Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 3
De laatste adem
Śukadeva Gosvāmi vervolgde: Het gebrabbel en de onbeholpen bewegingen van het kind maakten dat de oude Ajāmila zeer aan hem gehecht raakte. Hij zorgde altijd zelf voor het kind en genoot van alles wat hij deed. Als Ajāmila at, riep hij het kind om ook te komen eten, en als hij dronk, riep hij het kind om ook te drinken. Terwijl hij zo altijd met zijn kind bezig was en voortdurend zijn naam, Nārāyaņa, riep, besefte hij niet dat zijn eigen tijd ten einde liep en dat de dood nabij was.
Toen het moment van de dood gekomen was voor de dwaze Ajāmila, dacht hij alleen nog maar aan zijn zoontje Nārāyaņa. (Śrīmad-Bhāgavatam 6.1.25-27)
De naam van een kind
Hier wordt duidelijk vermeld dat het kind, Nārāyaņa, nog zó jong was dat hij nauwelijks kon lopen of spreken. Daar de oude man erg aan het kind gehecht was, genoot hij van de activiteiten van het kind, en omdat de naam van het kind Nārāyaņa was, riep de oude man voortdurend de heilige naam van Nārāyaņa. Hoewel Ajāmila het kleine kind bedoelde en niet de oorspronkelijke Nārāyaņa, is de naam van Nārāyaņa zó machtig, dat Ajāmila zelfs door de naam van zijn zoon te roepen gezuiverd werd. Śrīla Rūpa Gosvāmī heeft daarom gezegd dat iemand op het pad naar verlossing staat als zijn geest op een of andere manier aangetrokken is tot de heilige naam van Kṛṣṇa (tasmāt kenāpy upāyena manah krsne nivesayet). Zelfs in het huidige India geven vele ouders hun kinderen namen van God, zoals Krșņa, Govinda of Nārāyaņa. Op die manier spreken de ouders de namen van Krsņa, Govinda' of Nārāyaņa uit en krijgen zo de kans gezuiverd te worden.
Toen Ajāmila stierf riep hijde naam van Nārāyaņa in verband met zijn jongste kind. Omdat hij de zoon van een brāhmaņa was, was hij er in zijn jeugd aan gewend Nārāyaņa te vereren, want Nārāyaņa wordt in het huis van elke brāhmaņa vereerd. Dus hoewel de onreine Ajāmila zijn zoon riep, concentreerde hij zijn geest op de heilige naam van Nārāyaņa en herinnerde zich zo de Nārāyaņa die hij in zijn jeugd zo trouw vereerd had.
De waarde van het zich herinneren van Nārāyaņa als men sterft, wordt nader verklaard in het Śrīmad-Bhāgavatam (2.1.6):
etāvān sāṅkhya-yogābhyāṁ
svadharma-pariniṣṭhayā
janma-lābhaḥ paraḥ puṁsām
ante nārāyaṇa-smṛtiḥ
svadharma-pariniṣṭhayā
janma-lābhaḥ paraḥ puṁsām
ante nārāyaṇa-smṛtiḥ
"De hoogste vervolmaking van het menselijk leven, of die nu bereikt wordt door volmaakte kennis van geest en materie, door het verkrijgen van mystieke vermogens of door het volmaakt vervullen van voorgeschreven plichten, is dat men zich op het moment van de dood Nārāyaņa, de Persoonlijkheid Gods, voor de geest kan halen.''
Op een of andere manier riep Ajāmila, bewust of onbewust, de naam van Nārāyaņa uit toen hij stierf en werd volkomen volmaakt.
De dood: een cruciaal moment in het leven
Zoals eerder vermeld werd is de mentaliteit die we hebben op het moment van de dood van het grootste belang. Als we nogal ingenomen zijn met onszelf en denken “O, ik ga sterven-en wat dan nog?", kunnen we geen vooruitgang maken op het geestelijke pad. Zoals de lucht geuren met zich meedraagt, zo draagt iemands mentaliteit hem als hij sterft naar zijn volgende leven. Heeft hij de mentaliteit ontwikkeld van een Vaiṣṇava, een zuivere toegewijde van Kṛṣṇa, dan zal hij onmiddellijk naar Vaikuṇṭha gebracht worden. Heeft hij echter de mentaliteit ontwikkeld van een doodgewone karmi, een baatzuchtig werker, dan zal hij in deze materiële wereld moeten blijven en onder de gevolgen van zo'n mentaliteit moeten lijden.
Stel dat ik een zakenman ben, Als ik me tot aan mijn dood bezighoud met zakendoen, zal mijn mentaliteit zaken-gericht zijn. Een zakenman in Calcutta vroeg in zijn stervensuur over het bestuur van zijn molen. Hij is daardoor misschien opnieuw gebóren als een rat in zijn eigen molen. Dat is zeker mogelijk. Waar je ook aan denkt als je sterft, dat zal je naar je volgende lichaam dragen. Kṛṣṇa is erg aardig en zal je een lichaam geven dat overeenkomt met de mentaliteit waar je in opging toen je stierf. “Goed, denk je als een rat? Word dan een rat. Denk je als een tijger? Word dan een tijger. Denk je als een toegewijde? Kom dan naar Mij."
Door Hare Kṛṣṇa te chanten kunnen we onze gedachten zo vormen dat we altijd aan Kṛṣṇa denken. In de Bhagavad-gītā (6.47) raadt Krsņa ons aan yoginām api sarvesām mad-gatenāntar-ātmanā:"De beste yogī is hij die altijd in zijn hart aan Mij denkt." De gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn heeft met name tot doel de leden van de menselijke samenleving te helpen tot deze staat van volledig Kṛṣṇa-bewustzijn te komen. Dan zal men zich aan het einde van zijn leven slechts Krsna herinneren. Waar we ons hele leven mee bezig zijn, bepaalt ons bewustzijn op het moment van de dood. Dat spreekt voor zich.
Wie zich voorbereidt op de dood zoals het hoort, is werkelijk intelligent, terwijl iemand die denkt dat hij voor altijd thuis kan blijven en van het gezelschap van zijn vrouw en kinderen kan genieten een dwaas is. In illusie denkt zo iemand dat zijn bankrekening, prachtige huis en gezin hem zullen beschermen, maar zij kunnen niemand beschermen. Het Śrīmad-Bhāgavatam (2.1.4) zegt:
dehāpatya-kalatrādiṣv
ātma-sainyeṣv asatsv api
teṣāṁ pramatto nidhanaṁ
paśyann api na paśyati
ātma-sainyeṣv asatsv api
teṣāṁ pramatto nidhanaṁ
paśyann api na paśyati
"Wie gek is denkt: 'Mijn sterke lichaam, mijn volwassen kinderen, mijn fijne vrouw en mijn bankrekening zullen me redden.'" In deze materiële wereld zijn we gewoon aan het vechten als soldaten op een slagveld. Onze soldaten zijn onze vrouw, kinderen, bankrekening, landgenoten, enzovoort. Het Śrimad-Bhāgavatam waarschuwt ons dat we onze toevlucht niet moeten nemen tot dergelijke feilbare soldaten. Zelfs al ziet iemand dat zijn vader en grootvader, die eens in leven waren, nu niet meer bestaan, toch ziet hij niet dat op dezelfde wijze iedereen ten onder gaat - hijzelf daarbij inbegrepen. Hoe kan hij zijn zonen beschermen? Hoe kunnen zijn zonen hem beschermen? Deze vragen komen niet op bij de materialist die alleen maar opgaat in de dierlijke neigingen van eten, slapen, verdedigen en seks.