Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 7
Geautoriseerd onderscheid
Śukadeva Gosvāmī vervolgde: Toen de dienaren van Vāsudeva zo door de boodschappers van Yamarāja aangesproken waren, glimlachten ze en spraken met stemmen zo diep als het gerommel van de donder in de wolken de volgende woorden: "Als jullie werkelijk dienaren van Yamarāja zijn, moeten jullie ons uitleggen wat er met religieuze principes bedoeld wordt en waaraan men goddeloosheid herkent. Hoe moet men anderen straffen, en wie komt er eigenlijk voor straf in aanmerking? Is iedereen die baatzuchtige activiteiten verricht strafbaar, of zijn slechts enkelen van hen strafbaar?" (Śrīmad-Bhāgavatam 6.1.37-39)
Wat de vertegenwoordigers van Dharma dienen te weten
De Yamadūta's protesteerden: “U bent zó verheven, dat het nooit goed kan zijn dat u zich met onze zaken bemoeit." De Yamadūta's waren verbaasd te zien dat de Vișņudūta's ondanks dat ze verheven zielen waren het beleid van Yamarāja verhinderden. Zo waren ook de Vișņudūta's verbaasd dat de Yamadūta's niet op de hoogte waren van de religieuze principes, hoewel ze beweerden dienaren te zijn van Yamarāja-het hoogste gezag inzake religieuze principes. Daarom lachten de Vișņudūta's en dachten: “Wat spreken zij voor onzin? Als ze inderdaad dienaren van Yamarāja zijn, horen ze te weten dat Ajāmila niet de geschikte kandidaat is om door hen meegenomen te worden."
De Vișnudūta's spraken op ernstige toon: "Jullie beweren de vertegenwoordigers te zijn van Dharmarāja [Yamarāja], de opzichter des doods en de instandhouder der religie, en beschuldigen ons ervan de taak te verhinderen die hij jullie opgedragen heeft. Kunnen jullie daarom alsjeblieft uitleggen wat dharma, religie, is en wat adharma, irreligie? Als jullie inderdaad vertegenwoordigers van Yamarāja zijn, moeten jullie deze vraag kunnen beantwoorden."
Deze vraag van de Vișņudūta's is uiterst belangrijk. Een dienaar hoort de instructies van zijn meester te kennen. De dienaren van Yamarāja beweerden dat ze zijn opdracht uitvoerden en daarom waren de Vișņudūta’s zo intelligent hen te vragen of ze een verklaring konden geven van de religieuze en irreligieuze principes. Een Vaiṣṇava is goed op de hoogte van deze principes omdat hij welbekend is met de instructies van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. De Allerhoogste Heer zegt, sarva-dharmān parityajya mām ekar saranam vraja: "Laat alle vormen van geloof voor wat ze zijn en geef je gewoon aan Mij over." Daarom is overgave aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods het ware religieuze principe. Degenen die zich in plaats van aan Kṛṣṇa aan de eisen van de materiële natuur overgegeven hebben, zijn allemaal zondig-wat voor materiële positie ze ook hebben. Omdat ze zich niet bewust zijn van de religieuze principes, geven ze zich niet over aan Kṛṣṇa en worden daarom beschouwd als schurken, de laagsten der mensen en dwazen zonder kennis. Zoals Kṛṣṇa uitlegt in de Bhagavad-gītā (7.15):
na māṁ duṣkṛtino mūḍhāḥ
prapadyante narādhamāḥ
māyayāpahṛta-jñānā
āsuraṁ bhāvam āśritāḥ
prapadyante narādhamāḥ
māyayāpahṛta-jñānā
āsuraṁ bhāvam āśritāḥ
"Die schurken, die dom en afgestompt zijn, die de laagsten der mensen zijn, die door illusie van hun kennis beroofd zijn en die de goddeloze aard van demonen hebben, geven zich niet aan Mij over."
De vraag die door de Vișņudūta’s opgeworpen werd was zeer gepast. Wie iemand vertegenwoordigt, moet volkomen op de hoogte zijn van de missie van die persoon. De toegewijden in de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn moeten zich daarom volledig bewust zijn
van de missie van Krsņa en Heer Caitanya, en de filosofie van het Kṛṣṇa-bewustzijn, anders zullen ze als dwazen beschouwd worden.
van de missie van Krsņa en Heer Caitanya, en de filosofie van het Kṛṣṇa-bewustzijn, anders zullen ze als dwazen beschouwd worden.
Heer Caitanya Mahāprabhu heeft gezegd, yei Kṛṣṇa-tattva-vettā,sei 'guru' haya: "Je moet Heer Kṛṣṇa kennen-dan kan je een guru worden." Niet iedereen kan zomaar een guru worden, en daarom daagden de Vișņudūta’s de Yamadūta's uit: “Als jullie werkelijk de vertegenwoordigers van Dharmarāja zijn, moeten jullie ons uitleggen wat religie is en wat irreligie." Dat is de toetssteen waarop je test wie nu eigenlijk een vertegenwoordiger van religie is. Het is niet zo dat iedereen maar als religieus of als guru aanvaard moet worden. Algemene onwetendheid heeft ertoe geleid dat velen zichzelf God noemen en zoveel soorten onzin verkondigen in naam van dharma. Als iemand beweert dat hij God is of door mystieke yoga God geworden is, moet je hem uitdagen. In Amerika beweerde iemand dat hij God was en dat iedereen God is, en zo kreeg hij volgelingen. Op een dag had hij kiespijn en ik vroeg hem: "Wat ben jij voor God dat je zoveel pijn lijdt door wat kiespijn?" Alleen een volslagen gek of een bedrieger beweert dat hij God is.
Vertegenwoordigers van de wet
Wie de macht heeft anderen te straffen, hoort niet zomaar iedereen te straffen. Er zijn ontelbare levende wezens, waarvan de meesten zich in de geestelijke wereld bevinden en nitya-mukta zijn, eeuwig bevrijd. Deze bevrijde levende wezens veroordelen komt niet eens ter sprake. Slechts een klein deel van de levende wezens, zeg een vierde, bevindt zich in de materiële wereld, en het grootste deel daarvan - 8.000.000 van de 8.400.000 levensvormen - is lager dan de mens. Zij kunnen niet gestraft worden omdat ze vanzelf evolueren onder toezicht van de wetten der natuur. De mens, met zijn gevorderd bewustzijn, is verantwoordelijk voor zijn daden, maar dat betekent niet dat elk mens strafbaar is. Wie zich aan gevorderde vrome daden wijdt komt niet voor straf in aanmerking. Alleen degenen die zich inlaten met zondige activiteiten zijn strafbaar. Dat is de reden waarom de Vișņudūta’s met name geïnteresseerd waren welke maatstaf Yamarāja hanteert in het bepalen wie strafbaar is en wie niet. Hoe dient men beoordeeld te worden? Wat is het basisprincipe van autoriteit? Dat waren de vragen die de Vișņudūta’s stelden.
De Yamadūta's beschouwden zichzelf als foutloos omdat ze de opdracht uitvoerden van Yamarāja, die zelf foutloos is. Dat een opzichter toezicht houdt op de bestraffing van degenen die de wet overtreden betekent niet dat hij zelf een misdadiger is. Hij is een vertegenwoordiger van de regering. Zo is Yamarāja een zuivere vertegenwoordiger van Kṛṣṇa die gewoon de opdracht van zijn meester uitvoert, ook al heeft hij de leiding over de regionen van de hel en heeft hij te maken met alle zondaars.
Een agent wordt verondersteld de wet te kennen en te weten wie hij kan arresteren voor het overtreden van die wet. Als hij zomaar iedereen arresteert, is hij zelf een misdadiger. Hij kan geen burgers arresteren die zich aan de wet houden. Op dezelfde wijze kunnen ook de Yamadūta's niet zomaar iedereen naar het gerecht van Yamarāja brengen. Ze kunnen alleen de niet-toegewijden meenemen die gestraft moeten worden voor hun zondige activiteiten. Yamarāja heeft de Yamadūta's er in het bijzonder voor gewaarschuwd geen Vaiṣṇava's te benaderen.
Omdat Ajāmila echter uiterst zondig geweest was, konden de Yamadūta's niet begrijpen waarom hij niet als een misdadiger beschouwd moest worden en voor bestraffing naar Yamarāja gebracht moest worden.
Toegewijden en demonen
Er zijn twee soorten mensen in deze materiële wereld: degenen die God dienen, deva's of sura's, en degenen die māyā (illusie) dienen, de asura's.
In de geestelijke wereld is er echter maar één soort, omdat alle bewoners daar dienaren van God zijn. Daarom wordt de geestelijke wereld absoluut genoemd. Er is geen onenigheid in de geestelijke wereld, want Kṛṣṇa, God, staat centraal en iedereen is uit liefde aan Zijn dienst gewijd, en niet voor geld. Een betaalde dienaar dient naargelang het bedrag dat hij ontvangt, terwijl er in Vaikuṇṭha geen sprake is van betaalde dienaren. Iedereen is er bevrijd en heeft dezelfde rijkdom als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, maar toch is iedereen er een dienaar. In de materiële wereld dienen de mensen uit noodzaak, in de geestelijke wereld uit liefde. Er bestaat daar geen noodzaak omdat alles er volkomen is. De Brahma-samhitā vermeldt dat er in de geestelijke wereld kalpa-vrksa's, wensbomen, zijn die in alles voorzien wat men maar verlangt.
In de materiële wereld word je gedwongen te dienen. Als je geen dienst verleent, zal je honger lijden. Zelfs een koning moet werken, om van een arme nog maar te zwijgen. Onder toezicht van de Allerhoogste Heer verandert de materiële energie iedereen in een dansende hond. De meester zegt "Dansen maar" en de hond danst, want hij weet dat hij anders honger zal lijden.
Of we nu in de materiële wereld zijn of in de geestelijke wereld, iedereen is een dienaar. Hier verkeren de mensen echter in de waan dat ze de meesters zijn. Het gezinshoofd denkt dat hij de meester van zijn vrouw en kinderen is, maar in feite dient hij ieder lid van zijn familie. De leider van de staat denkt dat hij een koning of president is, maar in wezen is hij de dienaar van de burgers. Zijn positie vereist hem te dienen, en als het hem niet lukt aan de verwachtingen van de burgers te voldoen, zal hij afgezet worden of er niet in slagen opnieuw gekozen te worden.
In de materiële wereld probeert iedereen de meester te zijn van alles wat hij ziet, en daarom is er dus op elk niveau concurrentie-tussen degenen die zichzelf als God zien, tussen staatshoofden en zelfs tussen vrienden en familieleden. Niemand zal het echter redden in deze illusoire strijd om het meesterschap. Mahātmā Gandi werd gerespecteerd als de vader van India, maar was uiteindelijk maar een dienaar, en toen iemand zijn diensten niet op prijs stelde werd hij vermoord. Op dezelfde wijze was president Kennedy enorm populair, maar toen iemand tekortkomingen in zijn diensten zag, werd ook hij vermoord. Niemand is hier werkelijk de meester. Iedereen is ofwel een dienaar van māyā (illusie), ofwel een dienaar van God.
Iedereen heeft zich aan de wetten van de regering te houden. Onder invloed van illusie gaat de misdadiger er echter van uit dat hij geen regeringswetten hoeft te aanvaarden. Maar als hij opgepakt wordt, is hij gedwongen de regeringswetten te volgen in de gevangenis. Hij heeft geen keus. We zijn allemaal dienaren van God, maar de demonisch geaarde mensen (asura's) geven niets om God en Zijn wetten. Deze schurken denken dat er geen God is, dat iedereen God is of dat ze zelf God zijn. Maar ook dergelijke goden zijn gedwongen de wetten van God te volgen, in de gedaante van geboorte, ziekte, ouderdom en dood.
Alleen degenen die echt helemaal begoocheld zijn weigeren God te dienen. In plaats van vrijwillig dienst te bewijzen aan God zijn ze de slaven geworden van māyā, de begoochelende energie van God. Wie door geesten bezeten is spreekt allerlei onzin, en hetzelfde geldt voor een levend wezen dat door māyā bezeten is. Volkomen beheerst door het begoochelende effect van de materiële natuur spreekt ook hij onzin, en de meest dwaze onzin die hij spreekt is te beweren dat hij God is.
Tussen de twee soorten mensen - de goddelijke (deva's) en demonische (asura's) - is er een voortdurende strijd aan de gang. De asura's verzetten zich altijd tegen God en de deva's geven zich altijd over aan God. In het verhaal van Prahlāda Mahārāja zien we dat er zelfs onder familieleden deva's en asura's zijn. De vader van Prahlāda Mahārāja, Hiraņyakaśipu, was een asura, terwijl Prahlāda Mahārāja zelf een deva was. Een vader is zijn kind van nature genegen, maar omdat Hiranyakaśipu een demon was, werd hij de vijand van zijn zoon. Dat is de aard van demonen.
Natuurlijk, zelfs een tijgerin toont genegenheid voor haar jongen, en zo toonde ook Hiranyakaśipu aanvankelijk genegenheid voor Prahlāda Mahārāja, die een goedgemanierd en aantrekkelijk kind van vijf jaar oud was. Op een dag vroeg Hiraņyakaśipu hem: “Lieve jongen, vertel me eens wat het beste is dat je op school geleerd hebt."
Prahlāda Mahārāja antwoordde: “Dat je alles moet opofferen om God te realiseren. Deze menselijke levensvorm is de beste gelegenheid die er bestaat om geestelijke vooruitgang te maken, en moet daarom gebruikt worden om God te realiseren."
Hiranyakasipu werd woedend en vroeg de leraren van zijn zoon: "Waarom hebben jullie mijn zoon dit soort onzin geleerd?"
Vol angst antwoordden ze: "Heer, wij hebben uw zoon dit niet geleerd. Hij is van nature tot God aangetrokken. Wat kunnen wij eraan doen? Zodra hij de kans krijgt onderwijst hij de andere kinderen in de klas in Godsbewustzijn." Als zijn leraren er niet
waren, ging Prahlāda Mahārāja onmiddellijk op zijn tafel staan en sprak tot zijn vrienden: "Beste jongens, dit leven is niet bedoeld om van zinsbevrediging te genieten. Hou er rekening mee dat het bedoeld is om God te realiseren."
waren, ging Prahlāda Mahārāja onmiddellijk op zijn tafel staan en sprak tot zijn vrienden: "Beste jongens, dit leven is niet bedoeld om van zinsbevrediging te genieten. Hou er rekening mee dat het bedoeld is om God te realiseren."
Om dezelfde reden hebben wij deze predikmissie op ons genomen. De mensen zijn in het algemeen slechts geïnteresseerd in onmiddellijke zinsbevrediging, wat niet goed voor ze is. In het Śrīmad-Bhāgaoatam (5.5.4) zegt Heer Rsabhadeva, nūnam pramattah kurute vikarma yad indriya-pritaya āprnoti: "Louter voor zinsbevrediging begaan de mensen zoveel zonden. Het zijn net krankzinnigen. "Wie krankzinnig is, heeft geen idee waar hij mee bezig is. Materialisten zijn zó verknocht aan hun jacht naar zinsbevrediging, dat ze helemaal gek geworden zijn en allerlei zonden begaan.
Heer Rsabhadeva zegt dat de materialistische manier van leven erg riskant is. Degenen die zich met zinsbevrediging willen inlaten schenkt Kṛṣṇa de gelegenheid, waardoor ze gedwongen zijn opnieuw geboren te worden in de materiële sfeer. Een aap heeft alle gelegenheid om van seks te genieten. Vanuit een bepaald oogpunt is de aap onthecht; hij leeft naakt in het bos en eet alleen fruit. Maar het is zijn aard dat hij ten minste drie dozijn vrouwtjes nodig heeft om seks mee te hebben. De zogenaamde verzakers die zich als een sādhu kleden en zich in het geheim met ongeoorloofde seks inlaten, zijn net als de apen. Het is gewoon demonisch.
Demonen, asura's, geloven niet in God en gaan willekeurig te werk. In de Bhagavad-gītā (7.15) beschrijft Kṛṣṇa ze als volgt:
na māṁ duṣkṛtino mūḍhāḥ
prapadyante narādhamāḥ
māyayāpahṛta-jñānā
āsuraṁ bhāvam āśritāḥ
prapadyante narādhamāḥ
māyayāpahṛta-jñānā
āsuraṁ bhāvam āśritāḥ
"Die schurken, die dom en afgestompt zijn, die de laagsten der mensen zijn, die door illusie van hun kennis beroofd zijn en die de goddeloze aard van demonen hebben, geven zich niet aan Mij over." Hier stelt Kṛṣṇa duidelijk āsuram bhāvam āśritāh: omdat de demonen hun toevlucht bij atheïstische filosofie gezocht hebben zijn ze de laagsten der mensen, ongeacht hun vooruitgang op het gebied van onderwijs, wetenschap en politiek. Men zou hier kunnen tegenwerpen: "Hoe kan je nu een atheïstische heer met een graad aan de universiteit een demon noemen? Hij is zo beschaafd en uiterst gekwalificeerd." Het oordeel van de sāstra's luidt echter dat hoewel hij zeer geleerd schijnt te zijn, zijn werkelijke kennis door māyā weggenomen is omdat hij een atheïst is.
Schriftuurlijke regels mogen dan niet erg aangenaam zijn, ze zijn hoe dan ook gezaghebbend. Bovendien moeten we de waarheid prediken. We kunnen geen verstoppertje spelen met de problemen van het leven. We moeten inzien wat onze werkelijke positie is, en we moeten weten wat religie is en wat irreligie. Religie betekent handelen volgens de aanwijzingen van God en irreligie betekent handelen tegen de aanwijzingen van God in.