Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 18
Pelgrim met een doel
Ajāmila vervolgde: "Ik ben een schaamteloze bedrieger die zijn eigen brahmaanse ontwikkeling vernietigd heeft. Ik ben zowaar de zonde in persoon. Wie ben ik, vergeleken met het al-zegenrijke chanten van de heilige naam van Nārāyana?"
"Ik ben een ontzettende zondaar, maar aangezien ik nu deze kans gekregen heb, moet ik mijn geest, levenslucht en zintuigen volkomen meester worden, en me voortdurend aan toegewijde dienst wijden, zodat ik niet opnieuw ten onder zal gaan in de diepe duisternis en onwetendheid van het materiële leven."
Omdat we ons met het lichaam vereenzelvigen, zijn we onderhevig aan verlangens naar zinsbevrediging en houden ons daarom bezig met allerlei vrome en zondige activiteiten. Dit is materiële gebondenheid. Nu zal ik me losmaken uit die materiële gebondenheid, veroorzaakt door de begoochelende energie van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods in de gedaante van een vrouw. Omdat ik een diepgevallen ziel ben, werd ik het slachtoffer van de begoochelende energie en een dansende hond in de handen van een vrouw. Nu zal ik alle wellustige verlangens opgeven en me van deze illusie bevrijden. Ik zal een genadige, welgezinde vriend van alle levende wezens worden, en me helemaal verdiepen in het Kṛṣṇa-bewustzijn."
"Omdat ik in het gezelschap van toegewijden de heilige naam van de Heer uitgesproken heb, raakt mijn hart nu gezuiverd. Daarom zal ik niet opnieuw ten prooi vallen aan de valse verleiding van materiële zinsbevrediging. Nu ik in de Absolute Waarheid verankerd ben, zal ik me niet langer met het lichaam vereenzelvigen, Ik zal de misvatting van 'ik' en 'mijn' opgeven, en mijn geest op de lotusvoeten van Heer Kṛṣṇa fixeren.
Śukadeva Gosvāmī vervolgde: Doordat Ajāmila een ogenblik in het gezelschap van toegewijden - de Visņudūta's - verkeerd had, kon hij zich vastberaden onthechten van de materiële levensbeschouwing. Van alle materiële gehechtheden ontdaan, ging hij onmiddellijk naar Hardwar. Daar zocht hij zijn toevlucht in een tempel van Viṣṇu, waar hij bhakti-yoga beoefende. Met beheerste zintuigen richtte hij zijn geest volkomen op de dienst aan de Heer. Zo gaf Ajāmila zich helemaal over aan toegewijde dienst, onthechtte op die manier zijn geest van zinsbevrediging en ging volkomen op in gedachten aan de gedaante van de Heer.
Toen de intelligentie en geest van de brāhmaņa Ajāmila op de gedaante van de Heer gefixeerd waren, zag hij opnieuw vier hemelse personen voor zich verschijnen. Hij begreep dat dit dezelfde personen waren die hij eerder gezien had en bracht hen dus zijn eerbetuigingen door voor hen neer te buigen.
Toen Ajāmila de Vișņudūta's zag, gaf hij zijn materiële lichaam op in Hardwar, aan de oever van de Ganges. Hij herkreeg toen zijn oorspronkelijke geestelijke lichaam; een lichaam toepasselijk voor een metgezel van de Heer. Vergezeld van de boodschappers van Heer Viṣṇu stapte Ajāmila aan boord van een gouden vliegtuig, dat via de luchtwegen rechtstreeks naar het rijk vloog van Heer Vișnu, de echtgenoot van de godin van het geluk.
Als gevolg van slecht gezelschap had de brāhmaņa Ajāmila zijn hele cultuur en alle religieuze principes opgegeven, en diepgevallen als hij was, had hij gestolen, gedronken en nog allerlei andere afschuwelijke dingen gedaan. Hij had er zelfs een prostituée op nagehouden, en hoewel hij daarom voorbestemd was om door de boodschappers van Yamarāja naar de hel te worden gebracht, werd hij echter onmiddellijk gered omdat hij maar even de heilige naam Nārayana had geroepen.
Daarom moet iedereen die naar vrijheid van materiële gebondenheid verlangt, een begin maken met chanten en het verheerlijken van de naam, roem, gedaante en het spel van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, aan wiens lotusvoeten men alle heilige plaatsen vindt. Dit voordeel kan met geen enkele andere methode behaald worden, zoals vrome boetedoening, speculatieve kennis of mystieke yoga-meditatie, want zelfs na dergelijke methoden beoefend te hebben vervalt men weer tot baatzuchtige activiteiten. Dit komt omdat men niet in staat is de geest te beheersen, die verontreinigd is met de lagere hoedanigheden van de natuur: hartstocht en onwetendheid.
Omdat deze zeer vertrouwelijke geschiedenis de kracht bezit om alle reacties op iemands zonden te vernietigen, is degene die er met geloof en toewijding naar luistert of haar beschrijft niet langer verdoemd tot een hels leven, ook al heeft hij een materieel lichaam en is hij nog zo zondig geweest. De Yamadūta's, die de bevelen van Yamarāja uitvoeren, zullen zelfs niet bij hem in de buurt komen om ook maar naar hem te kijken. Nadat hij zijn lichaam opgegeven heeft, keert hij terug naar huis, terug naar God, waar hij vol respect ontvangen en vereerd wordt.
Toen Ajāmila op zijn sterfbed lag, riep hij in zijn ellende de heilige naam van de Heer, en hoewel dat voor zijn zoon bedoeld was, keerde hij niettemin terug naar huis, terug naar God. Wie zou er daarom aan kunnen twijfelen dat iemand die vol vertrouwen en zonder overtredingen te begaan de heilige naam van de Heer aanroept teruggaat naar God? (Śrimad-Bhāgavatam 6.2.34-49)
Vastberadenheid
De heilige naam van God is al-zegenrijk. Voor iemand die voortdurend Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare / Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare chant, bestaat er dus geen onheil. Door louter chanten bevindt men zich onophoudelijk in zegenrijke levensomstandigheden.
Degenen die via de gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn de heilige naam verspreiden, moeten zich altijd gewaar zijn van wat ze vroeger waren en wat ze nu zijn. Ze waren teruggevallen tot het afschuwelijke bestaan van vleeseters, dronkaards en vrouwenjagers, en begingen daarin allerlei zonden. Nu hebben ze echter de kans gekregen de Hare Kṛṣṇa mantra te chanten, en daar moeten ze altijd dankbaar voor zijn. Dankzij de genade van de Heer openen we nu vele centra, en de leden van deze gemeenschap moeten van deze gelegenheid gebruikmaken door de heilige naam van de Heer te chanten en de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods rechtstreeks te dienen. Ze moeten zich bewust zijn van het verschil tussen hun huidige en vroegere situatie, en altijd goed opletten dat ze niet uit dit meest verheven leven van Kṛṣṇa-bewustzijn ten val komen. Elke toegewijde van Kṛṣṇa dient deze vastberadenheid te bezitten. Toe-gewijden zijn dankzij de genade van Kṛṣṇa en de geestelijk leraar naar een verheven positie bevorderd, en als ze in gedachten houden dat dit een grote kans is die ze gekregen hebben en tot Kṛṣṇa bidden dat ze niet weer ten val zullen komen, zal hun leven een succes zijn.
Nu hij volkomen Krșņa-bewust was, rekende Ajāmila af met de schulden die hij zich door zijn zondige activiteiten op de hals gehaald had, en ging hij vol vastberadenheid door met het chanten van de heilige naam van de Heer, Nārāyaņa. Hij dacht: "Als ik doorga met het chanten van de heilige naam, zal ik altijd bezig zijn met het beste welzijnswerk voor alle levende wezens. Dan zal ik vrede kennen." Omdat hij nu gezuiverd was van de reacties op al zijn zonden, realiseerde Ajāmila zich dat Krșņa Hem van binnenuit aanwijzingen gaf en dat het zijn plicht was met ieder levend wezen het beste voor te hebben.
Ieders vriend
De toegewijden van de Heer zijn erg vriendelijk. Ze prediken het Kṛṣṇa-bewustzijn voor het welzijn van de mensen in het algemeen en zijn daarom alle levende wezens tot vriend. Anderen kunnen niet met iedereen het beste voorhebben. De politici houden zich bijvoorbeeld bezig met zogenaamde dienst aan hun landgenoten, maar ze zijn niet de ware vrienden van elke bewoner van het land, want hoewel ze dan misschien het belang van hun soortgenoten dienen, bekommeren ze zich helemaal niet om het belang van de dieren. Op deze wijze maken ze onderscheid. Een toegewijde is ieder levend wezen tot vriend, of het nu een mens, dier, insect of plant betreft. Een toegewijde zou nog niet eens een mier willen doden, terwijl een niet-toegewijde genadeloos dieren naar het slachthuis stuurt en zich dan met hetzelfde gemak ieders vriend noemt.
Kṛṣṇa, God, is de beste vriend van ieder levend wezen. Hij stelt Zich tegenover iedereen gelijk op. Hij is niet alleen maar de vriend van de inwoners van Vrndāvana - de gopi's, Zijn ouders, de koeherders en hun zonen, en de koeien - Hij is ieders vriend, want iedereen is een integrerend deeltje van Hem. Kṛṣṇa houdt dus grenzeloos veel van iedereen, en Zijn toegewijden krijgen die uitmuntende eigenschappen van liefde mee. Daarom zijn zij de ware vrienden van iedereen.
De karmi's, baatzuchtige werkers, begaan zonden uit eigenbelang door onschuldige dieren te doden en verwaand te zijn vanwege hun materiële rijkdom. Jñāni's, die via kennis van Brahman naar verlossing zoeken, zijn ook alleen maar in zichzelf geïnteresseerd. Maar bhakta's, toegewijden, zijn geïnteresseerd in het welzijn van iedereen. Een toegewijde is vooral de gevallen, geconditioneerde zielen genadig. Heer Caitanya is de verpersoonlijking van bhakti, liefdevolle toewijding voor God, en leert ons allemaal hoe we toegewijden kunnen worden. Daarom wordt Hij patita-pāvana genoemd, degene die de gevallen, geconditioneerde zielen verlost, en iedereen die Zijn voetspoor volgt is eveneens patita-pāvana. Ajāmila was nu in deze stemming en dacht: “Nu kan ik de vriend worden van alle levende wezens en vrede kennen."
Dit dient de standaard van vastberadenheid te zijn voor iedereen die Kṛṣṇa-bewust is. Een toegewijde van Kṛṣṇa moet zichzelf uit de greep van māyā verlossen en tevens mededogen tonen voor alle anderen die zich in haar greep bevinden en daaronder lijden. De activiteiten van de gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn zijn niet alleen voor onszelf bedoeld, maar ook voor anderen. Dit is waarin de volmaaktheid van Kṛṣṇa-bewustzijn gelegen is. Wie alleen maar in zijn eigen verlossing geïnteresseerd is, is niet zo gevorderd in Kṛṣṇa-bewustzijn als iemand die mededogen voor anderen voel en daarom het Kṛṣṇa-bewustzijn propageert. Zo'n gevorderde toegewijde zal nooit ten val komen, want Kṛṣṇa geeft hem Zijn speciale bescherming. Dat is in het kort waar de gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn op neerkomt. Iedereen is als een speeltje in de handen van de begoochelende energie en doet wat zij zegt. Om uit deze gebondenheid te raken moet men Kṛṣṇa-bewust worden.
Omgang met toegewijden
eze verzen leggen duidelijk uit hoe het levend wezen het slachtoffer wordt van zijn materiële conditionering. Illusie begint als we onszelf met het lichaam vereenzelvigen, en daarom begint de Bhagavad-gitā met de geestelijke instructie dat je niet het lichaam bent maar de ziel in het lichaam. Je kan je alleen maar voortdurend gewaar zijn van dit feit als je zuiver blijft door het chanten van de heilige naam van Kṛṣṇa - de Hare Kṛṣṇa mantra - en in het gezelschap van toegewijden blijft. Dat is het geheim om succes te behalen. Vandaar de nadruk dat we de heilige naam van de Heer moet chanten en ons vrij moeten houden van de onreinheden van deze materiële wereld, in het bijzonder de onreinheden van wellustige verlangens naar ongeoorloofde seks, vlees eten, intoxicatie en gokken. We moeten vastberaden de gelofte afleggen deze principes na te volgen, waardoor we van het ellendige materiële bestaan gered zullen worden.
De eerste noodzaak is vrij te worden van de lichamelijke levensopvatting. Ajāmila was onmiddellijk bevrijd van zijn illusoire lichamelijke levensopvatting door naar het gesprek te luisteren dat plaatsvond tussen de Vișņudūta’s en de Yamadūta's. Het bewijs daarvan is dat hij meteen na dit incident zijn vrouw en kinderen verliet en naar Hardwar ging om verder vooruitgang te maken in het geestelijk leven. Er wordt hier vermeld dat hij zijn toevlucht zocht in een tempel van Viṣṇu en daar het proces van toegewijde dienst volbracht. Onze gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn heeft met dit doel voor ogen tempels over de hele wereld gevestigd. Het is niet nodig naar Hardwar te gaan. Iedereen kan zijn toevlucht zoeken in de dichtstbijzijnde tempel, zich daar aan toegewijde dienst wijden en zo door in Kṛṣṇa-bewustzijn op te gaan het grootste succes in zijn leven behalen.
Als we de transcendentale gedaante van Kṛṣṇa in de tempel vereren, zal onze geest vanzelf opgaan in gedachten aan de Heer en Zijn gedaante. Er is geen verschil tussen de gedaante van de Heer en de Heer Zelf. Daarom is bhakti-yoga de gemakkelijkste vorm van yoga. Yogi's proberen hun geest te concentreren op de gedaante van de Superziel, Vișņu, in hun hart, maar hetzelfde doel wordt met gemak bereikt als we onze geest absorberen in gedachten aan de Beeldgedaante in de tempel. In elke tempel is er een transcendentale gedaante van de Heer en het is eenvoudig om aan deze gedaante te denken. Door de Heer te zien tijdens een officiële vereringsceremonie, of ārati, door je tijd, geld en energie op te offeren voor de verering van de Beeldgedaante, en door voortdurend aan de Beeldgedaante te denken, word je een eersteklas yogi. Dit is het beste yoga-proces, zoals door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods Zelf bevestigd wordt in de Bhagavad-gitā (6.47):
yoginām api sarveṣāṁ
mad-gatenāntar-ātmanā
śraddhāvān bhajate yo māṁ
sa me yuktatamo mataḥ
mad-gatenāntar-ātmanā
śraddhāvān bhajate yo māṁ
sa me yuktatamo mataḥ
"En van alle yogi's is degene die voortdurend met diep geloof in Mij verblijft, innerlijk aan Me denkt en Me transcendentale liefdedienst bewijst, het meest intiem met Mij in yoga verenigd en de hoogste van alle." De eersteklas yogī is dus iemand die zijn zintuigen meester is en zich door altijd aan de gedaante van de Heer te denken van de materiële wereld onthecht.
Terug naar God
Toen Ajāmila's geest op de gedaante van de Heer gefixeerd was, verschenen de Vișņudūta’s die hem gered hadden opnieuw voor hem. Ze waren een tijdje weggeweest om Ajāmila de kans te geven verankerd te raken in meditatie op de Heer. Nu zijn toewijding tot volle bloei gekomen was, waren ze teruggekomen om hem mee terug te nemen naar God. Toen hij doorhad dat dezelfde Vișņudūta's teruggekomen waren, bracht Ajāmila hen zijn eerbetuigingen door voor ze neer te buigen.
Nu was Ajāmila gereed om terug te keren naar huis, terug naar God, en gaf daarom zijn materiële lichaam op en herkreeg zijn oorspronkelijke, geestelijke lichaam. De Heer zegt in de Bhagavad-gitā (4.9):
janma karma ca me divyam
evaṁ yo vetti tattvataḥ
tyaktvā dehaṁ punar janma
naiti mām eti so ’rjuna
evaṁ yo vetti tattvataḥ
tyaktvā dehaṁ punar janma
naiti mām eti so ’rjuna
"Wie de transcendentale aard van Mijn verschijnen en handelen kent, wordt na het verlaten van zijn lichaam niet opnieuw in deze materiële wereld geboren, maar bereikt Mijn eeuwige woonplaats, o Arjuna." Het resultaat van vervolmaking in Krsņa-bewustzijn is, dat je na het verlaten van je materiële lichaam onmiddellijk naar de geestelijke wereld overgeplaatst wordt in je oorspronkelijke, geestelijke lichaam, om daar een metgezel te worden van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Sommige toegewijden gaan naar Vaikuṇṭha om een metgezel van Heer Viṣṇu te worden, en anderen gaan naar Goloka Vrndāvana om een metgezel van Kṛṣṇa te worden.
De geestelijke vliegtuigen van de geestelijke planeten, zoals het vliegtuig dat voor Ajāmila gekomen was, kunnen iemand binnen een seconde terug naar huis brengen, terug naar God.We kunnen ons slechts een voorstelling maken van de snelheid van zo'n geestelijk vliegtuig. Het geestelijke is subtieler dan de geest, en iedereen heeft wel ervaring met hoe snel je in de geest van de ene plaats naar de andere kan reizen. We kunnen ons daarom een voorstelling maken van de snelheid van een geestelijke vorm door het te vergelijken met de snelheid van de geest. Zodra hij zijn materiële lichaam opgeeft kan een zuivere toegewijde in een fractie van een moment terugkeren naar huis, terug naar God.
Deze volmaaktheid is voor niemand anders beschikbaar dan voor toegewijden van de Heer. Vele karmi's, jñāni's en yogi's raakten na zogenaamd volmaakt geworden te zijn weer opnieuw aan materiële activiteiten gehecht. Veel zogenaamde svāmi's en yogi's geven materiële activiteiten op als zijnde vals (jagan mithyā), maar gaan na een tijdje toch weer verder met materiële activiteiten door ziekenhuizen en scholen te openen of andere dingen te doen voor het welzijn van anderen. Soms laten ze zich in met politiek, hoewel ze zich dan nog steeds onterecht voordoen als sannyāsi's, leden van de verzakende orde. Al deze activiteiten zijn begoochelende aspecten van de materiële wereld.
Wie werkelijk het verlangen heeft uit deze materiële wereld weg te komen, wijdt zich aan het Kṛṣṇa-bewustzijn, wat begint met sravanam kirtanam visnoh: het luisteren naar en bezingen van de heerlijkheden van de Heer. Onze gemeenschap heeft dit feitelijk bewezen. In het Westen hebben vele jongens en meisjes, zodra ze zich bij deze gemeenschap aansloten, hun drugsverslaving en andere slechte gewoonten die ze niet op konden geven achter zich gelaten en zich oprecht gewijd aan het verheerlijken van de Heer. Dit proces is dus de volmaakte manier van boetedoening voor handelingen in hartstocht en onwetendheid. Dit wordt bevestigd in het Śrimad-Bhāgavatam (1.2.19):
tadā rajas-tamo-bhāvāḥ
kāma-lobhādayaś ca ye
ceta etair anāviddhaṁ
sthitaṁ sattve prasīdati
kāma-lobhādayaś ca ye
ceta etair anāviddhaṁ
sthitaṁ sattve prasīdati
Door onder de hoedanigheden hartstocht en onwetendheid te handelen, worden we steeds wellustiger en hebzuchtiger, terwijl we door over Kṛṣṇa te horen en te chanten het niveau van goedheid bereiken en gelukkig worden. Naargelang we vooruitgaan in toegewijde dienst, verdwijnen alle twijfels (bhidyate hrdaya-granthióchidyante sarva-samśayāh). Zo wordt de knoop van ons verlangen naar baatzuchtige activiteiten doorgehakt.
Op het moment van de dood zijn we ongetwijfeld in de war, want alle lichaamsfuncties raken ontregeld. Dan kan zelfs iemand die zijn leven lang de heilige naam van de Heer gechant heeft misschien niet in staat zijn de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra duidelijk uit te spreken. Desondanks ontvangt zo iemand toch alle voordelen van het chanten van de heilige naam. Waarom zou je de heilige naam van de Heer dan niet luid en duidelijk chanten terwijl je lichaam in goede conditie is? Als je dat inderdaad doet, is de kans groot dat je in staat zal zijn de heilige naam van de Heer als je sterft naar behoren met liefde en vertrouwen aan te roepen. De conclusie luidt dat iemand die de heilige naam van de Heer voortdurend chant ervan verzekerd is terug te keren naar huis, teug naar God. Geen twijfel mogelijk.