Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 2
Een imitatie van de ware
Śukadeva Gosvāmī vervolgde: Mijn beste koning, terwijl hij op die manier zijn tijd doorbracht met afschuwelijke en zondige activiteiten om zijn tien kinderen en de prostituée te onderhouden, verstreken er achtentachtig jaar van zijn leven. Het jongste kind, Nārāyaņa, was nog maar een baby, en zijn vader en moeder dus vanzelfsprekend zeer dierbaar. (Śrīmad-Bhāgavatam 6.1.23-24)
Ouderlijke genegenheid
Het zondige gedrag van Ajāmila uit zich in het feit dat hij op achtentachtigjarige leeftijd nog een jong kind had. Volgens de vedische cultuur dien je huis en haard te verlaten zodra je de leeftijd van vijftig bereikt hebt; je kan dan niet nog steeds thuis leven en doorgaan met het verwekken van kinderen. Seks is toegestaan gedurende vijfentwintig jaar, tussen het vijfentwintigste en vijftigste levensjaar. Daarna moet je die gewoonte opgeven en als vānaprastha het huis verlaten, en vervolgens tot sannyāsa overgaan, zoals het hoort. Vanwege zijn omgang met de prostituée was Ajāmila echter zijn brahmaanse ontwikkeling kwijtgeraakt en ontzettend zondig geworden, zelfs in zijn zogenaamde gezinsleven.
Ajāmila was een jongeman van twintig toen hij de prostituée ontmoette, en verwekte tien kinderen bij haar. Toen hij bijna de negentig bereikt had, was voor hem de tijd van sterven gekomen. Tegen die tijd waren vrijwel al zijn kinderen volwassen en werd het jongste kind, Nārāyaņa, dus vanzelfsprekend de favoriet van zijn ouders, en Ajāmila was ontzettend aan hem gehecht.
Het gelach van een klein kind is vanzelf aantrekkelijk voor de vader, moeder en kennissen. Als een kind begint te praten - geluiden begint te maken in een gebroken taal - is dat zeer aangenaam voor de ouders. Zonder deze aantrekking is het niet mogelijk een kind met genegenheid op te voeden. Ouderlijke genegenheid is zelfs onder de dieren van nature aanwezig. In Kanpura kwam er eens een aap met haar kind bij de kamer waar we toen verbleven. Het kleine aapje kwam tussen de tralies door het raam binnen, en de moederaap werd ontzettend kwaad. Ze werd gek van bezorgdheid. Op een of andere manier slaagden we erin het kleine aapje tussen de tralies door terug te duwen en de moeder nam hem onmiddellijk in haar armen en ging ervandoor.
In de menselijke samenleving wordt de genegenheid van een moeder voor haar kind hoog aangeslagen, maar zoals we zien is deze genegenheid er zelfs bij de dieren. Het is daarom geen uitzonderlijke kwalificatie; het is een natuurwet. Tenzij moeder en kind door genegenheid gebonden zijn, is het voor een kind onmogelijk om op te groeien. Ouderlijke genegenheid is natuurlijk en noodzakelijk, maar het verheft iemand niet naar het geestelijke niveau.
Het karakter van de vrouwenjager Ajāmila was verfoeilijk, maar toch voelde hij veel genegenheid voor zijn jongste kind. Hoewel Ajāmila bijna negentig was, genoot hij toch van het kinderspel van zijn zoon, net zoals Nanda Mahārāja en moeder Yaśodā van het kinderspel van Heer Kṛṣṇa genoten.
Geestelijke genegenheid en verscheidenheid
De ouderlijke genegenheid in deze materiële wereld is een verwrongen afspiegeling van de ouderlijke genegenheid in de geestelijke wereld, waar men haar kan aantreffen in haar zuivere, oorspronkelijke vorm. Alles heeft zijn oorsprong in de transcendentale realiteit. De Vedānta-sūtra (1.1.2) stelt, janmādy asya yatah: "De Allerhoogste Absolute Waarheid is datgene waaruit alles voortkomt." Als de genegenheid tussen een kind en zijn ouders niet in de Absolute Waarheid zou bestaan, zou ze ook niet in de materiële wereld kunnen bestaan.
Omdat de Absolute Waarheid de bron is van alles, is alle verscheidenheid die we hier in deze materiële wereld zien niet meer dan een afspiegeling van de verscheidenheid in de geestelijke wereld. Als de Absolute Waarheid geen verscheidenheid zou kennen, waar komt al deze verscheidenheid dan vandaan? Nee, de Absolute Waarheid is niet onpersoonlijk (nirākāra) of zonder verscheidenheid (nirvisesa).
Toch zijn sommige figuren, māyāvādi's, zó gefrustreerd en teleurgesteld met de onvolmaakte verscheidenheid van deze materiële wereld, dat ze zich inbeelden dat de geestelijke wereld onpersoonlijk is en zonder verscheidenheid. Deze impersonalisten realiseren zich dat ze Brahman zijn, geestelijk, maar weten niet dat er in de brahmajyoti, of geestelijke sfeer, ontelbare planeten zijn. Ze denken dat de brahmajyoti op zich alles is wat er bestaat. Impersonalisten hebben geen informatie over de Vaikuntha-planeten, en vanwege hun onvolmaakte kennis dalen ze weer af naar deze materiële planeten. In het Śrimad-Bhāgavatam (10.2.32) staat:
ye ’nye ’ravindākṣa vimukta-māninas
tvayy asta-bhāvād aviśuddha-buddhayaḥ
āruhya-kṛcchrena paraṁ padaṁ tataḥ
patanty adho ’nādṛta yuṣmad aṅghrayaḥ
tvayy asta-bhāvād aviśuddha-buddhayaḥ
āruhya-kṛcchrena paraṁ padaṁ tataḥ
patanty adho ’nādṛta yuṣmad aṅghrayaḥ
"Alhoewel impersonalisten bijna bevrijd zijn, is hun intelligentie vanwege het negeren van de lotusvoeten van Kṛṣṇa nog steeds niet gezuiverd. Dus ondanks hun zware ascese om tot het niveau van Brahman te komen, moeten ze toch weer afdalen naar deze materiële wereld."
Geestelijke gedaanten en spel
Impersonalistische filosofen zien het verschil niet tussenactiviteiten in de materiële wereld en gelijksoortige activiteiten in de geestelijke wereld, noch maken ze onderscheid tussen een materiële gedaante en de gedaante van God. Ze zijn ervan overtuigd dat de onpersoonlijke brahmajyoti, de geestelijke uitstraling van het lichaam van de Heer, de Allerhoogste Absolute Waarheid is. De māyāvādi's veronderstellen onterecht dat God een materieel lichaam aanneemt als Hij verschijnt, net zoals wij in deze materiële wereld deze materiële gedaanten aangenomen hebben. Deze vorm van denken is impersonalisme, of māyāvāda-filosofie.
God heeft een gedaante, maar niet zoals die van ons. Zijn gedaante is sac-cid-ānanda-vigraha, een geestelijke gedaante vol eeuwigheid, kennis en gelukzaligheid. Iedereen die de transcendentale aard van Kṛṣṇa's gedaante begrijpt, wordt volmaakt. Kṛṣṇa bevestigt dit in de Bhagavad-gītā (4.9):
janma karma ca me divyam
evaṁ yo vetti tattvataḥ
tyaktvā dehaṁ punar janma
naiti mām eti so ’rjuna
evaṁ yo vetti tattvataḥ
tyaktvā dehaṁ punar janma
naiti mām eti so ’rjuna
"Als Ik verschijn, neem Ik geen materieel lichaam aan; Mijn geboorte en activiteiten zijn volkomen geestelijk. Iedereen die dit volmaakt begrijpt is bevrijd." Toen Kṛṣṇa Zich voor moeder Yaśodā voordeed als het volmaakte kind, maakte Hij altijd van alles kapot als ze Hem geen boter gaf-alsof Hij boter nodig had! God is dus volmaakt in staat Zich voor te doen als een doodgewoon mens; maar toch is en blijft Hij de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods.
Impersonalisten kunnen God niet kennen omdat ze Hem als een gewoon mens beschouwen. Zoals Kṛṣṇa in de Bhagavad-gitā (9.11)uitlegt is dit wat schurken doen, avajānanti mām mūdhāh: “Alleen schurken denken dat Ik een gewoon mens ben." De māyāvādi's zeggen: "Ach, dit is een kind, hoe kan Hij nu God zijn?" Zelfs Brahmā en Indra waren verward. Ze dachten: “Hoe kan deze jongen de Allerhoogste Heer zijn? Laten we Hem eens testen."
Soms zegt een zogenaamde incarnatie van God dat hij God is.Hij moet dan getest worden of hij werkelijk God is of niet. De māyāvādi's beweren dat ze God, Kṛṣṇa en Rāma zijn. Iedereen wordt Kṛṣṇa en iedereen wordt Rāma, maar om een of andere reden stelt niemand ze aan de kaak: "Als jij Rāma bent, toon je goddelijke macht dan eens! Rāma bouwde een brug over de Indische Oceaan. Wat heb jij gedaan? Toen Kṛṣṇa zeven was, tilde Hij de heuvel Govardhana op. Wat heb jij gedaan?" Als ze uitgedaagd worden met het spel en vermaak van Kṛṣṇa, zeggen die schurken:“Dat zijn allemaal verzinsels. Het zijn allemaal legenden." Daarom aanvaarden de mensen een gewoon mens als Rāma of Kṛṣṇa. Deze onzin is werkelijk aan de gang, en zowel degenen die beweren dat ze God zijn als degenen die hen als God aanvaarden zullen daarvoor moeten lijden. Iedereen kan beweren dat hij God is, en elke dwaas kan dat aanvaarden, maar niemand zal zijn voordeel doen met het dienen van een nep-God.
Heer Brahmā dacht eens dat Krșņa ook zo'n nep-God zou kunnen zijn. Hij zag dat het nog maar een jongen was die in Vrndāvana, India, aanvaard werd als de Allerhoogste Heer, en dat Hij buitengewone dingen deed. Daarom besloot Brahmā om Hem eens te testen. Hij nam al Kṛṣṇa's kalveren en vriendjes weg en verstopte ze. Toen Brahmā een jaar later naar Vrndāvana terugkeerde en zag dat dezelfde kalveren en vrienden er nog steeds waren, zag hij in dat Kṛṣṇa Zich door middel van Zijn onbegrensd vermogen geëxpandeerd had in evenzoveel kalveren en jongens. Zelfs de moeders van de jongens hadden niet door dat hun zonen expansies van Kṛṣṇa waren, hoewel ze niet konden uitleggen waarom de genegenheid voor hun jongens elke avond als ze terugkeerden van de weidegronden als maar toenam. Uiteindelijk gaf Brahmā zich aan Kṛṣṇa over en verheerlijkte hij de Heer met prachtige gebeden.
Op een gelijksoortige wijze raakte ook Indra verward toen Kṛṣṇa Zijn vader, Nanda Mahārāja, vertelde: “Het is niet nodig om offers aan Indra te brengen, want hij staat onder het bestuur van de Allerhoogste Heer." Krsņa zei niet tegen Zijn vader “Ik ben de Allerhoogste Heer", maar Hij zei "Indra staat onder het bestuur van de Allerhoogste Heer, en daarom moet hij je van water voorzien. Het is niet nodig dat deze yajña [offerceremonie] aan hem gebracht wordt."
Toen het offer gestopt werd, werd Indra woest en probeerde de inwoners van Vrndāvana te straffen door het zeven dagen lang onophoudelijk te laten stromen van de regen. Er kwam zoveel water naar beneden dat Vrndāvana er bijna in ten onder ging. Kṛṣṇa, een kind van zo'n zeven jaar oud, tilde echter onmiddellijk de heuvel Govardhana op en nodigde alle inwoners van Vrndāvana, samen met hun dieren, uit onder de heuvel te schuilen. Om de inwoners van Vrndāvana te beschermen hield Kṛṣṇa de heuvel zeven dagen en nachten omhoog, zonder ook maar te eten of te rusten. Daardoor kon Indra begrijpen dat Kṛṣṇa de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is.
Op deze wijze waarschuwt het Śrimad-Bhāgavatam ons, dat als zelfs grote persoonlijkheden als Brahmā en Indra soms begoocheld kunnen worden door māyā, de uitwendige openbaring van Kṛṣṇa's energie, hoe zit het dan wel niet met ons?
God toont Zich dus soms als God en soms als mens, maar die schurken van impersonalisten verwerpen Zijn spel en vermaak als legenden of mythologie. Of ze geloven niet in de śāstra's, of ze interpreteren ze naar hun eigen goeddunken op basis van ardha-kukkuti-nyāya, de logica van de halve kip. Er was eens een man die een kip had die elke dag een gouden ei legde. Deze dwaas dacht bij zichzelf: "Aan de ene kant is het erg winstgevend, maar aan de andere kant is het duur om deze kip te voeden. Het zal beter zijn als ik haar kop er afhak en op die manier de kosten voor haar voedsel uitspaar. Dan krijg ik de eieren zonder onkosten." Op deze manier aanvaarden de impersonalisten de sāstra's. Ze denken: "O, dit is niet goed. Dit komt niet zo goed uit. We zullen dit stuk er uithalen." Als Krsņa zegt “Men moet Mij overal zien", vinden die schurken het wel aangenaam, maar als Hij zegt "Laat alles voor wat het is en geef je aan Mij over”, dan zijn ze het er niet mee eens. Ze aanvaarden wat voor hen goed uitkomt en verwerpen wat hen niet goed uitkomt. De ācārya's verdraaien de śāstra's echter niet op deze manier. Toen Kṛṣṇa de Bhagavad-gitā sprak, zei Arjuna: "Alles wat Je gezegd hebt neem ik aan voor waar."
The Absolute Truth Full of Knowledge
De Vedānta-sütra wordt aanvaard als de hoogste autoriteit van alle vedische literatuur, en die Vedānta-sūtra (1.1.2) zegt janmādy asya yatah:"De Absolute Waarheid is de oorspronkelijke bron van alles."Janma betekent "geboorte". Interpretatie komt niet eens ter sprake, want de betekenis is duidelijk. Alles in deze materiële wereld heeft zijn oorsprong in de Absolute Waarheid, net zoals dit lichaam uit de schoot van onze moeder komt. Jamady asya yatah: "Vanaf de geboorte tot en met de vernietiging is alles een openbaring van de Absolute Waarheid." De Absolute Waarheid is datgene waarin alles zijn oorsprong heeft, datgene waarin alles zich bevindt en datgene wat alles handhaaft.
Wat zijn de kenmerken van de oorspronkelijke bron? Het Śrimad-Bhāgavatam (1.1.1) zegt janmādy asya yato 'nvayād itarataó cārtheso abhijrah soarāt: De oorspronkelijke bron van alles moet Zich tot in de hoogste graad van alles gewaar zijn, zowel direct als indirect. Hij is de allerhoogste geest, en Hij weet alles omdat Hij volmaakt is. Wij zijn eveneens geestelijk-geestelijke vonken-en zodra een geestelijke vonk zijn toevlucht neemt in de schoot van een moeder, ontwikkelt hij een lichaam. Dat houdt in dat de geestelijke vonk de oorsprong is van het lichaam, met al zijn mechanische structuren. Hoewel dit lichaam zich ontwikkelt door onze eigen energie, weten we niet hoe onze aderen en beenderen gecreëerd worden. En juist omdat we dit niet weten, zijn we ook niet God. Maar Kṛṣṇa weet het wel. Dat is het kenmerk van de Absolute Waarheid: Hij weet alles. Kṛṣṇa bevestigt dit in de Bhagavad-gītā (7.26): "Ik weet alles wat er in het verleden gebeurd is, alles wat er in het heden gebeurt en alles wat er in de toekomst gebeuren zal."
Wij worden ons gewaar van de Absolute Waarheid door kennis te ontvangen van een geestelijk leraar, maar hoe is Kṛṣṇa zo volmaakt gewaargeworden? Hoe komt het dat Zijn kennis zo volmaakt is? Dat komt omdat Hij volkomen onafhankelijk is (svarāt). Hij hoeft van niets en niemand ook maar iets te leren. Een of andere schurk mag dan proberen te realiseren dat hij God is door kennis aan te nemen van een māyāvādi, maar Kṛṣṇa is God zonder kennis aan te nemen van wie dan ook. Dat is God.