Default View
Dual Language

Hoofdstuk 19

Alle twijfels tenietgedaan

Mahārāja Pariksit zei: O mijn heer, o Śukadeva Gosvāmī, wat hun vrome en goddeloze activiteiten betreft staan alle levende wezens onder gezag van Yamarāja, maar deze keer was de uitvoer van zijn bevel verijdeld. Wat was zijn reactie toen zijn dienaren, de Yamadūta's, hem vertelden dat ze verslagen waren door de Vișņudūta’s?
O grote wijze, niemand heeft ooit eerder gehoord dat de uitvoer van een bevel van Yamarāja verijdeld werd. Daarom denk ik dat dit bij de mensen twijfels zal oproepen die door niemand anders dan u weggenomen kunnen worden. Hier ben ik van overtuigd. Zou u daarom zo goed willen zijn uit te leggen wat de redenen voor deze gebeurtenissen zijn?
Śrī Śukadeva Gosvāmī antwoordde: Mijn beste koning, toen de boodschappers van Yamarāja door de boodschappers van Heer Viṣṇu verslagen waren, gingen ze naar hun meester, de heer van Saṁyamanī-purī en de meester der zondaars, om hem van dit voorval op de hoogte te stellen.
De Yamadūta's zeiden: "O heer, hoeveel bestuurders zijn er eigenlijk in deze materiële wereld? Hoeveel oorzaken zijn er verantwoordelijk voor het openbaren van de verschillende reacties op activiteiten die verricht zijn onder invloed van de drie hoedanigheden van de materiële natuur?”
"Als er in dit universum meerdere rechters zijn, die het oneens zijn met elkaar over de wijze van straffen en belonen, zullen hun tegenstrijdige uitspraken elkaar neutraliseren en zal niemand gestraft of beloond worden. En anders, als die tegenstrijdigheid er niet in slaagt ze te neutraliseren, zal iedereen zowel gestraft als beloond moeten worden. Aangezien er vele verschillende soorten karmī's zijn, mensen die baatzuchtige activiteiten verrichten, kunnen er verschillende rechters zijn om hen te oordelen; maar zoals een keizer allerlei ministers onder zich heeft, moet er ook één allerhoogste bestuurder zijn om al die rechters leiding te geven."
"Er kan maar één allerhoogste rechter zijn, niet vele. Wij dachten dat u die allerhoogste rechter was, en dat u zelfs zeggenschap had over de halfgoden. We veronderstelden dat u de meester van alle levende wezens was, de allerhoogste autoriteit die het onderscheid bepaalt tussen de vrome en goddeloze activiteiten van alle levende wezens."
"Nu hebben we echter gezien dat de onder uw gezag uitgevaardigde straf geen effect meer heeft, want uw bevel werd overtreden door vier zeer bijzondere en volmaakte personen. Overeenkomstig uw opdracht wilden we de uiterst zondige Ajā-mila naar de helse planeten brengen, toen die prachtige personen van Siddhaloka met geweld de knopen van de touwen doorsneden waarmee we hem vastgebonden hadden. Zodra de zondige Ajāmila de naam Nārāyaņa uitsprak, verschenen deze vier mooie personen en stelden hem gerust met de woorden: 'Wees niet bang. Wees niet bang.' Wij zouden willen dat u ons over hen vertelt. Als u denkt dat we in staat zijn het te begrijpen, wees dan zo goed ons te vertellen wie ze zijn."
Śrī Śukadeva Gosvāmī zei: Na al deze vragen aangehoord te hebben, was Yamarāja heel tevreden over zijn boodschappers, want hij had hen de heilige naam van Nārāyana horen noemen. Met de lotusvoeten van de Heer voor de geest gaf hij hen antwoord. (Śrīmad-Bhāgavatam 6.3.1-11)

Wie heeft de leiding?

Mahārāja Parīkșit stond versteld en vroeg Śukadeva Gosvāmī:“Hoe is het mogelijk dat iemand aan de bevelen van Yamarāja voorbij kan gaan?" Niemand kan zich onttrekken aan een uitvaardiging van het hoofd van de politie, en Yamarāja is het hoofd van de "universele politie", die handelt uit naam van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Krșņa. Het is Yamarāja's taak alle misdadige levende wezens gevangen te nemen en ze in zijn domein, Yamaloka, te straffen. Zondaars worden daarheen gebracht en in verschillende helse omstandigheden geplaatst. Het geval van Ajāmila is echter een uitzondering. De Yamadūta's waren opgedragen hem gevangen te nemen en naar het gerecht van Yamarāja te brengen, maar de Vișņudūta’s verlosten hem uit hun greep.
De tussenkomst van de Vișņudūta’s scheen onwettelijk te zijn, maar net zoaIs Heer Vișņu kan doen wat Hij wil, kunnen ook zijn boodschappers welk bevel in de materiële wereld dan ook ongeldig maken. Dat is de macht van de Allerhoogste Heer. In de materiële wereld heeft niemand de macht de bevelen van Yamarāja tegen te gaan, maar de Vișņudūta's handelden vanuit het hogere gezag van de Allerhoogste Heer.
Toen de Yamadūta's op Yamaloka terugkeerden, gingen ze meteen naar Yamarāja en vroegen hem: “Hoe komt het dat we ervan weerhouden werden onze taak uit te voeren? O heer, hoeveel bestuurders zijn er? Bent u de enige bestuurder of zijn er meerdere?" Minder intelligente mensen denken dat een bepaalde halfgod, zoals Indra, Sūrya of Candra, de allerhoogste is. Dat is hetzelfde als het idee dat de wijkagent alle macht in het land heeft. Er zijn zoveel agenten die zich bekommeren om de mensenmassa, maar alleen dwazen kunnen niet inzien dat er boven die agenten een heleboel hoger geplaatste officieren staan, tot aan de commissaris, de burgermeester en het staatshoofd toe. De Yamadūta's voerden slechts de bevelen van Yamarāja uit met het idee dat hij de allerhoogste bestuurder was, en dit was de eerste keer dat ze daarvan weerhouden werden.
Śrila Viśvanātha Cakravartī Ţhākura zegt dat de Yamadūta’s zó teleurgesteld waren, dat ze bijna kwaad waren toen ze Yamarāja vroegen of er meerdere meesters waren dan hij alleen. En omdat ze verslagen waren en hun meester hen niet had kunnen beschermen, waren ze nu tevens geneigd te zeggen dat het niet nodig was zo'n meester te dienen. Als een dienaar de bevelen van zijn meester niet kan uitvoeren zonder daarbij verslagen te worden, wat is het dan waard zo'n machteloze meester te dienen?
Omdat de Yamadūta's tegengehouden waren, twijfelden ze nu of Yamarāja wel werkelijk de macht bezat de zondaars te straffen. Hoewel ze Ajāmila op bevel van Yamarāja gevangen waren gaan nemen, slaagden ze daar niet in vanwege het bevel van een of andere hogere autoriteit. Daarom waren ze nu onzeker of er nu meerdere autoriteiten waren of maar één. Met meerdere autoriteiten die allemaal een verschillend oordeel geven, die tegenstrijdig zouden kunnen zijn, zou iemand misschien onterecht gestraft of beloond kunnen worden, of noch gestraft, noch beloond. Ervaring in de materiële wereld leert ons dat iemand die voor het ene gerecht veroordeeld wordt een beroep kan doen op een ander gerecht. Dezelfde persoon kan dus óf gestraft óf beloond worden naargelang verschillende oordelen. De wet der natuur, of het gerecht van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, kent dit soort tegenstrijdige oordelen niet. De rechters en hun oordelen moeten volmaakt zijn en vrij van tegenstrijdigheden.
Eigenlijk zat Yamarāja in een netelige positie, want volgens alles wat de Yamadūta's van hem geleerd hadden, stonden ze in hun recht toen ze Ajāmila gevangennamen, maar toch hadden de Vişņu-dūta's hen tegengehouden. Hoewel Yamarāja in deze omstandigheden door zowel de Yamadūta's als de Vișņudūta’s beschuldigd werd, is hij volmaakt in zijn rechtvaardigheid omdat hij gevolmachtigd is door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Daarom zal hij uitleggen wat zijn ware positie is en hoe iedereen onder het bestuur staat van de allerhoogste bestuurder, de Persoonlijkheid Gods.
In deze wereld zijn er regelingen vereist die de levende wezens in de hand houden. Sāstra's, geschriften, zijn ervoor bedoeld de beschaafde mens te besturen. Van dit woord is het woord sisya afgeleid, wat "discipel" betekent, iemand die vrijwillig de leiding of begeleiding van de geestelijk leraar aanvaardt. Degenen die niet zachtmoedig zijn, moeten met astra's, wapens, in bedwang gehouden worden. De politie heeft wapens en knuppels nodig om dieven en andere misdadigers in de samenleving in bedwang te houden.
De Yamadūta's vroegen hun meester of er verschillende rechtsafdelingen zijn voor verschillende soorten mensen. In de materiële wereld is iemand verontreinigd met een combinatie van de drie hoedanigheden van de natuur - goedheid, hartstocht en onwetendheid - en gedraagt zich overeenkomstig. De kenmerken van iemand die voor het overgrote deel door onwetendheid beïnvloed wordt, zijn luiheid, meer slapen dan nodig is en onreinheid. Het hoofdkenmerk van iemand die voor het overgrote deel door hartstocht beïnvloed wordt, is een sterk verlangen om voor persoonlijke zins-bevrediging de materiële natuur en de andere levende wezens uit te buiten. En het hoofdkenmerk van iemand die door goedheid beïnvloed wordt, is dat hij de dingen kent zoals ze zijn. Aan zo iemand doet alles zich op de juiste manier voor.
De Yamadūta's veronderstelden: "Er mogen dan allerlei personen zijn die de mensen in de verschillende hoedanigheden besturen, maar wie is de uiteindelijke leider, en hoe worden zijn bevelen uitgevoerd? Voor zover wij weten, bent u de bestuurder van iedereen. "In het bestuur van de regering kunnen er vele afdelingshoofden zijn die recht laten gelden over verschillende personen, maar de wet moet één zijn, en die centrale wet moet voor iedereen gelden. De Yamadūta's konden zich niet voorstellen dat twee rechters twee verschillende oordelen konden geven in dezelfde zaak, en daarom wilden ze weten wie de hoogste rechter is. De Yamadūta's waren er zeker van dat Ajāmila een uiterst zondig mens was, maar hoewel Yamarāja hem wilde straffen, vergaven de Vișņudūta’s hem. Dit was de verwarrende situatie waarvan de Yamadūta's een uitleg wensten. Ze hadden gedacht dat Yamarāja de enige persoon was die de leiding had over dit soort rechtszaken. Ze waren er rotsvast van overtuigd dat niemand zijn bevelen kon tegengaan, maar tot hun grote verbazing waren zijn bevelen nu aan de kant geveegd door vier wonderlijke personen van Siddhaloka. Śrīla Viśvanātha Cakravartī Thākura suggereert dat de Yamadūta's Yamarāja als volgt aangesproken zouden kunnen hebben: "Wij denken dat het gedaan is met uw absolute bestuurlijke macht, want vier zeer wonderlijke persoonlijkheden hebben ons tegengehouden toen we de taak probeerden te volbrengen die u ons opgedragen had."
Viśvanātha Cakravartī merkt tevens op dat de Yamadūta's misschien ook van plan waren geweest de Vișņudūta's naar Yamarāja te brengen. Als Yamarāja dan in staat zou zijn geweest de Vișņudūta's te straffen, zouden de Yamadūta's tevreden geweest zijn. Zo niet, dan zouden ze verkozen hebben zelfmoord te plegen. Voordat ze echter één van deze kanten opgingen wilden ze eerst iets over de Vișņudūta’s weten van de alwetende Yamarāja.

In alle bescheidenheid vragen stellen

De Yamadūta's zeiden: "We willen van u leren wat de ware feiten zijn omtrent dit geval. Als u denkt dat we het kunnen begrijpen, verlicht ons dan alstublieft." Dit is hoe je in alle bescheidenheid vragen stelt aan hogergeplaatsten. Niet uitdagend. We zullen altijd zien dat Mahārāja Parīkșit, Arjuna, en ieder ander die zich aan dit proces van geestelijke verlichting gewijd heeft, in alle bescheidenheid en met een stemming van dienstverlening vragen stelt. Het is niet zo dat omdat wij toevallig een vraag aan onze meerdere stellen, hij hem daarvoor maar moet beantwoorden. Als wij niet in staat zijn het antwoord te kunnen bevatten, kan hij dat soms ook weigeren. We kunnen geen eisen stellen. Vragen stellen, bescheidenheid en dienstverlening leiden tot kennis. Altijd als Mahārāja Parīkșit een vraag stelde aan Śukadeva Gosvāmī, zei hij heel bescheiden: "Als u denkt dat ik dit zal kunnen begrijpen, beantwoord deze vraag dan alstublieft."
Voordat Yamarāja de Yamadūta's een antwoord gaf, haalde hij zich eerst de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Kṛṣṇa, voor de geest. Op dezelfde wijze als de ondergeschikte in een bescheiden stemming een vraag aan zijn meerdere voorlegt, zal ook de meerdere niet trots zijn en opscheppen dat hij het antwoord op de vraag weet. Hij herinnert zich de lotusvoeten van de Heer en bidt: "Ik zal antwoorden wat U me helpt te spreken." Zolang de leraar niet trots is en de discipel niet ongehoorzaam, arrogant of brutaal, kunnen ze geestelijke vragen en antwoorden uitwisselen. Je moet geen vragen stellen vanuit een uitdagende houding, en degene die de antwoorden geeft moet zich altijd de lotusvoeten van de Heer voor de geest houden, zodat de juiste antwoorden gegeven zullen worden.
Yamarāja was erg geplezierd met zijn dienaren, omdat ze in zijn domein de heilige naam van Nārāyaņa uitgesproken hadden. Yamarāja heeft voortdurend te maken met zondaars die vrijwel geen idee hebben van Nārāyana, en omdat hij tevens een Vaiṣṇava is, was hij bijzonder geplezierd toen zijn boodschappers de naam van Nārāyana uitspraken.