Default View
Dual Language

Hoofdstuk 21

Vertrouwelijke kennis

Yamarāja vervolgde: "De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is in Zichzelf voldaan en volkomen onafhankelijk. Hij is de meester van alles en iedereen, met inbegrip van de begoochelende energie. Hij heeft Zijn eigen gedaante, eigenschappen en kenmerken, en Zijn boodschappers, de Vișņudūta's of vaişņava's, zijn heel mooi en qua uiterlijk en transcendentale eigenschappen bijna net als Hij. Zij reizen altijd volkomen onafhankelijk door deze wereld."
"De boodschappers van Heer Viṣṇu worden zelfs door de halfgoden aanbeden en men ziet ze maar heel zelden. Ze beschermen de toegewijden van de Heer tegen hun vijanden, afgunstige mensen, natuurlijke storingen, en zelfs tegen mijn rechtspraak."
"Het ware religieuze principe wordt bepaald door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Zelfs de grote ṛṣi’s die op de hoogste planeten wonen kunnen dit principe niet vaststellen, ook al verkeren ze helemaal in de hoedanigheid goedheid, en hetzelfde geldt voor de halfgoden en de leiders van Siddhaloka. Om van de asura's, gewone mensen, Vidyādhara's en Cāraņa's dan nog maar te zwijgen."
"Heer Brahmā, Bhagavān Nārada Muni, Heer Śiva, de vier Kumāras, Heer Kapila [de zoon van Devahūti], Svāyambhuva Manu, Prahlāda Mahārāja, Janaka Mahārāja, grootvader Bhīșma, Bali Mahārāja, Śukadeva Gosvāmī en ikzelf kennen het ware religieuze principe. Mijn beste dienaren, dit transcendentale reli-gieuze principe, dat bhāgavata-dharma, overgave aan en liefde voor de Allerhoogste Heer, genoemd wordt, is niet verontreinigd met de materiële hoedanigheden van de natuur. Het is zeer vertrouwelijk en voor gewone mensen moeilijk te begrijpen, maar wie zo gelukkig is om het te begrijpen, is onmiddellijk verlost en keert terug naar huis, terug naar God."
"Toegewijde dienst, wat begint met het chanten van de heilige naam van de Heer, is het meest essentiële religieuze principe voor de mens."
"Mijn beste dienaren, jullie zijn als mijn zonen; zie toch hoe heerlijk het chanten van de heilige naam van de Heer is. De uiterst zondige Ajāmila sprak die naam slechts uit om zijn zoon te roepen, zonder dat hij wist dat hij de heilige naam van de Heer aanriep. En toch, hierdoor herinnerde hij zich Nārāyaņa en werd daardoor onmiddellijk uit de touwen van de dood verlost."
"We moeten daarom beseffen dat we door het aanroepen van de heilige naam van de Heer en het verheerlijken van Zijn eigenschappen en activiteiten, heel gemakkelijk verlost worden van alle reacties op onze zonden. Dit is de enige aanbevolen methode om je te ontdoen van de reacties op je zonden. Zelfs als iemand de heilige naam van de Heer niet op de juiste manier uitspreekt, zal hij, mits hij dat zonder overtredingen doet, verlost worden uit de materiële gevangenschap. Ajāmila was bijvoorbeeld uiterst zondig, maar hij riep de heilige naam terwijl hij stierf en herinnerde zich Nārayana. Zo werd hij volledig verlost, ook al wilde hij zijn zoon roepen."
"Omdat Yājñavalkya, Jaimini en andere samenstellers van religieuze geschriften verward zijn door de begoochelende energie van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, kunnen ze de vertrouwelijke religieuze leer van de twaalf mahājana's niet kennen. Ze kunnen de transcendentale waarde van toegewijde dienst of het chanten van de Hare Kṛṣṇa mantra niet begrijpen. Omdat hun geest aangetrokken is tot de rituelen die in de Veda's vermeld staan-met name in de Yajur-Veda, Sāma-Veda en Ṛg -Veda-is hun intelligentie afgestompt geraakt. Vandaar dat ze druk bezig zijn met het verzamelen van de benodigdheden voor rituelen die slechts tijdelijk voordeel opleveren, zoals verheffing naar Svarga-loka voor materieel geluk. Ze voelen zich niet aangetrokken tot de sańkirtana-beweging, maar zijn in plaats daarvan juist geïnteresseerd in religie, economische ontwikkeling, zinsbevrediging en verlossing."
"Daarom besluiten intelligente mensen, na al deze punten in overweging genomen te hebben, om alle problemen op te lossen door over te gaan tot de toegewijde dienst van het chanten van de heilige naam van de Heer, die Zich in ieders hart bevindt en de bron van alle zegenrijke eigenschappen is. Zulke mensen vallen niet in mijn rechtsgebied. Over het algemeen begaan ze nooit zonden, maar zelfs als ze dat per ongeluk of uit verwarring of illusie toch doen, zijn ze beschermd tegen de reacties op hun zonden omdat ze altijd de Hare Kṛṣṇa mantra chanten."
"Mijn beste dienaren, benader zulke toegewijden alsjeblieft niet, want ze hebben zich volkomen overgegeven aan de lotus-voeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Ze stellen zich tegenover iedereen gelijk op en worden door de halfgoden en de bewoners van Siddhaloka bezongen. Kom alsjeblieft niet eens bij hen in de buurt. Ze worden altijd beschermd door de knots van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, en daarom zijn Heer Brahmā en ik, en zelfs de tijd niet in staat ze te straffen."
"Paramahaṁsa’s zijn verheven personen die geen smaak voor materieel genot hebben, en de honing van de lotusvoeten van de Heer drinken. Mijn beste dienaren, breng me alleen die personen die een afkeer hebben van de smaak van deze honing, die niet met Paramahaṁsa’s omgaan, en die gehecht zijn aan het gezinsleven en werelds genot, want deze wegen leiden naar de hel."
"Mijn beste dienaren, breng me alsjeblieft alleen die zondaars die hun tong niet gebruiken om de heilige naam te chanten en Kṛṣṇa's eigenschappen te verheerlijken, die zich in hun hart niet éénmaal Zijn lotusvoeten herinneren, en die nooit hun hoofd voor Hem neerbuigen. Stuur me diegenen die zich onttrekken aan hun plichten tegenover Viṣṇu, wat de enige ware plichten van de mens zijn. Breng me alsjeblieft al dit soort dwazen en schurken." (Srīmad-Bhāgavatam 6.3.17-29)

De beschermers

Yamarāja gaf een beschrijving van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, de allerhoogste bestuurder, maar zijn boodschappers wilden graag meer weten over de Vișņudūta's, die hen verslagen hadden tijdens hun ontmoeting met Ajāmila. Daarom legde Yamarāja uit dat de Vișņudūta's qua uiterlijk, transcendentale eigenschappen en aard op de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods lijken. De Vionudūta's, of Vaiṣṇava's, hebben met andere woorden vrijwel dezelfde kenmerken als de Allerhoogste Heer. Yamarāja vertelde de Yamadūta's dat de Vișņudūta’s niet onderdoen in kracht voor Heer Viṣṇu. Omdat Vișņu boven Yamarāja staat, staan de Vișņudūta's boven de Yamadūta's. Wie door de Vișņudūta's beschermd wordt, kan dus niet eens door de Yamadūta's aangeraakt worden.
Yamarāja had een beschrijving gegeven van de eigenschappen van de Vișņudūta's om zijn eigen dienaren ervan te overtuigen niet afgunstig op hen te zijn. Yamarāja waarschuwde de Yamadūta's dat de Vișņudūta’s door de halfgoden met nederige eerbetuigingen aanbeden worden en altijd klaarstaan om de toegewijden van de Heer te beschermen tegen vijanden, natuurlijke verstoringen en allerlei andere gevaarlijke omstandigheden in deze materiële wereld. Soms zijn de leden van de gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn wel eens bang voor een opkomende wereldoorlog en vragen zich af wat er in zo'n geval met hen zal gebeuren. In alle soorten gevaar moeten ze echter vertrouwen op de bescherming van de Vișņudūta's of de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, zoals Kṛṣṇa Zelf bevestigt in de Bhagavad-gītā (9.31), kaunteya pratijānihi na me bhaktah pranaśyati: "O zoon van Kuntī, je kan zondermeer verkondigen dat Mijn toegewijde nooit verloren gaat."
Materieel gevaar is niet voor toegewijden. Dit wordt tevens bevestigd in het Śrimad-Bhāgavatam (10.14.58): pudam padar yad vipadām na tesām. In deze materiële wereld dreigt er bij elke stap gevaar, maar dat is niet bedoeld voor toegewijden die zich helemaal overgegeven hebben aan de lotusvoeten van de Heer. De zuivere toegewijden van Heer Viṣṇu kunnen gerust zijn dat de Heer hen zal beschermen, en zolang ze in deze materiële wereld zijn, moeten ze zich ten volle wijden aan toegewijde dienst door de boodschap van Śrī Caitanya Mahāprabhu en Heer Kṛṣṇa te verkondigen: Hare Krsņa chanten en andere aspecten van het Kṛṣṇa-bewustzijn.

Rechtstreeks contact met Kṛṣṇa

Toen ze door de Vișņudūta’s uitgedaagd werden de religieuze principes te beschrijven, hadden de Yamadūta's geantwoord, veda-pranihito dharmah: "De vedische literatuur bepaalt wat religieuze principes zijn." Ze wisten echter niet dat de vedische literatuur rituelen bevat die niet transcendentaal zijn, maar bedoeld om de vrede en orde onder de materialistische mensen in de materiële wereld te handhaven. Ware religieuze principes zijn nistraigunya, transcendentaal; ze staan boven de drie hoedanigheden van de materiële natuur. De Yamadūta's kenden deze transcendentale religieuze principes niet en waren daarom verbaasd toen ze ervan weerhouden werden Ajāmila gevangen te nemen.
Materialisten die al hun vertrouwen in de vedische rituelen stellen, worden in de Bhagavad-gitā (2.42) beschreven, waar Kṛṣṇa zegt, veda-vāda-ratāh pārtha nānyad astīti vādinah: "De zogenaamde volgelingen van de Veda's beweren dat er niets beters is dan de vedische rituelen." Er zijn inderdaad mensen in India die gek zijn op de vedische rituelen, terwijl ze geen idee hebben van de betekenis van die rituelen, die tot doel hebben iemand geleidelijk aan te verheffen naar het transcendentale niveau van inzicht in Kṛṣṇa (vedaiś ca sarvair aham eva vedyah). Wie deze principes niet kent en alleen maar vertrouwen stelt in de vedische rituelen, wordt een veda-vāda-ratāh genoemd.
Hier wordt uitgelegd dat de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods het ware religieuze principe geeft. Heer Kṛṣṇa geeft dat principe in de Bhagavad-gitā (18.66), sarva-dharmān parityajya mām ekam saranar vraja: "Laat alle andere plichten voor wat ze zijn en geef je over aan Mij." Dat is het ware religieuze principe dat iedereen dient te volgen. Dat iemand de vedische geschriften volgt, betekent nog niet dat hij dit transcendentale principe kent, want het is niet aan iedereen bekend. Zelfs de halfgoden van de hogere planetenstelsels zijn zich er niet gewaar van, om van de mens dan nog maar te zwijgen. Zoals in deze verzen uitgelegd wordt, moet je het inzicht in dit transcendentale religieuze principe rechtstreeks van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods krijgen of van Zijn speciale vertegenwoordigers.
In de Bhagavad-gitā verwijst Kṛṣṇa naar bhāgavata-dharma als het meest vertrouwelijke religieuze principe (sarva-ghuyatamam,guhyād guhyataram). Kṛṣṇa vertelt Arjuna: "Omdat je Mijn goede vriend bent, leg Ik je de meest vertrouwelijke religie uit." Sarva-dharmān parityajya mām ekam śaranant vraja: "Laat alle andere plichten voor wat ze zijn en geef je over aan Mij." Je zou je kunnen afvragen wat het nut van dit principe is als het zo zelden begrepen wordt. Als antwoord daarop legt Yamarāja hier uit dat dit religieuze principe begrepen kan worden als je het paramparā -systeem volgt van Heer Brahmā, Heer Śiva, de vier Kumāra's en de andere standaardautoriteiten. Er zijn vier opeenvolgingen van discipelen: van Heer Brahmā, Heer Śiva, de vier Kumāra's en van Lakșmī,de godin van het geluk. De opeenvolging van discipelen van Heer Brahmā wordt de Brahma-sampradāya genoemd, die van Heer Śiva (Śambhu) de Rudra-sampradāya, die van Lakșmī de Śrī-sampradāya en die van dle Kumāra's de Kumāra-sampradāya. Om het meest vertrouwelijke systeem van religie te kunnen begrijpen, moet je je toevlucht nemen tot een van deze vier sampradāya's. In de Padma Purāna staat, sampradāya-vihinā ye mantrās te nisphalā matāh:“Als men de vier erkende opeenvolgingen van discipelen niet volgt, heeft zijn mantra of initiatie geen zin."
Momenteel zijn er vele apasampradāya's, niet bonafide sampradāya's, die niet verbonden zijn met autoriteiten als Heer Brahmā, Heer Śiva, de Kumāra's of Lakșmī. De mensen worden door zulke sampradāya's misleid. De śāstra zegt dat geïnitieerd worden in zo'n sampradāya een verspilling van tijd is, want het zal iemand nooit in staat stellen ware religieuze principes te begrijpen en zich aan Kṛṣṇa over te geven.
Ware religieuze principes zijn bhāgavata-dharma, de principes zoals ze gegeven worden in het Śrimad-Bhāgavatam zelf, of in de Bhagavad-gitā, de voorstudie van het Bhāgavatam. Welke zijn deze principes? Het Bhāgavatam (1.1.2) zegt, dharmah projjhita-kaitavo 'tra: "In het Srimad-Bhāgavatam staan geen bedrieglijke religieuze systemen. "Alles in het Śrimad-Bhāgavatam is met andere woorden rechtstreeks verbonden met de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Het Bhāgavatam (1.2.6) zegt verder nog, sa vai pursām paro dharmo yato bhakitr adhoksaje: "De allerhoogste religie leert haar volgelingen de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, die Zich buiten het bereik van de experimentele kennis bevindt, lief te hebben." Zo'n religie begint met tan-nāma-grahana, het zingen van de heilige naam van de Heer. Na de heilige naam gezongen te hebben en vol vervoering gedanst te hebben, zie je geleidelijk aan de transcendentale gedaante van de Heer, Zijn eigenschappen en Zijn spel. Op deze wijze krijg je een volledig inzicht in de positie van de Persoonlijkheid Gods.
Je kan echter alleen maar tot dit inzicht van de Heer komen door toegewijde dienst, zoals Kṛṣṇa uitlegt in de Bhagavad-gītā (18.55), bhaktyā mām abhijānāti yāvān yas cāsmi tattoatah:"Alleen door toe-gewijde dienst kan men Mij kennen zoals Ik ben." Als iemand zo gelukkig is de Allerhoogste Heer op deze manier te begrijpen, zal hij na het opgeven van zijn lichaam niet langer in deze materiële wereld geboren hoeven te worden (tyaktvā dehar punar janma naiti).In plaats daarvan keert hij terug naar huis, terug naar God. Dat is de uiteindelijke vervolmaking. Daarom zegt Heer Kṛṣṇa in de Bhagavad-gītā (8.15):
mām upetya punar janma
duḥkhālayam aśāśvatam
nāpnuvanti mahātmānaḥ
saṁsiddhiṁ paramāṁ gatāḥ
"Hebben de grote zielen, die yogi's in toewijding zijn, Mij bereikt, dan keren ze nimmer terug naar deze tijdelijke wereld vol ellende, want ze hebben de hoogste volmaaktheid bereikt."

Bewijs inzake het chanten van de heilige naam

Het is niet nodig een onderzoek te doen naar het belang van het chanten van de Hare Kṛṣṇa mantra. De geschiedenis van Ajāmila is voldoende bewijs voor de macht van de heilige naam van de Heer en de verheven positie van iemand die de heilige naam onophoudelijk chant. Daarom heeft Caitanya Mahāprabhu ons aangeraden:
harer nāma harer nāma
harer nāmaiva kevalam
kalau nāsty eva nāsty eva
nāsty eva gatir anyathā
"De enige manier om verlost te worden in dit tijdperk van strijd en schijnheiligheid is het aanroepen van de heilige naam van de Heer. Er is geen andere manier. Er is geen andere manier. Er is geen andere manier." (Brhan-nāradīya Purāna 3.8.126) In dit tijdperk kan vrijwel niemand alle moeilijke rituelen om verlost te worden volbrengen. Daarom hebben alle śāstra's en ācārya's geadviseerd dat we in dit tijdperk gewoon de heilige naam moeten chanten. Dat zal tot volkomen volmaaktheid leiden.
Haridāsa Thākura bevestigde tijdens een door Raghunātha dāsa Gosvāmi's vader georganiseerde bijeenkomst dat iemand door louter de heilige naam te chanten verlost is, ook al chant hij niet helemaal zonder overtredingen te begaan. Smārta-brāhmaṇa's en māyāvādi's geloven niet dat iemand op deze manier verlost kan worden, maar de waarheid in Haridāsa Ţhākura's uitspraak wordt door vele citaten uit de vedische literatuur ondersteund.
In het gedeelte van het Śrimad-Bhāgavatam waar we het nu over hebben zegt Yamarāja bijvoorbeeld: "We moeten beseffen dat we door het aanroepen van de heilige naam van de Heer en het verheerlijken van Zijn eigenschappen en activiteiten heel gemakkelijk verlost worden van alle reacties op onze zonden. Dit is de enige aanbevolen methode om je te ontdoen van de reacties op je zonden. "In zijn commentaar op dit vers haalt Śrīdhara Svāmī het volgende citaat aan, sāyam prātar grnan bhaktyā duhkha-gramād vimucyate:"Als men de heilige naam van de Heer elke ochtend en avond onophoudelijk met grote toewijding chant, wordt men van alle materiële ellende verlost." Een ander citaat bevestigt dat iemand verlost kan worden door de heilige naam van de Heer elke dag voortdurend met groot respect aan te horen: anudinam idam ādarena śrnvan. Weer een ander citaat zegt;
śravaṇaṁ kīrtanaṁ dhyānaṁ
harer adbhuta-karmaṇaḥ
janma-karma-guṇānāṁ ca
tad-arthe ’khila-ceṣṭitam
"Men dient altijd te horen en te chanten over de fantastische activiteiten van de Heer en daarop te mediteren, en men dient zijn best te doen de Heer te plezieren." (Śrimad-Bhāgavatam 11.3.27)Śrīdhara Svāmī geeft eveneens het volgende citaat uit de Purāna's, pāpa-ksayaś ca bhavati smaratām tam ahar-nisam: "Men kan van alle reacties op zijn zonden verlost worden door zich gewoon dag en nacht de lotusvoeten van de Heer te herinneren." Tot slot geeft hij een citaat uit het hoofdstuk van het Śrimad-Bhāgavatam waar we nu over spreken (6.3.31):
tasmāt saṅkīrtanaṁ viṣṇor
jagan-maṅgalam aṁhasām
mahatām api kauravya
viddhy aikāntika-niṣkṛtam
"Het zingen van de heilige naam van de Hee kan zelfs de reacties op de grootste zonden tenietdoen. Daarom is het zingen zoals dat gedaan wordt door de saṅkīrtana-beweging de meest zegenrijke activiteit in het universum."
Al deze citaten bewijzen dat wie de heilige naam van de Heer onophoudelijk hoort en chant, en eveneens luistert naar beschrijvingen van Zijn roem, gedaante en activiteiten, verlost is. Zoals zo prachtig in vers 24 staat, etāvatālam agha-nirharanāya pursām:"Door slechts de naam van de Heer uit te spreken wordt men verlost van alle reacties op zijn zonden."
Het woord alam in dit vers geeft aan dat slechts het uitspreken van de heilige naam van de Heer al voldoende is. Andere methoden zijn overbodig. Zelfs als iemand de heilige naam onvolmaakt uitspreekt, wordt hij van alle reacties op zijn zonden verlost.
De verlossing van Ajāmila is het bewijs van deze kracht van de heilige naam. Toen Ajāmila de heilige naam van Nārāyaņa riep, deed híj dat niet zozeer om zich de Allerhoogste Heer voor de geest te halen. Nee, het ging hem om zijn eigen zoon. Toen Ajāmila stierf was hij zeker onrein. Hij stond bekend als een groot zondaar. Daar komt nog eens bij dat het lichaam tijdens de dood helemaal verstoord is, en in zo'n bizarre toestand zou het voor Ajāmila ontzettend moeilijk geweest zijn de heilige naam duidelijk uit te spreken. Desondanks werd hij door louter de heilige naam van de Heer aan te roepen verlost. Wat valt er dan nog te zeggen over degenen die niet zo zondig zijn als Ajāmila? De slotsom luidt daarom dat we met een strenge gelofte dagelijks de heilige naam van de Heer moeten chanten - Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare / Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare - want door de genade van Kṛṣṇa zal men zeker uit de greep van māyā verlost worden.
Het chanten van de Hare Kṛṣṇa mantra wordt zelfs aangeraden voor personen die overtredingen begaan, want als ze doorgaan met chanten zullen op den duur geen overtredingen meer begaan. En door zonder overtredingen Hare Kṛṣṇa te chanten zullen ze vervolgens hun liefde voor Kṛṣṇa vergroten. Zoals door Heer Caitanya uitgelegd wordt, premā pum-artho mahān, moeten de toename van gehechtheid aan en liefde voor de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods onze eerste zorg zijn.
Door het chanten van de heilige naam van de Heer behaal je met gemak het grootste succes, en je zou je dan kunnen afvragen waarom er zoveel vedische rituelen zijn en waarom mensen daartoe aangetrokken zijn. Yamarāja beantwoordt die vraag in deze passage van het Śrimad-Bhāgavatam. Helaas worden onverstandige mensen begoocheld door de grootsheid van de vedische yajña's en willen daarom dus uitgebreide offerplechtigheden uitgevoerd zien. Ze willen dat er vedische mantra's gereciteerd worden en dat er voor dergelijke ceremonieën enorme bedragen worden uitgegeven. Soms moeten we zulke vedische rituelen in acht nemen om dit soort onintelligente mensen voldoening te schenken. Toen we in 1975 een grote Kṛṣṇa-Balarāma tempel in Vṛndāvana oprichtten, waren we gedwongen door brāhmaṇa's vedische ceremonieën te laten uitvoeren, omdat de inwoners van Vṛndāvana, en met name de smārta-brāhmana's, Europeanen en Amerikanen niet als bonafide brāhmaṇa's wilden aanvaarden, Vandaar dat we brāhmaṇa's in dienst moesten nemen om dure yajñas te volbrengen. Terwijl deze yajñas aan de gang waren hielden de leden van onze gemeenschap luide kirtana's met mṛdaṅga’s, en ik vond die saṅkīrtana belangrijker dan die vedische rituelen. De ceremonieën en saṅkīrtana vonden gelijktijdig plaats. De ceremonieën waren bedoeld voor degenen die geïnteresseerd zijn in vedísche rituelen voor de verheffing naar hemelse planeten (jadi-krta-matir madhu-puspitāyām), terwijl de saṅkīrtana bedoeld was voor zuivere toegewijden die de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods een plezier willen doen. Wij zouden gewoon saṅkīrtana gehouden hebben, maar dan zouden de inwoners van Vṛndāvana de installatie-ceremonie niet serieus genomen hebben. Zoals hier uitgelegd wordt, zijn de vedische voorstellingen bedoeld voor degenen wier intelligentie misleid is door de bloemrijke taal der Veda's, die offers beschrijven die verheffing naar de hogere planeten tot doel hebben.
Vooral in dit tijdperk is saṅkīrtana alleen voldoende. Als de leden van onze tempels in verschillende delen van de wereld gewoon doorgaan met het houden van saṅkīrtana voor de Beeldgedaante van de Heer, en voor Śrī Caitanya Mahāprabhu in het bijzonder, zullen ze volmaakt blijven. Allerlei andere dingen zijn onnodig. Verering van de Beeldgedaante en andere regulerende principes zijn echter wel vereist, evenals dat we ons zuiver houden in gewoonten en geest. Śrīla Jīva Gosvāmī zegt dat hoewel saṅkīrtana voldoende is voor de vervolmaking van het leven, de verering van de Beeld-gedaante in de tempel door moet gaan, zodat de toegewijden rein en zuiver kunnen blijven. Śrīla Bhakitsiddhānta Sarasvatī Ţhākura heeft daarom aangeraden dat we beide methoden tegelijkertijd volgen. We volgen zijn principe van het gelijktijdig vereren van de Beeldgedaante en het houden van saṅkīrtana strikt op, en hier dienen we mee door te gaan.

Het rechtsgebied van Yamarāja

In dit verband citeert Śrila Viśvanātha Cakravartī Thākura het volgende vers uit de gebeden van Heer Brahmā (Śrīmad-Bhāgavatam 10.14.29):
athāpī te deva padāmbuja-dvaya-
prasāda-leśānugṛhīta eva hi
jānāti tattvaṁ bhagavan-mahimno
na cānya eko ’pi ciraṁ vicinvan
na cānya eko 'pi ciram vicinvan De betekenis is, dat hoewel iemand een geleerde kan zijn op het gebied van de vedische śāstra’s, hij zich toch volkomen onbewust kan zijn van het bestaan van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods en Zijn naam, gedaante, eigenschappen, enzovoort, terwijl iemand die geen groot geleerde is de positie van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods kan begrijpen door op een of andere manier via toegewijde dienst een zuivere toegewijde van de Heer te worden. Daarom zegt Yamarāja in vers 26, evam vimrsya sudhiyo bhagavati: wie zich aan de liefdevolle dienst van de Heer wijdt wordt sudhiyah, verstandig, terwijl dat niet het geval is met een vedische geleerde die Kṛṣṇa's naam, roem en eigenschappen niet begrijpt. Een zuivere toegewijde is iemand wiens verstand helder is; hij is werkelijk wijs omdat hij zich aan de dienst van de Heer wijdt. Niet zomaar voor de show, maar met liefde-met zijn geest, woorden en lichaam. Niet-toegewijden maken een show van religie, maar dat heeft niet veel effect omdat ze, terwijl ze pronkend naar de tempel of kerk gaan, voortdurend aan iets anders denken. Zulke personen verwaarlozen hun religieuze plichten en kunnen door Yamarāja gestraft worden. Een toegewijde die vanwege vroegere gewoonten ongewild of per ongeluk een zonde begaat, wordt echter verontschuldigd. Dat is de waarde van de saṅkīrtana -beweging.
In feite waarschuwde Yamarāja zijn dienaren: "Mijn beste dienaren, van nu af aan moeten jullie ermee ophouden toegewijden lastig te vallen. De toegewijden die zich hebben overgegeven aan de lotusvoeten van de Heer en voortdurend Zijn heilige naam chanten, worden geëerd door de halfgoden en de bewoners van Siddhaloka. Die toegewijden zijn zo respectabel en verheven, dat Heer Viṣṇu ze persoonlijk beschermt met de knots in Zijn hand. Als je zulke toegewijden benadert, doodt Hij je met die knots. En om van jullie nog maar te zwijgen, zelfs als Heer Brahmā of ik ze zou straffen, zou Heer Viṣṇu op Zijn beurt ons straffen. Val de toegewijden daarom verder niet meer lastig."
Na de Yamadūta's op deze manier gewaarschuwd te hebben, geeft Yamarāja vervolgens aan wie er wel voor hem gebracht moeten worden. Hij raadt de Yamadūta's in het bijzonder aan hem materialistische personen te brengen, die louter aan het gezinsleven gehecht zijn voor de seks. In het Śrimad-Bhāgavatam (7.9.45) staat, yan maithunādi-grhamedhi-sukham hi tuccham. Mensen zijn alleen maar gehecht aan het gezinsleven omwille van het seksplezier, wat uiterst onbetekenend is. Door hun regelingen om geld te verdienen voor het onderhoud van hun gezin, komen ze voortdurend op allerlei manieren in de problemen, en hun enige geluk is dat ze zich na een hele dag hard gewerkt te hebben 's nachts tegoed doen aan seks en dan wat slapen. Yamarāja raadt zijn dienaren in het bijzonder aan om hem dit soort lieden te brengen om gestraft te worden, en niet de toegewijden die altijd de honing van de lotus-voeten van de Heer proeven, die zich tegenover iedereen gelijk opstellen, en die vanuit een gevoel van medeleven met alle levende wezens het Kṛṣṇa-bewustzijn prediken. Toegewijden komen er niet voor in aanmerking door Yamarāja gestraft te worden, terwijl degenen die geen informatie over Kṛṣṇa-bewustzijn hebben geen bescherming hoeven te verwachten van hun materialistische leven vol zogenaamd gezinsplezier. In het Śrimad-Bhāgavatam (2.1.4) staat:
dehāpatya-kalatrādiṣv
ātma-sainyeṣv asatsv api
teṣāṁ pramatto nidhanaṁ
paśyann api na paśyati
Materialisten zijn zelfvoldaan in hun overtuiging dat hun natie, samenleving of families hen kunnen beschermen, terwijl ze zich er niet gewaar van zijn dat zulke feilbare soldaten in de loop der tijd vernietigd zullen worden.
Om het even samen te vatten: we moeten proberen om te gaan met personen die zich vierentwintig uur per dag aan toegewijde dienst wijden. Dan kunnen we het doel van het menselijk leven te weten komen: Heer Visņu tevredenstellen. Varnāśrama-dharma is daar eveneens voor bedoeld. De Viṣṇu Purāna (3.8.9) stelt:
varṇāśramācāravatā
puruṣeṇa paraḥ pumān
viṣṇur ārādhyate panthā
nānyat tat-toṣa-kāraṇam
De menselijke samenleving heeft tot doel het varnāsrama-dharma,dat de maatschappij in vier sociale klassen (brāhmaṇa, kṣatriya, vaiśya, and śūdra) en vier geestelijke orden (brahmacarya, gṛhastha, vānaprastha, and sannyāsa) verdeelt, strikt na te volgen. Varnāśrama-dharma brengt iemand gemakkelijk dichter bij Heer Vișņu, die het enige ware doel is in de menselijke samenleving. Na te viduh svārtha-gatim hi Viṣṇum. Jammer genoeg weten de mensen niet dat het hun eigenbelang is terug te keren naar huis, terug naar God, of om Heer Viṣṇu te benaderen. Durāšayā ye bahir-artha-māninah. In plaats daarvan zijn ze verward door Kṛṣṇa's uitwendige, begoochelende energie. Ieder levend wezen wordt geacht plichten te vervullen die als doel hebben Heer Viṣṇu te benaderen. Daarom raadt Yamarāja de Yamadūta's aan hem alleen die personen te brengen die hun plicht tegenover Viṣṇu vergeten zijn. Wie de heilige naam van Viṣṇu of Kṛṣṇa niet chant, wie niet neerbuigt voor de Beeldgedaante van de Heer en wie zich Zijn lotusvoeten niet in gedachten houdt, kunnen door Yamarāja gestraft worden. Dus in een paar woorden: alle Vaiṣṇava's, die geen interesse hebben voor Heer Vișņu, kunnen door Yamarāja gestraft worden.