Default View
Dual Language

Hoofdstuk 4

Geboorte noch dood

Śukadeva Gosvāmī vervolgde: Toen zag Ajāmila ineens drie vreemde, misvormde personen met woeste, vertrokken gezichten en rechtopstaand haar op hun lichaam. Ze hadden touwen in hun handen en waren gekomen om hem mee te nemen naar het rijk van Yamarāja. Toen Ajāmila hen zag raakte hij volkomen in de war, en uit gehechtheid riep hij luid de naam van zijn kind, dat vlakbij zat te spelen. Zo riep hij op een of andere manier met tranen in zijn ogen de heilige naam van Nārāyaņa. (Śrimad-Bhāgavatam 6.1.28-29)

Erop gebrand zich van de dood te redden

Als de dood nadert zijn mensen er ineens erg op gebrand zichzelf te redden; vooral degenen die zich zondig gedragen hebben. De ziel is uiteraard niet onderhevig aan de dood (na hanyate hanyamāne śarire), maar het verlaten van het huidige lichaam en binnengaan in een ander lichaam is erg pijnlijk. Als het levend wezen sterft, kan hij zijn verblijf in het huidige lichaam vanwege de intense pijn niet langer verdragen. Soms pleegt iemand zelfmoord als zijn leven te pijnlijk wordt. Volgens de wet van karma is zelfmoord echter een strafbare zonde.
Toen Ajāmila stierf, zag hij drie woeste en zeer angstaanjagende personen met touwen in hun handen, weerbarstig haar op hun hoofd en borstelachtig haar op hun lichaam. Deze medewerkers van Yamarāja, de Yamadūta's, waren gekomen om Ajāmila uit zijn lichaam te sleuren en hem mee te nemen naar het hof van Yamarāja. Soms schreeuwt iemand die sterft het uit van angst als hij de Yamadūta's ziet, en dat was eveneens het geval met Ajāmila.
Gelukkig riep Ajāmila de heilige naam van Nārāyaņa, ook al bedoelde hij zijn zoontje, en daarom verschenen ook de boodschappers van Viṣṇu, de Vișņudūta's, onmiddellijk ter plaatse. Omdat Ajāmila doodsbang was voor de touwen van Yamarāja, riep hij de heilige naam met tranen in zijn ogen. In wezen was het echter nooit zijn bedoeling geweest de heilige naam van Nārāyaņa te roepen; hij wilde zijn zoontje roepen.

Het verschijnen en verdwijnen van Kṛṣṇa en Zijn toegewijden

Men zou zich af kunnen vragen: "De toegewijden sterven en de niet-toegewijden sterven, wat is het verschil?" Wel, de poes kan een rat vangen en in haar bek dragen of ze kan haar jongen in haar bek dragen. Het is dezelfde bek, maar haar jongen voelen zich er op hun gemak en veilig, terwijl het voor de rat de kaken van de dood zijn. Zo worden de toegewijden als ze hun lichaam verlaten overgebracht naar Vaikuṇṭha, de geestelijke wereld1, terwijl de gewone, zondige mens naar de helse regionen wordt gesleurd door de Yamadūta's, de medewerkers van Yamarāja. En dit leek het lot van Ajāmila te zijn.
In de Bhagavad-gitā (4.9) zegt Kṛṣṇa janma karma ca me divyam:"Mijn verschijnen en verdwijnen zijn geestelijk, transcendentaal; ze zijn niet gewoon." Waarom verschijnt Kṛṣṇa eigenlijk in deze wereld? Dat legt Hij uit in het voorgaande vers (Bhagavad-gitā 4.8):
paritrāṇāya sādhūnāṁ
vināśāya ca duṣkṛtām
dharma-saṁsthāpanārthāya
sambhavāmi yuge yuge
"Om de toegewijden te verlossen, de goddelozen te verdelgen en de beginselen der religie te herstellen, verschijn Ik Zelf, tijdperk na tijdperk." God's enige bezigheid is de trouwe toegewijden te beschermen en de demonen te doden. Daarom zien we Heer Visnu altijd afgebeeld met Zijn wapens, de knots en cakra (werpschijf) om de toegewijden mee te beschermen en de lotus en hoornschelp om ze mee te zegenen.
Het verschijnen en verdwijnen van Krona's toegewijden die hier naar de materiële wereld gezonden worden om de heerlijkheden van de Heer te verkondigen, zijn op een gelijksoortige manier transcendentaal. Volgens de principes van het Vaiṣṇavisme zijn zowel het verschijnen als verdwijnen van zulke Vaiṣṇava’s - dienaren van Viṣṇu (Kṛṣṇa) - al-zegenrijk. Tot hun eer houden we daarom festivals op beide gelegenheden.
Eigenlijk worden zelfs gewone levende wezens nooit geboren en sterven ook niet; om over Kṛṣṇa en Zijn toegewijden dan maar te zwijgen. Sommige atheïsten zeggen dat God dood is. Ze weten niet dat zelfs het kleinste levend wezen nooit sterft. Hoe kan God dan dood zijn? Atheïsten worden in de Bhagavad-gitā omschreven als mūdhā's, dwaze schurken. Ze bezitten geen kennis, maar doen zich toch voor als geleerden en brabbelen van alles dat noch voor henzelf, noch voor het publiek goed is.

Verlossing door aan Kṛṣṇa te denken

Omdat Ajāmila toen hij stierf opging in gedachten aan Nārāyaņa,Kṛṣṇa, kwam hij er meteen voor in aanmerking verlost te worden, ook al had hij zijn hele leven lang zonden begaan. Men kan op alle mogelijke manieren aan Kṛṣṇa denken. De gopi's, de koe-herdersmeisjes die Kṛṣṇa's vriendinnen zijn, gingen volledig op in gedachten aan Krsņa die uit wellust leken voort te komen, Śiśupāla ging op in gedachten aan Kṛṣṇa uit woede en Kamsa dacht voortdurend aan Kṛṣṇa uit angst. Kamsa en Śiśupāla waren demonen, maar omdat ze hun hele leven lang en toen ze stierven aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods dachten, werden ze door Kṛṣṇa persoonlijk verlost.
Het is natuurlijk beter om op een positieve manier aan Kṛṣṇa te denken. Bhakti, toegewijde dienst, betekent dat men op een positieve manier aan Kṛṣṇa denkt. Sisupāla en Kamsa waren geen toegewijden, want het woord toegewijde duidt vanzelf al op iemand die Kṛṣṇa gunstig gezind is. Krsņa aanvaardt het echter ook als men op de tegenovergestelde manier aan Hem denkt. Kṛṣṇa is zó aardig, dat iedereen die altijd aan Hem denkt- zelfs als een vijand-de grootste yogi wordt en verlossing bereikt. De resultaten van de beoefening van yoga en ascese werden dus zelfs behaald door zulke vijandig gezinde persoonlijkheden als Kamsa en Śiśupāla. In de onpersoonlijke Brahman-gloed (brahmajyoti) treffen we niet alleen de grootste geleerden (jñānī's) aan, die geworsteld hebben omn Brahman te bereiken, maar tevens degenen die altijd op een vijandige manier aan Krsņa denken. Ook zij gaan die geestelijke uitstraling binnen. De bestemming van de jnāni's is dus hetzelfde als die van de vijanden van Kṛṣṇa. Het is echter niet iets om naar te verlangen.
Een levend wezen kan enige tijd als een minuscuul stralend geestelijk deeltje in de Brahman-gloed (brahmajyoti) verblijven. De zonneschijn bestaat uit ontelbare moleculaire deeltjes, en op dezelfde wijze kunnen de levende wezens als kleine deeltjes van de geestelijke uitstraling in de brahmajyoti leven. Maar ze zullen terug moeten vallen in deze materiële wereld. De levende wezens willen van nature een verscheidenheid aan zinsbevrediging, maar in dat onpersoonlijk bestaan is die verscheidenheid er niet. Als ze er maar even naar verlangen te genieten, moeten ze weer terugkeren naar deze materiële wereld. Zo bestaat er na het opgaan in de Brahman-gloed dus alle kans dat men weer ten val komt.
Heer Kṛṣṇa's toegewijden willen geen verlossing, want ze zijn er slechts in geïnteresseerd Hem toegewijd te dienen, of dat nu in de materiële wereld is of in de geestelijke wereld. Dankzij de genade van Kṛṣṇa worden ze echter toch verlost en verheven naar de planeet Goloka Vṛndāvana, de woonplaats van Kṛṣṇa, waar de materiële ellenden van geboorte, ziekte, ouderdom en dood stralen door hun afwezigheid. De positie van een toegewijde is dus niet dezelfde als die van impersonalisten en jnāni's. De positie van een toegewijde is erg verheven. Hij reist eveneens door de Brahman-gloed, maar voelt zich er niet toe aangetrokken. Hij is aangetrokken tot de Vaikuṇṭha -planeten, en met name Goloka Vrndāvana, waar de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods Zelf eeuwig met Zijn metgezellen leeft.