Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 10
Het volgend leven; dat is aan ons
De Yamadūta's vervolgden: "O besten der halfgoden, wij onderscheiden drie verschillende soorten leven naargelang de verontreiniging met de drie hoedanigheden van de natuur. Zodoende kent men de levende wezens als vredig, rusteloos en dwaas; als gelukkig, ongelukkig of daartussenin; of als religieus, irreligieus en semi-religieus. We kunnen hieruit afleiden dat deze drie soorten materiële natuur in het volgende leven op dezelfde manier zullen werken. Zoals de lente in het heden ons een idee geeft van de aard van de lentes in het verleden en de toekomst, zo levert dit leven van geluk, verdriet of een mengeling van beide bewijs aangaande de religieuze en irreligieuze activiteiten in iemands vroegere en toekomstige levens."
"De almachtige Yamarāja is zo goed als Heer Brahmā, want terwijl hij in zijn eigen woning verblijft, en net als de Paramātmā in ieders hart, neemt hij in zijn geest iemands vroegere activiteiten waar en begrijpt op die manier hoe het levend wezen zich in zijn toekomstige levens gedragen zal. Zoals iemand in zijn slaap handelt volgens het lichaam dat hij in zijn droom aangenomen heeft en zich daarmee vereenzelvigt, zo vereenzelvigen wij ons met het huidige lichaam, dat we vanwege onze vroegere vrome of goddeloze daden gekregen hebben, en weten we niets over onze vorige en toekomstige levens."(Śrīmad-Bhāgavatam 6.1.46-49)
Afdoen met vroeger, huidig en toekomstig karma
Hier maken de Yamadūta's duidelijk dat je de acties en reacties van de drie hoedanigheden van de materiële natuur in dit leven kan waarnemen. Sommige mensen zijn bijvoorbeeld erg gelukkig, anderen erg ongelukkig, en weer anderen ervaren een mengeling van geluk en ongeluk. Dit is het resultaat van vroegere omgang met de hoedanigheden van de materiële natuur-goedheid, hartstocht en onwetendheid. Omdat je deze variëteiten in dit leven kan waarnemen, kunnen we aannemen dat de levende wezens naargelang hun omgang met de hoedanigheden van de materiële natuur in hun volgende leven eveneens gelukkig, ongelukkig of een mengeling van beiden zullen zijn. Je kan je daarom het beste losmaken van de hoedanigheden van de materiële natuur en altijd aan hun verontreiniging ontstegen zijn. Dat is alleen maar mogelijk als je volkomen gewijd bent aan de toegewijde dienst van de Heer, wat door Kṛṣṇa bevestigd wordt in de Bhagavad-gītā (14.26):
māṁ ca yo ’vyabhicāreṇa
bhakti-yogena sevate
sa guṇān samatītyaitān
brahma-bhūyāya kalpate
bhakti-yogena sevate
sa guṇān samatītyaitān
brahma-bhūyāya kalpate
"Wie volledig aan toegewijde dienst gewijd is en in geen enkele omstandigheid ten val komt, ontstijgt onmiddellijk aan de hoedanigheden van de materiële natuur en bereikt zo het niveau van Brahman." Tenzij je volledig opgaat in de dienst aan de Heer, zal je onderhevig zijn aan de verontreiniging van de drie hoedanigheden van de materiële natuur en daardoor, afhankelijk van de ernst van de gemaakte zonden, ongelukkig zijn of een mengeling van gelukkig en ongelukkig.
Van lichaam veranderen
De Allerhoogste Heer heeft Yamarāja aangesteld om de juiste straf te bepalen voor zondaars. Ieder wezen wordt dus als hij sterft naargelang zijn activiteiten beloond met een bepaald soort lichaam in een bepaalde plaats. Heer Kapila zegt in het Śrimad-Bhāgavatam (3.31.1):
karmaṇā daiva-netreṇa
jantur dehopapattaye
striyāḥ praviṣta udaraṁ
puṁso retaḥ-kaṇāśrayaḥ
jantur dehopapattaye
striyāḥ praviṣta udaraṁ
puṁso retaḥ-kaṇāśrayaḥ
"Onder toezicht van de Allerhoogste Heer en naargelang het resultaat van zijn activiteiten wordt het levend wezen, de ziel, gedwongen via het zaad van een man de baarmoeder van een bepaalde vrouw binnen te gaan om een bepaald lichaam aan te nemen."
We veranderen elk moment van de dag van lichaam. Dit wordt "groei" genoemd, maar het is eigenlijk een verandering van lichaam. Groeien betekent dat je het oude lichaam achterlaat en een nieuw lichaam aanneemt. Na een aantal jaren kunnen we zien dat een kind opgegroeid is tot een tiener. Dat houdt in dat hij van lichaam veranderd is. Als we merken dat het lichaam niet langer bewoonbaar is, moeten we het opgeven en een ander lichaam aannemen, net zoals we onze kleding opgeven als die oud en versleten is.
Deze verandering vindt plaats onder toezicht van hogere autoriteiten (daiva-netrena). Naargelang iemands vrome en zondige activiteiten moet hij een bepaald lichaam in een bepaalde positie aannemen en lijden. Ons leed wordt onderverdeeld in ādhyātmika,ādhibhautika en ādhidaivika. Adhyātmika is het leed dat veroorzaakt wordt door lichaam en geest, adhibhautika wat veroorzaakt wordt door andere levende wezens en adhidaivika wat veroorzaakt wordt door hogere autoriteiten (deva's) en waar we niets tegen kunnen doen-zoals aardbevingen, droogte, overstromingen en schaarste. Deze situaties kunnen we niet aanpassen. Zo zullen de hogere autoriteiten ons tevens na de dood een bepaald lichaam geven, en dan kunnen we niet protesteren: "O nee, dit lichaam wil ik niet. "We zijn gedwongen het aan te nemen.
Minuscule onafhankelijkheid
Vanwege herhaalde geboorte en dood in ontelbare materiële lichamen zijn we vergeten dat we integrerende deeltjes van God zijn, dat we een intieme relatie met Hem hebben en dat we op een of andere manier in deze materiële wereld gevallen zijn. Het is ontzettend moeilijk het exacte punt te bepalen waarop deze vergetelheid begon. Maar ondanks dat we Kṛṣṇa sinds onheuglijke tijden vergeten zijn, is Hij zo genadig om ons aan onze geestelijke identiteit en eenheid met Hem te herinneren door persoonlijk te komen en ons te leren wat we vergeten zijn. En als Hij weer gaat, laat Hij de geschriften achter-met name de Bhagavad-gītā, waarin Hij verzoekt,sarva-dharmān parityajya mām ekam saranam vraja: "Laat al je onzin alsjeblieft voor wat het is en geef je over aan Mij. Ik zal je alle bescherming bieden." (Bhagavad-gitā 18.66)
Kṛṣṇa is de vader van alle levende wezens. Hij is niet blij als Hij ziet dat alle zielen in de materiële wereld wegrotten als varkens. Daarom stuurt Hij Zijn vertegenwoordigers. In het geval van Heer Jezus Christus zond Hij Zijn zoon. Heer Jezus beweerde de zoon van God te zijn. Iedereen is een zoon van God, maar deze zoon was een uitzonderlijk geliefde zoon en werd naar een specifieke plaats gestuurd om daar de gevallen zielen op te eisen en terug te brengen naar huis, terug naar God.
Als de geconditioneerde zielen er echter op staan hier te blijven, wat kan Kṛṣṇa of Zijn dienaar dan doen? Ze staan ons toe verder te gaan met onze materialistische activiteiten omdat de eerste voorwaarde voor het verlaten van de materiële gevangenis is, dat we zelf het verlangen moeten hebben eruit te willen. Als we uiteindelijk genoeg hebben van de toestand waarin we ons bevinden, bidden we: "Mijn lieve Heer, ik heb nu zó lang lust, woede en hebzucht gediend, en ze zijn nog steeds niet tevreden. Nu ben ik het zat. Mijn lieve Heer Krsņa, nu is mijn intelligentie ontwaakt en ben ik naar U gekomen. Laat me U alstublieft dienen."
Het levend wezen is de marginale energie (tatastha-śakti) van de Heer, wat inhoudt dat hij zelf kan kiezen of hij bestuurd wil worden door Kṛṣṇa's lagere, materiële energie of door Zijn hogere, geestelijke energie. Wij toegewijden hebben gekozen om Kṛṣṇa-bewust te worden. We hebben er dus mee ingestemd ons over te geven aan Kṛṣṇa en ons onder de bescherming van Zijn inwendige, geestelijke energie te plaatsen. Overgave aan Kṛṣṇa begint met het chanten
van de Hare Kṛṣṇa mantra: hare kṛṣṇa, hare kṛṣṇa, kṛṣṇa kṛṣṇa, hare hare / hare rāma, hare rāma, rāma râma, hare hare. Het woord hare verwijst naar de devotionele energie van Kṛṣṇa. Kṛṣṇa betekent "de al-aantrekkelijke Allerhoogste Persoonlijkheid Gods” en rāma betekent "de Allerhoogste Genieter".
van de Hare Kṛṣṇa mantra: hare kṛṣṇa, hare kṛṣṇa, kṛṣṇa kṛṣṇa, hare hare / hare rāma, hare rāma, rāma râma, hare hare. Het woord hare verwijst naar de devotionele energie van Kṛṣṇa. Kṛṣṇa betekent "de al-aantrekkelijke Allerhoogste Persoonlijkheid Gods” en rāma betekent "de Allerhoogste Genieter".
Er zijn er echter velen die niet willen komen omdat ze niet onder het bestuur van Kṛṣṇa's geestelijke energie willen komen te staan. Kṛṣṇa komt daar niet tussenin. Hij zegt: "Je kan in de materiële wereld blijven of naar Mij toe komen; wat je maar wil." We hebben een minuscule onafhankelijkheid gekregen en de intelligentie om onderscheid te maken tussen wat wel te doen en wat niet.
Wakker worden!
Het oor is het belangrijkste orgaan om mee te leren wat er gedaan moet worden tot ons uiteindelijke voordeel. We moeten luisteren naar de hogere autoriteit. 's Nachts slapen we vredig, zonder er bewust van te zijn dat er iemand zou kunnen komen om ons hoofd af te hakken. Ons gehoor is echter alert, zelfs als we slapen. We kunnen onszelf redden als iemand ineens roept: "Wakker worden! Wakker worden! Er is hier iemand die je wil doden!" Zo slapen we nu onder invloed van de materiële natuur en lijkt het erop dat we wakker en actief zijn, maar het is prakṛti (de materiële natuur)die actief is-niet wij. Wij zijn gedwongen te handelen naargelang onze omgang met de verschillende hoedanigheden van de materiële natuur. Maar hoewel we slapen, slaapt ons oor niet en helpt ons uit onwetendheid op te staan. Luisteren we naar de juiste persoon-de geestelijk leraar-en de vedische literatuur, dan kunnen we ontwaken tot onze oorspronkelijke en wezenlijke positie als eeuwige dienaren van Kṛṣṇa. Het eerste voorschrift is śravanam, het horen over Kṛṣṇa. Als we gewoon horen over Kṛṣṇa, zullen we vanzelf wakker worden. Het gebod van de Veda's is, uttisthata jāgrata prāpya varān nibadhata: "Wakker worden! Opstaan! Begrijp toch welk een grote zegen je gekregen hebt met deze menselijke levensvorm. Maak daar nu gebruik van en verlos jezelf uit de greep van de hoedanigheden van de materiële natuur." In de Bhagavad-gītā (7.14) legt Kṛṣṇa uit hoe dit te doen:
daivī hy eṣā guṇa-mayī
mama māyā duratyayā
mām eva ye prapadyante
māyām etāṁ taranti te
mama māyā duratyayā
mām eva ye prapadyante
māyām etāṁ taranti te
"Deze goddelijke energie van Mij, die uit de drie hoedanigheden van de materiële natuur bestaat, is moeilijk te overwinnen, hoewel degenen die zich aan Mij overgegeven hebben haar gemakkelijk te boven kunnen komen." Geef je over aan Kṛṣṇa en wees Kṛṣṇa-bewust. Dat is onze enige taak in het menselijke leven.