabhu eigenlijk op zoek was naar de exacte locatie van Rādhā-kuṇḍa. Uiteindelijk vond Hij de heilige plek en zag er een vijver. Hij baadde in die vijver en vertelde Zijn toegewijden dat dit het echte Rādhā-kuṇḍa was. De vijver werd later uitgegraven door de toegewijden van Heer Caitanya, in het begin vooral onder leiding van de Zes Gosvāmī ’s, zoals Rūpa en Raghunātha dāsa. Tegenwoordig ligt er een klein meer dat bekend staat als Rādhā-kuṇḍa. Śrīla Rūpa Gosvāmī heeft veel nadruk gelegd op het belang van Rādhā-kuṇḍa, omdat Śrī Caitanya Mahāprabhu het zo graag wilde vinden. Wie zal Rādhā-kuṇḍa dan de rug toekeren en ergens anders proberen te wonen? Iemand met transcendentale intelligentie zal zoiets nooit doen. Maar andere vaiṣṇava sampradāya’s zien het belang van Rādhā-kuṇḍa niet en personen zonder interesse in de devotionele dienst van Heer Caitanya Mahāprabhu bevatten het spirituele belang en de goddelijke aard van Rādhā-kuṇḍa evenmin. Rādhā-kuṇḍa wordt daarom voornamelijk vereerd door de Gauḍīya-vaiṣṇava’s, de volgelingen van Heer Śrī Kṛṣṇa Caitanya Mahāprabhu.
कर्मिभ्यः परितो हरेः प्रियतया व्यक्तिं ययुर्ज्ञानिनस्तेभ्यो ज्ञानविमुक्तभक्तिपरमाः प्रेमैकनिष्ठास्ततः ।
तेभ्यस्ताः पशुपालपङ्कजदृशस्ताभ्योऽपि सा राधिका प्रेष्ठा तद्वदियं तदीयसरसी तां नाश्रयेत्कः कृती ॥ १० ॥
karmibhyaḥ parito hareḥ priyatayā vyaktiṁ yayur jñāninas
tebhyo jñāna-vimukta-bhakti-paramāḥ premaika-niṣṭhās tataḥ
tebhyas tāḥ paśu-pāla-paṅkaja-dṛśas tābhyo ’pi sā rādhikā
preṣṭhā tadvad iyaṁ tadīya-sarasī tāṁ nāśrayet kaḥ kṛtī

Synonyms

karmibhyaḥdan alle resultaatgerichte werkers; paritaḥin alle opzichten; hareḥdoor de Al­lerhoogste Persoonlijkheid Gods; priyatayādoor begunstigd te zijn; vyaktim yayuḥhet wordt gezegd in de śāstra; jñāninaḥzij die gevorderd zijn in kennis; tebhyaḥboven hen; jñāna-vimuktadoor kennis bevrijd; bhakti-paramāḥzij die devotionele dienst verrichten; prema-eka-niṣṭhāḥzij die zuivere liefde voor God hebben bereikt; tataḥboven hen; tebhyaḥbeter dan hen; tāḥzij; paśu-pāla-paṅkaja-dṛśaḥde gopī ’s die altijd van Kṛṣṇa, de koeherdersjongen, afhangen; tābhyaḥboven hen allemaal; apizeker; Zij; rādhikāŚrīmatī Rādhikā; preṣṭhāzeer dierbaar; tadvatop dezelfde manier; iyamdit; tadīya-sarasīHaar meer, Śrī Rādhā-kuṇḍa; tāmRādhā-kuṇḍa; naniet; āśrayetzou zijn toevlucht nemen; kaḥwie; kṛtīmeest fortuinlijk.

Translation

In de śāstra staat dat van alle soorten resultaatgerichte werkers de persoon die diepgaande kennis heeft van hogere levenswaarden de gunst van Allerhoogste Heer Hari geniet. Van de vele mensen die zo geleerd zijn [jñānī ’s], kan iemand die door zijn kennis zo goed als bevrijd is, zich toeleggen op devotionele dienst. Hij is superieur aan de anderen. Maar wie daadwerkelijk prema of zuivere liefde voor Kṛṣṇa heeft verworven, is superieur aan hem. De gopī’s zijn boven alle gevorderde toegewijden verheven, omdat zij altijd volkomen afhankelijk zijn van Śrī Kṛṣṇa, de transcendentale koeherdersjongen. En van alle gopī’s is Śrīmatī Rādhārāṇī het allerdierbaarst aan Kṛṣṇa. Haar meer [kuṇḍa] is Heer Kṛṣṇa net zo innig dierbaar als die meest geliefde van alle gopī’s. Wie verlangt er daarom niet naar om bij Rādhā-kuṇḍa te verblijven? En wie verlangt er niet naar om daar in een spiritueel lichaam, vervuld van extatische devotionele emoties [aprākṛta-bhāva] liefdevolle dienst te verrichten aan Śrī Śrī Rādhā-Govinda, het goddelijke paar, dat Hun dagelijkse achtvoudige activiteiten van vermaak [aṣṭakālīya-līlā] beleeft? Wie aan de oevers van Rādhā-kuṇḍa devotionele dienst verricht, is beslist de fortuinlijkste mens in het universum.

Purport

Tegenwoordig houdt nagenoeg iedereen zich bezig met een of andere soort resultaatgerichte activiteit. Wie door te werken naar materieel gewin verlangt, wordt een karmī genoemd of iemand die op de resultaten van zijn werk uit is. Alle levende wezens in de materiële wereld zijn in de ban geraakt van māyā. Dit wordt beschreven in de Viṣṇu Purāṇa (6.7.61; geciteerd in Caitanya-caritāmṛta, Madhya 6.154):
viṣṇu-śaktiḥ parā proktā
kṣetrajñākhyā tathā parā
avidyā-karma-saṁjñānyā
tṛtīyā śaktir iṣyate
Wijzen hebben de energieën van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods onderverdeeld in drie categorieën: de spirituele energie, de tussenenergie en de materiële energie. De materiële energie wordt beschouwd als de derderangs energie (tṛtīyā śaktiḥ). De levende wezens binnen de invloedssfeer van de materiële energie zwoegen soms net als honden en varkens voor zinsbevrediging. Maar sommige karmī ’s raken in dit leven of, na vrome activiteiten te hebben verricht, in het volgende zeer gehecht aan het brengen van verschillende soorten offers die in de Veda’s vermeld staan. Zo worden ze op grond van hun vrome verdiensten naar hemelse planeten bevorderd. In feite worden degenen die strikt volgens de vedische geboden offers brengen, verheven naar de maan en de planeten boven de maan. Zoals in de Bhagavad-gītā (9.21) staat: kṣīṇe puṇye martya-lokaṁ viśanti — nadat ze de resultaten van hun zogenaamde vrome activiteiten hebben opgebruikt, keren ze weer terug naar de aarde, die martya-­loka wordt genoemd, het oord des doods. Ook al worden zulke personen door hun vrome activiteiten naar de hemelse planeten bevorderd en ook al mogen ze daar vele duizenden jaren van het leven genieten, toch moeten ze weer naar deze planeet terugkeren wanneer de resultaten van hun vrome activiteiten zijn uitgeput.
Dit is de positie van alle karmī ’s, of ze nu vroom of goddeloos handelen. Deze planeet is rijk aan zakenlieden, politici en andere mensen die alleen maar geïnteresseerd zijn in materieel geluk. Op alle mogelijke manieren proberen ze geld te verdienen, zonder erbij stil te staan of deze manieren vroom of goddeloos zijn. Zulke mensen worden karmī ’s of uitgesproken materialisten genoemd. Onder de karmī ’s bevinden zich enkele vikarmī ’s of mensen die handelen zonder te letten op de richtlijnen van de vedische kennis. Zij die handelen volgens de vedische kennis, verrichten offers voor de voldoening van Heer Viṣṇu en om zegeningen van Hem te ontvangen. Op die manier worden ze bevorderd naar hogere planetenstelsels. Zulke karmī ’s staan boven de vikarmī ’s, want ze zijn de aanwijzingen van de Veda’s trouw en zijn Kṛṣṇa beslist dierbaar. In de Bhagavad-gītā (4.11) zegt Kṛṣṇa: ye yathā māṁ prapadyante tāṁs tathaiva bhajāmy aham — ‘Op welke manier iemand zich ook aan Mij overgeeft, Ik laat zijn beloning ermee overeenstemmen.’ Kṛṣṇa is zo vriendelijk dat Hij de verlangens van de karmī ’s en jñānī ’s vervult, om nog maar te zwijgen van die van de bhakta’s. Hoewel karmī ’s soms naar hogere planetenstelsels worden bevorderd, moeten ze, zolang ze gehecht blijven aan resultaatgerichte activiteiten, na hun dood een nieuw materieel lichaam aannemen. Wie vroom handelt, kan een nieuw lichaam krijgen onder de halfgoden binnen de hogere planetenstelsels of een positie bereiken waarin hij een hogere standaard van materieel geluk geniet. Maar wie zich met goddeloze activiteiten bezighoudt, wordt gedegradeerd en wordt geboren als een dier, boom of plant. Geleerde, heilige personen hebben daarom geen waardering voor vikarmī ’s of zij die uit zijn op de resultaten van hun werk zonder zich daarbij iets van de vedische richtlijnen aan te trekken. Zoals in het Śrīmad-Bhāgavatam (5.5.4) staat:
nūnaṁ pramattaḥ kurute vikarma
yad indriya-prītaya āpṛṇoti
na sādhu manye yata ātmano ’yam
asann api kleśada āsa dehaḥ
‘Materialisten, die net als honden en varkens alleen maar hard werken voor zinsbevrediging, zijn feitelijk krankzinnig. Enkel voor zinsbevrediging zijn ze bereid allerlei afschuwelijke dingen te begaan. Materialistische activiteiten zijn een intelligent mens onwaardig, want door zulke activiteiten staat men een materieel lichaam vol ellende te wachten.’

Het doel van het mensenleven is om te ontkomen aan de drie vormen van ellende die samengaan met het materiële bestaan. Jammer genoeg proberen degenen die resultaatgericht te werk gaan op alle mogelijke manieren als bezetenen geld te verdienen voor tijdelijk materieel comfort; hierdoor riskeren ze degradatie naar lagere levensvormen. Materialisten maken in hun dwaasheid vele plannen om in deze materiële wereld gelukkig te worden. Ze staan er niet bij stil dat ze slechts een bepaald aantal jaren zullen leven, waarvan ze de meeste zullen spenderen aan geld verdienen voor zinsbevrediging. Zulke activiteiten monden uiteindelijk uit in de dood. Materialisten bedenken niet dat ze na het verlaten van hun lichaam de lichamen van lagere dieren, planten of bomen kunnen krijgen. Al hun activiteiten dwarsbomen het doel van het leven. Ze worden niet alleen onwetend geboren, maar handelen ook vanuit onwetendheid en denken materieel profijt te krijgen in de vorm van wolkenkrabbers, grote wagens, prestigieuze posities, enzovoort. Materialisten weten niet dat ze in hun volgend leven gedegradeerd zullen worden en dat al hun activiteiten alleen maar tot hun parābhava of nederlaag leiden. Dat is het oordeel van het Śrīmad-Bhāgavatam (5.5.5): parābhavas tāvad abodha-jātaḥ.
We moeten daarom enthousiast de wetenschap van de ziel (ātma-tattva) leren begrijpen. Totdat we het niveau van ātma-tattva bereiken — het niveau waarop we beseffen dat het zelf de ziel is en niet het lichaam — blijven we in onwetendheid. Uit duizenden en zelfs miljoenen onwetende mensen die hun tijd verspillen met alleen maar hun zintuigen te bevredigen, bereikt er misschien één het niveau van kennis waarop hij de hogere waarden van het leven begrijpt. Zo iemand wordt een jñānī genoemd. Een jñānī weet dat resultaatgerichte activiteiten hem aan het materiële bestaan binden, waardoor hij gedwongen wordt van de ene lichaamssoort naar de andere te verhuizen. In het Śrīmad-Bhāgavatam geeft de term śarīra-bandha (gebonden aan het lichamelijk bestaan) aan dat zolang we gedachten aan zingenot blijven koesteren, onze geest geheel in beslag wordt genomen door karma, resultaatgerichte activiteit, en dat dit ons dwingt om van het ene lichaam naar het andere te verhuizen.
Daarom wordt een jñānī beschouwd als superieur aan een karmī, omdat die zich ten minste onthoudt van blinde zinsbevrediging. Dat is het standpunt van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Maar hoewel een jñānī bevrijd is van de onwetendheid van de karmī ’s, wordt hij nog steeds als onwetend (avidyā) beschouwd, tenzij hij het niveau van devotionele dienst bereikt. Iemand mag dan misschien worden erkend als een jñānī of iemand met veel kennis, toch wordt zijn kennis als onzuiver beschouwd, omdat hij geen informatie heeft over devotionele dienst en daarom het direct vereren van de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods verwaarloost.
Een jñānī die zich begint toe te leggen op devotionele dienst, wordt al heel snel superieur aan een gewone jñānī. Zo’n gevorderd persoon wordt beschreven als jñāna-vimukta-bhakti-parama. Hoe een jñānī zich op devotionele dienst begint toe te leggen, staat in de Bhagavad-gītā (7.19), waarin Kṛṣṇa zegt:
bahūnāṁ janmanām ante
jñānavān māṁ prapadyate
vāsudevaḥ sarvam iti
sa mahātmā sudurlabhaḥ
‘Na vele malen geboren en gestorven te zijn, geeft degene die werkelijk kennis bezit, zich aan Mij over, wetend dat Ik de oorzaak ben van alle oorzaken en dat Ik alles ben wat er bestaat. Zo’n grootmoedige ziel is zeer zeldzaam.’ In feite is iemand pas wijs wanneer hij zich aan de lotusvoeten van Kṛṣṇa overgeeft, maar zo’n mahātmā of grootmoedige ziel is uiterst zeldzaam.
Na zich te hebben toegelegd op devotionele dienst volgens de regulerende principes, kan iemand het niveau van spontane liefde voor God bereiken en het voetspoor volgen van grote toegewijden, zoals Nārada, Sanaka en Sanātana. De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods beschouwt hem vervolgens als superieur. De toegewijden die liefde voor God hebben ontwikkeld, bevinden zich beslist in een verheven positie.
Van al deze toegewijden worden de gopī ’s als de hoogste beschouwd, omdat ze niets liever willen dan Kṛṣṇa tevreden stellen. En de gopī ’s willen er niets voor terug hebben van Kṛṣṇa. Sterker nog, soms laat Kṛṣṇa ze ontzettend lijden door Zich van hen af te zonderen. Maar toch kunnen ze Kṛṣṇa niet vergeten. Toen Kṛṣṇa Vṛndāvana verliet om naar Mathurā te gaan, brachten de gopī ’s, bedroefd door gescheidenheid van Kṛṣṇa, de rest van hun leven huilend door. Dit betekent dat ze in een bepaald opzicht nooit echt van Kṛṣṇa waren gescheiden. Er is namelijk geen verschil tussen denken aan Kṛṣṇa en met Hem omgaan. Vipralambha-sevā of in gescheidenheid aan Kṛṣṇa denken, zoals Śrī Caitanya Mahāprabhu deed, is juist veel beter dan Kṛṣṇa rechtstreeks dienen. Daarom zijn van alle toegewijden die zuivere liefde voor Kṛṣṇa hebben ontwikkeld, de gopī ’s het meest verheven en van al deze verheven gopī ’s is Śrīmatī Rādhārāṇī de hoogste. Niemand overtreft Śrīmatī Rādhārāṇī ’s devotionele dienst. Sterker nog, zelfs Kṛṣṇa begrijpt Śrīmatī Rādhārāṇī ’s houding niet; dat was de reden waarom Hij Haar positie innam en als Śrī Caitanya Mahāprabhu verscheen om Haar transcendentale gevoelens te doorgronden.
Op deze manier komt Śrīla Rūpa Gosvāmī geleidelijk aan tot de conclusie dat Śrīmatī Rādhārāṇī de meest verheven toegewijde van Kṛṣṇa is en Haar kuṇḍa (meer), Śrī Rādhā-kuṇḍa, de meest verheven plaats. Dit wordt bevestigd door een citaat uit het Laghu-bhāgavatāmṛta (Uttara-khaṇḍa 45) dat in het Caitanya-caritāmṛta wordt aangehaald:
yathā rādhā priyā viṣṇos
tasyāḥ kuṇḍaṁ priyaṁ tathā
sarva-gopīṣu saivaikā
viṣṇor atyanta-vallabhā
‘Net zoals Śrīmatī Rādhārāṇī dierbaar is aan de Allerhoogste Heer Kṛṣṇa [Viṣṇu], zo is Haar badplaats [Rādhā-kuṇḍa] Kṛṣṇa even dierbaar. Van alle gopī ’s overtreft alleen Zij hen allemaal als de hoogste geliefde van de Heer.’
Daarom moet iedereen die geïnteresseerd is in Kṛṣṇa-bewustzijn uiteindelijk zijn toevlucht zoeken tot Rādhā-kuṇḍa en daar zijn leven lang devotionele dienst beoefenen. Dat is Rūpa Gosvāmī ’s conclusie in dit tiende vers van zijn Upadeśāmṛta.
कृष्णस्योच्चैः प्रणयवसतिः प्रेयसीभ्योऽपि राधा कुण्डं चास्या मुनिभिरभितस्तादृगेव व्यधायि ।
यत्प्रेष्ठैरप्यलमसुलभं किं पुनर्भक्तिभाजां तत्प्रेमेदं सकृदपि सरः स्नातुराविष्करोति ॥ ११ ॥
kṛṣṇasyoccaiḥ praṇaya-vasatiḥ preyasībhyo ’pi rādhā
kuṇḍaṁ cāsyā munibhir abhitas tādṛg eva vyadhāyi
yat preṣṭhair apy alam asulabhaṁ kiṁ punar bhakti-bhājāṁ
tat premedaṁ sakṛd api saraḥ snātur āviṣkaroti

Synonyms

kṛṣṇasyavan Heer Śrī Kṛṣṇa; uccaiḥin hoogste mate; praṇaya-vasatiḥliefdesobject; preyasī­bhyaḥuit vele beminnelijke gopī ’s; apizeker; rādhāŚrīmatī Rādhārāṇī; kuṇḍammeer; caook; asyāḥvan Haar; munibhiḥdoor grote wijzen; abhitaḥin alle opzichten; tādṛk evaop dezelfde manier; vyadhāyiwordt beschreven; yatwat; preṣṭhaiḥdoor de meest gevorderde toegewijden; apizelfs; alamgenoeg; asulabhammoeilijk te verkrijgen; kimwat; punaḥopnieuw; bhakti-bhājāmvoor personen die devotionele dienst verrichten; tatdie; premaliefde voor God; idamthis; sakṛtéén keer; apizelfs; saraḥmeer; snātuḥvan iemand die gebaad heeft; āviṣkarotiwekt op.

Translation

Van alle begunstigde en charmante liefdesobjecten en van alle beminnelijke meisjes van Vrajabhūmi is Śrīmatī Rādhārāṇī beslist het meest gekoesterde middelpunt van Kṛṣṇa’s liefde. Grote wijzen beschrijven hoe Haar goddelijke kuṇḍa Hem in alle opzichten net zo dierbaar is. Rādhā-kuṇḍa wordt ongetwijfeld zelden bereikt, zelfs door grote toegewijden. Voor gewone toegewijden is het daarom nog moeilijker te bereiken. Eén keer baden in dat heilige water is al voldoende om iemands zuivere liefde voor Kṛṣṇa volledig op te wekken.

Purport

Waarom is Rādhā-kuṇḍa zo verheven? Het meer is zo verheven, omdat het toebehoort aan Śrīmatī Rādhārāṇī, en Śrī Kṛṣṇa bemint niets of niemand zo zeer als Haar. Van alle gopī ’s is Zij de meest geliefde. Zo wordt ook Śrī Rādhā-kuṇḍa, Haar meer, door grote wijzen beschreven als het meer dat Kṛṣṇa net zo dierbaar is als Rādhā Zelf. Sterker nog, de liefde van Kṛṣṇa voor Rādhā-kuṇḍa en Śrīmatī Rādhārāṇī is in alle opzichten hetzelfde. Rādhā-kuṇḍa wordt zelfs door grote persoonlijkheden die volledig opgaan in devotionele dienst, maar zeer zelden bereikt, om dus maar te zwijgen van gewone toegewijden die zich enkel toeleggen op vaidhī bhakti.
In deze tekst staat dat een toegewijde die in de voetstappen van de gopī ’s volgt, onmiddellijk zuivere liefde voor Kṛṣṇa ontwikkelt als hij eenmaal een bad in Rādhā-kuṇḍa neemt. Śrīla Rūpa Gosvāmī adviseert dat, zelfs als we niet permanent op de oevers van Rādha-kuṇḍa kunnen wonen, we in elk geval zo vaak mogelijk een bad moeten nemen in dat meer. Dit is een bijzonder belangrijk onderdeel in het verrichten van devotionele dienst.

Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura schrijft in dit verband dat Śrī Rādhā-kuṇḍa de meest exclusieve plaats is voor wie vooruitgang wil maken in devotio­nele dienst door in het voetspoor te volgen van de vriendinnen (sakhī ’s) en vertrouwelijke dienaressen (mañjarī ’s) van Śrīmatī Rādhārāṇī. Levende wezens die graag willen terugkeren naar het transcendentale koninkrijk van God, Goloka Vṛndāvana, door een spiritueel lichaam (siddha-deha) te verkrijgen, moeten bij Rādhā-kuṇḍa wonen, hun toevlucht nemen tot de vertrouwelijke dienaressen van Śrī Rādhā en Haar onder hun leiding voortdurend dienen. Dit is de meest verheven methode voor degenen die onder de hoede van Śrī Caitanya Mahāprabhu devotio­nele dienst verrichten.

In dit verband schrijft Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura dat zelfs grote wijzen en grote toegewijden als Nārada en Sanaka niet eens de kans krijgen om naar Rādhā-kuṇḍa te komen om daar te baden, laat staan gewone toegewijden. Wie door veel geluk de kans krijgt naar Rādhā-kuṇḍa te komen en er zelfs maar één keer te baden, kan zijn transcendentale liefde voor Kṛṣṇa ontwikkelen, net zoals de gopī ’s. Ook wordt aangeraden om aan de oevers van Rādhā-kuṇḍa te wonen en op te gaan in liefdedienst aan de Heer. We zouden daar regelmatig moeten baden en alle materiële opvattingen moeten laten varen en onze toevlucht moeten nemen tot Śrī Rādhā en de gopī ’s die Haar assisteren. Wie hier tijdens zijn leven voortdurend in opgaat, zal na het verlaten van zijn lichaam terugkeren naar God om Śrī Rādhā te dienen op de manier waarop hij tijdens zijn leven aan de oevers van Rādhā-kuṇḍa al mediteerde.

De conclusie is dat wonen aan de oevers van Rādhā-kuṇḍa en er dagelijks te baden de hoogste vervolmaking van devotionele dienst is. Dat is iets wat zelfs voor grote heiligen en toegewijden als Nārada moeilijk te bereiken is. De glorie van Śrī Rādhā-kuṇḍa is daarom grenzeloos. Door Rādhā-kuṇḍa te dienen, kunnen we een kans krijgen om onder de eeuwige begeleiding van de gopī ’s een dienaar van Śrīmatī Rādhārāṇī te worden.