Default View
Dual Language

Hoofdstuk 8

Religie

De Yamadūta's antwoordden: "De voorschriften uit de Veda's vertegenwoordigen dharma, en het tegenovergestelde daarvan is goddeloosheid. De Veda's zijn rechtstreeks de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Nārāyaņa, en kennen geen andere oorsprong dan zichzelf. Dit hebben we van Yamarāja gehoord." (Śrimad-Bhāgavatam 6.1.40)

Luisteren naar autoriteiten

De Vedische principes worden als gezaghebbend aanvaard omdat ze hun oorsprong hebben in Kṛṣṇa. De Veda's bevatten dus het gezag van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, op dezelfde wijze als de wetboeken het gezag van de regering bevatten..
Als het aankomt op het bepalen wat religie is en wat niet, valt er met zoiets als "Dit is mijn mening" of "Ik denk dat het dit betekent" niets te doen. Er een eigen mening op nahouden is in dit geval onzin. We moeten God begrijpen via het proces van śuśruma: luísteren naar de geautoriseerde vertegenwoordiger van God. In de Bhagavad-gitā (4.1) zegt Kṛṣṇa:
imaṁ vivasvate yogaṁ
proktavān aham avyayam
vivasvān manave prāha
manur ikṣvākave bravīt
"Ik onderwees deze onvergankelijke wetenschap der yoga aan de zonnegod Vivasvān, en Vivasvān onderwees haar aan Manu, de vader der mensheid, die haar op zijn beurt aan Iksvāku onderwees." Dit is hoe de Veda's begrepen moeten worden. Je moet ze horen van de juiste autoriteit: de geestelijk leraar.
De Yamadūta's vonden dat de Vișņudūta's hen niet moesten hinderen bij het vervullen van hun plicht, omdat ze handelden op aanwijzing van een bonafide autoriteit, Yamarāja. Yamarāja is een van de twaalf mahājana's, grote persoonlijkheden die autoriteiten zijn op het gebied van zowel geestelijke als materiële zaken. Hij is een Vaiṣṇava, maar het is zijn ondankbare taak alle zielen die zonden begaan te straffen. Zoals een commissaris van de politie een verantwoordelijke en trouwe dienaar is van de regering, zo is Yamarāja een trouwe dienaar van Heer Nārāyaņa, Krșņa. Het is zijn taak zondaars te straffen. Als er een rechter nodig is in een gewone regering, waarom dan niet in God's regering?
Het Śrimad-Bhāgavatam noemt twaalf mahājana's: Heer Brahmā,Nārada Muni, Heer Śiva, de vier Kumāra's, Heer Kapila (de zoon van Devahūti), Svayambhuva Manu, Prahlāda Mahārāja, Bhīșmadeva, Janaka Mahārāja, Śukadeva Gosvāmī, Bali Mahārāja en Yamarāja. Deze autoriteiten weten precies wie God is en kunnen ons naar Hem toe brengen. Daarom bevelen de śāstra's ons aan hen te volgen.
Zonder de mahājana's te volgen is het onmogelijk God te kennen, want we kunnen het pad der religie niet begrijpen door maar wat te speculeren. Religieuze principes zijn ingesteld door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods (dharmam tu sāksād bhagavat-pranitam).Ware religie betekent daarom dat we ons aan de woorden van de Allerhoogste Heer en Zijn vertegenwoordigers houden. In de Bhagavad-gītā (18.66) zegt Krsņa, mām ekar śaranam vraja: “Geef je gewoon aan Mij over." Dat is ware religie. Al het andere is irreligie. Door de mens gemaakte religie is geen religie; het is bedrog. Het is vandaag de dag nogal in de mode om je eigen religie te fabriceren zonder je daarbij om autoriteiten te bekommeren. Het juiste begrip is echter dat dharma, religie, naar de wetten verwijst die door God aan de mens gegeven zijn. Het pad van dharma wordt strikt gevolgd door de mahājana's, en daarom dienen wij hen te volgen; anders kunnen we met geen mogelijkheid begrijpen wat religie is en wie God is.
Iedereen in de materiële wereld is verward omtrent de betekenis van religie. De Mundaka Upanisad (1.2.12) zegt daarom dat men een guru moet benaderen, tad-vijñānārtham sa gurum evābhigacchet: “Als iemand de transcendentale wetenschap wil leren, moet hij een guru benaderen." Er zijn geen uitzonderingen. Je kan niet zeggen: "Ik zal de transcendentale wetenschap leren zonder naar een geestelijk leraar te gaan." Dat is niet mogelijk. De Vaiṣṇava-principes eisen ādau guro-äśrayam: je toevlucht nemen bij een bonafide guru is de eerste stap in het begrijpen van geestelijke kennis. En er zijn drie principes die in acht genomen moeten worden als we onze toevlucht nemen tot een guru: tad viddhi pranipātena pariprasnena sevayā. We moeten ons overgeven aan de geestelijk leraar, we moeten hem vragen stellen en we moeten hem dienen. Dan zullen we in staat zijn ware geestelijke kennis te begrijpen.
Toen Sanātana Gosvāmī Heer Caitanya benaderde om Zijn discipel te worden, gaf hij zichzelf aan Hem over en zei: "Mijn Heer, toen ik een minister was zagen de mensen me altijd als een geleerde, en daarom nam ik ook inderdaad aan dat ik geleerd en intelligent was. Maar eigenlijk ben ik helemaal niet geleerd of intelligent, want ik weet niet eens wie ik ben. Dat is nu het resultaat van mijn geleerdheid; ik weet alles, behalve wie ik ben en hoe ik weg kan komen uit dit miserabele materiële bestaan."
We kunnen zien dat het moderne onderwijs hier eveneens op faalt. Professoren praten over zoveel dingen, maar als we ze vragen wie ze nu eigenlijk zijn, hebben ze geen antwoord. Universiteiten delen titels uit aan afgestudeerden, die dan denken dat ze doctoren zijn en ontzettend geleerd, maar als we zo'n doctor vragen of hij kan uitleggen wie hij is en wat het doel van het leven is, zal hij alleen maar verwijzen naar zijn lichamelijke aanduidingen: “Ik ben Amerikaan. Ik ben een man, enzovoort." Hij kan alleen maar duidelijk maken dat hij zich vereenzelvigt met zijn lichaam. Maar hij is zijn lichaam niet, en daarom is hij de grootste dwaas.
Arjuna dacht eerst ook in lichamelijke termen: “Krșņa, hoe kan ik nu vechten? Aan de andere kant staan mijn neven, broers, ooms en zwagers. Als ik ze dood, zullen hun vrouwen weduwen worden en verdorven raken, en dan zullen ze ongewenste kinderen ter wereld brengen." Arjuna was een zeer geleerd man, maar hij was verward. Hij zei: "Mijn beste Kṛṣṇa, nu ben ik in de war. Ik ben een kṣatriya en het is dus mijn plicht te vechten, maar ik dwaal hiervan af omdat ik verward ben en niet helder kan denken. Ik weet dat Jij me kan uitleggen wat ik moet doen, en daarom geef ik me aan Je over als Je discipel. Geef me alsjeblieft aanwijzingen." (Bhagavad-gitā 2.7)
De vedische literatuur legt ons op de eerste plaats uit dat de guru geen speelgoed is. Je moet niet bij jezelf denken: "Ik heb een guru nodig omdat het mode is, en daarom hoef ik zijn instructies niet op te volgen." Zo'n guru is nutteloos en zo'n discipel is nutteloos. Een guru aanvaarden is een uiterst serieuze zaak. Je moet vanuit een oprecht gevoel uitzoeken wie een bonafide geestelijk leraar is; degene die de problemen van je leven kan oplossen. Je moet alleen een geestelijk leraar benaderen als je serieus wilt wegkomen uit het laaiende vuur van het materiële bestaan.
Het Śrimad-Bhāgavatam (11.3.21) zegt:
tasmād guruṁ prapadyeta
jijñāsuḥ śreya uttamam
śabde pare ca niṣṇātaṁ
brahmaṇy upaśamāśrayam
Wie het allerbeste uit zijn leven wil halen moet zich overgeven aan een guru. De guru moet goed op de hoogte zijn van de vedische literatuur en haar conclusie kennen. En hij moet niet alleen goed op de hoogte zijn van de geschriften, maar eveneens de vedische principes in zijn leven hebben ingevoerd zonder daar op welke manier dan ook van af te wijken. Het moet voor hem afgelopen zijn met het hunkeren naar rijkdom, vrouwen en prestige, en hij moet volkomen in het geestelijk leven verankerd zijn; volkomen overgegeven aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Kṛṣṇa. Je moet proberen zo'n persoonlijkheid te vinden en hem als geestelijk leraar aanvaarden.
De dienaren van Yamarāja hadden dus het juiste antwoord ge geven. Ze fabriceerden niet zelf religieuze principes of irreligie. In plaats daarvan legden ze uit wat ze van hun geestelijk leraar, Yamarāja, gehoord hadden. Mahājano yena gatah sa panthāh:men dient de mahājana's, de autoriteiten, te volgen. Yamarāja is een van die twaalf autoriteiten. Daarom antwoordden de Yamadūta's, de dienaren van Yamarāja, meteen volmaakt geldige reden toen ze śu-śruma zeiden: "We hebben dit gehoord van onze meester, Yamarāja."