Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 13
Ajāmila's ontaarde leven
De Yamadūta's vervolgden: “Op dezelfde manier als de zon en de maan verduisterd worden door een onheilspellende planeet, verloor de brāhmaņa Ajāmila al zijn gezond verstand. Hij dacht voortdurend aan de prostituée en nam haar al snel als dienstmeid in huis, waarna hij alle regulerende principes van het brāhmaņa-zijn opgaf."
"Ajāmila begon al het geld dat hij van zijn vader geërfd had uit te geven aan allerlei geschenken voor de prostituée, zodat ze tot hem aangetrokken zou blijven, en gaf zo al zijn brahmaanse activiteiten op om haar tevreden te stellen. Omdat zijn intelligentie doorboord was met haar wellustige blikken, gaf hij zich in haar gezelschap over aan allerlei zonden. Hij verliet zelfs zijn bijzonder knappe jonge vrouw, die uit een zeer gerespecteerde brāhmana-familie kwam."
"Hoewel deze schurk in een brāhmaņa-familie geboren was, verloor hij door zijn omgang met de prostituée al zijn verstand, en om de kinderen van de prostituée te onderhouden maakte het hem niet uit of hij zijn geld op een eerlijke of oneerlijke manier verdiende. Zijn hele leven lang overtrad hij alle regels van de heilige geschriften, leidde hij een zeer losbandig leven en at hij voedsel dat bereid was door een prostituée. Daarom is hij uiterst zondig. Hij is onrein en verslaafd aan verboden activiteiten."
"Ajāmila heeft geen boete gedaan voor zijn zondige leven en daarom moeten we hem naar Yamarāja brengen. Daar zal hij overeenkomstig de ernst van zijn zonden gestraft worden, en daardoor gezuiverd raken." (Śrimad-Bhāgavatam 6.1.63-68)
Dienen moeten we...maar wie?
Omdat Ajāmila vanaf zijn geboorte opgeleid was als een behoorlijke brāhmana, was hij op de juiste plaats in de dienst aan zijn geestelijk leraar, ouderen zoals zijn vader, en de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Vanwege zijn omgang met een prostituée gaf hij echter al zijn brahmaanse activiteiten op en werd een dienaar van māyā, Heer Kṛṣṇa's begoochelende energie.
Er zijn twee soorten dienaren: de dienaren van māyā en de dienaren van Kṛṣṇa. Ieder levend wezen is oorspronkelijk een dienaar van Kṛṣṇa. Heer Caitanya bevestigt dit Zelf,jivera'svarūpa'haya-krsnera 'nitya-dāsa': "De constitutionele positie van het levend wezen is die van een eeuwige dienaar van Kṛṣṇa." (Caitanya-caritāmrta, Madhya-lilā 20.108) In deze wereld probeert iedereen de meester te zijn. Of het nu individueel of gezamenlijk is, iedereen probeert te laten gelden dat hij de heer is van alles wat hij overziet. Dat is een hopeloze instelling, want iedereen is van nature een dienaar. In plaats van Kṛṣṇa te dienen zijn we dienaren van onze zintuigen geworden, maar in beide gevallen zijn we dienaren. Daarom denken degenen die werkelijk intelligent zijn: “Als ik dan toch moet dienen, waarom dan niet Kṛṣṇa?" Alleen de Kṛṣṇa-bewuste toegewijde is intelligent, want hij aanvaardt zijn natuurlijke positie als een dienaar van Kṛṣṇa.
De verering van Heer Krsņa, of Vișņu, is het eigenlijke doel van de vedische beschaving, hoewel dit niet aanvaard wordt door de zogenaamde vedantisten. Zij leiden hun aandacht naar de verering van halfgoden en adviseren dat je welke dan ook kan vereren. Zelfs demonen (asura's) vereren soms halfgoden. Rāvana was een groot toegewijde van Heer Śiva, maar hij was een asura. En zo was Hiranyakasipu een groot toegewijde van Heer Brahmā, maar ook hij was een asura. Iedereen die geen toegewijde van Viṣṇu is, is een asura. Dat is het oordeel van de Veda's. Ajāmila was een brāhmaņa, wat inhoudt dat hij een dienaar van Nārāyaņa was. Hij was met andere woorden een Vaiṣṇava
Een Vaiṣṇava is iemand die erkent dat Heer Kṛṣṇa de allerhoogste eigenaar en genieter is, en dat verder iedereen Zijn dienaar is. Net als de heer des huizes de genieter is van zijn hele huishouding, is Kṛṣṇa de genieter van alles en iedereen in zowel de geestelijke als de materiële wereld. In feite is niemand anders de genieter-niemand bevindt zich in een positie om te genieten. Kṛṣṇa is de enige genieter.
Als we onze relatie met Kṛṣṇa als Zijn eeuwige dienaren vergeten, worden we de dienaren van onze zintuigen. Door de bevelen van onze zintuigen op te volgen betreden we de meest duistere regionen der illusie en kunnen we door Yamarāja gestraft worden. Soms verbiedt ons geweten ons iets te doen, maar we geven ons over aan onze wellust en hebzucht en doen het dan toch. Kṛṣṇa beveelt ons eveneens vanuit het hart aan het niet te doen, maar toch doen we het. Dit soort dienst aan onze zintuigen resulteert slechts in lijden. We moeten hoe dan ook dienen, dus waarom dan niet Kṛṣṇa? Waarom zouden we onze zintuigen dienen? Die zullen toch nooit tevreden zijn. We moeten dienaren van God worden; dat is de vervolmaking van het leven. Anders zijn we gedwongen dienaren van onze zintuigen te worden en te lijden.
Wie een dienaar van Kṛṣṇa wordt, wordt een gosvāmi, een meester van zijn zintuigen. De titel “Gosvāmī” duidt op iemand die weigert de bevelen van zijn zintuigen op te volgen. In plaats daarvan volgt hij de bevelen op van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, net als Rūpa Gosvāmī en Sanātana Gosvāmī deden. “Gosvāmī” is geen kaste-titel. Voordat hij gosvāmī werd, diende Rūpa Gosvāmī de mohammedaanse regering als minister en werd daarom door de gemeenschap van hindoe- brāhmaṇa’s verstoten. Toen hij echter de bevelen van Nawab Hoessein Shah opgaf voor de bevelen van Caitanya Mahāprabhu, maakte de Heer hem een gosvāmi.
Alle ware gosvāmī's zijn eveneens vairāgī's, verzakers. Als je niet in staat bent een ware vairāgi te zijn, dan moet je een gṛhastha worden, een gezinshoofd. Het is niet zo dat je je als een brahmacārī of sannyāsī kan voordoen en je tegelijkertijd in het geheim met ongeoorloofde seks inlaat. Dat is verfoeilijk. Als een waar gezinshoofd karma-yoga beoefent-de resultaten van zijn werk aan Kṛṣṇa geeft-zal hij uiteindelijk het niveau van volmaakte verzaking bereiken. Hij moet er niet naar verlangen van de vruchten van zijn activiteiten te genieten. In plaats daarvan moet hij werken vanuit plichtsgevoel en denken: "Kṛṣṇa wil dit. Hij zal tevreden zijn als ik dit doe, en daarom moet ik het doen." Dat is de juiste houding voor een toegewijde. Arjuna wilde uit eigenbelang niet vechten, maar toen hij doorhad dat Kṛṣṇa wilde dat hij vocht, beschouwde hij het zijn plicht: "Het moet gedaan worden. Het maakt niet uit of ik het fijn vind of niet. Kṛṣṇa wil het, en daarom moet ik het doen." Dat is de instelling van een onthechte toegewijde van de Heer.
In de Bhagavad-gitā (18.66) geeft Heer Kṛṣṇa Zijn discipel Arjuna de instructie: “Geef je gewoon aan Mij over en Ik zal je beschermen tegen alle reacties op je zonden." En Arjuna aanvaardt Kṛṣṇa's instructie met de woorden karisye vacanam tava: "Ik zal doen zoals Je zegt." (Bhagavad-gītā 18.73) Als we het voorbeeld van Arjuna volgen, zullen we rechtstreeks in contact staan met Kṛṣṇa en in staat zijn alle moeilijkheden te boven te komen, zowel in het geestelijke als in het materiële leven. We krijgen de instructies van Kṛṣṇa via de ononderbroken opeenvolging van discipelen (guru-paramparā). Deze instructies aanvaarden wordt śiksā genoemd, het vrijwillig opvolgen van de aanwijzingen van de geestelijk leraar. De onafhankelijke aard van het levend wezen is dat hij de aanwijzingen van een ander levend wezen niet wil volgen, hoe zuiver die ander ook zijn mag. Stemt hij echter vrijwillig in de bevelen van de geestelijk leraar te gehoorzamen, dan volgt hij de bevelen van Krsņa en zal zijn leven volmaakt worden.
In het Śrimad-Bhāgavatam (11.17.27) zegt Kṛṣṇa:
ācāryaṁ māṁ vijānīyān
nāvamanyeta karhicit
na martya-buddhyāsūyeta
sarva-deva-mayo guruḥ
nāvamanyeta karhicit
na martya-buddhyāsūyeta
sarva-deva-mayo guruḥ
“Men moet weten dat de ācārya niet van Mij verschilt en hem nooit op welke wijze dan ook oneerbiedig behandelen. Men mag niet afgunstig op hem zijn en denken dat hij een gewoon mens is, want hij is de vertegenwoordiger van alle halfgoden." Afgunstig zijn op de geestelijk leraar en hem als een gewoon mens beschouwen zijn er de oorzaak van dat een toegewijde ten val komt. Toegewijde dienst vereist training onder begeleiding van een geestelijk leraar, en je krijgt deze begeleiding als je je aan de geestelijk leraar overgeeft, hem vragen stelt en hem dient. Dit is onmogelijk voor iemand die afgunstig is op de geestelijk leraar.
Geruïneerd door een prostituée, maar gered door de heilige naam
Ajāmila was opgeleid als brāhmaņa, maar verloor die positie vanwege zijn omgang met een prostituée, en zó erg zelfs, dat hij al zijn brahmaanse activiteiten vergat. Toch werd hij, door aan het einde van zijn leven de vier lettergrepen van de heilige naam Nārāyaņa uit te roepen, voor het grootste gevaar behoed: terugvallen naar lagere levensvormen. Zoals Kṛṣṇa in de Bhagavad-gītā (2.40) uitlegt, sv-alpam apy asya dharmasya trāyate mahato bhayāt: "Zelfs een klein beetje toegewijde dienst kan iemand voor het grootste gevaar behoeden.’’ Toegewijde dienst begint met het chanten van de heilige naam van de Heer en is zó krachtig, dat het zelfs iemand die vanwege overgave aan seks uit zijn verheven positie als brāhmaṇa ten val gekomen is van alle rampen kan redden, als hij op de een of andere manier de heilige naam uitspreekt. Dit is de buitengewone kracht van de heilige naam van de Heer. Daarom wordt in de Bhagavad-gitā aangeraden dat je het chanten van de heilige naam zelfs geen moment mag vergeten: satatam kirtayanto mām yatantas ca drdha-vratāh.
In deze materiële wereld zijn er zoveel gevaren, dat je elk moment uit een verheven positie ten val kan komen. Hou je je echter door het chanten van de Hare Krsņa mahā-mantra altijd zuiver en standvastig, dan zal je zonder twijfel veilig zijn. Ajāmila deed dit niet en verloor daardoor in het gezelschap van een prostituée al zijn brahmaanse eigenschappen. Het resultaat van het eten van voedsel dat door een prostituée bereid is, wordt hier speciaal vermeld. Voedsel dat bereid is door een onreine en zondige vrouw is uiterst besmettelijk. Ajāmila at dit soort voedsel en werd daarom een zondaar.
Ook wordt hier melding gemaakt van Ajāmila's misbruik van de erfenis van zijn vader. Iedereen komt er gewoonlijk voor in aanmerking de eigendommen van zijn vader te erven, en Ajāmila erfde het geld van zijn vader. Maar wat deed hij met dat geld? In plaats van het in Kṛṣṇa's dienst te gebruiken, gebruikte hij het in dienst van een prostituée, en daarom was hij verdoemd. Hoe kwam dit zo? Hij was het slachtoffer geworden van de gevaarlijke, wellustige blikken van de prostituée.
Een kuise en trouwe vrouw zal het leven schenken aan goede zonen, die dan offeranden aan zijn voorouders zal opdragen en ze zo zal verlossen, mochten ze in een helse toestand terechtgekomen zijn. Het woord putra, "zoon", betekent zelfs "iemand die zijn voorouders uit de hel kan verlossen". Śrī Caitanya Mahāprabhu gaf Zelf het goede voorbeeld toen Hij naar Gāya ging om daar offeranden aan Zijn voorouders op te dragen. Zelfs nu nog is er in Gāya een Viṣṇu-tempel waar dergelijke offeranden aan de lotusvoeten van Heer Viṣṇu opgedragen worden. Er zijn gevallen geweest waarin iemands vader of moeder na de dood het lichaam van een geest kreeg, en nadat er offeranden aan de lotusvoeten van Heer Viṣṇu in Gāya opgedragen waren, werd de vader of moeder verlost. Wie een Vaiṣṇava wordt, draagt echter elk moment offeranden op aan Vișņu, en zijn voorouders worden dus vanzelf verlost. Als een zoon van de familie een Vaiṣṇava wordt, kan hij veertien generaties van voorouders verlossen en veertien generaties van nog ongeboren nakomelingen. Dit wordt bevestigd in het Srimad-Bhāgavatam.
Beheersing van de zintuigen is het begin van een vroom leven, ongeoorloofde seks het begin van een zondig leven. Je kan je niet inlaten met ongeoorloofde seks of seks om enige andere reden dan een kind te verwekken bij de echtgenote. Het huwelijk is bedoeld voor het verwekken van kinderen, en vanuit dat oogpunt is het een godsdienstige instelling. Heer Kṛṣṇa bevestigt dit in de Bhagavad-gītā (7.11), dharmāviruddho bhūtesu kāmo 'smi: "Ik ben de geslachtsgemeenschap die niet tegen de religieuze principes ingaat."Śivānanda Sena was een toegewijde van Caitanya Mahāprabhu en had een gezin. Hij kwam elk jaar met de toegewijden en zijn vrouw en kinderen naar Purī om Heer Caitanya te zien. Op een keer bezocht hij de Heer. Zijn vrouw, die toen zwanger was, bracht haar eerbetuigingen, en Heer Caitanya Mahāprabhu adviseerdeŚivānan-da: "Als je kind geboren wordt, moet je hem Paramānanda dāsa noemen." Heer Caitanya Mahāprabhu wist dat zwangerschap het resultaat was van seks, maar in dit geval veroordeelde Hij het niet omdat ze volgens de schriftuurlijke geboden tot stand gekomen was.
Aan de andere kant is er het geval van Choța Haridāsa. Hij was een sannyāsi, een verzaker, en een intiem metgezel van de Heer. Op een keer verlangde hij slechts naar seks-hij deed niets feitelijk-en Heer Caitanya Mahāprabhu, als Paramātmā, begreep dit onmiddellijk. De Heer vroeg Zijn andere metgezellen toen om Chota Haridāsa niet meer toe te staan Hem te ontmoeten. Sarvabhauma Bhațțācārya, Rāmānanda Rāya en andere vertrouwelijke metgezellen van Caitanya Mahāprabhu verzochten Hem: "Choța Haridāsa is Uw eeuwige dienaar. Om een of andere reden heeft Hij deze overtreding begaan, maar wees alstublieft zo vriendelijk hem te vergeven." Toch hield Caitanya Mahāprabhu in dit geval voet bij stuk en antwoordde onmiddellijk: “Als jullie Chota Haridāsa zo graag mogen, is het beter dat jullie bij hem blijven en dan zal Ik gaan." Vanaf dat moment kwam niemand Heer Caitanya meer vragen Choța Haridāsa te vergeven. Toen Choța Haridāsa wanhopig werd in zijn pogingen verontschuldigd te worden, ging hij naar Prayag en verdronk zichzelf daar in de samenloop van de Yamunāen de Ganges. Hoewel Heer Caitanya op de hoogte was van dit incident, vroeg Hij na een tijdje aan Zijn metgezellen: "Waar is Chota Haridāsa nu?"
Ze antwoordden Hem: "Heer, U accepteerde hem niet en daarom heeft hij zelfmoord gepleegd."
Heer Caitanya zei: "Goed. Dat is heel goed."
Heer Caitanya was soms harder dan steen en soms zachter dan een bloem. Zo is het gedrag van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Sivānanda Sena was een bonafide gṛhasthadie zich aan de regels van het gezinsleven hield, terwijl Choța Haridāsa slechts een keer seks verlangde. Maar omdat hij zich in de verzakende levensorde bevond was hij verdoemd. Een sannyāsī verlaat zijn familie en legt de gelofte af zich van seks te onthouden, en als hij dan weer met seks inlaat begaat hij een enorme zonde.
Ajāmila was dus het slachtoffer van ongeoorloofde seks met een prostituée. Er zijn over de hele wereld vele voorbeelden van gezuiverde personen die het slachtoffer worden van de aantrekking tot een prostituée en daar al hun geld aan verspillen. Achter prostituées aanjagen is uiterst afkeurenswaardig. Seks met een prostituée kan iemands karakter omlaaghalen, zijn verheven positie vernietigen en hem van al zijn geld beroven. Daarom is ongeoorloofde seks ook streng verboden. Je moet tevreden zijn met je echtgenote, want slechts een klein beetje afdwalen kan een grote puinhoop veroorzaken. Een Kṛṣṇa-bewuste gṛhastha moet dit altijd onthouden. Hij moet voldaan zijn met één vrouw en tevreden zijn met het chanten van de Hare Kṛṣṇa mantra, anders kan hij elk moment uit zijn goede positie ten val komen, zoals in dit voorbeeld van Ajāmila.
Het onwaardige karakter van Ajāmila in ogenschouw genomen, stonden de Yamadūta's versteld dat de Vișņudūta's hen verboden hadden zo iemand naar Yamarāja te brengen om gestraft te wor-den. Omdat Ajāmila niet voor zijn zonden geboet had, dachten de Yamadūta's dat ze hem naar Yamarāja moesten brengen om gezuiverd te worden. Door Yamarāja gestraft worden is een zuiveringsproces voor de meest afschuwelijke zondaars. Daarom verzochten de Yamadūta's de Vișņudūta's hen niet te hinderen bij het wegvoeren van Ajāmila.