Default View
Dual Language

Hoofdstuk 17

Het uur der waarheid

Śukadeva Gosvāmī vervolgde: Toen Ajāmila het gesprek tussen de Yamadūta's en de Vișņudūta's gehoord had, begreep hij de religieuze principes die werkzaam zijn onder de drie hoedanigheden van de materiële natuur. Deze principes staan in de drie Veda's vermeld. Ook begreep hij de transcendentale religieuze principes, die boven de hoedanigheden van de materiële natuur staan en betrekking hebben op de relatie tussen het levend wezen en de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Bovendien had Ajāmila gehoord hoe de naam, roem, eigenschappen en het spel van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods verheerlijkt werden. Daardoor werd hij een volmaakt zuivere toegewijde. Hij kon zich al zijn vroegere zonden herinneren, en had er zeer veel spijt van dat hij die begaan had.
Ajāmila zei: "Helaas, hoe laag ben ik wel niet gezonken door een dienaar van mijn zintuigen te zijn! Ik viel van mijn positie als bevoegde brāhmaņa en heb kinderen verwekt in de schoot van een prostituée. Naar de verdoemenis met mij! Ik heb zó zondig gehandeld, dat ik mijn hele familietraditie te schande gemaakt heb. Ik heb zelfs mijn kuise en mooie jonge vrouw opgegeven om seks te hebben met een wijn drinkende prostituée. Naar de verdoemenis met mij! Mijn vader en moeder waren oud en hadden niemand om voor hen te zorgen, en omdat ik niet voor ze gezorgd heb, hebben ze een moeilijk leven gehad. Helaas, als een afschuwelijke, laag-geboren man ben ik zo ondankbaar geweest om hen aan hun lot over te laten."
"Het is nu duidelijk dat een zondaar als ik het als gevolg van zulke activiteiten verdient verschrikkelijk te moeten lijden in de helse omstandigheden die bedoeld zijn voor degenen die de religieuze principes opgegeven hebben."
"Heb ik gedroomd, of was het werkelijkheid? Ik zag afschrikwekkende figuren met touwen in hun handen, die me gevangen kwamen nemen en me mee wilden slepen. Waar zijn ze gebleven? En waar zijn die vier bevrijde en wondermooie personen gebleven die me verlost hebben en verhinderden dat ik naar de helse regionen gesleurd zou worden?"
"Ik ben zondermeer zeer verfoeilijk en onfortuinlijk dat ik zo opging in een oceaan van zondige activiteiten. Maar desondanks kon ik vanwege mijn vroegere geestelijke activiteiten die vier verheven personen zien die me kwamen redden, en nu voel ik me vanwege hun bezoek buitengewoon verheugd."
"Als ik vroeger geen toegewijde dienst verricht had, hoe zou ik, die zo onzuiver was dat ik een prostituée onderhield, dan ooit de kans gekregen hebben om juist toen ik op het punt stond te sterven de heilige naam van Nārāyana uit te spreken? Dat was beslist niet mogelijk geweest." (Srimad-Bhāgavatam 6.2.24-33)

Berouw

Na het gesprek tussen de Yamadūta's en de Vișņudūta's, raakte Ajāmila vast verankerd in Kṛṣṇa-bewustzijn. Hij begon te klagen: "Hoe onfortuinlijk was ik wel niet, dat ik me met zoveel zondige activiteiten inliet!" Dit is de juiste houding voor een Kṛṣṇa-bewuste toegewijde. Het maakt niet uit hoe zondig hij in het verleden geweest is. Als hij met toegewijden in contact komt en de transcendentale onderwerpen over de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods (bhāgavata-kathā) hoort, raakt hij gezuiverd en beklaagt hij zijn vroegere toestand. Dat is in feite een kenmerk van zijn zuivering. Hij toont berouw en maakt een eind aan zijn vroegere zondige gedrag.
Ajāmila bevond zich nu op het niveau van toegewijde dienst waarbij men verlost is van alle materiële obstakels en volkomen voldaan is (ahaituky apratihatā yayātmā suprasīdati). Op dat niveau beklaagde Ajāmila zijn vroegere materialistische activiteiten en verheerlijkte hij de naam, gedaante, roem en het spel van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Wie zich aan het Krsņa-bewustzijn wijdt, doet vanzelf zijn best de regels van toegewijde dienst op te volgen en reciteert regelmatig Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare/ Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare. Je moet er niet van uitgaan dat je kan blijven zondigen en dat het effect van die zonden geneutraliseerd wordt omdat je nu met Krșņa-bewustzijn bezig bent. We hebben herhaaldelijk gewaarschuwd dat dit de grootste overtreding tegenover de heilige naam is. Je zou net als Ajāmila berouw moeten tonen: "Hoe onfortuinlijk was ik wel niet, dat ik me met zoveel zondige activiteiten inliet! Maar nu weet ik dankzij Krsņa's genade dat ik onjuist handelde."
Toen Ajāmila zich al zijn vroegere zonden voor de geest haalde, schaamde hij zich diep. Hij herinnerde zich dat hij door zijn vader opgeleid was tot een eersteklas brāhmaṇa, dat hij onderwezen was in de wetenschap van de Veda's en dat hij getrouwd was met een mooie, kuise, en uiterst gekwalificeerde en onschuldige vrouw uit een gerespecteerde brāhmaṇa-familie. Nu weeklaagde Ajāmila: “Ik wees haar af en aanvaardde een walgelijke, dronken prostituée!"
Het is een vedisch principe dat de mannen van de hogere klassen - brāhmaṇa’s, kṣatriya's en vaiśya's - geen kinderen verwekken bij vrouwen van lagere klassen. Het is daarom gebruikelijk in de vedische samenleving de horoscopen van de kandidaten te raadplegen om te zien of hun combinatie aanvaardbaar is. Vedische astrologie onthult of je geboren bent in de brāhmaṇa-, kṣatriya-, vaisya- of śūdra-klasse, naargelang de drie hoedanigheden van de materiële natuur. De horoscoop moet geraadpleegd worden omdat een jongen uit de brāhmaṇa-klasse en een meisje uit de śūdra-klasse in het huwelijk niet bij elkaar passen; zo'n huwelijk zou voor beiden ellendig zijn. Dit is natuurlijk een materiële berekening volgens de drie hoedanigheden van de natuur, maar toch is het van belang voor de vrede en voorspoed van het gezin en de samenleving. Zijn beiden echter toegewijden, dan zijn zulke regelingen overbodig. Een toegewijde is transcendentaal, en daarom is een huwelijk tussen toegewijden altijd een gelukkige combinatie.
Ajāmila dacht: "Omdat ik er niet in slaagde mezelf te beheersen, zakte ik af naar een afschuwelijk leven en verloor al mijn brahmaanse eigenschappen." Dit is de mentaliteit van iemand die een zuivere toegewijde aan het worden is. Word je door de genade van de Heer en de geestelijk leraar naar dat niveau verheven, dan berouw je eerst je vroegere zondige activiteiten. Dit helpt je vooruitgang te maken in het geestelijk leven. De Visņudūta's hadden Ajāmila de kans gegeven een zuivere toegewijde te worden, en de eerste plicht van een toegewijde is berouw te tonen over zijn vroegere zondige gedrag: ongeoorloofde seks, intoxicatie, vlees eten en gokken. Een toegewijde moet zijn vroegere slechte gewoonten niet alleen opgeven, hij moet er ook altijd spijt van hebben. Dat is de standaard van zuivere toewijding.

Af te betalen schulden

Het speet Ajāmila dat hij de plichten tegenover zijn vrouw, vader en moeder verwaarloosd had. Het is de plicht van opgegroeide kinderen voor hun bejaarde ouders te zorgen. Deze gang van zaken moet opnieuw ingevoerd worden in de huidige samenleving. Wat is het gezinsleven anders waard? De juiste betekenis van gezinsleven is, dat de man de beschermer is, dat de vrouw kuis is en dat de kinderen hun ouders dankbaar zin. Kinderen moeten bij zichzelf denken: "Mijn vader en moeder hebben zoveel voor me gedaan. Toen ik niet kon lopen, droegen ze me. Toen ik niet kon eten, voedden ze me. Ze hebben me een opleiding gegeven. Ze hebben me het leven geschonken." Een ware zoon denkt aan manieren waarop hij zijn vader en moeder van dienst kan zijn. Een vrouw wordt verondersteld haar man trouw te zijn, en een man wordt verondersteld zijn vrouw dankbaar te zijn voor haar diensten en haar te beschermen, Door zijn omgang met een prostituée had Ajāmila zijn plichten opgegeven. Nu had hij daar spijt van en zag zichzelf als diep gevallen.
Volgens het vedische sociale stelsel hebben we direct na de geboorte schulden bij vele personen. We hebben een schuld bij de ṛṣi’s, de grote wijzen, omdat we kennis opdoen uit hun transcendentale geschriften, zoals het Srimad-Bhāgavatam van Śrila Vyāsadeva. De schrijvers van die geschriften kennen verleden, heden en toekomst, en we worden ertoe aangespoord ons voordeel te doen met zulke waardevolle kennis. Vandaar dat we een schuld bij hen hebben.
We hebben tevens een schuld bij de halfgoden, omdat ze de universele aangelegenheden besturen en ons voorzien van al het noodzakelijke zonlicht van de zonnegod Sūrya; maanlicht van de maangod Candra; lucht van Vāyu, enzovoort. Elk element wordt bestuurd door een bepaalde halfgod.
Ook hebben we een schuld bij de gewone levende wezens van wie we diensten aannemen. We nemen bijvoorbeeld melk van de koe. Volgens het vedisch begrip wordt de koe als een van onze moeders beschouwd omdat we haar melk drinken, net zoals we na onze geboorte de melk van onze moeder drinken. Het Śrimad-Bhāgavatam vermeldt zeven moeders: onze eigen moeder, de vrouw van onze onderwijzer of geestelijk leraar, de vrouw van een brāhmaṇa, de vrouw van de koning, de verpleegster, de koe en de aarde. We hebben een schuld bij al deze zeven moeders, en eveneens aan onze vaders, broeders, vrienden, kennissen en voorouders.
Ook als iemand donaties aanneemt, krijgt hij schulden, en die schulden moeten terugbetaald worden, net als geleend geld terugbetaald moet worden. Daarom moeten toegewijden van niemand donaties aannemen, tenzij ze het in Krsņa's dienst zullen gebruiken. Het is voor een toegewijde een grote zonde om gewoon maar donaties aan te nemen om zijn buik mee te vullen. Brāhmaṇa's en sannyāsi's die donaties van anderen aannemen, moeten daar voorzichtig mee zijn. Volgens het vedische sociale stelsel is het alleen brahmacārī's, sannyāsī's en brāhmaṇa's toegestaan geld uit donaties bijeen te brengen. Een gewoon gezinshoofd kan dat niet doen. Een brahmacāri kan aalmoezen van de mensen vragen om zijn geestelijk leraar mee te dienen en een sannyāsi kan geld bijeenbrengen om God, Kṛṣṇa, mee te dienen. Op gelijkaardige wijze raden de Veda's de mensen aan donaties te geven aan de brāhmaṇa's, omdat die weten hoe ze het voor Krsņa kunnen uitgeven. Doneren aan iemand die het waard is, is in de hoedanigheid goedheid, doneren voor je eigen persoonlijk voordeel is getint met de hoedanigheid hartstocht, en doneren zonder enige overweging is geworteld in de hoedanigheid onwetendheid. Als we bijvoorbeeld geld aan een schurk geven, zal hij het opmaken in de eerste de beste drankzaak. Degenen die geld genoeg hebben mogen dan denken dat het niets uitmaakt - zij kunnen het zich veroorloven geen onderscheid te maken - maar de geschriften maken onderscheid tussen deze drie soorten donaties.
We zouden ons dan kunnen afvragen hoe we zelfs maar de hoop kunnen hebben ons van al deze schulden te ontdoen. Het antwoord daarop luidt dat dit alleen maar kan door je toevlucht te zoeken bij de lotusvoeten van Kṛṣṇa, Mukunda. De naam Mukunda verwijst naar degene die ons kan verlossen van de materiële verontreiniging .We hebben een schuld bij de halfgoden, maar bij hen kunnen we onze toevlucht niet nemen. Als we werkelijk een toevlucht zoeken, moeten we naar Kṛṣṇa gaan, want Hij alleen kan ons van alle schulden verlossen. Kṛṣṇa is de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, en als Hij ons van een schuld ontheft, moeten alle andere afdelingshoofden, zoals de halfgoden, ons daar ook van ontheffen.
Ajāmila zag zijn positie als een schuldenaar in, maar omdat hij nu zijn toevlucht genomen had bij de lotusvoeten van Mukunda, waren al zijn schulden tenietgedaan. Ajāmila raakte vrij door louter zijn toevlucht te nemen bij Heer Nārāyaņa, die niet verschilt van Mukunda. Als wij dus verlost willen worden van alle reacties op onze zonden, hebben we geen andere keus dan ons over te geven aan Krsņa, zoals Hij ons aanraadt, mām ekar saranam vraja: “Geef je gewoon aan Mij over." We moeten Krsņa's advies opvolgen, anders zal het met name in dit tijdperk van Kali uiterst moeilijk zijn van al onze schulden af te komen.

Blijvend voordeel

In de materiële wereld dreigt er bij elke stap gevaar. Zelfs voor zuivere toegewijden bestaat er het gevaar dat ze neervallen van hun standaard van zuiverheid. In het Śrimad-Bhāgavatam (1.5.17) verzekert Nārada Muni ons echter:
tyaktvā sva-dharmaṁ caraṇāmbujaṁ harer
bhajann apakvo ’tha patet tato yadi
yatra kva vābhadram abhūd amuṣya kiṁ
ko vārtha āpto ’bhajatāṁ sva-dharmataḥ
In dit vers betekent het woord dharma "voorgeschreven plichten". Een brāhmaṇa heeft bijvoorbeeld bepaalde voorgeschreven plichten, net als de kṣatriya, vaiśya en śūdra. Als iemand zijn voorgeschreven plichten opgeeft, zich aan het Kṛṣṇa-bewustzijn wijdt en daarbij de regels strikt volgt, maar vanwege onvolwassenheid in toegewijde dienst ten val komt, heeft hij toch niets verloren. Wat hij ook doet als dienst aan de Allerhoogste Heer, zelfs al is het maar een klein percentage van zijn hele leven, het zal in zijn voordeel blijven. Hij zal het niet verliezen.
Aan de andere kant wint iemand die zijn voorgeschreven plicht volmaakt uitvoert maar Kṛṣṇa niet vereert er helemaal niets bij. Je voorgeschreven plicht strikt navolgen betekent een vroom leven leiden. Maar stel nu dat je door die vroomheid naar het hemelse koninkrijk bevorderd wordt. Kṛṣṇa legt uit in de Bhagavad-gītā dat je gedwongen bent terug te keren naar deze planeet zodra het afgelopen is met het resultaat van je vrome activiteiten. En nog iets: als iemand in dit leven vroom handelt, zoals donaties geven, moet hij in zijn volgend leven terugkomen om het goede resultaat daarvan in ontvangst te nemen. Dat betekent dat hij nog eens een materieel leven moet leiden. Het is dus niet zo gezond om te hopen dat je veel resultaten van vrome activiteiten zal verzamelen.
Jammer genoeg zijn zelfs in India de mensen meer geneigd vroom te handelen, zoals vrijgevig zijn, dan Kṛṣṇa toegewijde dienst te bewijzen. Ze hopen dat ze door het volbrengen van dergelijke tapasya, of ascese, na de dood verheven worden naar een hogere standaard van materieel leven op de hemelse planeten. Daarom vereren ze ook halfgoden, of anders doen ze het om in dit leven gezegend te worden. Heer Śiva geeft zijn aanbidders bijvoorbeeld vrij snel materiële zegeningen-wat zijn toegewijde ook maar wil. Hij is erg aardig. Hij staat bekend als Āśutoșa, “hij die snel voldaan is", Daarom houden de mensen ervan hem voor materiële voorspoed te vereren. In de Bhagavad-gitā (7.20) veroordeelt Kṛṣṇa dit soort aanbidding echter, kāmais tais tair hrta-jnānāh prapadyante 'nya-devatāh:"Degenen wier intelligentie door materiële verlangens weggestolen is, geven zich over aan de halfgoden."
Het Srimad-Bhāgavatam vertelt het verhaal van Vrkāsura, die een afschuwelijke zegening van Heer Śiva wilde hebben. Hij wilde dat iedereen wiens hoofd hij zou aanraken zou sterven. Dat is het soort van zegening waar de demonen om vragen. Rāvana en Hiranyakasipu kregen ook van zulke zegeningen. Ze dachten door machtig te worden de dood te kunnen ontlopen. Dat is een typisch demonische mentaliteit.
Geen van die demonen werd echter gered van de dood door de zegening die ze van de halfgoden gekregen hadden. Integendeel ze werden uiteindelijk allemaal door de Allerhoogste Heer gedood. Het is de wet der natuur dat iedereen hier moet sterven. Niemand die in deze materiële wereld geboren wordt kan eeuwig leven. De materiële wereld wordt Martya-loka genoemd, wat inhoudt dat elk levend wezen hier onderhevig is aan geboorte, ziekte, ouderdom en dood. Begoocheld als ze zijn, kunnen de mensen dit niet inzien. Ze proberen hun materiële leefomstandigheden zo aan te passen dat ze eeuwig kunnen leven. Ook de hedendaagse wetenschappers streven ernaar onsterfelijk te worden, waarmee ze Hiranyakaśipu proberen na te doen. Dat is allemaal dwaasheid. We moeten niet bang zijn om te sterven, maar bedachtzaam zijn en ons afvragen: "Waar zal ik vanwege mijn activiteiten in mijn volgend leven terechtkomen?"
Een toegewijde is nooit bang voor de dood. Hij bidt gewoon tot Kṛṣṇa: "Ik kan telkens weer geboren worden en sterven, wat U maar wenst. Al waar ik om vraag, is dat ik U dankzij Uw genade nooit vergeten zal, in wat voor omstandigheden ik ook leven mag. "Een toegewijde is niet bang, maar hij is voorzichtig dat hij niet ten val zal komen. Tegelijkertijd weet hij dat elk percentage aan toegewijde dienst die hij verleent zijn blijvend voordeel is. Het verhaal van Ajāmila illustreert dit punt uitstekend. We dienen de regels strikt te volgen, maar zelfs als we dan nog ten val komen is er geen verlies. Dat is de uitspraak van Nārada Muni die eerder aangehaald werd. Zelfs als we ons uit sentimentele overwegingen aan het Kṛṣṇa-bewustzijn wijden en na een tijdje toegewijde dienst gedaan te hebben weer terugkeren naar het materiële leven, is de dienst die we verleend hebben geregistreerd en zullen we op een dag net als Ajāmila gered worden.
Toen de Vișņudūta’s verdwenen waren, vroeg Ajāmila zich af of hij nu gedroomd had dat ze hem verlost hadden uit de touwen van de Yamadūta's. Toen Ajāmila daar vrijwel in coma op zijn sterfbed lag, zag hij de Vișņudūta's en Yamadūta's daadwerkelijk, maar leek het er voor hem op dat hij slechts droomde. Toen hij zag dat hij feitelijk verlost was van de angstwekkende dienaren van Yamarāja, wilde hij de Vișņudūta's weer zien. Zij zagen er prachtig uit. Hun uiterlijk was net als dat van Heer Viṣṇu, en ze waren net als Hem gedecoreerd en droegen de vier symbolen van Zijn macht: de hoornschelp, lotus, knots en werpschijf. Hun lichamen hadden een prachtige uitstraling en hun gewaden waren van gouden zijde. Daarom vroeg Ajāmila: "Waar zijn die prachtige persoonlijkheden die me bevrijd hebben uit de touwen van de Yamadūta's?"
Ajāmila dacht: "Mijn hele leven was vervuld van zonden, hoe kan ik het dus waard geweest zijn zulke grote persoonlijkheden te aanschouwen?" Hij besloot: "Misschien heb ik in mijn vorige leven iets goeds gedaan en werd ik als resultaat daarvan toegestaan de Vișņudūta's te zien.” Eigenlijk was Ajāmila eerder in zijn leven een trouwe dienaar van Heer Nārāyaņa geweest, en daarom was hij in staat de Vișņudūta’s te zien. Het was het goede gezelschap waar Ajāmila vroeger mee gezegend was dat hem gered had. In het Caitanya-caritāmrta, Madhya-lilā 22.54 staat:
‘sādhu-saṅga’, ‘sādhu-saṅga’-sarva-śāstre kaya
lava-mātra sādhu-saṅge sarva-siddhi haya
"Het oordeel van de geopenbaarde geschriften luidt dat men door zelfs maar een moment omgang met een zuivere toegewijde alle succes kan behalen." In het begin van zijn leven was Ajāmila zonder twijfel zeer zuiver en bevond hij zich in het gezelschap van toe gewijden en brāhmaṇa's. Ook al was hij gevallen, hij werd vanwege die vroomheid geïnspireerd zijn zoon Nārāyaņa te noemen. Dit was zeker vanwege de goede raad die de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods hem gaf van binnenuit. Zoals de Heer uitlegt in de Bhagavad-gītā (15.15), sarvasya cāham hrdi sannivistho mattah smrtir jnānam apohanam ca: "Ik zetel in ieders hart en van Mij komen herinnering,kennis en vergetelheid." De Heer is zo vriendelijk dat Hij iemand die Hem dienst bewezen heeft nooit vergeet. De Heer inspireerde Ajāmíla daarom van binnenuit zijn jongste zoon Nārāyana te noemen, zodat hij telkens vol genegenheid “Nārāyaņa! Nārāyaņa!” zou roepen en zo gered zou worden uit de meest angstige en gevaarlijke toestand op het moment van zijn dood. Dat is de genade van Kṛṣṇa.Guru-krsņa-prasāde pāya bhakit-latā-bīja: "Door de genade van de guru en Kṛṣṇa krijgt men het zaadje van bhakti, toegewijde dienst." Door dit zaadje water te geven met het chanten van en luisteren naar de naam van de Heer, wordt de toegewijde van de grootste angst gered.
Daarom veranderen we de naam van een toegewijde in onze gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn in een die hem aan Viṣṇu doet denken. Als de toegewijde op het moment van de dood zijn eigen naam kan herinneren, zoals Krșņa dāsa of Govinda dāsa, kan hij van het grootste gevaar gered worden. Daarom is de verandering van naam tijdens initiatie van wezenlijk belang. De gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn gaat zó op de bijzonderheden in, dat ze iedereen een goede kans biedt om Kṛṣṇa op de een of andere manier te herinneren.
Je Kṛṣṇa voor de geest halen als je sterft is over het algemeen alleen mogelijk voor degenen die tijdens een leven van toegewijde dienst een intieme relatie met Kṛṣṇa opgebouwd hebben. Toen Ajāmila een jongen was werd hij door zijn vader opgeleid volledig trouw te zijn aan de Heer, en tot op zijn twintigste diende hij Heer Nārāyaņa naar behoren. Hoewel Ajāmila van zijn standaard van toegewijde dienst aan Heer Nārāyana neergevallen was en zijn relatie met Hem vergeten was, vergat Heer Nārāyaņa die niet, en beantwoordde de liefde van Zijn toegewijde Ajāmila in zijn uur van nood. Zo werd Ajāmila de tegenwoordigheid van geest geschonken zich Nārāyaņa te herinneren tijdens zijn dood.
Kṛṣṇa waardeert zelfs een klein beetje toegewijde dienst ten zeerste. Hij bevestigt dit in de Bhagavad-gītā (2.40):
nehābhikrama-nāśo ’sti
pratyavāyo na vidyate
svalpam apy asya dharmasya
trāyate mahato bhayāt
"Wie dit nastreeft lijdt verlies noch achteruitgang, en een kleine vooruitgang op dit pad kan iemand voor het vreselijkste gevaar behoeden." Als iemand zelfs maar een klein beetje toegewijde dienst doet, kan dat hem van het grootste gevaar redden. Waarom je dus niet aan Kṛṣṇa-bewustzijn wijden? Wijd je altijd aan Kṛṣṇa-bewustzijn, vierentwintig uur per dag, en dan is er geen sprake van gevaar. Wie Kṛṣṇa-bewust is, kent geen angst. Hij weet dat hij door Kṛṣṇa beschermd wordt.