Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 6
Bewoners van de geestelijke ruimte
Śukadeva Gosvāmī vervolgde: Toen de boodschappers van Heer Yamarāja, de zoon van de zonnegod, op deze wijze tegengehouden werden, antwoordden ze: "Wie bent u, heren, dat u de rechtsbevoegdheid van Yamarāja durft te tarten? Wiens dienaren bent u en waar komt u vandaan? En waarom verbiedt u ons om het lichaam van Ajāmila aan te raken? Bent u halfgoden van de hemelse planeten of ondergeschikte halfgoden, of bent u de besten der toegewijden? Uw ogen lijken precies op de kelkbladen van een lotus. Met uw geelzijden kleding, slingers van lotusbloemen, prachtige helmen en oorringen ziet u er allemaal fris en jeugdig uit. Uw vier lange armen worden gesierd door bogen, pijlkokers, zwaarden, knotsen, hoornschelpen, werpschijven en lotusbloemen. Het buitengewone licht dat u uitstraalt heeft al het duister van deze plaats verdreven. Heren, waarom belemmert u ons?" (Śrimad-Bhāgavatam 6.1.32-36)
Goddelijke tussenkomst
De zonden die Ajāmila begaan had plaatsten hem binnen het rechtsgebied van Yamarāja, de uiteindelijke rechter die de zonden van de levende wezens in ogenschouw neemt. Dat het hen verboden werd Ajāmila aan te raken verbaasde de boodschappers van Yamarāja,want nergens in de drie werelden had iemand hen ooit eerder verhinderd hun taak te volbrengen.
De Vișņudūta's kwamen van Vaikuntha en zagen er, elk met vier armen, buitengewoon uit. De dienaren van Yamarāja ontvingen hen onmiddellijk met eerbied. Ze hadden geen idee van welke planeet de Vișņudūta's gekomen waren, en gingen dus eenvoudigweg uit van het volgende: “U moet van een zeer verheven planeet gekomen zijn, maar waarom bemoeit u zich met onze zaken? Wij zijn Yamadūta's. Het is onze plicht iedere zondaar op te halen, en Ajāmila heeft zijn hele leven misdaden begaan. Nu het ten einde gekomen is, zijn wij bevoegd hem mee te nemen naar Yamarāja, de zoon van de zonnegod Vivasvān. Waarom weerhoudt u ons hiervan?"
Het belangrijkste woord uit vers 32 is siddha-sattamāh, wat "de beste der volmaakten" betekent. In de Bhagavad-gītā (7.3) staat manu-syānām sahasresu kascid yatati siddaye: uit miljoenen personen is er misschien één die siddha, volmaakt, probeert te worden of, met andere woorden, zelfgerealiseerd. Wie zelfgerealiseerd is, weet dat hij niet het lichaam is maar een geestelijke ziel (aham brahmāsmi).Momenteel kent niemand dit feit, maar wie het begrijpt is volmaakt en wordt daarom siddha genoemd. Als je inziet dat de ziel een integrerend deeltje van de Allerhoogste Ziel is en je daarom aan de toegewijde dienst van de Allerhoogste Ziel wijdt, word je een siddha-sattama. Dan kom je ervoor in aanmerking op Vaikuṇṭha of Kṛṣṇaloka te leven. Het woord siddha-sattama verwijst dus naar een zuivere toegewijde van de Heer.
Omdat de Yamadūta's dienaren zijn van Yamarāja, die eveneens een van de siddha-sattama's is, wisten ze dat een siddha-sattama boven de halfgoden en ondergeschikte halfgoden staat, en zelfs boven alle levende wezens in deze materiële wereld. Daarom vroegen de Yamadūta's de Vișņudūta's waarom ze hen ervan weerhielden de order uit te voeren van zo'n verheven ziel als Yamarāja.
Het dient ook opgemerkt te worden dat Ajāmila nog niet dood was, want de Yamadūta's waren verhinderd voordat ze de ziel uit zijn hart konden sleuren. Terwijl het gesprek tussen de Yamadūta's en Vișņudūta's gaande was, hing het leven van Ajāmila aan een zijden draad. De conclusie van dat gesprek zou een besluit zijn wie de ziel van Ajāmila zou opeisen.
Geestelijke schoonheid
De Vișņudūta’s leken sprekend op Heer Viṣṇu. De Yamadūta's hadden hen nog nooit eerder gezien omdat ze in een atmosfeer verblijven waar slechts zondige activiteiten gaande zijn. Ze stonden dus versteld bij de aanblik van zulke mooie personen en vroegen: "Uit uw uiterlijk blijkt dat u zeer verheven bent, en u bezit zulke hemelse krachten, dat u met uw uitstraling het duister van de materiële wereld verjaagd heeft. Waarom belemmert u ons dan in het uitvoeren van onze taak?" Later zal worden uitgelegd dat de Yamadūta's Ajāmila ten onrechte als zondig beschouwden. Ze wisten niet dat hij door voortdurend de heilige naam van Nārāyaņa uit te spreken gezuiverd was, ook al had hij zijn hele leven gezondigd.
De Vișņudūta's hebben zo'n uitstraling omdat ze bewoners zijn van de geestelijke wereld, waar alles en iedereen stralend is. Heer Kṛṣṇa zegt in de Bhagavad-gītā (15.6) na tad bhāsayate sūryo na sasānko na pāvakah: "Mijn woonplaats wordt niet door zon of maan verlicht, noch door vuur of elektriciteit." De Yamadūta's wisten niet waar de Vișņudūta’s vandaan gekomen waren, maar konden begrijpen dat ze met hun uitstraling, vier armen en buitengewone schoonheid geen gewone mensen waren.
De kleding en het uiterlijk van de bewoners van Vaikuṇṭha wordt in deze verzen gedetailleerd beschreven. Ze dragen geelzijden kleding en bloemenslingers, en hebben vier armen die een werpschijf, bloem, knots en hoornschelp in de hand dragen. Zo lijken ze sprekend op Heer Vișņu - met uitzondering van een zeer prominent voorwerp: het Kaustuba-juweel dat de Heer op Zijn borst draagt. De bewoners van Vaikuṇṭha zien er hetzelfde uit als Nārāyaņa omdat ze de bevrijding verkregen hebben die sārūpya genoemd wordt, maar desondanks handelen ze toch als dienaren. Ze weten maar al te goed dat Nārāyaņa, Krșņa, hun meester is en dat zij allemaal Zijn díenaren zijn. Ze zijn allemaal zelfgerealiseerde zielen die nitya-mukta zijn, eeuwig bevrijd. Hoewel ze zich merkbaar als Nārāyana kunnen voordoen, doen ze dat nooit; ze blijven altijd Krsņa-bewust en trouw in hun dienst aan de Heer. Dat is de sfeer in Vaikuṇṭhaloka. Iemand die Heer Kṛṣṇa via de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn trouw leert dienen, verblijft op soortgelijke wijze altijd in Vaikuṇṭha, en heeft niets te maken met de materiële wereld.
Buiten de materiële wereld
In onze geconditioneerde toestand kunnen we niets weten van de
geestelijke wereld, maar toch is de geestelijke wereld een feit. Heer Kṛṣṇa legt dit uit in de Bhagavad-gītā (8.20) paras tasmāt tu bhāoo 'nyo: "Naast deze lagere, materiële natuur is er een andere, hogere natuur." Deze materiële natuur is één natuur, bestaande uit miljoenen en biljoenen universa opeengepakt in een hoekje van de geestelijke ruimte. We kunnen niet eens de ruimte berekenen die in beslag genomen wordt door dit universum met zijn ontelbare planeten, en dat terwijl er vele biljoenen universa zijn in de totale materiële schepping. En de materiële schepping is op haar beurt slechts een vierde van al dat bestaat. Deze materiële wereld bestaat dus, met andere woorden, in één vierde van Kṛṣṇa's energie. De overige drie vierde vormen de geestelijke ruimte. Onfortuinlijke individuen denken dat deze planeet alles is, maar dat is kikker-filosofie. Een kikker in een waterput heeft geen idee van de dingen buiten zijn put, en meet alles in termen van die put. Als hem iets over de oceaan verteld wordt, kan hij zich er geen voorstelling van maken. Op dezelfde wijze denken lieden met zo'n kikker-mentaliteit "God ziet er zó uit" of "Het koninkrijk Gods is zus en zo" of "Ik ben God" of "Er is geen God", maar dat is allemaal dwaasheid.
geestelijke wereld, maar toch is de geestelijke wereld een feit. Heer Kṛṣṇa legt dit uit in de Bhagavad-gītā (8.20) paras tasmāt tu bhāoo 'nyo: "Naast deze lagere, materiële natuur is er een andere, hogere natuur." Deze materiële natuur is één natuur, bestaande uit miljoenen en biljoenen universa opeengepakt in een hoekje van de geestelijke ruimte. We kunnen niet eens de ruimte berekenen die in beslag genomen wordt door dit universum met zijn ontelbare planeten, en dat terwijl er vele biljoenen universa zijn in de totale materiële schepping. En de materiële schepping is op haar beurt slechts een vierde van al dat bestaat. Deze materiële wereld bestaat dus, met andere woorden, in één vierde van Kṛṣṇa's energie. De overige drie vierde vormen de geestelijke ruimte. Onfortuinlijke individuen denken dat deze planeet alles is, maar dat is kikker-filosofie. Een kikker in een waterput heeft geen idee van de dingen buiten zijn put, en meet alles in termen van die put. Als hem iets over de oceaan verteld wordt, kan hij zich er geen voorstelling van maken. Op dezelfde wijze denken lieden met zo'n kikker-mentaliteit "God ziet er zó uit" of "Het koninkrijk Gods is zus en zo" of "Ik ben God" of "Er is geen God", maar dat is allemaal dwaasheid.