Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 9
Bestraffing
De Yamadūta's vervolgden: "Hoewel de allerhoogste oorzaak aller oorzaken, Nārāyaņa, Zich in Zijn eigen woonplaats in de geestelijke wereld bevindt, bestuurt Hij de hele kosmische openbaring volgens de hoedanigheden van de materiële natuur-goedheid, hartstocht en onwetendheid. Zo komt het dat alle levende wezens verschillende eigenschappen, namen (zoals brāhmaņa, ksatriya en vaiśya), plichten volgens het varņāśrama-stelse1 en gedaanten toebedeeld krijgen. Daarom is Nārāyaņa de oorzaak van de hele kosmische openbaring."
"Zon, vuur, ether, lucht, halfgoden, maan, avond, dag, nacht, richting, water, land en de Superziel Zelf zijn allemaal getuigen van de activiteiten van het levend wezen. Degenen van wie deze vele getuigen gezien hebben dat ze afweken van hun voorgeschreven plichten zijn strafbaar. Iedereen die zich met baatzuchtige activiteiten bezighoudt is strafbaar overeenkomstig de zonden die hij begaan heeft."
"O inwoners van Vaikuṇṭha, u bent vrij van zonden, maar degenen die zich in deze materiële wereld bevinden zijn allemaal baatzuchtige werkers, of ze nu vroom of zondig handelen. Beide soorten activiteit zijn mogelijk voor hen omdat ze verontreinigd zijn door de drie hoedanigheden van de natuur en dienovereenkomstig moeten handelen. Wie een materieel lichaam heeft kan niet inactiefzijn, en iemand die onder invloed van de hoedanigheden van de materiële natuur handelt begaat onvermijdelijk zonden. Daarom zijn alle levende wezens in deze materiële wereld strafbaar. Overeenkomstig de hoeveelheid vrome of zondige activiteiten die iemand tijdens dit leven heeft verricht, moet hij in zijn volgend leven de aangename of onaangename gevolgen van zijn karma ondergaan." (Śrīmad-Bhāgavatam 6.1.41-45)
De oorzaak achter alle activiteiten
De Śvetāsvatara Upanisad (6.8) vertelt ons:
na tasya kāryaṁ karaṇaṁ ca vidyate
na tat-samaś cābhyadhikaś ca dṛśyate
parāsya śaktir vividhaiva śrūyate
svābhāvikī jñāna-bala-kriyā ca
na tat-samaś cābhyadhikaś ca dṛśyate
parāsya śaktir vividhaiva śrūyate
svābhāvikī jñāna-bala-kriyā ca
Nārāyaņa, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, is almachtig. Hij heeft veelvoudige energieën en is daardoor in staat in Zijn eigen woonplaats te blijven en tegelijkertijd zonder inspanning, via de drie hoedanigheden van de materiële natuur (goedheid, hartstocht en onwetendheid), de gehele kosmische openbaring te besturen en te manipuleren. Deze wisselwerkingen creëren verschillende vormen, lichamen, activiteiten en veranderingen, die allemaal op volmaakte wijze verschijnen. Omdat de Heer volmaakt is, werkt alles alsof Hij er rechtstreeks de leiding over heeft en aan deelneemt.
Versluierd als ze zijn door de drie hoedanigheden van de materiële natuur, kunnen atheïsten echter niet inzien dat Nārāyaņa de oorzaa is achter alle activiteiten. Heer Kṛṣṇa bevestigt dit in de Bhagavad-gītā (7.13):
tribhir guṇa-mayair bhāvair
ebhiḥ sarvam idaṁ jagat
mohitaṁ nābhijānāti
mām ebhyaḥ param avyayam
ebhiḥ sarvam idaṁ jagat
mohitaṁ nābhijānāti
mām ebhyaḥ param avyayam
"Door de drie hoedanigheden misleid, is de hele wereld onbekend met Mij, die boven deze hoedanigheden sta en onuitputtelijk ben."
Tot werk gedwongen
De Allerhoogste Heer heeft drie energieën; de inwendige energie (parā-śakti), de marginale energie en de uitwendige energie. De levende wezens behoren tot de marginale energie, want ze kunnen onder invloed komen van zowel de inwendige als de uitwendige energie. Van nature behoren ze eveneens tot de parā-śakti, maar als ze onder het bestuur komen te staan van de materiële energie, worden ze ksetra-jña- śakti genoemd, "kenners van het materiële veld". De rechtstreekse, inwendige energie van God is dus geestelijk (parā), en de levende wezens zijn van dezelfde aard (parā). Komen ze in contact met de materiële energie (kșetra), dan aanvaarden ze een materieel lichaam als zichzelf en zijn gedwongen te handelen door middel van de vijf zintuigen.
De Yamadūta's zeggen dat iedereen die een materieel lichaam heeft moet werken. Zowel de mier als de olifant moet werken. De mier heeft voor zijn onderhoud slechts een suikerkorreltje nodig, terwijl de olifant zo'n driehonderd kilo voedsel per dag wegwerkt, maar beiden moeten ervoor werken. Dwazen beweren dat Vaiṣṇava's niet werken. De realiteit is echter dat Vaiṣṇava's vierentwintig uur per dag voor Kṛṣṇa werken. Ze zijn geen luie nietsnutten. Zolang we in deze materiële wereld zijn moeten we werken, maar wij werken voor Kṛṣṇa. Dat is niet echt werk, of karma, maar dharma, praktische religie. Als je niet voor Krsņa werkt, is al je werk adharma, irreligieuze zinsbevrediging.
Op de menselijke aard gebaseerd
Het ware doel van het leven is Kṛṣṇa een plezier te doen, en varnāsrama-dharma is de instelling van dat ideaal in de menselijke samenleving. Het varnāśrama-systeem verdeelt de maatschappij in vier geestelijke orden (āśrama's) en vier sociale klassen (varna's).De geestelijke orden zijn de brahmacāri's (celibataire studenten),de gṛhasthas (gezinnen die geestelijke leefregels volgen), de vāna-prastha's (die zich uit het gezinsleven teruggetrokken hebben) en de sannyāsi's (verzakers). De vier sociale klassen zijn de brāhmana's (intellectuelen), de kṣatriyas (militairen en bestuurders), de vaisya's (landbouwers en handelaars) en de śūdra's (arbeiders en handwerkslieden). Zonder de principes van het varnāśrama-dharma bevindt de menselijke samenleving zich min of meer op het dierlijke pijl. Sterker nog, zonder deze vier geestelijke en maatschappelijke onderverdelingen, die gebaseerd zijn op eigenschappen en activiteiten, kunnen we niet eens over een menselijke samenleving spreken. Zoals Kṛṣṇa in de Bhagavad-gītā (4.13) zegt, cātur-varnyam mayā srstam guna-karma-vibhāgasah: "Ik heb de vier sociale klassen geschapen naar eigenschappen en activiteiten."
In deze materiële wereld vormen ons karakter en gedrag zich naar een combinatie van de hoedanigheden van de natuur, en volgens deze maatstaf passen we in een bepaalde sociale categorie. Vandaag de dag beweren de mensen dat een kaste-systeem niet meer nodig is, maar hoe kunnen ze deze toebedeling van klassen in de samenleving, die er van nature is, negeren? Er is behoefte aan een klasse van intelligente mensen, brahmana's, die gekwalificeerd zijn de vedische kennis onder de mensen in het algemeen te verspreiden. Er is behoefte aan een klasse van kṣatriyas, die een goed bestuur en bescherming bieden. Er is behoefte aan een klasse van handelaars en landbouwers, vaiśya's, die handel drijven en agrarisch werk verrichten, zoals het beschermen van koeien. En er is behoefte aan een klasse van śūdra's, die de andere klassen dienst verlenen. Iedereen past volgens zijn guṇa, of aard, in één van deze klassen.
Voorgeschreven plicht versus onwettig handelen
Wat onze varna of āśrama ook zijn mag, de volmaaktheid van ons werk is het tevredenstellen van Viṣṇu, Kṛṣṇa. De Heer stelt dit in de Bhagavad-gitā (3.9):
yajñārthāt karmaṇo ’nyatra
loko ’yaṁ karma-bandhanaḥ
tad-arthaṁ karma kaunteya
mukta-saṅgaḥ samācara
loko ’yaṁ karma-bandhanaḥ
tad-arthaṁ karma kaunteya
mukta-saṅgaḥ samācara
"Men dient zijn werk te doen als een offer aan Viṣṇu, anders is het de oorzaak van gebondenheid in deze materiële wereld. Vervul daarom je voorgeschreven plicht voor Zijn voldoening, o zoon van Kunti, want op die manier zal je altijd vrij blijven van gebondenheid." Dit is de essentie van het menselijk leven. Omdat we moeten werken, moeten we voor Kṛṣṇa werken, en dan blijven alle reacties op onze zonden ons gespaard.
Werken we echter voor onze eigen zinsbevrediging, dan zullen we leven na leven verstrikt raken in de reacties. Iemand kan onmogelijk uit de greep van herhaalde geboorte en dood geraken zolang hij achter zinsbevrediging aanjaagt.
Caitanya Mahāprabhu heeft gezegd, jīvera 'svarūpa' haya-krsnera 'nitya-dāsa' (Caitanya-caritāmrta, Madhya-lilā 20.108): "De constitutionele positie van het levend wezen is dat hij eeuwig een dienaar van Kṛṣṇa is." Als hij die positie inneemt is hij gered, anders niet.
En hoe gaat iemand die zijn positie als Kṛṣṇa's dienaar aanvaardt te werk? Prahlāda Mahārāja zegt in het Śrimad-Bhāgavatam (7.5.23):
śravaṇaṁ kīrtanaṁ viṣṇoḥ
smaraṇaṁ pāda-sevanam
arcanaṁ vandanaṁ dāsyaṁ
sakhyam ātma-nivedanam
smaraṇaṁ pāda-sevanam
arcanaṁ vandanaṁ dāsyaṁ
sakhyam ātma-nivedanam
"Het horen over en verheerlijken van de transcendentale heilige naam, gedaante, eigenschappen, attributen en het spel van Heer Viṣṇu, ze zich herinneren, de lotusvoeten van de Heer dienen, de Heer nederig vereren, gebeden tot de Heer richten, Zijn dienaar worden, de Heer als beste vriend beschouwen, en alles aan Hem overgeven-dit zijn de negen methoden van zuivere toegewijde dienst."
Wie zich oprecht aan dit proces wil wijden, moet de regulerende principes van het geestelijk leven volgen: geen vlees eten, geen ongeoorloofde seks, geen intoxicatie en niet gokken. Dan zal het mogelijk zijn het voorschrift om de Hare Krsņa mahā-mantra te chanten op te volgen en altijd op een van de bovengenoemde negen manieren aan de dienst van de Heer gewijd te zijn. Anders zal je tevreden moeten zijn met overgave aan zinsbevrediging, het begaan van zonden, het lijden als honden en varkens en het ondergaan van herhaalde geboorte, ziekte, ouderdom en dood.
Vergetelheid
We aanvaarden ons lichaam als onszelf en denken dat we werkelijk het lichaam zijn. Maar dat zijn we niet; we zijn de eigenaar van het lichaam, net zoals we niet ons huis zijn, maar de eigenaar of bewoner ervan. De ziel wordt dehi genoemd, "die een lichaam bezit". Als we ons lichaam bestuderen, zeggen we: "Dit is mijn hand, dit is mijn been." We zeggen niet: "Ik ben deze hand, ik ben dit been." En toch houdt de illusie dat we het lichaam zijn stand. Het lichaam is niets anders dan een voertuig voor de ziel. Soms raakt er in een ongeluk een auto zwaar beschadigd en wordt de eigenaar overmand met een gevoel van verlies, waarbij hij helemaal vergeet dat hij niet de auto is. Dat is het effect van ahaṅkāra, het vals ego, of het valse gevoel van eigendom.
Omdat we door onwetendheid versluierd zijn, zijn we vergeten wat ons vorige lichaam was. Zelfs in dit leven kunnen we ons niet herinneren dat we eens als baby op de schoot van onze moeder lagen. Er zijn zoveel dingen gebeurd in ons leven, maar we kunnen ze ons niet allemaal herinneren. Als we ons al geen dingen kunnen herinneren uit dit leven, hoe kunnen we dat dan verwachten van vorige levens?
Iemand begaat zonden omdat hij niet weet wat hij in zijn vorige leven gedaan heeft waar hij dit huidige materieel geconditioneerde lichaam aan te danken heeft. Een lichaam dat onderhevig is aan de drie soorten leed-veroorzaakt door eigen lichaam en geest, veroorzaakt door andere levende wezens en veroorzaakt door natuurrampen. In het Śrimad-Bhāgavatam (5.5.4) zegt Heer Rsabhadeva, nūnam pramattah kurute vikarma yad indriya-pritaya aprnoti: "Wie gek is op zinsbevrediging deinst er niet voor terug zonden te begaan." Na sādhu manye: "Dat is niet goed." Yata ātmano 'yam asann api kleśada asa dehah: "Vanwege dergelijke zonden krijgt hij een nieuw lichaam waarmee hij vanwege zijn vroegere zonden net zo moet lijden als hij nu lijdt in zijn huidige lichaam."
Wie geen vedische kennis heeft handelt altijd zonder te weten wat hij in het verleden gedaan heeft, waar hij op dit moment mee bezig is en hoe hij in de toekomst zal lijden. Hij bevindt zich volkomen in het duister. Het vedische voorschrift luidt daarom tamasi mā: “Blijf niet in het duister." Jyotir gama: "Probeer het licht te bereiken." Dit licht is de vedische kennis, die je begrijpen kan als je tot goedheid gekomen bent of eraan ontstegen bent door het toegewijd dienen van de geestelijk leraar en de Allerhoogste Heer.
Kennis door dienen
Hoe dienst aan de Heer en de geestelijk leraar resulteert in vedische kennis, wordt beschreven in de Śvetāśvatara Upanisad (6.23):
yasya deve parā bhaktir
yathā deve tathā gurau
tasyaite kathitā hy arthāḥ
prakāśante mahātmanaḥ
yathā deve tathā gurau
tasyaite kathitā hy arthāḥ
prakāśante mahātmanaḥ
"Aan die grote zielen die onvoorwaardelijk vertrouwen hebben in de Heer en de geestelijk leraar, wordt de betekenis van de vedische kennis vanzelf geopenbaard." De Veda's eisen, tad-vijñānārtham sa gurum evābhigacchet: je moet een geestelijk leraar aanvaarden die de Veda's door en door kent en van hem de aanwijzingen ontvangen om een toegewijde van de Heer te worden. Dan zal de kennis uit de Veda's onthuld worden. Als de vedische kennis onthuld is, hoef je niet langer in het duister van de materiële wereld te blijven.
Het levend wezen krijgt een bepaald lichaam naargelang zijn omgang met de hoedanigheden van de natuur-goedheid, hartstocht en onwetendheid. Een voorbeeld van iemand die met de hoedanigheid goedheid omgaat is een gekwalificeerde brāhmana. Zo'n brāhmana kent verleden, heden en toekomst omdat hij de vedische literatuur raadpleegt en ziet door de ogen van de geschriften (śāstra-cakșuh). Hij begrijpt wat zijn vorige leven was, waarom hij zich in het huidige lichaam bevindt, en hoe hij zich kan verlossen uit de greep van māyā en niet opnieuw een materieel lichaam hoeft aan te nemen. Dit is allemaal mogelijk als men zich in goedheid bevindt. Over het algemeen zijn de levende wezens in deze materiële wereld echter helemaal in beslag genomen door hartstocht en onwetendheid.
Wie in onwetendheid is, kan niet weten wat hij in zijn vorige leven was of wat hij in zijn volgende leven zal zijn; hij is slechts geïnteresseerd in zijn huidige lichaam. Ook al heeft iemand die in onwetendheid verkeert een mensenlichaam, als hij alleen maar interesse toont voor dat lichaam, is hij net als een dier, want een dier is eveneens versluierd door onwetendheid en denkt dat het uiteindelijke doel van het leven gelegen is in onmiddellijk geluk - eten en seks. Een mens moet zó onderwezen worden dat hij dit niveau ontstijgt, dat hij zijn vorige leven begrijpt en hoe hij kan werken aan een beter leven in de toekomst. Er is zelfs een boek, Bhrgu-samhitā getiteld, dat op basis van astrologische berekeningen informatie verschaft over ons verleden, ons heden en onze toekomst. Wie slechts geïnteresseerd is in zijn huidige lichaam en tot het uiterste van zijn zintuigen probeert te genieten, wordt verondersteld in beslag genomen te zijn door onwetendheid. Zijn toekomst ziet er zeer, zeer duister uit. In feite ziet de toekomst er altijd duister uit voor iemand die door grove onwetendheid versluierd is. Met name in dit tijdperk is de samenleving door onwetendheid versluierd en daarom denkt iedereen dat zijn lichaam alles is wat er maar bestaat, zonder acht te slaan op verleden en toekomst.