Default View
Dual Language

Hoofdstuk 12

Door verlangen verward

De Yamadūta's vervolgden: “In het begin van zijn leven bestudeerde deze brāhmaņa Ajāmila alle vedische geschriften. Hij was voorbeeldig van karakter en gedrag, en bezat alle goede eigenschappen. Hij was strikt in het naleven van alle vedische voorschriften, bijzonder mild en zachtaardig, en zijn geest en zintuigen meester. Bovendien was hij altijd oprecht, wist hij hoe de vedische mantra's gereciteerd moesten worden en gaf hij blijk van grote zuiverheid. Ajāmila toonde zeer veel respect voor zijn geestelijk leraar, de vuurgod, gasten en de oudere familieleden. Hij was vrij van valse trots, rechtvaardig, alle levende wezens gunstig gezind, en beschaafd. Hij sprak nooit onzin en was op niemand afgunstig."
"Op een dag ging Ajāmila in opdracht van zijn vader naar het woud om er vruchten en bloemen te halen, en twee soorten gras: samit en kuśa. Op de terugweg zag hij een wellustige vierderangs man (śūdra) die schaamteloos een prostituée aan het kussen was. De śūdra lachtte, zong en genoot volop alsof het zo hoorde. Zowel de śūdra als de prostituée waren dronken. De ogen van de prostituée rolden als gevolg van haar dronkenschap en haar kleding hing los. Dit was de toestand waarin Ajāmila ze aantrof."
“De śūdra, wiens armen versierd waren met kurkuma, omhelsde de prostituée. Toen Ajāmila haar zag, werden de sluimerende wellustige verlangens in zijn hart opgewekt en viel hij er in illusie aan ten prooi. Voor zover mogelijk probeerde hij zich geduldig de instructies van de sāstra's voor de geest te halen, die stellen niet eens naar een vrouw te kijken. Met behulp van deze kennis en zijn intelligentie probeerde hij zijn wellustige verlangens te onderdrukken, maar door de kracht van Cupido in zijn hart slaagde hij er niet in zijn geest te beheersen." (Śrimad-Bhāgavatam 6.1.56-62)

Brahmaanse eigenschappen

De Yamadūta's, de boodschappers van Yamarāja, geven hier een uitleg van de feitelijke positie van vroomheid en goddelooshed, en hoe het levend wezen in de materiële wereld verstrikt is. Ze beschrijven dat Ajāmila in het begin een geleerde in de vedische literatuur was. Hij gedroeg zich voorbeeldig, was netjes en schoon en bezat alle goede eigenschappen. Hij was met andere woorden een volmaakte brāhmana. Een brāhmana wordt verondersteld volkomen vroom te zijn, alle regulerende principes te volgen en alle goede eigenschappen te bezitten. De kenmerken van vroomheid worden in deze verzen uitgelegd.
Blijkbaar volgde Ajāmila de regels en bepalingen van het celibaat als een volmaakte brāhmana en was hij erg zachtmoedig, oprecht, schoon en zuiver. Hoe hij ondanks al deze eigenschappen ten val kwam en daardoor bedreigd werd door Yamarāja gestraft te worden, wordt hier eveneens beschreven.
Vanwege zijn geboorte in een brahmana-gezin was Ajāmila van nature śruta-sampanna. Śruta betekent dat hij door naar de Veda's te luisteren rijk aan kennis was. In India noemt men brāhmana's paṇḍita’s, "geleerden”. Een brāhmana kan geen dwaas of schurk zijn, en daarom kan iemand zonder kennis van de Veda's geen brahmana zijn. De Veda's slechts vanuit een academisch oogpunt beschouwen is nutteloos. We moeten de kennis uit de Veda's in de praktijk brengen. Huiskamer-vedantisten roken sigaretten terwijl ze Vedānta bestuderen, wat natuurlijk belachelijk is. We hebben persoonlijk veel van die zogenaamde sannyāsi's lezingen over Vedānta zien geven terwijl ze voortdurend sigaretten rookten. Ajāmila was niet zo. Hij was een geleerde in de vedische literatuur en gedroeg zich uiterst voorbeeldig. Een brāhmana moet de Veda's bestuderen onder begeleiding van een geestelijk leraar, en na het zuiveringsproces van upanāyana-samskāra wordt hij dan een dvija, een tweemaal-geborene. Op dat moment wordt hem de heilige draad overhandigd. Dit is het teken dat ons laat weten dat iemand officieel door een geestelijk leraar aanvaard is. Het is dus een soort insigne.
Wie niet tweemaal-geboren is, kan de Veda's niet begrijpen. Het is niet zo dat je een deskundige op het gebied van de vedische kennis wordt omdat je toevallig een beetje Sanskriet kent. Veel buitenlandse geleerden hebben de Veda's vertaald, maar we aanvaarden hun vertalingen niet als bonafide omdat iemand die de Veda's bestudeert een dvija moet zijn. Iemand is een dvija als hij oprecht is, zijn geest en zintuigen beheerst, schoon, eenvoudig, tolerant en vol kennis is, in staat is verworven kennis in zijn leven toe te passen en een onwankelbaar vertrouwen heeft in Kṛṣṇa, God. Van zo iemand kan gezegd worden dat hij een behoorlijk gekwalificeerde brāhmana is en in staat is de Veda's te bestuderen en te begrijpen.
Ajāmila was niet alleen in een brahmana-gezin geboren maar tevens competent in de vedische kennis. In zijn jeugd had hij de Veda's volledig bestudeerd. Hij was śilavān, “erg zachtmoedig”, en tevens sad-ācāra, wat inhoudt dat hij er de gewoonte op nahield zeer schoon te zijn en vroeg in de ochtend op te staan om vedische tempelceremonieën bij te wonen, zoals de mangala-ārati. Hij was een bron van goede eigenschappen. Ook wij kunnen sad-ācāra worden door regelmatige beoefening van toegewijde dienst-het dagelijks bijwonen van de margala-ārati en het op kralen chanten van zestien ronden van de Hare Kṛṣṇa mantra daarbij inbegrepen. Deze praktijken zullen ons dan geleidelijk aan reinigen van onze materiële onzuiverheden.
Met het aanvaarden van initiatie van een geestelijk leraar leg je de gelofte af deze geestelijke activiteiten dagelijks te volgen. Zelfs de zes Gosvāmī's van Vrndāvana, die verloste zielen waren, chantten de mahā-mantra vele malen per dag, en brachten altijd hun eerbetuigingen aan de Beeldgedaante van Kṛṣṇa in de tempel en aan de toegewijden. Raghunātha dāsa Gosvāmī bracht zijn eerbetuigingen vele malen per dag, waarbij hij plat op de grond lag (dandavat). Deze activiteiten tonen aan dat de Gosvāmi's dhrta-vrata waren: het gewend met grote vastberadenheid geloften af te leggenen deze na te komen. Zonder ascese en boetedoeningen te ondergaan kunnen we God niet benaderen. Wie serieus geestelijke vooruitgang wil maken moet al deze regulerende principes navolgen.
Ajāmila bezat alle brahmaanse eigenschappen en kende alle nodige mantra's, zoals de Gāyatri-mantra en de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra. Hij was ook voortdurend bezig zijn guru diensten te bewijzen. Dat is de eerste kwalificatie van een brāhmana. In de vedische tijd volbracht elke familie van de hogere kasten een vuuroffer in de ochtend, na het nemen van een bad en het reciteren van vedische mantra's. Agni (het offervuur) brandde onophoudelijk. Ze droegen offeranden op aan het vuur, de guru en vervolgens aan de oudere leden van het gezin. Zo betuigden ze hun ouders en de geestelijk leraar dagelijks respect. Vandaag de dag wordt dat niet meer gedaan, maar in het vedische systeem was het de eerste taak van de dag.
Een goed voorbeeld van het respecteren van de ouderen is Yudhiṣṭhira Mahārāja, de grote en heilige Pāṇḍava-vorst. Na de Slag van Kurukṣetra gingen Yudhiṣṭhira en zijn vier broers elke dag naar Dhṛtarāṣṭra, hun oom van vaderskant, om hem respect te betuigen. Dhṛtarāṣṭra had vele plannen gesmeed om zich van de Pāṇḍava’s te ontdoen en ze uiteindelijk de oorlog verklaard. Het resultaat was echter dat al zijn honderd zonen gedood waren. En zelfs nadat hij de oorlog verloren had weigerde hij nog steeds zijn neven, de zonen van zijn broer Pāṇḍu, te verwelkomen. Dit was een grote belediging aan het adres van koning Yudhiṣṭhira. Op een dag werd Dhrtarāstra bezocht door Vidura, zijn jongere broer en een groot Vaiṣṇava. Vidura zei: "Mijn beste broer, je bent zo schaamteloos dat je de Pāṇḍava’s eerst de oorlog verklaart en nu je een oude man bent koning Yudhiṣṭhira nog steeds niet als een gast ontvangt. Maar je leeft wel in zijn huis en op zijn kosten. Mijn beste broer, ken je dan helemaal geen schaamte?" Vidura sprak op deze wijze om Dhṛtarāṣṭra te helpen zich te ontdoen van de gehechtheid aan zijn gezinsleven. Dhṛtarāṣṭra was een oude man en al zijn zonen waren dood, en toch zat hij nog steeds te midden van alle gezinsregelingen van smakelijke gerechten te genieten. Hieruit kunnen we opmaken dat de gehechtheid aan het gezinsleven heel erg sterk is. Vidura berispte Dhṛtarāṣṭra: "Vanwege je ouderdom hoest je slijm op en je hebt een zwakke lever. Je zal spoedig sterven, maar toch zit je daar nog steeds lekker in je gemakkelijke stoel, net als een hond. Ken je dan niet meer schaamte dan een hond die er altijd naar uitziet dat hij wat te eten krijgt van zijn baas?"
Toen Dhṛtarāṣṭra deze harde woorden van Vidura hoorde, ontdooide zijn koude hart enigszins en antwoordde hij: "Mijn beste broer Vidura, laat me alsjeblieft weten wat ik doen moet."
Vidura zei: "Kom onmiddellijk met me mee naar het woud. De laatste dagen van je leven moet je je slechts aan het Kṛṣṇa-bewustzijn wijden. Kom." Dhṛtarāṣṭra stemde in en vertrok met Vidura zonder ook verder maar iemand van zijn vertrek op de hoogte te stellen, en werd daarbij gevolgd door zijn trouwe vrouw, Gāndhāri. Ze gingen samen naar het woud om daar hun leven te beëindigen in meditatie op de Heer.
Toen koning Yudhiṣṭhira in de ochtend zijn respect kwam betuigen en ontdekte dat zijn ooms er niet waren, was hij ontzettend bezorgd, want hij wist dat Dhṛtarāṣṭra een oude man was. Op dat moment verscheen de grote wijze Nārada Muni en informeerde hem: "Maak u geen zorgen. Dhṛtarāṣṭra en zijn vrouw Gāndhāri zijn door uw oom Vidura naar het woud gebracht."
Dit verhaal uit het Śrimad-Bhāgavatam illustreert het systeem van respect betuigen aan de oudere leden van de familie. Na het vervullen van de ochtendplichten, brengt men vervolgens zijn eerbetuigingen aan de geestelijk leraar en de oudere leden van de familie. Ook gasten moet men respect betuigen. Over het algemeen weten we wanneer een gast ons zal bezoeken en kunnen we van te voren de juiste regelingen treffen, maar soms gebeurt het dat een gast onverwacht komt, en ook deze gast moeten we met respect ontvangen. En als het op eten aankomt dient het hoofd van de familie de oudere leden eerst te voorzien en dan zijn kinderen en de andere leden. Zelf eet hij als laatste, en voordat hij begint gaat hij eerst de straat op en roept: "Als er iemand honger heeft, laat hem dan alsjeblieft komen. Ik heb nog niet gegeten en je bent welkom!" Ook moet er wat voedsel overgehouden worden, mochten er onverwachte gasten komen. Het vedische principe is dat een man, als er iemand aan de deur voor voedsel komt bedelen, de hongerige gast zijn eigen voedsel moet geven, zelfs als hij daardoor zelf met een lege maag blijft zitten. Dat is de ware gṛhastha-āśrama. Ik heb zelf gezien dat een jongeman in het bijzijn van een oude man niet zal roken zonder zijn toestemming, zelfs al zijn ze vreemden voor elkaar. Een jongeman zal dus zelfs een oudere vreemdeling respecteren, om dan nog maar te zwijgen van zijn vader of oudere broer. In de vedische samenleving wordt een oudere man gerespecteerd. Dit mogen uiterst strenge regels lijken, maar dat zijn het niet; het is gewoon een vedische gebruik.
Ajāmila was er dus vanaf zijn jeugd in getraind zijn geestelijk leraar en de ouderen te respecteren. Dit is een van de kenmerken van sad-ācāra. Zachtmoedigheid is een ander kenmerk. Hij was vriendelijk voor alle levende wezens. Een brāhmaṇa is ieders vriend, zelfs van de mier.
Er is in dit verband een verhaal over Nārada Muni en een jager. Op een keer liep Nārada Muni door een woud vlak bij Prayag en zag daar vele dieren halfdood op de grond liggen. Uit mededogen voor die lijdende wezens riep hij: "Wie is de boosdoener die deze dieren afslacht en ze op deze manier aan hun einde laat komen?!”
De barbaarse jager Mṛgāri antwoordde: "Mijn beste wijze, laat me alstublieft mijn werk doen. Als u gekomen bent om voor een hertevel te bedelen, kan ik u er een geven."
Maar Nārada zei: “Ik kom nergens voor bedelen. Ik kom je vragen waarom je deze dieren maar half doodmaakt. Dat is een grote zonde. Het is beter dat je ze meteen helemaal doodmaakt."
Mṛgāri antwoordde: "Mijn vader heeft me geleerd ze op deze manier te doden. Ik wist niet dat het zondig was."
Nārada zei: "Het is uiterst zondig. Je zal hier erg voor moeten lijden."
De jager werd bedachtzaam en vroeg: "Maar wat moet ik dan doen?"
Nārada Muni zei: "Geef deze onzinnige praktijken op."
Mṛgāri protesteerde: "Maar hoe kom ik dan aan eten?"
Nārada Muní zei; “Ik zal je eten geven."
De jager stemde in: "Goed, als u me eten geeft kan ik deze praktijken opgeven."
Toen verzocht Nārada Muni hem zich op de oever van de Ganges te vestigen en daar Hare Kṛṣṇa te chanten voor de heilige Tulasī-plant. Zelf ging Nārada Muni naar een nabijgelegen dorp en kondigde daar aan dat er nu vlakbij, op de oever van de Ganges, een zuivere Vaiṣṇava aan het chanten was. Toen de dorpelingen daar Mṛgāri vredig zagen chanten zeiden ze tegen elkaar: "Hij heeft zijn jagerspraktijken opgegeven en chant nu Hare Krsņa." Ze begonnen regelmatig naar de oever van de Ganges te komen om Mṛgāri te bezoeken. Sommigen brachten rijst mee, sommigen dāl en sommigen fruit. Zo begon het voedsel zich op te hopen.
Mṛgāri vroeg zich af: "Waarom stuurt Nārada Muni me zoveel voedsel? Ik heb alleen maar mezelf en mijn vrouw te onderhouden. “Daarom begon hij het voedsel uit te delen, en door zo dagelijks Hare Kṛṣṇa te chanten en prasāda uit te delen werd hij een volmaakte Vaiṣṇava. (Dit is de methode die in deze gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn geïntroduceerd is-het chanten van de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra en het uitdelen van prasāda. Dit wordt in elke tempel van Kṛṣṇa zo gedaan.)
Na een tijdje bezocht Nārada Muni zijn vriend Pārvata Muni en zei: "Ik heb een heel fijne discipel die vroeger jager was. Laten we naar hem toe gaan en zien hoe het met hem gaat." Pārvata Muni stemde in, en toen de twee wijzen bij het huis van Mṛgāri kwamen, zagen ze hem van de ene kant naar de andere springen. Toen hij Nārada Muní zag maakte hij zich klaar om zijn eerbetuigingen te brengen, maar voordat hij dat deed nam hij het uiteinde van zijn dhotī en veegde daarmee voorzichtig de mieren aan de kant zodat hij ze niet zou verpletteren. Hij had staan springen omdat hij geprobeerd had niet op ze te stappen. Dit was nu dezelfde man die niet langgeleden allerlei soorten dieren had gemarteld. Nu was hij echter niet eens bereid een mier te doden. Dat is de aard van een Vaiṣṇava.
Ajāmila bezat deze zachtmoedige aard, die bij brāhmaņa's zo op de voorgrond treedt. En ondanks al zijn training was hij niet trots. Hij was vrij van ahaṅkāra, vals ego. Het woord ahaṅkāra draagt de betekenis van "Ik doe dit en dat, en daarom ben ik zo groot”. Zo'n instelling had Ajāmila niet, en hij was ook niet afgunstig, terwijl in deze ontaarde tijden iedereen afgunstig is; is het niet op één iemand, dan op meerdere. Brāhmaņa's als Ajāmila zijn echter vrij van dit soort neigingen. Alleen door je deze brahmaanse eigenschappen aan te leren en je aan de brahmaanse gewoonten aan te passen kan je verwachten uit de materiële gebondenheid verlost te worden.

Door seksuele aantrekking geruïneerd

Zoals in deze verzen verteld wordt verloor Ajāmila helaas zijn brahmaanse status. Als jongeman ging hij eens bloemen en andere zaken verzamelen voor de verering van de Beeldgedaanten in de tempel. Zijn vader had hem dit opgedragen. Toen Ajāmila op de terugweg was, stuitte hij op een vierderangs man en een prostituée, die hier levendig beschreven worden. Dronkenschap werd soms zelfs in voorbije tijden geopenbaard, hoewel dat niet op zo'n algemene schaal gebeurde. In het huidige tijdperk van Kali kan men zo'n zonde echter overal zien, want overal ter wereld zijn de mensen schaamteloos geworden. Lang geleden, toen Ajāmila de dronken śūdra en de prostituée zag, raakte hij aangedaan, hoewel hij tot dan toe een volmaakte brahmacāri geweest was. Vandaag de dag kan men dit soort vrije omgang overal aantreffen, en we moeten de positie van een brahmacāri-student die dergelijk gedrag aanziet in beschouwing nemen. Voor zo'n brahmacārī is het ontzettend moeilijk standvastig te blijven, tenzij hij sterk is in het volgen van de regulerende principes. Hoe dan ook, wie zich serieus aan het Kṛṣṇa-bewustzijn wijdt, kan de uitdaging der zonde weerstaan.
In onze gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn verbieden we ongeoorloofde seks, intoxicatie, vlees eten en gokken. In het Kali-yuga is met name in het Westen een dronken, halfnaakte vrouw die een dronken man omhelst een algemeen tafereel, en na het zien van zo'n tafereel is jezelf beheersen uiterst moeilijk. Desondanks zal Kṛṣṇa iemand die zich door Zijn genade aan de regulerende principes houdt en de Hare Kṛṣṇa mantra chant zeker redden. Kṛṣṇa zegt zelfs dat Zijn toegewijde nooit verloren gaat (kaunteya pratijānihi na me bhaktah pranasyati). Daarom moeten alle discipelen die het Kṛṣṇa-bewustzijn beoefenen zich gehoorzaam aan de regulerende principes houden en verankerd blijven in het chanten van de heilige naam van de Heer. Dan is er geen reden voor angst. Zo niet, dan bevinden ze zich in een uiterst gevaarlijke situatie.
Ajāmila had een gelofte afgelegd de regulerende principes van het geestelijk leven te volgen. Maar zoals we hier zien, bestaat er zelfs als we zeer gekwalificeerd zijn een kans dat we ten val komen. Voor hem bleek het aanzicht van het paar van lage afkomst dat daar in het openbaar met seks bezig was de reden van zijn val te zijn. Iedereen weet dat een man en zijn vrouwseks met elkaar hebben, maar dat moet achter gesloten deuren gedaan worden. In het openbaar seks bedrijven is dierlijk, en zo is ook het hebben van seks met meerdere partners ongeoorloofd. Nu is ongeoorloofde seks echter overal ter wereld gewoon. Een jong meisje denkt: "Ik zal een geschikte man vinden en hem aantrekken, en dan zal ik seks met hem hebben. Maar ik zal niet meteen met hem trouwen. Ik zal eerst deze man testen en dan die man, en als ik dan degene gevonden heb die me gelukkig zal maken, dan zal ik trouwen." Dat is de mentaliteit van een prostituée. En zo jagen ook de jongens achter meerdere seks-partners aan. Momenteel worden dit soort activiteiten met name in de westerse landen, waar de jongens en meisjes geen geestelijke training krijgen, als de gewoonste zaak van de wereld beschouwd.
In zo'n katten- en hondenmaatschappij kan er geen vrede zijn. Alle leiders praten over vrede en ontmoeten elkaar in vredesbijeenkomsten, maar vrede kan je niet maken door te vergaderen en resoluties uit te vaardigen. Er kan geen vrede zijn tenzij de hele sociale structuur hervormd wordt, en dat kan alleen gedaan worden met Kṛṣṇa-bewustzijn.
Kṛṣṇa-bewustzijn ontwikkelt zich door goed gezelschap, net zoals een ontaarde mentaliteit het resultaat is van slecht gezelschap. Heer Rsabhadeva zegt in het Śrīmad-Bhāgavatam (5.5,2),mahat-sevām dvāram āhur vimuktes tamo-dvāram yositām sargi-sarigam:"Willen we de deur naar verlossing openen, dan moeten we onszelf aan de dienst wijden van de mahātmā's, de zuivere toegewijden; willen we de deur naar het helse leven openen, dan kunnen we het gezelschap opzoeken van degenen die te zeer aan vrouwen gehecht zijn." De wellustige mensen van de huidige, zogenaamd beschaafde samenleving interesseren zich niet voor Kṛṣṇa-bewustzijn. Ze interesseren zich ook niet voor hun oudere familieleden. Ze geven zich over aan seks op straat, op het strand en in de bioscoop. Seks wordt voortdurend geadverteerd om de aandacht van de mensen te trekken. Op deze manier gooien de materialistische atheïsten brandstof op het vuur van lust en gaan de mensen naar de hel.
Ajāmila raakte dus gedegradeerd door de aanblik van een paar van lage afkomst dat elkaar omhelsde. Omdat zowel de śūdra als de prostituée dronken waren, rolden hun ogen en hing de kleding van de prostituée los. Nu is het mode geworden onthullende kleding te dragen, terwijl het eigenlijk verfoeilijk is. Het maakt het lichaam alleen maar aantrekkelijker voor seks. Er wordt gezegd dat je de wellustige verlangens van het andere geslacht stimuleert als je je lichaam met kurkuma insmeert. Het woord kāmaliptena geeft aan dat de śūdra zich opgemaakt had door kurkuma over zijn lichaam te smeren. Omdat de śudra en de prostituée schurken waren, schaamden ze zich helemaal niet. Ze vertoonden zichzelf vrijelijk, zonder zich te bekommeren om de kritiek van het publiek. Ze lachten, zongen en omhelsden elkaar, wat allemaal gezien werd door de jonge Ajāmila toen hij daar voorbijkwam.
In deze moderne tijd worden dit soort seksuele zaken regelmatig in de bioscoop vertoond, en het is dus niet moeilijk te raden wat voor soort karakter zich vormt in de jongens en meisjes van vandaag de dag. Door deze activiteiten slechts eenmaal te zien kwam Ajāmila ten val. Zo kwam er een eind aan zijn geestelijke opvoeding. Hij stond versteld en was begoocheld. Als Cupido aanvalt gaat alle opvoeding, cultuur en kennis verloren. Daarom moet deze wellustige samenleving met haar vrije omgang vermeden worden. Cānakya Pandita geeft het advies: "Vermijd te allen tijde de omgang met personen die te zeer aan zinsbevrediging gehecht zijn. Zoek in plaats daarvan het gezelschap op van degenen die aan de toegewijde activiteiten van het geestelijk leven gewijd zijn." Daarom worden jongens vanaf hun vijfde naar de gurukula gestuurd, het huis van een bonafide geestelijk leraar die hen opleidt in het geestelijk leven.
Tenzij je heel erg sterk bent in kennis, geduld en het juiste lichamelijke, mentale en intellectuele gedrag, is het ontzettend moeilijk wellustige verlangens in bedwang te houden. Na het zien van een man die een jonge vrouw omhelst en praktisch gesproken alles doet wat er maar nodig is voor seks, kon dus zelfs een volledig gekwalificeerde brāhmaṇa-zoals hierboven beschreven-zijn wellustige verlangens niet beheersen en zich er niet van weerhouden eraan toe te geven. Vanwege de kracht van het materialistische leven is het behouden van zelfbeheersing ontzettend moeilijk, tenzij je uitdrukkelijk beschermd wordt door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods in toegewijde dienst.