Default View
Dual Language

Hoofdstuk 5

Door de Viṣṇudūta's gered

Śukadeva Gosvāmi vervolgde: Mijn beste koning, toen de boodschappers van Visņu, de Viṣṇudūta’s, de stervende Ajāmila de heilige naam van hun meester hoorden roepen, verschenen ze onmiddellijk ter plaatse. Hij had zeker geroepen zonder overtredingen te begaan, vol angst als hij was op dat moment. De boodschappers van Yamarāja waren bezig de ziel uit het hart van Ajāmila te sleuren, maar met luide stemmen verboden de Viṣṇudūta’s hen hiermee door te gaan. (Śrimad-Bhāgavatam 6.1.30-31)

De boodschappers van de Heer

De Yamadūta's zijn de medewerkers van Yamarāja, de opzichter van de dood, en ze waren gekomen om Ajāmila met zich mee te sleuren. Ajāmila probeerde zijn toevlucht te zoeken bij zijn jongste zoon, Nārāyaņa: “Nārāyaņa! Kom hier! Ik sterf!” Krșņa is zo aardig dat Hij, toen Ajāmila in zijn stervensuur "Nārāyaņa!" riep, onmiddellijk Zijn boodschappers, de Vișņudūta's, stuurde om hem te beschermen.
Śrīla Viśvanātha Cakravartī Țhākura merkt op dat de Vișņudūta's gekomen waren omdat ze Ajāmila de naam van hun meester, Nārāyaņa, hadden horen roepen, zonder daarbij in overweging te nemen waarom hij geroepen had. Toen Ajāmila de naam van Nārāyaņa riep dacht hij eigenlijk aan zijn zoon, maar louter omdat ze Ajāmila de naam van de Heer hoorden roepen, kwamen de Vișņudūta's onmiddellijk om hem te beschermen. Het aanroepen van de heilige naam van de Heer is eigenlijk bedoeld om Hem te verheerlijken. Ajāmila verheerlijkte de Heer echter niet; hij riep de heilige naam van Nārāyaņa vanwege zijn uitzonderlijke gehechtheid aan zijn zoontje. Toch leek het erop dat hij dankzij het goede geluk dat hij in zijn jeugd toegewijde dienst aan Nārāyaņa verricht had, nu de heilige naam in toegewijde dienst en zonder overtredingen uitsprak. Dat was dus voldoende om hem van alle reacties op zijn zonden te verlossen en hem te verzekeren van de bescherming door de Vișņudūta's.
De naam Nārāyaņa heeft het volle vermogen van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods-Nārāyaņa of Krsņa. Dat is het geheim van nāma-sankīrtana, het zingen van de namen van God. Door de heilige naam van Kṛṣṇa te zingen, komen we meteen in contact met Krsņa Zelf. Dit komt omdat de naam van de Heer niet materieel is, maar geestelijk en absoluut. Er is geen verschil tussen Krsņa en Zijn naam.

Grip op de ziel

Toen de Vișņudūta's kwamen, spraken ze met de grootst mogelijke ernst tot de Yamadūta's: "Waar zijn jullie nu mee bezig? Ophouden! Jullie kunnen deze man niet naar Yamarāja brengen!"
Een Vaiṣṇava, iemand die zich aan de lotusvoeten van Heer Visnu overgegeven heeft, wordt altijd door Zijn boodschappers beschermd. Omdat Ajāmila de heilige naam van Nārāyaņa geroepen had, verschenen de Vișņudūa's niet alleen onmiddellijk ter plaatse, maar gaven de Yamadūta's ook meteen het bevel hem niet aan te raken. Door met luide stemmen te spreken dreigden de Vișņudūa's de Yamadūta's te straffen als ze door zouden gaan Ajāmila's ziel uit zijn hart te sleuren. De boodschappers van Yamarāja hebben rechtsbevoegdheid over alle zondige levende wezens, maar de boodschappers van Heer Visņu zijn in staat iedereen te straffen die een Vaiṣṇava onterecht behandelt, Yamarāja daarbij inbegrepen.
Moderne wetenschappers hebben geen idee waar ze met hun materiële apparatuur in het lichaam de ziel moeten vinden, maar hier legt het Śrimad-Bhāgavatam duidelijk uit dat de ziel zich in het diepst van het hart bevindt (hṛdaya). De Yamadūta's probeerden de ziel van Ajāmila uit het hart te halen. Het hart maakt deel uit van de mechaniek van het lichaam. De Heer zegt in de Bhagavad-gītā (18.61):
īśvaraḥ sarva-bhūtānāṁ
hṛd-deśe ’rjuna tiṣṭhati
bhrāmayan sarva-bhūtāni
yantrārūḍhāni māyayā
"De Allerhoogste Heer bevindt Zich in ieders hart, o Arjuna, en bestuurt het doen en laten van alle levende wezens, die zich als het ware in een machine van materiële energie bevinden." Yantra betekent "machine", zoiets als een auto. De bestuurder van de machine van het lichaam is de individuele ziel, die er tevens de eigenaar van is. Maar de allerhoogste bestuurder en eigenaar is de Persoonlijkheid Gods in Zijn gedaante van de Superziel.
Iemands huidige lichaam is geschapen onder toezicht van māyā, de activiteiten tijdens zijn voorgaande leven; en overeenkomstig zijn activiteiten tijdens dit leven schept māyā een ander lichaam voor het volgende leven. Als het juiste moment aangebroken is, verplaatsen zowel de individuele ziel als de Super-ziel zich naar die bepaalde lichamelijke machine. Dit is hoe de transmigratie van de ziel in zijn werk gaat.
Tijdens het transmigreren van één lichaam naar een ander wordt de zondige ziel meegenomen door de boodschappers van Yamarāja en in een specifiek soort hels leven geplaatst, om daar te wennen aan de omstandigheden waarin ze in haar volgende lichaam zal moeten leven.