Default View
Dual Language

Hoofdstuk 11

Het rijk van de zintuigen

De Yamadūta's vervolgden: "Boven de vijf kennisverwervende zintuigen, de vijf werkzintuigen en de vijf zinsobjecten staat de geest-het zestiende element. Boven de geest staat het zeventiende element, de ziel, het levend wezen zelf, die met behulp van de andere zestien elementen alleen van de materiële wereld geniet. Het levend wezen maakt drie soorten situaties mee: geluk, ongeluk en een mengeling daarvan."
"Het fijnstoffelijk lichaam heeft zestien aspecten: de vijf kennisverwervende zintuigen, de vijf werkzintuigen, de vijf zins-objecten en de geest. Dit fijnstoffelijk lichaam is een product van de drie hoedanigheden van de materiële natuur. Het bestaat uit onoverkomelijk sterke verlangens en voert het levend wezen daardoor van het ene lichaam naar het andere-onder de mensen, dieren en halfgoden. Krijgt het levend wezen het lichaam van een halfgod, dan is hij uiteraard zeer opgetogen. Krijgt hij een menselijk lichaam, dan is hij altijd aan het klagen, en krijgt hij het lichaam van een dier, dan leeft hij voortdurend in angst. In feite voelt hij zich echter onder alle omstandigheden ellendig. Deze situatie wordt saṁsṛti genoemd, de transmigratie in het materiële bestaan."
"Omdat hij niet in staat is zijn geest en zintuigen te beheersen, wordt het dwaze, belichaamde levend wezen zelfs tegen zijn zin in gedwongen te handelen onder invloed van de hoedanigheden van de materiële natuur. Hij is als een zijderups die zijn eigen speeksel gebruikt om een cocon mee te maken, waar hij vervolgens op zo'n manier in verstrikt raakt dat hij er onmogelijk weer uit kan komen. Het levend wezen verstrikt zich in het netwerk van zijn eigen baatzuchtige activiteiten en kan vervolgens geen enkele manier vinden om zich er weer uit te bevrijden. Daarom is hij voortdurend in de war en sterft hij keer op keer."
"Geen enkel levend wezen kan ook maar een moment niets doen. Hij moet handelen volgens zijn natuurlijke neigingen, overeenkomstig de drie hoedanigheden van de materiële natuur, want deze neigingen dwingen iemand zich op een bepaalde manier te gedragen. Iemands baatzuchtige activiteiten, of ze nu vroom zijn of zondig, zijn de onzichtbare oorzaak van de vervulling van zijn verlangens. Deze onzichtbare oorzaak is de oorsprong van de verschillende lichamen van het levend wezen. Vanwege zijn intense verlangen wordt het levend wezen in een bepaalde familie geboren en krijgt een lichaam als dat van zijn moeder of vader. De grofstoffelijke en fijnstoffelijke lichamen worden dus geschapen overeenkomstig zijn verlangen."
"Het levend wezen bevindt zich vanwege zijn contact met de materiële natuur in een netelige situatie. Hij kan deze situatie echter gemakkelijk te boven komen als hem in de menselijke levensvorm geleerd wordt met de Allerhoogste Heer of Zijn toegewijden om te gaan." (Srimad-Bhāgavatam 6.1.50-55)

De eisen van de zintuigen

Deze verzen beschrijven hoe het levend wezen vanwege de wisselwerkingen van de hoedanigheden van de natuur in het materiële lichaam verstrikt raakt. Iedereen werkt met zijn armen, benen en andere zintuigen om via zijn zelfverzonnen ideeën een bepaald doel te bereiken. Op deze wijze probeert men wat genot te putten uit de vijf zinsobjecten-vorm, geluid, smaak, geur en gevoel-zonder te weten dat het eigenlijke doel van het leven gelegen is in het tevredenstellen van de Allerhoogste Heer. Het levend wezen wordt in materiële omstandigheden geplaatst omdat hij de Heer niet gehoorzaamt, en dan probeert hij naar eigen willekeur zijn situatie te verbeteren, zonder dat hij ook maar iets geeft om het volgen van de aanwijzingen van de Allerhoogste Heer. Desondanks is de Allerhoogste Heer zo vriendelijk dat Hij persoonlijk komt om het begoochelde levend wezen te leren hoe te gehoorzamen en dan geleidelijk aan terug te keren naar huis, terug naar God, waar hij zich een eeuwig en vredig leven vol gelukzaligheid en kennis verwerft.
In de materiële wereld heeft het levend wezen een lichaam dat een uiterst ingewikkelde combinatie van materiële elementen is en met dit lichaam zwoegt hij verder; helemaal alleen, zoals in vers 50 aangegeven wordt met de woorden ekas tu. Als je in de oceaan terechtgekomen bent, moet je alleen zwemmen. Er kunnen nog zóveel andere mensen en zeedieren zijn, toch moet je voor jezelf zorgen, want niemand zal je helpen. Daarom geeft dit vers aan dat het zeventiende element, de ziel, alleen moet werken. Behalve Kṛṣṇa, de Allerhoogste Heer, kan uiteindelijk niemand haar helpen, ook al probeert ze een maatschappij, vriendschap en liefde te creëren. Daarom zou het haar enige zorg moeten zijn hoe ze Kṛṣṇa tevreden kan stellen-hoe ze zich aan Hem over kan geven en Zijn genade kan krijgen. Dat is tevens wat Kṛṣṇa wil. Hij zegt in de Bhagavad-gītā (18.66), sarva-dharmān parityajya mām ekam saranam vraja: "Laat alle zelfverzonnen vormen van geloof voor wat ze zijn en geef je gewoon aan Mij over."
Mensen die door materiële omstandigheden begoocheld zijn proberen zich te verenigen, maar hoewel ze naar eenheid tussen mensen en naties streven, zijn al hun pogingen hopeloos. In de strijd om het bestaan vecht iedereen alleen met de vele natuurelementen. Onze enige hoop is dus wat Kṛṣṇa adviseert; dat we ons aan Hem overgeven, want Hij kan ons helpen uit de oceaan van onwetendheid te komen. Daarom bad Śrī Caitanya Mahāprabhu:
ayi nanda-tanuja kiṅkaraṁ
patitaṁ māṁ viṣame bhavāmbudhau
kṛpayā tava pāda-paṅkaja-
sthita-dhūlī-sadṛśaṁ vicintaya
"O Krșņa, geliefde zoon van Nanda Mahārāja, Ik ben Uw eeuwige dienaar, maar ben op een of andere manier in deze oceaan van onwetendheid gevallen. En hoewel Ik mijn uiterste best doe, kan Ik Mezelf onmogelijk redden. Als U zo vriendelijk wilt zijn Me op te vissen en Me als een stofje aan Uw lotusvoeten te plaatsen; dat zal Me redden."
Op dezelfde wijze zingt Śrīla Bhakitvinoda Țhākura, anādi karama-phale, padi' bhavārnava-jale, taribāre nā dekhi upāya: “Mijn lieve Heer, ik kan me niet meer herinneren hoe en wanneer ik in deze oceaan van onwetendheid gevallen ben, en nu kan ik geen enkele manier vinden om mezelf te redden." We moeten in gedachten houden dat iedereen verantwoordelijk is voor zijn eigen leven. Wordt een individu een zuivere toegewijde van Kṛṣṇa, dan is hij gered uit de oceaan van onwetendheid en is zijn leven een succes.

Pijn en plezier

Eigenlijk is er geen plezier in de materiële wereld; alles is pijnlijk. Iedereen probeert met behulp van zinnelijke activiteiten gelukkig te zijn, maar dat resulteert slechts in verdriet en frustratie, en wordt māyā genoemd - illusie.
Heer Boeddha begreep de aard van materieel plezier. In zijn jeugd was hij een prins met grote rijkdom en eindeloos zinsgenot, maar hij gaf het allemaal op. Al mediterend maakte hij een eind aan de zinnelijke activiteiten die iemand onderhevig maken aan de vreugde en het verdriet van deze materiële wereld. Hij gaf zijn koninkrijk op, louter om ons te leren dat zinnelijke activiteiten ons niet zullen verlossen. Verlossing houdt in dat we ons onttrekken aan de greep waarin deze wereldse vreugde en verdriet ons houden.
Boeddhisme stelt uitsluitend belang in de toestand van het lichaam. Vanwege de wisselwerkingen van de drie hoedanigheden van de materiële natuur en hun invloed op onze materiële lichamen, ervaren we verschillende soorten pijn en plezier. Boeddhisme onderwijst dat men van deze pijn en plezier verlost wordt zodra men de combinatie van materiële elementen die het fysieke lichaam vormen ontmantelt. Nirvāna, het doel van Boeddhisme, is de toestand die bereikt wordt als men niets meer te maken heeft met de materiële combinaties. Pijn en plezier zijn er tenslotte omdat we dit materiële lichaam hebben. De Boeddhistische filosofie geeft echter geen informatie over de ziel, de eigenaar van het lichaam, en daarom is Boeddhisme onvolmaakt.
Dat de Boeddhistische filosofie niet volledig is, houdt echter niet in dat Heer Boeddha niet op de hoogte was van de volledige waarheid. Een leraar mag dan een graad aan de universiteit hebben, toch begint hij met zijn leerlingen bij het ABC. Het is niet zo dat zijn eigen kennis niet verder reikt dan het ABC. Op dezelfde wijze zal een speciaal gemachtigde incarnatie (šaktyāveśa avatāra) Gods-bewustzijn prediken naargelang tijd, plaats en omstandigheden. De leraar heeft zijn diploma, maar de leerlingen zijn daarom niet noodzakelijk gekwalificeerd het hogere onderwijs te ontvangen dat de leraar te bieden heeft.
Daarom zijn er ook verschillende godsdienstscholen, zoals het Boeddhisme en de māyāvādī-filosofie van Śankarācārya. Zowel de Boeddhisten als de māyāvādi's moedigen hun volgelingen aan zich te bevrijden van de pijn en het plezier die te wijten zijn aan zinnelijke activiteiten. Een waar filosoof zal zijn volgelingen nooit aansporen achter zinnelijke activiteiten aan te jagen. Boeddha maakt een eind aan materie: wil men het nirvāna bereiken, dan moet men eerst de materiële combinatie van het lichaam ontmantelen. Het lichaam is, met andere woorden, een combinatie van vijf materiële elementen - aarde, water, vuur, lucht en ether- en deze combinatie is dé oorzaak van alle pijn en plezier. Is die combinatie uiteindelijk ontmanteld, dan is er dus ook geen pijn en plezier meer.
Het is Śankarācārya's filosofie dat we uit deze combinatie van materiële elementen weg moeten komen en gesitueerd moeten zien te raken in onze oorspronkelijke, geestelijke positie. Het motto van de māyāvādi's luidt dan ook, brahma satyarn jagan mithyā: “Brahman, het Absolute, is werkelijk, en deze materiële schepping is onwerkelijk." Śankarācarya verwierp de filosofie van Boeddha, die geen informatie over de ziel verschafte. De filosofie van Boeddha handelt uitsluitend over materie en de vernietiging daarvan. Vandaar dat het doel van Boeddhisme is één worden met de leegte.
Zowel het Boeddhisme als de mayāvāda-filosofie onthullen de waarheid maar gedeeltelijk. Šańkarācārya's māyāvāda-filosofie aanvaardt Brahman, het geestelijke, maar beschrijft het niet ten volle. Māyāvāda-filosofie onderwijst dat aan alle activiteit een einde komt zodra we ons gewaar worden van ons bestaan als Brahman (aham brahmāsmi). Maar dat is niet waar. Het levend wezen is altijd actief. Het mag er dan op lijken dat hij in meditatie alle zinnelijke activiteit stoppen kan, maar hij mediteert nog steeds, en ook dat is activiteit.
Terwijl hij op Brahman mediteert, denkt de māyāvādī dat hij God geworden is. Vanuit een bepaald standpunt is het natuurlijk juist te denken dat men één geworden is met God, want als zielen zijn we kwalitatief één met God. Maar niemand kan ooit kwantitatief één worden met God. In de Bhagavad-gītā (15.7) stelt Kṛṣṇa dat de levende wezens Zijn "fragmentarische deeltjes” zijn. Krsņa is volkomen geestelijk (sac-cid-ānanda) en daarom moet elk geestelijk deeltje dus eveneens sac-cid-ānanda zijn, net zoals een gouden juweel kwalitatief gelijk is aan het goud in de mijn. Maar toch is dat gouden juweel niet de goudmijn.
Het is een fout van de māyāvādi's dat ze denken dat het deel gelijk kan worden aan het geheel. Ze gaan ervan uit dat ze zelf God zijn omdat ze wezenlijke deeltjes van God zijn. Daarom beschrijft het Śrimad-Bhāgavatam (10.2.32) de impersonalisten als avióuddha-buddhaya: "Hun intelligentie is onrein; ze verkeren nog steeds in onwetendheid." Māyāvādi's denken dat ze door kennis te vergaren één kunnen worden met God, en daarom spreken ze elkaar aan met “Nārāyaņa”. Dat is hun grote fout. We kunnen niet Heer Nārāyana worden. Nārāyaņa is vibhu, "erg groot" of "oneindig", terwijl wij anu zijn, “oneindig klein”. Onze geestelijke afmeting bedraagt een tienduizendste van het puntje van een haar. Hoe kan iemand met een beetje verstand dan beweren dat hij God geworden is?
Door iedereen te leren bij zichzelf te denken aham brahmāsmi, "Ik ben het geestelijke zelf, en niet het lichaam”, gaf Śrīpāda Sankarācārya een hint naar Brahman. De Veda's stemmen daarmee in. Wie bevrijd is kan volmaakt inzien dat hij ziel is, en niet het lichaam. Maar dat is niet waar zelfrealisatie eindigt. Je moet jezelf vervolgens de vraag stellen: "Als ik een eeuwige geestelijke ziel ben, wat is dan mijn eeuwige geestelijke activiteit?" Die eeuwige activiteit is toegewijde dienst aan Kṛṣṇa.
In de Bhagavad-gītā (18.54) beschrijft Heer Kṛṣṇa hoe realisatie van Brahman tot toegewijde dienst leidt:
brahma-bhūtaḥ prasannātmā
na śocati na kāṅkṣati
samaḥ sarveṣu bhūtesu
mad-bhaktiṁ labhate parām
"Wie op deze wijze transcendentaal gesitueerd is, realiseert onmiddellijk het Allerhoogste Brahman en ervaart volkomen vreugde. Hij klaagt nooit en verlangt nergens naar. Hij stelt zich tegenover ieder levend wezen gelijk op. In die toestand verwerft hij zich zuivere toegewijde dienst aan Mij."
Het gebeurt geregeld dat grote svāmi's over het bereiken van "Brahman-realisatie" praten maar zelf geen afstand nemen van wereldse pijn en plezier. Ze houden zich bezig met humanitaire activiteiten en denken "Mijn landgenoten lijden zo, laat ik een ziekenhuis voor ze openen" of "Ze hebben geen onderwijs, laat ik een school voor ze openen". Als iemand zich werkelijk op het brahma-bhūtah niveau bevindt, waarom zou hij dan een bepaalde plaats als zijn land beschouwen? Als geestelijke zielen behoren we in wezen tot geen enkel land. We krijgen een lichaam, en zodra het afgelopen is met dat lichaam, is het ook afgelopen met de verbintenis met een bepaald land. Klagen is een symptoom dat onthult dat de zogenaamd verloste persoon nog niet genezen is van zijn gehechtheid aan wereldse pijn en plezier. Dat houdt in dat hij nog niet vreugdevol is, want iemand die vreugdevol is klaagt niet. Zovele geleerde sannyāsi's zijn naar het niveau van materiële activiteiten teruggevallen omdat ze Brahman niet werkelijk gerealiseerd hadden. Zo makkelijk is het niet. Er is al eerder uitgelegd dat de invloed van de hoedanigheden van de natuur erg sterk is. Verstrikt als hij is in verschillende soorten baatzuchtige activiteiten, valt het levend wezen te vergelijken met een zijderups in een cocon. Zich bevrijden is een zware taak zonder de hulp van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods.

Geestelijke zintuigen

Ware kennis word verkregen door de zintuigen te gebruiken in de dienst aan Kṛṣṇa. Op het moment zijn onze geest en zintuigen geabsorbeerd in lichamelijke aanduidingen als “Ik ben Amerikaan”, “Ik ben Indiër" of "Ik ben Engelsman". In dit bewustzijn denken we dat we onze zintuigen moeten aanwenden in de dienst aan onze kennissen, samenleving, natie, enzovoort. Dit zijn echter allemaal tijdelijke omstandigheden. Onze ware positie is die van Brahman, zuiver geestelijke ziel. Zolang we van onszelf denken dat we tot een bepaalde tijdelijke aanduiding behoren, kunnen we geen toegewijde van Kṛṣṇa worden.
Nogmaals, geestelijke kennis eindigt niet met realisatie van Brahman. Er zijn drie niveaus van zelfrealisatie: Brahman, de realisatie dat men niet het lichaam is maar een ziel; Paramātmā, de realisatie dat de Heer in het hart aanwezig is; en Bhagavān, de realisatie van de Heer in persoon, Śrī Kṛṣṇa.
Hoger dan Brahman is de realisatie van Paramātmā, Krșņa als Superziel in het hart. Brahman is net als het zonlicht, terwijl realisatie van Paramātmā net als de zon zelf is, de bron van het zonlicht. Ga je nog verder, dan kan je de geestelijke planeten van Vaikuṇṭha betreden en oog in oog komen te staan met de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zelf. Dat is het uiteindelijke niveau van zelfrealisatie en is net als een ontmoeting met de zonnegod zelf. Het zonlicht, de zon en de zonnegod zijn één en onscheidbaar, en toch zijn ze tegelijkertijd verschillend. Het zonlicht is de onpersoonlijke uitstraling van de zon, de zon zelf zijn plaatselijke aspect, en de zonnegod de persoonlijke oorsprong van zowel de zon als het zonlicht. In de Bhagavad-gitā (14.27) bevestigt Kṛṣṇa dat Hij de oorsprong is van de Brahman-gloed, brahmano hi pratisthāham: "Ik ben de basis van het onpersoonlijk Brahman." En in de Isopanisad (mantra 15) bidt een toegewijde:
hiraṇmayena pātreṇa
satyasyāpihitaṁ mukham
tat tvaṁ pūṣann apāvṛṇu
satya-dharmāya dṛṣṭaye
"O mijn Heer, instandhouder van alles wat leeft, Uw ware gelaat is verhuld door Uw verblindende uitstraling. Neem die verhulling alstublieft weg en toon Uzelf aan Uw zuivere toegewijde."
Brahman-realisatie is dus niet genoeg. Dat iemands koorts zakt wil nog niet zeggen dat hij al genezen is. Hij is pas genezen als hij helemaal vrij van koorts is en volkomen hersteld, en weer normaal kan functioneren. Anders bestaat er alle kans op terugval. Dat je inziet dat je niet het lichaam bent maar een ziel betekent dus ook niet dat je dan automatisch genezen bent van illusie. Alleen als iemand volledig doorheeft dat hij de eeuwige dienaar van Kṛṣṇa is en volgens die kennis handelt, is hij werkelijk zelfgerealiseerd.

Een speciale vergunning voor alle mensen

In het huidige tijdperk is het beste pad dat door alle mensen gevolgd kan worden om zichzelf te realiseren het chanten van de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra: hare kṛṣṇa, hare kṛṣṇa, kṛṣṇa kṛṣṇa, hare hare / hare rāma,hare rāma, rāma rāma, hare hare. In dit tijdperk van Kali zijn de geconditioneerde zielen zo door zondige activiteiten in beslag genomen, dat het onmogelijk voor ze is de vedische voorschriften op een systematische manier te volgen. Het chanten van de Hare Kṛṣṇa maha-mantra is een speciale vergunning van Srī Caitanya Mahāprabhu-Kṛṣṇa Zelf-die vijfhonderd jaar geleden verscheen om de gevallen zielen te verlossen door het invoeren van de sankirtana-beweging, die het gezamenlijk zingen van de heilige namen van de Heer propageert. Heer Caitanya haalde vaak het volgende vers aan uit de Brhan-nāradīya Purāna (3.8.126):
harer nāma harer nāma
harer nāmaiva kevalam
kalau nāsty eva nāsty eva
nāsty eva gatir anyathā
"De enige manier om verlost te worden in dit tijdperk van strijd en schijnheiligheid is het aanroepen van de heilige naam van de Heer. Er is geen andere manier. Er is geen andere manier. Er is geen andere manier."
We kunnen de kracht van het chanten van de heilige naam van Heer Kṛṣṇa waarnemen door de gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn te bestuderen. In deze gemeenschap worden allerlei soorten zonden opgegeven door mensen die al aan slechte gewoonten verslaafd waren sinds ze zich in de schoot van hun moeder bevonden. Dat is hun goed geluk, zoals door Śrī Caitanya Mahāprabhu wordt uitgelegd in het Caitanya-caritāmrta,Madhya-lilā 19.151:
brahmāṇḍa bhramite kona bhāgyavān jīva
guru-kṛṣṇa-prasāde pāya bhakti-latā-bīja
guru-krsņa-prasāde pāya bhakit-latā-bīja "Het levend wezen reist het hele universum door, al transmigrerend van de ene situatie naar de andere, in verschillende levens en verschillende lichamen. Heeft hij echter geluk en krijgt hij de genade van Kṛṣṇa, dan zal hij een bonafide geestelijk leraar vinden die hem het zaadje zal geven van de klimplant van bhakit, toegewijde dienst."Als hij werkelijk intelligent is, zal hij dat zaadje in zijn hart zaaien en het water geven. Als je een zaadje in de grond stopt, moet je het water geven zodat het kan ontkiemen. Zo is het ook met het zaadje van bhakti. Is het in het hart gezaaid, dan moeten we het op de juiste manier water geven. En het water waarmee we het zaadje van toegewijde dienst doen groeien is śravanam kīrtanam: horen over Kṛṣṇa en Hem verheerlijken.
Door toegewijde dienst aan Kṛṣṇa te cultiveren kunnen we een einde maken aan onze onfortuinlijke positie in de materiële wereld, waarvan Kṛṣṇa in de Bhagavad-gitā bevestigt dat ze duhkhālayam is, een plaats vol ellende. Als we, met andere woorden, onze toevlucht bij Kṛṣṇa's lotusvoeten zoeken door Zijn heilige naam te horen en chanten, hoeven we geen herhaalde geboorte en dood in deze ellendige materiële wereld meer te ondergaan.

Een lichaam van verlangen

Het Śrimad-Bhāgavatam beschrijft tot in de bijzonderheden hoe het geconditioneerde levend wezen geboren wordt. Overeenkomstig zijn karma wordt hij in het zaad van een bepaalde vader geplaatst, waarna het grofstoffelijk lichaam zich door het samengaan van vader en moeder openbaart. Als de zaadcel van de vader ende eicel van de moeder zich tijdens de geslachtsdaad vermengen, combineren de mentaliteiten van de vader en de moeder zich, en deze combinatie wordt dan door het kind aangenomen.
Ieder van ons heeft een verschillend lichaam. Identieke lichamen bestaan niet. De verschillende lichamen hebben een oorzaak, en die oorzaak is karma. Naargelang je vroegere activiteiten ontwikkel je een bepaald soort fijnstoffelijk lichaam-dat uit geest, intelligentie en vals ego bestaat-en op basis van dat fijnstoffelijk lichaam krijgt je een bepaald soort grofstoffelijk lichaam. Heer Kṛṣṇa zegt in de Bhagavad-gitā (8.6):
yaṁ yaṁ vāpi smaran bhāvaṁ
tyajaty ante kalevaram
taṁ tam evaiti kaunteya
sadā tad-bhāva-bhāvitaḥ
"De zijnstoestand die men zich bij het verlaten van zijn lichaam herinnert, o zoon van Kunti, zal men zeker weer bereiken." De karakteristieken van het fijnstoffelijk lichaam zoals die zich op het moment van de dood voordoen, worden bepaald door het totaal van de activiteiten die je tijdens je leven ontplooid hebt. Als een levend wezen geleerd wordt door de ontwikkeling van zijn Krsņa-bewustzijn zijn fijnstoffelijk lichaam te veranderen, zal dat fijnstoffelijk lichaam op het moment van de dood een grofstoffelijk lichaam creëren waarin hij een toegewijde van Kṛṣṇa zal zijn. Is hij nog verder gevorderd, dan zal hij helemaal geen ander materieel lichaam meer hoeven aan te nemen, maar in plaats daarvan een geestelijk lichaam ontvangen en terugkeren naar huis, terug naar God. Dat is de vervolmaking van het menselijk leven.