Default View
Dual Language

Hoofdstuk 20

Onder één meester

Yamarāja zei: "Mijn beste dienaren, hoewel jullie mij altijd voor de Allerhoogste hebben aangezien, ben ik dat in feite niet. Boven mij, en boven alle andere halfgoden, met inbegrip van Indra en Candra, staat die ene allerhoogste meester en bestuurder. De gedeeltelijke openbaringen van Zijn persoonlijkheid zijn Brahmā, Vișnu en Śiva, die verantwoordelijk zijn voor de schepping, instandhouding en vernietiging van dit universum. Hij is als de twee draden die de lengte en breedte van een geweven doek vormen."
Zoals de menner van een ossenkar touwen door de neuzen van zijn stieren haalt om ze onder controle te houden, zo houdt de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods alle mensen onder controle door middel van de touwen van Zijn woorden in de Veda's, waarin de namen en activiteiten van alle afzonderlijke orden van de samenleving beschreven staan (brāhmaņa's, kșatriya's, vaisya's en śūdra's). Uit vrees vereren alle leden van deze orden de Allerhoogste Heer door Hem geschenken aan te bieden overeenkomstig hun respectievelijke activiteiten."
“Ikzelf, Yamarāja, de hemelkoning Indra, Nirṛti, de watergod Varuṇa, de maangod Candra, de vuurgod Agni, Heer Śiva, de luchtgod Pavana, Heer Brahmā, de zonnegod Sūrya, Viśvāsu, de acht Vasu's, de Sādhya's, de Maruts, de Rudra's, de Siddha's, Marīci-tezamen met de andere grote ṛṣi’s die belast zijn met de instandhouding van bepaalde afdelingen van het universum, als ook de besten der halfgoden onder leiding van Bṛhaspati, en de grote wijzen onder leiding van Bhṛgu - wij allen zijn zondermeer vrij van de invloed van de twee lagere hoedanigheden van de materiële natuur, hartstocht en onwetendheid. Toch kunnen zelfs wij de activiteiten van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods niet begrijpen, ook al verkeren we in de hoedanigheid goedheid. Wat valt er dan nog te zeggen over anderen, die zich in een staat van begoocheling slechts inbeelden dat ze God kennen?"
"Op dezelfde manier als de verschillende delen van het lichaam de ogen niet kunnen zien, kunnen de levende wezens de Allerhoogste Heer niet zien, die Zich als de Superziel in ieders hart bevindt. De levende wezens kunnen de ware positie van de Allerhoogste Heer niet vaststellen door middel van hun zintuigen, geest, levenslucht, de gedachten in hun hart, of door hun woorden." (Śrimad-Bhāgavatam 6.3.12-16)

Eén allerhoogste bestuurder

De Yamadūta's hadden het vermoeden al dat er zelfs boven Yamarāja nog iemand stond. Om hun twijfels teniet te doen antwoordde Yamarāja meteen dat er boven alles één allerhoogste bestuurder staat. Yamarāja heeft de leiding over een aantal bewegende levende wezens-de mens-maar over de dieren, die eveneens bewegen, heeft hij niets te zeggen. Alleen mensen zijn zich bewust van goed en kwaad, en van hen vallen alleen degenen die zonden begaan onder het toezicht van Yamarāja. Dus hoewel Yamarāja een bestuurder is, is hij slechts een gedeeltelijke bestuurder van maar een paar levende wezens. Er zijn andere halfgoden die andere afdelingen besturen, maar boven hen staat er één allerhoogste bestuurder, Kṛṣṇa. Iśvarah paramah Kṛṣṇah: Kṛṣṇa is de allerhoogste bestuurder. In vergelijking met Kṛṣṇa, de allerhoogste bestuurder, zijn degenen die hun eigen afdeling in de universele aangelegenheden besturen onbetekenend. Zoals Kṛṣṇa uitlegt in de Bhagavad-gītā (7.7), mattah parataram nān-yat kincid asti dhananjaya: "Mijn beste Dhanañjaya [Arjuna], er is niemand die boven Mij staat." Daarom maakte Yamarāja door te bevestigen dat er boven alle anderen een allerhoogste bestuurder staat onmiddellijk een eind aan de twijfels van zijn medewerkers, de Yamadūta's.
In deze materiële wereld wordt iedereen door de wetten van de natuur bestuurd, wie hij ook zijn mag. Of je nu een mens, halfgod, dier, boom of plant bent, je staat onder het bestuur van de wetten van de natuur, en achter dit natuurlijke bestuur staat de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Kṛṣṇa bevestigt dit in de Bhagavad-gītā (9.10), mayādhyaksena prakrtih sūyate sa-carācaram: "De materiële natuur werkt onder Mijn leiding en brengt alle bewegende en bewegingloze wezens voort." De machine van de natuur werkt dus onder Kṛṣṇa's toezicht.

Onder het bestuur van varņa en āśrama

Los van de andere levende wezens, is een levend wezen in de menselijke levensvormen ervoor bedoeld bestuurd te worden door de vedische geboden in termen van de onderverdeling in varṇa en āśrama, de sociale klassen en geestelijke orden. Anders kan hij de bestraffing van Yamarāja niet ontlopen. Het punt is dat het levend wezen verwacht wordt zich te verheffen naar de positie van brāhmaṇa, de meest intelligente, en die positie dan te transcenderen om een Vaiṣṇava te worden. Dat is de vervolmaking van het leven .De brāhmana's, kṣatriyas, vaiśyas en śūdra's kunnen zich verheffen door overeenkomstig hun activiteiten de Heer te aanbidden (sve sve karmany abhiratah samsiddhim labhate narah). De onderverdeling in varna en āśrama is noodzakelijk om de juiste uitvoer van plichten en een vredig bestaan voor iedereen te verzekeren, maar iedereen wordt opgedragen de Allerhoogste Heer te vereren, die alomtegenwoordig is (yena saroam idar tatam). Als je de vedische geboden dus volgt door de Allerhoogste Heer overeenkomstig je capaciteit te vereren, word je leven volmaakt. Het Śrimad-Bhāgavatamn (1.2.13) bevestigt dit:
ataḥ pumbhir dvija-śreṣṭha
varṇāśrama-vibhāgaśaḥ
svanuṣṭhitasya dharmasya
saṁsiddhir hari-toṣaṇam
"O beste van de tweemaal-geborenen, de conclusie luidt daarom dat het tevredenstellen van de Persoonlijkheid Gods de hoogste volmaaktheid is die men bereiken kan door zijn voorgeschreven plichten (dharma) te vervullen overeenkomstig kaste en levensorde." De varṇāśrama -instelling biedt het volmaakte proces om iemand in staat te stellen terug te keren naar huis, terug naar God, want het doel van elke varna en āśrama bestaat eruit de Heer tevreden te stellen. Je kan de Heer tevredenstellen onder de begeleiding van een bonafide geestelijk leraar, en dan zal je leven volmaakt zijn. De Allerhoogste Heer is vererenswaardig, en iedereen vereert Hem direct of indirect. Wie Hem direct vereert, verkrijgt de resultaten van verlossing al snel, terwijl verlossing op zich laat wachten voor degenen die Hem indirect vereren.
De woorden nāmabhir vāci in vers 13 (nāmabhih - door verschillende namen; vāci - naar de vedische taal) zijn van groot belang. Er zijn verschillende aanduidingen in de varnāsrama-instelling-brāhmaņa, kṣatriya, vaiśya, śūdra, brahmacārī, gṛhastha, vānaprastha en sannyāsi. De vāk, vedische geboden, bevatten aanwijzingen voor al deze onderverdelingen. Iedereen wordt verwacht zijn eerbetuigingen te brengen aan de Allerhoogste Heer en plichten te vervullen zoals die in de Veda's aangegeven staan.

Door de drie hoedanigheden bestuurd

De mens en andere levende wezens in deze kosmische openbaring staan onder het bestuur van de drie hoedanigheden van de natuur. Voor de levende wezens die door de basishoedanigheden van de natuur-hartstocht en onwetendheid-bestuurd worden, is het niet mogelijk God te begrijpen. Zelfs degenen die in goedheid zijn, zoals de vele halfgoden en grote ṛṣi’s die in deze verzen beschreven worden, kunnen de activiteiten van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods niet begrijpen. Zoals in de Bhagavad-gitā staat, kan Hij alleen begrepen worden door degenen die zich aan de toegewijde dienst van de Heer gewijd hebben en de materiële hoedanigheden ontstegen zijn (bhaktyā mām abhijānāti).
Doodgewone filosofen kunnen de Heer nimmer kennen. De grote toegewijde Bhīșmadeva bevestigt dit in de volgende uitspraak aan Mahārāja Yudhiṣṭhira (Śrīmad-Bhāgavatam 1.9.16):
na hy asya karhicid rājan
pumān veda vidhitsitam
yad-vijijñāsayā yuktā
muhyanti kavayo ’pi hi
"O koning, niemand kent het plan van de Heer, Śrī Krsņa. Hoewel grote filosofen uitgebreid navraag doen, zijn ze toch in de war." Daarom kan niemand God via speculatieve kennis begrijpen. Sterker nog, door speculaties raakt men alleen maar verward.

Door de Superziel geleid

Hoewel de verschillende delen van het lichaam niet bij machte zijn de ogen te zien, worden hun verschillende bewegingen door de ogen geleid. De benen bewegen zich voorwaarts omdat de ogen zien wat zich voor hen bevindt, en de hand raakt tastbare zaken aan omdat de ogen ze zien. Op dezelfde wijze handelen de levende wezens onder leiding van de Superziel, die zich in het hart bevindt. De Heer Zelf bevestigt dit in de Bhagavad-gītā (15.15), sarvasya cāham hrdi sannivisto mattah smrtir jnānam apohanam ca: "Ik zetel in ieders hart en van Mij komen herinnering, kennis en vergetelheid." Elders in de Bhagavad-gitā (18.61) staat, isvarah sarva-bhūtānām hrd-dese 'rjuna tisthati: "De Allerhoogste Heer bevindt Zich in het hart als de Superziel." Het levend wezen kan niets doen zonder toestemming van de Superziel. De Superziel is elk moment actief, maar het levend wezen kan de gedaante en activiteiten van de Superziel niet via zijn zintuigen begrijpen. Het voorbeeld van de ogen en de lichaamsdelen is in dit geval zeer toepasselijk. Als de benen konden zien, zouden ze lopen zonder hulp van de ogen, maar dat is onmogelijk. Hoewel je de Superziel in het hart niet via zinnelijke activiteiten kan waarnemen, is Zijn leiding toch noodzakelijk.