Default View
Dual Language

Hoofdstuk 22

De heerlijkheden van de heilige naam

[Daarna sprak Yamarāja, die zichzelf en zijn dienaren als overtreders beschouwde, als volgt om de Heer om vergiffenis te vragen:] "O mijn Heer, mijn dienaren hebben zondermeer een grote overtreding begaan door een vaisņava als Ajāmila gevangen te nemen. O Nārāyana, de allerhoogste en oudste van allen, vergeef ons alstublieft. Door onze onwetendheid hebben we Ajāmila niet als Uw dienaar herkend, en daarmee hebben we ongetwijfeld een grote overtreding begaan. Daarom smeken we U met gevouwen handen om vergiffenis. Mijn Heer, aangezien U bijzonder genadig bent en in het bezit van alle goede eigenschappen, vragen we U ons te willen vergeven. We brengen U onze nederige eerbetuigingen."
Śukadeva Gosvāmī vervolgde: Mijn beste koning, het zingen van de heilige naam van de Heer kan zelfs de reacties op de grootste zonden tenietdoen. Daarom is het zingen zoals dat gedaan wordt door de saṅkīrtana-beweging de meest zegenrijke activiteit in het universum. Probeer dit alstublieft in te zien, zodat anderen het ook serieus zullen nemen.
Wie voortdurend de heilige naam van de Heer hoort en chant, en over Zijn activiteiten hoort en ze verheerlijkt, kan heel gemakkelijk tot het niveau van zuivere toegewijde dienst komen, wat het hart van alle vuil kan reinigen. Door louter geloften af te leggen of vedische rituelen te volbrengen kan zo'n graad van zuivering nimmer behaald worden.
Toegewijden die voortdurend de honing van de lotusvoeten van Heer Kṛṣṇa oplikken, zijn absoluut niet geïnteresseerd in materiële activiteiten, die verricht worden onder invloed van de drie hoedanigheden van de materiële natuur en alleen maar ellende teweegbrengen. Het is zelfs zo dat toegewijden Kṛṣṇa's lotusvoeten nooit meer opgeven om zich weer bezig te gaan houden met materiële activiteiten. Anderen, die de dienst aan de lotusvoeten van de Heer verwaarloosd hebben en daardoor aan vedische rituelen gehecht zijn, en die begoocheld zijn door lust, wijden zich nu en dan aan boetedoeningen. Ze raken hierdoor echter nooit volledig gezuiverd en vallen daarom steeds weer terug tot zondige activiteiten.
Toen de Yamadūta's van hun meester over de buitengewone heerlijkheid van de Heer en Zijn naam, roem en eigenschappen hoorden, waren ze met stomheid geslagen. Sindsdien zijn ze bang als ze een toegewijde zien en durven niet eens meer naar hem te kijken.​​​​​​​
Toen de grote wijze Agastya in het Malaya-gebergte verbleef en daar de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods vereerde, heb ik hem opgezocht, en hij was het die me dit vertrouwelijke verhaal verteld heeft. (Śrimad-Bhāgavatam 6.3.30-35)

Yamarāja vraagt vergiffenis

Heer Yamarāja nam zelf de verantwoordelijkheid op zich voor de overtreding die zijn dienaren begaan hadden. Als de dienaar van een bepaalde instelling een fout maakt, is de instelling daar verantwoordelijk voor. Hoewel Yamarāja boven overtredingen staat, gingen zijn dienaren vrijwel met zijn toestemming Ajāmila gevangennemen, wat een grote overtreding was. De nyāya-sāstra bevestigt dit, bhrtyaparādhe svāmino dandah: "Als een dienaar een overtreding begaat, is de meester strafbaar." Omdat hij dit serieus nam, bad Yamarāja samen met zijn dienaren de Allerhoogste HHeer Nārāyana met gevouwen handen om vergeving.

Volmaakt worden

We dienen nogmaals op te merken dat hoewel Ajāmila de naam van Nārāyana niet volmaakt uitsprak, hij toch van alle reacties op zijn zonden verlost werd. Het aanroepen ván de heilige naam is zó zegenrijk dat het iedereen van de reacties op zijn zonden kan verlossen. Maar zoals een aantal malen eerder vermeld werd, moeten we niet tot de conclusie komen dat we gewoon verder kunnen zondigen met het plan Hare Kṛṣṇa te chanten om de reacties te neutraliseren. We moeten juist erg voorzichtig zijn dat we vrij van zonden blijven en er nooit aan denken met het reciteren van de Hare Kṛṣṇa mantra zondige activiteiten tegen te gaan, want ook dat is een overtreding. Als een toegewijde per ongeluk een zonde begaat, zal de Heer hem verontschuldigen, maar we moeten niet opzettelijk zondigen.
We kunnen met groot gemak het chanten en horen van de heilige naam van de Heer beoefenen en op deze wijze in vervoering raken in het geestelijk leven. De Padma Purāna zegt:
nāmāparādha-yuktānāṁ
nāmāny eva haranty agham
aviśrānti-prayuktāni
tāny evārtha-karāṇi ca
Zelfs als men de Hare Kṛṣṇa mantra met overtredingen chant, kan men deze overtredingen neutraliseren door zonder af te dwalen door te gaan met chanten. Wie hier gewend aan raakt, zal zijn zuivere transcendentale positie altijd handhaven, zonder zelfs ook maar door de reacties op zonden aangeraakt te kunnen worden.
Het is de taak van een toegewijde de Hare Kṛṣṇa mantra te reciteren. Je kan dat soms zonder en soms met overtredingen doen, maar als je dit proces serieus neemt, zal je volmaakt worden; iets wat niet bereikt kan worden door vedische rituelen of boetedoening. Wie aan vedische rituelen gehecht is, maar geen geloof hecht aan toegewijde dienst, en wie boetedoening aanraadt, maar geen waardering heeft voor het chanten van de heilige naam van de Heer, slaagt er niet in de hoogste volmaaktheid te bereiken. Toegewijden geven Kṛṣṇa-bewustzijn daarom nooit op voor vedische rituelen, want ze zijn volledig onthecht van materieel plezier. Wie vanwege wellustige verlangens aan de vedische rituelen gehecht is, wordt keer op keer blootgesteld aan de problemen van het materiële bestaan.
Sinds dit incident hebben de Yamadūta's hun gevaarlijke mentaliteit om toegewijden te benaderen opgegeven. Voor de Yamadūta's is een toegewijde gevaarlijk.