Default View
Dual Language

Hoofdstuk 16

Liefde opwekken voor God

De Visņudūta's vervolgden: "Door vedische rituelen of boetedoening raken zondaars niet zo gezuiverd als door slechts eenmaal de heilige naam van Heer Hari uit te spreken. Hoewel ritualistische boetedoening iemand van de reacties op zijn zonden kan verlossen, wekt het geen verlangen op naar toegewijde dienst. Dit is wel het geval met de naam van de Heer, die gedachten oproept aan Zijn roem, eigenschappen, attributen, spel en toebehoren."
"De boetedoeningsrituelen die in de religieuze geschriften aanbevolen worden zijn niet voldoende om het hart helemaal te zuiveren, want na dergelijke boetedoeningen raakt de geest opnieuw aangetrokken tot materiële activiteiten. Wie serieus verlost wil worden van de reacties op zijn baatzuchtige, materiële activiteiten, wordt daarom aangeraden de Hare Kṛṣṇa mantra te reciteren, of de naam, roem en het spel van de Heer te verheerlijken. Dit is de meest volmaakte manier van boete doen, omdat het werkelijk al het vuil uit het hart verwijdert."
"Toen hij stierf riep deze Ajāmila volkomen hulpeloos en zeer luid de heilige naam van de Heer, Nārāyana. Dat alleen al heeft hem bevrijd van de reacties op al zijn zonden. Daarom, o dienaren van Yamarāja, mogen jullie hem niet meenemen naar jullie meester, om daar in de hel gestraft te worden."
"Wie de heilige naam van de Heer uitspreekt wordt onmiddellijk verlost van de reacties op oneindig veel zonden, zelfs als hij dat indirect doet [op iets anders doelend], voor de grap, als muzikaal vermaak, of zelfs zonder aandacht. Iedereen die de geschriften kent, aanvaardt dit.''
"Als iemand de heilige naam van Hari uitspreekt vlak voordat hij aan de gevolgen van een ongeluk sterft-als hij bijvoorbeeld van het dak van een huis valt, onderweg uitglijdt en zijn botten breekt, door een slang gebeten wordt, pijn of hevige koorts heeft, of door een wapen verwond wordt-wordt hij onmiddellijk vergeven en gaat hij niet meer naar de hel, ook al is hij een zondaar."
“Gezaghebbende geleerden en wijzen hebben zorgvuldig vastgesteld dat men voor de grootste zonden zware boetedoening moet ondergaan, en voor minder ernstige zonden lichtere. Het reciteren van de Hare Kṛṣṇa mantra vernietigt echter de reacties op alle zonden, groot en klein."
"Hoewel men door middel van ascese, liefdadigheid, geloften en andere dergelijke methoden de reacties op een zondig leven kan neutraliseren, kan men met deze vrome activiteiten de materiële verlangens in het hart niet vernietigen. Wie de lotusvoeten van de Persoonlijkheid Gods dient, wordt echter onmiddellijk van dit soort onzuiverheden verlost."
"Zoals vuur droog gras tot as verbrandt, zo verbrandt de heilige naam van de Heer zonder uitzondering alle reacties op iemands zonden, of hij hem nu bewust of onbewust uitspreekt."
"Als iemand een medicijn inneemt zonder de werking ervan te kennen, of gedwongen wordt het in te nemen, zal het toch effect hebben, want de werking van een medicijn is niet afhankelijk van het begrip van de patiënt. Op dezelfde manier zal het uitspreken van de heilige naam van de Heer, zelfs als men de waarde ervan niet kent en ongeacht of men het bewust of onbewust doet, een groot effect hebben."
Śrī Śukadeva Gosvāmī vervolgde: Mijn beste koning, nadat de boodschappers van Heer Viṣṇu aldus met rede en logica een volmaakte uiteenzetting gegeven hadden over de principes van toegewijde dienst, verlosten ze de brāhmaņa Ajāmila uit de handen van de Yamadūta's en redden hem zo van de dood. Toen gingen de Yamadūta's terug naar Yamarāja en vertelden hem alles wat er gebeurd was.
Toen de brāhmana Ajāmila uit de touwen van de Yamadūta's bevrijd was, kwam hij weer bij zijn positieven. Hij was nu vrij van angst en bracht de Visņudūta's onmiddellijk zijn eerbetuigingen door zijn hoofd aan hun lotusvoeten neer te buigen. Hij was buitengewoon blij met hun aanwezigheid, want hij had gezien dat ze hem uit de handen van de dienaren van Yamarāja gered hadden. Toen de Vișņudūta’s, de boodschappers van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, zagen dat Ajāmila iets probeerde te zeggen, verdwenen ze plotseling. (Śrimad-Bhāgavatam 6.2.11-23)

Boetedoening versus het chanten van de heilige naam

Hier zeggen de Vișņudūta’s dat de vedische geschriften allerlei boetedoeningen aanraden waardoor je verlost kan worden van de reacties op je zonden. In het christendom is er ook een systeem van boetedoening. Als een katholiek een zonde begaat, wordt hij naar een priester gestuurd om te biechten. De priester wordt verondersteld een bonafide vertegenwoordiger van God te zijn, en als hij de zondaar vergeeft, wordt de zonde dus geneutraliseerd.
Dit soort boetedoening kan iemand echter niet zo zuiveren als het zuiveringsproces van het reciteren van de heilige naam van Heer Kṛṣṇa. Degene die zijn zonden opbiecht begaat na het verlaten van de kerk dezelfde zonden vaak opnieuw. Met deze manier van boetedoening is er dus eigenlijk helemaal geen sprake van zuivering.
Toch worden die boetedoeningen in de Veda's aangeraden voor degenen die nog niet klaar zijn voor het proces van zuivere toegewijde dienst. Deze methoden van boete doen zijn in overeenstemming met de ernst van de zonde die ze moeten tegengaan. Met een verkoudheid zullen de dokterskosten veel minder zijn dan in een geval van tuberculose. Zo zijn eveneens de rituelen voor het neutraliseren van zonden, prāyaścitta, uitgebreider of minder uitgebreid in verhouding tot de ernst van de zonde. Als we een ernstige zonde begaan, zal de boetedoening zwaar zijn. Dit zijn voorschriften van grote wijzen als Parāsara Muni en Manu. De wijzen hebben twintig verschillende soorten geschriften samengesteld die de dharma-sastra vormen, en deze geschriften zijn bedoeld voor boetedoening en verheffing naar de hemelse planeten. Er wordt bijvoorbeeld gezegd dat iemand die bepaalde misdaden begaan heeft een gelofte moet afleggen om een bepaald aantal dagen te vasten of donaties te geven. En zo wordt een zakenman die door zondige activiteiten miljoenen guldens verdiend heeft aangeraden dienovereenkomstig te doneren.
Er zijn veel van dit soort voorgeschreven methoden van boete doen, maar hier zeggen de Vișņudūta's: “Hoewel deze voorgeschreven methoden van boete doen geautoriseerd en waar zijn, kunnen ze het hart niet zuiveren." We kunnen zelf zien dat de aanhangers van het hindoeïsme, de islam en het christendom zich er niet van kunnen weerhouden telkens weer dezelfde zonden te begaan, ook al volbrengen ze zulke boetedoeningsrituelen. Wie de principes van het boete doen op deze wijze uitvoert is niet beter dan een patiënt die de medicijnen die hij van de dokter gekregen heeft niet volgens voorschrift inneemt, en als zijn toestand dan verslechtert weer bij de dokter komt klagen: “O dokter, geef me alsjeblieft meer medicijnen."
In dit verband beschrijft Śrīla Viśvanātha Cakravartī Țhākura een incident dat plaatsvond toen Sāmba, een van Heer Kṛṣṇa's zonen,gered werd van een afstraffing door de Kaurava's. Sāmba werd verliefd op Lakșmaņā, de dochter van Duryodhana, en omdat de kṣatriya-code gebiedt dat je geen dochter van een kṣatriya’s kan krijgen zonder je moed te tonen, ontvoerde Sāmba haar. Daardoor werd hij door de Kaurava's gevangengenomen. Toen Heer Balarāma later de Kaurava's bezocht om voor Sāmba's vrijlating te pleiten, resulteerde dat in een eindeloze discussie. Daarom toonde Heer Balarāma Zijn kracht op zodanige wijze, dat heel Hastināpura beefde en vernietigd zou worden als in een aardbeving. Toen werd de zaak snel beslist en trouwde Sāmba met Duryodhana's dochter. De betekenis hiervan is dat men zijn toevlucht moet nemen tot Kṛṣṇa en Balarāma, wier bescherming zó effectief is dat niets in de materiële wereld ermee vergeleken kan worden. Hoe sterk de reacties op je zonden ook mogen zijn, ze zullen onmiddellijk vernietigd worden als je de naam van Hari, Krsņa, Balarāma of Nārāyaņa uitspreekt.
De Visņudūta's aanvaarden zulke boetedoeningsrituelen als vasten en doneren daarom niet. Zij zeggen: "“Dergelijke voorgeschreven rituelen kunnen iemand niet zo effectief zuiveren als het aanroepen van de heilige naam van God." Door bepaalde religieuze principes uit te voeren zal je ongetwijfeld verlost worden van alle onreinhedenvan een zondig bestaan, maar ze zijn uiteindelijk niet genoeg omdat de geest zó verstoord is dat hij zelfs na van die reacties gezuiverd te zijn weer opnieuw tot zondigen aangetrokken raakt.
De zuiverende kracht van toegewijde dienst aan Kṛṣṇa, wat begint met het chanten van de heilige naam, wordt nader verklaard in het Śrīmad-Bhāgavatam (11.2.42), bhakith paresānubhavo viraktir anyatra ca: "Toegewijde dienst aan de Heer is zó krachtig, dat iemand die zich eraan wijdt onmiddellijk van alle materiële verlangens verlost wordt." In deze materiële wereld zijn alle verlangens zondig omdat materieel verlangen zinsbevrediging inhoudt, waarbij altijd activiteiten betrokken zijn die min of meer zondig zijn. Zuivere toegewijde dienst is echter anyābhilāsitā-śūnya, vrij van materiële verlangens. Wie in toegewijde dienst gesitueerd is, heeft niet langer materiële verlangens en staat daarom boven het zondig bestaan. Als je niet volkomen met materiële verlangens afrekent, zullen ze vanwege onzuiverheden in het hart opnieuw verschijnen en zal je weer zondigen en daaronder lijden, ook al raak je door ascese, boetedoeningen en het geven van donaties tijdelijk vrij van zonden. Het speciale voordeel van toegewijde dienst is, dat het volledige bevrijding van materiële verlangens schenkt.
We kunnen ons hart niet zuiveren door alleen maar boete te doen. Wie syfilis heeft gaat naar een dokter, die hem dan een injectie geeft en een gepeperde rekening. Jawel, hij mag dan genezen zijn, maar als hij zich weer met ongeoorloofde seks inlaat krijgt hij ook weer syfilis. Zijn hart was dus niet gezuiverd van het verlangen naar ongeoorloofde seks. Wie zich echter aan het Kṛṣṇa-bewustzijn wijdt, vergeet ongeoorloofde seks gewoon. Dat is hoe iemands Kṛṣṇa-bewustzijn op de proef gesteld wordt. Een oprechte toegewijde begaat nooit een zonde, want door het chanten van de heilige naam en verrichten van toegewijde dienst is zijn hart gezuiverd.
Er zijn natuurlijk ook zogenaamde toegewijden, die zonden begaan op kosten van het chanten van Hare Kṛṣṇa. Zij maken grove overtredingen tegen de heilige naam. We moeten de heilige naam niet gebruiken als een of andere machine en denken dat we lekker door kunnen gaan met zondigen omdat het chanten de reacties op die zonden tenietdoet. Dat is de grootste overtreding tegen de heilige naam van Kṛṣṇa. Welke zonden we vroeger ook begaan hebben, ze worden vernietigd door zelfs maar één keer zonder overtredingen de heilige naam van de Heer aan te roepen. Maar we moeten niet weer opnieuw zondigen. Caitanya Mahāprabhu vergaf de zondaars Jagāi en Mādhāi, die dronkaards, vrouwenjagers, vlees-eters en gokkers geweest waren, maar zij vielen dan ook neer aan de lotusvoeten van Heer Caitanya en Nityānanda Prabhu en riepen: "Heren! Wij zijn zó zondig! Verlos ons alstublieft." Heer Caitanya stemde daarmee in onder de voorwaarde dat ze geen zonden meer zouden begaan, en zei: "Wat jullie vroeger gedaan hebben zal Ik jullie vergeven, maar doe het niet opnieuw." Daarom beloofden Jagāi en Mādhāi: "Dit is het einde van onze zonden. We zullen niet meer zondigen." Als iemand door een geestelijk leraar geïnitieerd wordt, worden de reacties op zijn zonden onmiddellijk geneutraliseerd, maar dat betekent niet dat hij dan weer verder kan gaan met zondigen.
Kṛṣṇa-bewustzijn betekent dat we het voetspoor volgen van Heer Caitanya, en daarom initiëren we discipelen volgens het principe dat hier met het geval van Jagāi en Mādhāi getoond wordt. We aanvaarden vele mensen in onze gemeenschap als naar behoren geïnitieerde discipelen, mits ze de gelofte afleggen de volgende regels te volgen: geen ongeoorloofde seks meer, niet meer gokken, geen intoxicatie meer en geen dieren meer doden of vlees eten. Deze regeIs zijn noodzakelijk, want als je het geestelijk leven betreedt en tegelijkertijd zonden begaat, zal je nooit vooruitgang maken. Kṛṣṇa legt heel duidelijk uit in de Bhagavad-gitā (7.28):
yeṣām tv anta-gataṁ pāpaṁ
janānāṁ puṇya-karmaṇām
te dvandva-moha-nirmuktā
bhajante māṁ dṛḍha-vratāḥ
"Degenen die in vorige levens en dit leven vroom gehandeld hebben en wier zondige handelingen volledig zijn uitgewist, zijn vrij van de dualiteiten der begoocheling en gaan ertoe over Mij vastberaden te dienen."
Als we werkelijk serieus Vaikuṇṭha, het koninkrijk Gods, willen binnengaan, moeten we heel nauwgezet de hierboven genoemde regulerende principes volgen. Geen seks, tenzij in het huwelijk voor het verwekken van kinderen. Geen intoxicatie. Niet gokken. En geen vlees, vis of eieren eten of enig ander iets dat niet als menselijk voedsel bedoeld is. Voedsel voor de mens is graan, fruit, groente, melk en suiker. Dergelijk voedsel is sāttvika, zuiver en goed, en is aan de mensen toebedeeld als hun voeding. Je moet niet proberen de katten en honden na te doen en redeneren dat omdat zij vlees eten, wij dat ook kunnen doen. Als alles wat eetbaar is voedsel is, waarom eet je dan geen uitwerpselen? Uitwerpselen zijn ook voedsel-varkens zijn er dol op. Mensen moeten echter niet eten als varkens, die allerlei onrein voedsel naar binnen werken. We moeten onderscheid maken. Als we een geestelijk leven willen volgen, moeten we deze vier beperkende principes in acht nemen. Dat kan inhouden dat we een beetje ascetisch moeten zijn, maar dat is het doel van het mensenleven. Als we ons bestaan door ascese gezuiverd hebben, komen we ervoor in aanmerking het koninkrijk Gods binnen te gaan. Zonder gezuiverd te zin kunnen we dat wel vergeten.

Meditatie op de gedaante van Kṛṣṇa

Als je de heilige namen van God aanroept – Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare/ Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare – zal je uiteindelijk Kṛṣṇa's gedaante zien, Zijn kwaliteiten realiseren en Zijn spel herinneren. Dat is het effect van het zuiver chanten van de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra.
Śrīla Viśvanātha Cakravartī Thākura merkt op dat het aanroepen van de heilige naam van de Heer een speciaaI belang heeft dat het onderscheidt van de vedische boetedoeningsrituelen voor ernstige, ernstigere of nog ernstigere zonden. Er zijn twintig verschillende soorten geschriften die dharma-sāstra genoemd worden, te beginnen met de Manu-samhitā en de Parāsara-samhitā. Hierin wordt de nadruk gelegd op het feit dat de religieuze principes van deze geschriften een zondaar niet kunnen verheffen naar het niveau van liefdevolle dienst aan de Heer, alhoewel men door ze op te volgen verlost wordt van de reacties op de meest afschuwelijke zonden. Aan de andere kant bevrijdt het reciteren van de heilige naam van de Heer iemand niet alleen onmiddellijk van de reacties op de meest afschuwelijke zonden, maar verheft hem tevens langzaamaan naar het niveau van liefdevolle toegewijde dienst aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Dan dient men de Heer door zich Zijn gedaante, attributen en spel te herinneren.
Śrila Viśvanātha Cakravartī legt uit dat het komt door de almacht van de Heer dat dit allemaal mogelijk is door gewoon Zijn heilige naam uit te spreken. Wat niet bereikt kan worden door het volbrengen van vedische rituelen, kan met gemakkelijk bereikt worden door het reciteren van de heilige naam van de Heer. Het reciteren van de heilige naam en vol vervoering dansen is zó gemakkelijk, voortreffelijk en effectief, dat met dit proces terstond alle voordelen van het geestelijk leven beschikbaar zijn. Daarom verkondigt Śrī Caitanya Mahāprabhu, parām vijayate śri-Kṛṣṇa-sankirtanam:"Alle eer aan het zingen van Heer Kṛṣṇa's heilige naam!" De sankirtana-beweging die we zijn begonnen biedt de beste manier om onmiddellijk gezuiverd te worden van alle reacties op zonden en tot het niveau van het geestelijk bestaan te komen.
Hoewel Ajāmila later in zijn leven ten val kwam, was hij tijdens zijn jeugd een brahmacārī en naar behoren door zijn vader getraind. Hij kende de naam, gedaante en het spel van Nārāyaņa, maar vergat die weer door het verkeerde gezelschap te kiezen. Zodra hij echter op zijn sterfbed de naam van Heer Nārāyaņa uitsprak, kon hij zich opnieuw al zijn vroegere vrome daden herinneren en werd daarom gered.
Dat het verkondigen en horen van de heilige naam van de Heer en Zijn heerlijkheden de beste manier is om het hart te zuiveren van de neiging te zondigen, wordt bevestigd in het begin van het Śrimad-Bhāgavatam (1.2.17):
śṛṇvatāṁ sva-kathāḥ kṛṣṇaḥ
puṇya-śravaṇa-kīrtanaḥ
hṛdy antaḥ stho hy abhadrāṇi
vidhunoti suhṛt satām
"Śrī Kṛṣṇa, de Persoonlijkheid Gods, die de Superziel in ieders hart is en de weldoener van de oprechte toegewijde, verwijdert het verlangen naar zinsbevrediging uit het hart van de toegewijde die met veel genoegdoening naar Zijn boodschap luistert; een boodschap die op zichzelf alle deugd bezit als hij naar behoren gehoord en verkondigd wordt."
Het is de speciale genade van de Heer dat Hij, zodra Hij iemand Zijn naam, gedaante en spel hoort verheerlijken, persoonlijk het hart van die persoon van al het vuil reinigt. Zelfs als je niet begrijpt wat de naam, gedaante en het spel van de Heer inhouden, word je gezuiverd door louter naar ze te luisteren en ze te verheerlijken.
Je bestaan zuiveren en verlost worden is de belangrijkste taak in het menselijk leven. Zodra je een materieel lichaam hebt, word je als onrein beschouwd. In zo'n onreine, materiële toestand kan je geen werkelijk gelukzalig leven leiden, hoewel iedereen daar wel naar op zoek is. Daarom moet iedereen gezuiverd worden ,zoals door Heer Rsabhadeva uitgelegd wordt in het Śrimad-Bhāgavatam (5.5.1), tapo dioyam putrakā yena sattvam suddhyed yasmād brahma-saukhyam to anantam: "Mijn beste zonen, jullie moeten tapasya en ascese beoefenen om je bestaan te zuiveren. Dan zullen jullie het geestelijke vlak bereiken en eindeloos geestelijk geluk ervaren." De tapasya van het luisteren naar en verheerlijken van de naam ,gedaante en het spel van de Heer is een zeer eenvoudig zuiveringsproces waarmee iedereen gelukkig kan worden. Daarom moet iedereen die zijn hart volledig wil reinigen zich aan dit proces wijden. Andere processen, zoals karma, jñāna en yoga, kunnen het hart niet volledig reinigen.
Māyāvādi's, impersonalisten, kunnen de naam, gedaante en het spel van de Heer niet verheerlijken, want ze denken dat God geen gedaante heeft en dat Zijn spel maar māyā is, illusie. Maar waarom zou God geen gedaante hebben? Wij hebben een gedaante omdat onze vader een gedaante heeft. Waarom zou de allerhoogste vader dan geen gedaante hebben? In de Bhagavad-gitā (14.4) zegt Kṛṣṇa,aham bija-pradah pitā: "Van alle wezens ben Ik de vader van wie het zaad afkomstig is." Ook de christenen geloven dat God de allerhoogste vader is. Als de zonen allemaal een gedaante hebben, hoe komt het dan dat de vader geen gedaante heeft? We kunnen niet verwekt worden door een gedaanteloze vader. Isvarah paramah Kṛṣṇah sac-cid-ānanda-vigrahah: "Kṛṣṇa is de allerhoogste bestuurder en de oorzaak van alle oorzaken, en Hij heeft een eeuwig, gelukzalig en geestelijk lichaam." (Brahma-sarhitā 5.1) Vigraha betekent gedaante". Als God als de oorzaak van alle oorzaken de schepper is en Hij al deze gedaanten schept, hoe kan Hij dan Zelf gedaanteloos zijn?
God heeft een gedaante, maar niet zoals die van ons. Zijn gedaante is sac-cid-ānanda, terwijl die van ons precies het tegenovergestelde is. De gedaante van God is sat, eeuwig bestaand, die van ons asat, tijdelijk. De gedaante van God is cit, vol kennis, die van ons acit, vol onwetendheid. En Zijn gedaante is ānanda, vol gelukzaligheid, terwijl die van ons nirānanda is, vol ellende. Het is slechts uit onmacht een gedaante te begrijpen die zó van onze gedaante verschilt dat er soms gezegd wordt dat God nirākāra is, gedaanteloos.
De gedaante van God is transcendentaal, wat inhoudt dat Zijn lichaam niet materieel is maar geestelijk. Zijn gedaante behoort tot een andere natuur dan we gewend zijn. In de Veda's staat dat God ziet, maar dat Hij geen ogen heeft. Dit betekent dat Zijn ogen verschillend zijn van de onze-ze zijn geestelijk, niet materieel. Ons zicht is beperkt, terwijl God alles kan zien omdat Hij overal ogen heeft. Zijn ogen, gedaante, armen en benen zijn van een andere aard dan de onze.
In tegenstelling tot onze kennis is Gods kennis onbegrensd. Hij zegt dan ook in de Bhagavad-gitā (7.26): "Ik ken verleden, heden en toekomst-alles." Eerder in de Bhagavad-gitā (4.5) herinnert Hij Arjuna aan het volgende: “Zowel jij als Ik hebben vele geboorten achter ons. Ik kan ze Me allemaal herinneren, maar jij bent ze vergeten." Zijn kennis kent dus geen grenzen. Zijn kennis, lichaam en vreugde zijn volkomen verschillend van onze kennis, lichamen en vreugde. Het is daarom alleen uit onwetendheid dat sommige mensen beweren dat de Absolute Waarheid nirākāra is, gedaanteloos.
Het is slechts inbeelding te denken dat God geen gedaante heeft. Het is een materiële gedachte. Wij hebben een gedaante en daarom moet ook Hij een gedaante hebben, hoewel die niet hetzelfde is als de onze. Alleen dwazen denken dat God uiteindelijk gedaanteloos is. Kṛṣṇa stelt in de Bhagavad-gītā (7.24), avyaktam vyaktim āpannam manyante mam abuddhayah: "Onintelligente mensen denken dat Ik vroeger onpersoonlijk was en nu deze persoonlijkheid aangenomen heb," Elders in de Bhagavad-gita worden degenen die de persoonlijke gedaante van God bespotten mūdha's genoemd, ezels. God heeft zeker wel een gedaante, maar Zijn gedaante verschilt volkomen van onze gedaanten. Dat is de ware betekenis van nirākāra.
Net zoals Kṛṣṇa's gedaante niet zoals onze materiële gedaanten is, behoort ook Zijn spel niet tot deze materiële natuur. Wie dit weet is onmiddellijk verlost. Kṛṣṇa bevestigt dit in de Bhagavad-gitā (4.9);
janma karma ca me divyam
evaṁ yo vetti tattvataḥ
tyaktvā dehaṁ punar janma
naiti mām eti so ’rjuna
"Wie de transcendentale aard van Mijn verschijnen en handelen kent, wordt na het verlaten van zijn lichaam niet opnieuw in deze materiële wereld geboren, maar bereikt Mijn eeuwige woonplaats, o Arjuna." Door de heilige naam van Kṛṣṇa zuiver te reciteren, kunnen we een inzicht verkrijgen in het spel en vermaak van de Allerhoogste Heer en dus verlost worden. Het is gemakkelijk en voortreffelijk. Wie Hare Kṛṣṇa chant zonder overtredingen te maken, zal zich altijd Krsņa's gedaante, spel, eigenschappen en gevolg kunnen herinneren, en die herinneringen zullen hem verlossen van alle reacties op zijn zonden en van alle materiële gebondenheid.
De Vișņudūta’s stellen hier dat de vele manieren voor verlossing van reacties op zonden die in de Veda's beschreven worden niet toereikend zijn, want ze kunnen iemand niet naar het niveau van absolute zuiverheid verheffen. Wie die andere manieren van zuivering uit de Veda's volgt, verlangt over het algemeen naar materieel voordeel, zoals verheffing naar het hemelse koninkrijk. Een toegewijde geeft echter niets om verheffing naar de hemelse planeten. Een toegewijde geeft geen moer om welke planeet in deze materiële wereld dan ook, want hij weet dat de voordelen van het betreden van het hemelse koninkrijk tijdelijk zijn. We mogen dan duizenden jaren op een hogere planeet leven met een ontzettend hoge levenstandaard-compleet met een beeldschone vrouw, overdadige rijkdom en de beste wijn-maar die voordelen zijn tijdelijk. Voor een toegewijde is zo'n leven hels omdat hij niet wil leven zonder Kṛṣṇa. Dat is ware geestelijke realisatie.
Waar wij gewoon om geven is Kṛṣṇa en hoe Hij tevreden zal zijn.
Dat is waar geluk. Wij proberen Kṛṣṇa een plezier te doen. Kamsa was eveneens Kṛṣṇa-bewust, voor zover dat hij altijd aan Kṛṣṇa dacht, maar zijn meditatie was ongunstig. Zijn meditatie was hoe hij Kṛṣṇa kon doden. Hij dacht aan Kṛṣṇa, maar hij zag Hem als een vijand. Dat is zeker geen bhakti. In Kṛṣṇa-bewustzijn moet je gunstig handelen. Arjuna was een toegewijde omdat hij handelde ten gunste van de voldoening van Kṛṣṇa. Materieel gezien waren Arjuna's handelingen ongunstig, maar wat Kṛṣṇa betrof waren ze gunstig. Daarom waren ze volmaakt en vrij van alle zonden.

De transcendentale activiteiten van Heer Kṛṣṇa

Het is belangrijk het verschil in te zien tussen de activiteiten van bhakti en gewone vrome activiteiten. De ontwikkeling van kennis en vrome activiteiten vindt plaats op het materiële vlak. Vroomheid resulteert niet in verlossing. Wie vroom is bevindt zich op het niveau van goedheid, maar hij is en blijft een geconditioneerde ziel, ge bonden door de goede reacties. Je kan zelfs een brāhmaṇa worden, die zeer vroom is, maar dat betekent niet dat je dan een toegewijde bent. Soms handelt een toegewijde zelfs tegen de regels van wereldse vroomheid in. Arjuna was bijvoorbeeld een verheven toegewijde van Heer Kṛṣṇa, maar hij doodde zijn familieleden. Onwetende mensen zullen zeggen “Arjuna is geen goed mens. Kijk, hij heeft zijn grootvader omgebracht en zijn leraar en zijn neven, en zo heeft hij de hele familie vernietigd", maar in de Bhagavad-gitā (4.3) zegt Krsņa tegen Arjuna, bhakto 'si me: "Jij bent Mijn dierbare vriend." In de ogen van de materiële wereld mag Arjuna dan een slecht mens zijn, maar omdat hij met ziel en zaligheid aan het verlangen van de Allerhoogste Heer overgegeven is, moet hij als een toegewijde aanvaard worden. Hoewel het waar is dat Arjuna zijn eigen verwanten doodde, bleef hij in de ogen van Kṛṣṇa een dierbare vriend en toegewijde. Dat is het verschil tussen een goed mens van deze wereld en een toegewijde: een goed mens van deze wereld probeert altijd vroom te handelen omdat hij weet dat hij zal lijden onder de reacties van zondig handelen, terwijl een toegewijde, hoewel hij van nature een heel goed mens is, op Kṛṣṇa's aanwijzingen als een slecht mens kan handelen en dan toch niet ten val komt-hij is en blijft een zuivere toegewijde en de Heer zeer dierbaar.
Het luisteren naar verhalen over Kṛṣṇa's spel is dus zeer zuiverend, maar je moet daarbij wel de juiste mentaliteit hebben. Sommige personen, met een materialistische visie, zijn erg aangetrokken tot Krsņa's rāsa-līlā - Zijn spel met Zijn vriendinnen, de koe-herdersmeisjes -maar waarderen het niet dat Hij met de demonen vecht en ze doodt. Ze weten niet dat de Absolute Waarheid, Kṛṣṇa, onder alle omstandigheden goed is. Of Hij zich nu vermaakt in het gezelschap van Zijn toegewijden of demonen doodt, Hij is en blijft de Absolute Waarheid, en daarom is de zuiverende werking van het luisteren naar Zijn spel en vermaak in alle gevallen hetzelfde.
Over het algemeen luisteren mensen naar voordrachten van het Śrimad-Bhāgavatam door beroepsvertellers, die er met name gek op zijn de rāsa-lilā te beschrijven. De mensen denken dat het erg goed is als Kṛṣṇa een meisje omhelst. Soms komen er wel tienduizend mensen bij elkaar om naar de rāsa-līlā te luisteren, en op deze manier maken de vertellers aardig wat winst. Maar zo lijkt het wel voor de mensen alsof Srimad-Bhāgavatam alleen maar het tiende canto betekent, met de rāsa-lilā en ander spel, terwijl ze zich niet realiseren dat er tevens vele belangrijke instructies gegeven worden in de andere canto's. Heer Krsņa, het summum bonum, wordt in het tiende canto beschreven, en de andere negen canto's hebben als doel het hart te zuiveren zodat je Krsņa kan begrijpen.
Onze instructie aan iedereen is dus om eerst canto één tot en met negen nauwgezet té bestuderen. Daarna kan je het tiende canto met het juiste inzicht lezen. Wie over Krșņa's rāsa-lilā hoort en het als een doodgewoon verhaal beschouwt, kan Kṛṣṇa niet werkelijk kennen. De rasa-lilā heeft niets met wellust te maken. Het is een transcendentaal spel van liefde tussen Rādhā en Kṛṣṇa. Volgens Caitanya Mahāprabhu zijn de hoofdstukken die de rāsa-lilā beschrijven niet voor gewone mensen bedoeld, maar voor verloste zielen. Daarom moeten deze beschrijvingen van de rāsa-lilā niet aan de gewone mensen verteld worden. De gevorderde toegewijden, verlost van de materiële verontreiniging, kunnen proberen een inzicht te krijgen in Kṛṣṇa's rāsa-lila. Je moet je geen wereldse voorstelling proberen te maken van Rādhā en Kṛṣṇa's rāsa-līlā.
Hoewel de gewone toehoorders van het Śrimad-Bhāgavatam de diepe betekenis van de rāsa-līlā niet kennen, worden ze toch gezuiverd, want ze luisteren naar het spel en vermaak van Kṛṣṇa. Als ze naar gezaghebbende bronnen luisteren, zullen ze bevorderd worden naar het transcendentale niveau van toewijding. De ziekte van het hart is wellust, het verlangen om te genieten, en door naar gezaghebbende bronnen te luisteren die over Kṛṣṇa's liefdevolle uitwisselingen met de gopi's vertellen, zullen die diepgewortelde wellustige verlangens in het hart volkomen vernietigd worden.
Helaas verneemt vrijwel niemand het Śrimad-Bhāgavatam uit gezaghebbende bronnen. De mensen luisteren vrijwel alleen maar naar beroepsvertellers, en daarom blijven ze materieel ziek; vol wellustige verlangens. Sommigen worden sahajiya's en imiteren Kṛṣṇa en Rādhārāņī en Haar vriendinnen, de gopī's. Op deze wijze gedragen ze zich alsof zij de allerhoogste genieter waren.
Het is de taak van de zuivere toegewijden om Kṛṣṇa tevreden te stellen, en zodra ze de Hare Kṛṣṇa maha-mantra chanten, kunnen ze zich herinneren hoe dat gedaan moet worden. In de materiële wereld hebben de levende wezens de neiging de verkeerde kant op te gaan. De geest en zintuigen raken over het algemeen aangetrokken tot begeerde materiële objecten. Je moet je geest echter met behulp van bhakti-yoga naar het eeuwige richten. Anders zullen geest en zintuigen ons dwingen tot karma, handelingen voor persoonlijke zinsbevrediging. En zodra iemand zich met zinsbevrediging inlaat, begaat hij zonden. Om de karmische handelingen die ons snel in het proces van herhaalde geboorte en dood verstrikken te vermijden, moet je dus een begin maken met Kṛṣṇa-bewustzijn.
Dit wordt ons hier door de Vișņudūta's op dezelfde manier aangeraden: als we vrij willen raken van de reacties van ons karma, moeten we de Heer vierentwintig uur per dag verheerlijken. Dat zal ons zuiveren. Śrila Śrīdhara Svāmī zegt: “In plaats van je met voorgeschreven rituelen bezig te houden, moet je je geest gewoon bezighouden met het beschrijven of verheerlijken van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods." Dat is het proces van Kṛṣṇa-bewustzijn.
Kṛṣṇa-bewustzijn, of toegewijde dienst, bestaat uit negen onderdelen: luisteren naar verhalen over de transcendentale naam, gedaante, kenmerken en het spel van de Heer, ze verheerlijken, ze voor de geest halen, de lotusvoeten van de Heer dienen, Hem eerbiedig vereren, gebeden tot Hem richten, Zijn dienaar worden, Hem als vriend beschouwen, en alles aan Hem overgeven. Wie gedurende zijn leven één of meerdere van deze onderdelen beoefent, kan er zeker van zijn dat hij zich Kṛṣṇa zal herinneren op het moment van de dood. Dat is de kunst van het Kṛṣṇa-bewustzijn. We kunnen niet zomaar al onze activiteiten opgeven en alleen maar Hare Kṛṣṇa chanten; daarom houden we ons voortdurend bezig met het beoefenen van toegewijde dienst, zodat onze geest op Kṛṣṇa gefixeerd is. Dan zullen we op het moment van de dood zonder twijfel volkomen verlost worden van het materiële bestaan.
Wie niet in het Kṛṣṇa-bewustzijn geoefend is, kan niet zomaar ineens de heilige naam van Nārāyaņa aanroepen als hij sterft. Om dit effectief te doen moet hij het eerder gedaan hebben. Daarom heeft Caitanya Mahāprabhu kīrtanīyah sadā harih aangeraden: "Men moet de naam van de Heer onophoudelijk verheerlijken." In dit tijdperk is dat de beste manier om Kṛṣṇa te herinneren, en deze voortdurende herinnering verzekert onze terugkeer naar huis, terug naar God, zoals de Heer belooft in de Bhagavad-gitā (8.8):
abhyāsa-yoga-yuktena
cetasā nānya-gāminā
paramaṁ puruṣaṁ divyaṁ
yāti pārthānucintayan
"Wie op Mij mediteert als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods en Me voortdurend en zonder van het pad af te dwalen voor de geest houdt, o Pārtha, zal Me zeker bereiken."
Dat Ajāmila zich Kṛṣṇa herinnerde was geen toeval. Hij had de naam van Heer Nārāyaņa eerder in zijn leven verheerlijkt, maar was de Heer vanwege slecht gezelschap vergeten. Desondanks was het transcendentale resultaat van zijn eerdere beoefening merkbaar aanwezig op het moment van zijn dood, ook al riep hij zijn jongste zoon en was hij niet van plan Kṛṣṇa te roepen.

Genade zonder onderscheid

yaṁ yaṁ vāpi smaran bhāvaṁ
tyajaty ante kalevaram
taṁ tam evaiti kaunteya
sadā tad-bhāva-bhāvitaḥ
"De zijnstoestand die men zich bij het verlaten van zijn lichaam herinnert, o zoon van Kunti, zal men zeker weer bereiken."
Wie het reciteren van de Hare Kṛṣṇa mantra beoefent, wordt verondersteld vanzelf Hare Kṛṣṇa uit te roepen in het geval van een ongeluk. Als iemand echter zelfs zonder daarin geoefend te zijn op een of andere manier de heilige naam van de Heer uitroept als hij aan een ongeluk sterft, zal hem een hels leven na de dood gespaard blijven. Als iemand bijvoorbeeld van een hoog dak valt, maar toch op de een of andere manier Hare Kṛṣṇa schreeuwt, zal die schreeuw door de Heer gehoord worden. En als we in een droom door een tijger aangevallen worden en Hare Kṛṣṇa roepen, hoort de Heer dat eveneens.
Hoewel Ajāmila de heilige naam van Heer Nārāyaņa indirect aanriep, via het medium van de naam van zijn jongste zoon, herinnerde hij zich terstond Heer Nārāyaņa. Daarom krijgen kinderen in de vedische samenleving namen van God. Het is niet zo dat het kind God wordt. Als we een kind Nārāyana noemen, is het duidelijk dat hij Nārāyaņa dāsa is, de dienaar van Heer Nārāyana. Op dezelfde wijze geven we ook onze discipelen geestelijke namen, zoals Vișņu dāsa, Vāmana dāsa of Kṛṣṇa dāsa.Dat Ajāmila zich Heer Nārāyaņa herinnerde door de naam van zijn zoon uit te roepen, wordt bevestigd in het Śrimad-Bhāgavatam, waar gezegd wordt dat de kracht van de geluidstrilling van de heilige naam absoluut is.
Zodra je de heilige naam chant, word je onmiddellijk van alle reacties op je zonden verlost, zelfs al begrijp je niets van de kracht van de naam. Of je nu chant met toewijding en eerbied, of zonder enig geloof, er worden meer reacties vernietigd dan een zondaar begaan kan. Kṛṣṇa's naam heeft zo'n onbegrensd vermogen. Toen Caitanya Mahāprabhu de Hare Kṛṣṇa maha-mantra zong in Navadvipa, imiteerden de mensen de Heer en Zijn metgezellen altijd. Toentertijd werd het land door mohammedanen bestuurd, en soms gingen de mensen klagen bij een van de regeringsbeambten: "De hindoes zingen 'Hare Kṛṣṇa! Hare Kṛṣṇa!' en dansen als wilden, waarbij ze hun armen in het rond slingeren." Zo imiteerden ze de sankirtana van Heer Caitanya. Ook in het Westen imiteren toeschouwers ons als we de straat op gaan om Hare Kṛṣṇa te zingen. Ze worden echter zelfs door te imiteren gezuiverd. De heilige naam is zó krachtig, dat als iemand ons bespot met de woorden "Waarom zingen jullie Hare Kṛṣṇa? Het is allemaal onzin!" hij daar toch geestelijk voordeel bij heeft.
Het aanroepen van Krsņa's heilige naam is als het opkomen van de zon in ons verduisterde hart. Dit universum is vol duisternis, en het is slechts doordat Kṛṣṇa voor een zon gezorgd heeft dat we licht zien. Als de zon ondergaat, komt de wereld onder de invloed van duisternis. Zo is ook ons hart vol van de duisternis der onwetendheid, maar is er licht om die duisternis te verjagen, en dat licht is Kṛṣṇa-bewustzijn. Vanwege zondige handelingen zijn we in onwetendheid, maar aan wie zich onophoudelijk met liefde en genegenheid aan de dienst van de Heer wijdt, openbaart Kṛṣṇa Zich in het hart. Door Kṛṣṇa's genade wordt de toegewijde altijd in het licht van het Kṛṣṇa-bewustzijn gehouden. Kṛṣṇa kent ieders bedoeling of motief, en Zijn genade is met name bedoeld voor degenen die oprecht aan Zijn dienst gewijd zijn.
Kṛṣṇa stelt Zich tegenover iedereen gelijk op, en als zodanig is Zijn genade grenzeloos. Hi is Zijn toegewijden echter erg gunstig gezind. Als je klaarstaat Zijn genade grenzeloos te ontvangen, staat Hij er klaar voor die grenzeloos te geven. Maar vanwege onze afgunstige aard zijn we echter niet bereid Zijn genade te ontvangen. In de Bhagavad-gītā (18.66) zegt Kṛṣṇa, sarva-dharmān parityajya mām ekar saranam vraja/aham tvār sarva-pāpebhyo moksayisyāmi:"Laat alle vormen van geloof voor wat ze zijn en geef je gewoon aan Mij over. Ik zal je verlossen van alle reacties op je zonden." Hij biedt openlijk Zijn bescherming aan, maar wij aanvaarden die niet. Ook zonlicht wordt gelijkmatig over het universum verdeeld, maar als we de deur dichtdoen en niet naar buiten komen om er ons voordeel mee te doen, dan is dat onze eigen schuld. Zonlicht en maanlicht maken geen onderscheid. Het is niet zo dat ze de huizen van de brāhmaṇas wel verlichten, maar de huizen van de caņdāla's (hondevleeseters) in duisternis laten. Nee, het licht wordt zonder onderscheid verdeeld. Op dezelfde wijze staat de genade van Krsņa in gelijke mate tot ieders beschikking, maar het is aan het individu om die genade die zo vrijelijk door God aangeboden wordt te aanvaarden.
Natuurlijk toont Kṛṣṇa Zijn toegewijde meer genade, want de toegewijde heeft de capaciteit die genade via dienst in ontvangst te nemen. De manier om de grondeloze genade van de Heer te ontvangen is door meer en meer te dienen. We moeten erg enthousiast zijn in het dienen van de Heer. Dat enthousiasme zal komen als we vastberaden en vol vertrouwen Hare Kṛṣṇa chanten.
Je zou hier tegenin kunnen brengen: "Ik begrijp hoe vol vertrouwen chanten zuiverend is, maar wat doet de heilige naam als iemand geen vertrouwen heeft?" Hier zijn wat voorbeelden: als een onschuldig kind bewust of onbewust zijn hand in het vuur steekt, zal hij zich verbranden; of als we een kind medicijnen geven, hebben die hun uitwerking, ook al weet het kind niets van hun kracht of werking. Vergif werkt op dezelfde manier. De Hare Kṛṣṇa mantra heeft eveneens zijn effect, hoewel wij misschien niet weten hoe of waarom. Zelfs de onwetende lagere wezens hebben er baat bij als we hardop chanten. Dit wordt bevestigd door Śrila Haridāsa Thākura: "Als men hardop Hare Kṛṣṇa chant, heeft ieder levend wezen, bewegend of bewegingloos, er baat bij." (Caitanya-caritāmrta,Antya-lilā 3.69)
De verspreiding van de gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn getuigt van de kracht van het chanten van Hare Kṛṣṇa. In de landen waar de Hare Kṛṣṇa gemeenschap zich verspreidt, realiseren geleerden en andere denkers haar effectiviteit. Dr. J.Stillson Judah, een geleerde, is bijvoorbeeld erg aangetrokken tot deze gemeenschap omdat hij daadwerkelijk gezien heeft dat zij aan drugs verslaafde hippies in zuivere Vaiṣṇava's verandert die vrijwillig dienaren van Kṛṣṇa en de mensheid worden. Een aantal jaren geleden wisten dergelijke hippies niets van de Hare Kṛṣṇa mantra, maar nu chanten ze hem en worden ze zuivere Vaiṣṇava's. Zo raken ze verlost van alle zondige activiteiten, zoals ongeoorloofde seks, intoxicatie, gokken en vlees eten. Dit is praktisch bewijs van de effectiviteit van de Hare Kṛṣṇa mantra. Je mag dan wel of niet op de hoogte zijn van de waarde van het chanten van Hare Kṛṣṇa, maar als iemand op de een of andere manier chant, zal hij onmiddellijk gezuiverd worden, net zoals iemand die een sterk medicijn inneemt zich onmiddellijk gewaar is van het effect, ongeacht of hij het nu bewust of onbewust ingenomen heeft.
Nog een analogie: vuur heeft zijn uitwerking, ongeacht of het aangestoken wordt door een onschuldig kind of door iemand die de kracht ervan kent. Een veld vol droog gras zal tot as verbranden als het in brand gestoken wordt, of dat nu door een man gedaan wordt die de kracht van vuur kent of door een onwetend kind. Op dezelfde wijze mag iemand de kracht van het chanten van de Hare Kṛṣṇa mantra dan niet kennen, maar als hij het doet, zal hij verlost worden van alle reacties op zijn zonden. Dat is de juiste conclusie van de Vișņudūta's.

Verlenging van het levenscontract

De dienaren van Yamarāja zijn zó machtig dat ze over het algemeen nergens gemeden kunnen worden, maar deze keer draaide hun poging om een man die ze als zondig beschouwden mee te nemen uit op een teleurstelling. Daarom keerden ze meteen terug naar Yamarāja en vertelden hem alles wat er gebeurd was. Ze vonden het onnatuurlijk dat Ajāmila, die ervoor in aanmerking leek te komen naar Yamarāja gebracht te worden, door de Vișņudūta's bevrijd was.
Nu was Ajāmila volkomen Kṛṣṇa-bewust. Door het goddelijke gezelschap van de Vișņudūta's, die hoogverheven Vaiṣṇava's waren, was Ajāmila tot zijn volle bewustzijn gekomen. Hij was gevangengenomen, maar daarna vrijgelaten, en nu was hij vrij van alle angst.Dat is verlossing. Als we door omgang met Vaiṣṇava's, toegewijden van de Heer, Kṛṣṇa-bewust geworden zijn, worden we tevens bevrijd van alle angst. Deze positie is eeuwig. Ajāmila werd onbevreesd omdat hij zijn wezenlijke positie hervond. Hij richtte onmiddellijk mooie gebeden tot de Vișņudūta's, vāńīchā-kalpatarubhyaśca krpa-sindhubhya eva ca: "Ik breng mijn nederige eerbetuigingen aan alle toegewijden van de Heer, die als wensbomen zijn en oceanen vol mededogen." Dit is het leven van een toegewijde; hij biedt de andere toegewijden altijd gebeden aan. Eerst betuigt hij zijn geestelijk leraar respect, dan zijn groot geestelijk leraar, dan zijn overgroot geestelijk leraar en dan alle toegewijden van Heer Kṛṣṇa.
Vaiṣṇava's zijn ook Vișņudūta's, want ze voeren de orders van Kṛṣṇa uit. Heer Kṛṣṇa ziet erg graag dat alle geconditioneerde zielen, die hier in de materiële wereld wegrotten, zich aan Hem overgeven en zo gered worden van de materiële ellende in dit leven en helse bestraffingen na de dood. Een Vaiṣṇava probeert de geconditioneerde zielen daarom bij hun verstand te brengen. Wie net als Ajāmila geluk heeft, wordt gered door de Vișņudūta’s, of Vaiṣṇava's, en keert terug naar huis, terug naar God.
Een heel goed voorbeeld van genadige Vaiṣṇava's zijn de zes Gosvāmī's van Vrndāvana. Zij bestudeerden nauwgezet allerlei geschriften om de principes van het Kṛṣṇa-bewustzijn te vestigen. In de Bhakit-rasāmrta-sindhu haalt Śrīla Rūpa Gosvāmī vele verzen uit verschillende geschriften aan die de principes van bhakti ondersteunen. Waarom getroosten hij en de andere Gosvāmi's zich zoveel moeite met zulk onderzoek? Het is zwaar werk de vedische literatuur door te spitten op zoek naar gezaghebbende uitspraken en ze dan zodanig te verwerken dat ze de vedische conclusie ondersteunen. Maar de Gosvāmi's deden dit uit mededogen met de mensheid.
Krsņa-bewustzijn verspreiden zoals de zes Gosvāmī's deden is het beste welzijnswerk voor de gehele mensheid. Er schijnen veel andere soorten welzijnswerk te zijn, maar hun voordeel is slechts tijdelijk. Het grote welzijnswerk van het verspreiden van Kṛṣṇa-bewustzijn, ondernomen door verheven persoonlijkheden als de zes Gosvāmi's van Vrndāvana, heeft werkelijke waarde voor alle mensen omdat het gebaseerd is op substantiële geestelijke waarheid. De Vaiṣṇava's zijn net als wensbomen (kalpa-vrksa), want ze kunnen al iemands geestelijke verlangens vervullen, en daarom zijn ze tevens oceanen van mededogen (krpā-sindhu).
Ajāmila hoorde het gesprek tussen de Yamadūta's en de Viṣṇudūta's, en door er slechts naar te luisteren werd hij volkomen gezuiverd van alle materiële onzuiverheden. Zo sterk is het zuiverende effect van het horen over Kṛṣṇa. Iedereen die regelmatig luistert naar het Śrimad-Bhāgavatam, de Bhagavad-gitā, het Caitanya-caritāmrta, de Bhakit-rasāmrta-sindhu, of andere Vaiṣṇava-literatuur, heeft er dezelfde baat bij als Ajāmila en wordt van alle materiële onzuiverheden verlost.
Ajāmila was de Vișņudūta's heel erg dankbaar en toonde ze onmiddellijk zijn respect door voor ze neer te buigen. Zo moeten ook wij onze relatie met de dienaren van Heer Viṣṇu strak aanhalen. Zoals Caitanya Mahāprabhu gezegd heeft, gopi-bhartuh pada-kamalayor dāsa-dāsānudāsah: "Men dient zichzelf te beschouwen als de dienaar van de dienaar van de dienaar van Kṛṣṇa." Niemand kan Kṛṣṇa benaderen zonder Zijn dienaren respect te betuigen.
Nadat hij de Vișņudūta's zijn eerbetuigingen gebracht had, wilde Ajāmila uit dankbaarheid iets zeggen. Zij verdwenen echter meteen, want ze hadden liever dat hij in plaats daarvan de Allerhoogste Heer verheerlijkte. Omdat alle reacties op zijn zonden tenietgedaan waren, was Ajāmila er nu klaar voor de Heer te verheerlijken. Je kan de Heer niet oprecht verheerlijken als je niet vrij bent van alle zondige activiteiten. Dit wordt door Kṛṣṇa Zelf bevestigd in de Bhagavad-gītā (7.28):
yeṣāṁ tv anta-gataṁ pāpaṁ
janānāṁ puṇya-karmaṇām
te dvanda-moha-nirmuktā
bhajante māṁ dṛḍha-vratāḥ
"Degenen die in vorige levens en dit leven vroom gehandeld hebben en wier zondige handelingen volledig zijn uitgewist, zijn vrij van de dualiteiten der begoocheling en gaan ertoe over Mij vastberaden te dienen.” De Vișņudūta's maakten Ajāmila gewaar van toegewijde dienst, zodat hij er snel klaar voor zou zijn terug te keren naar huis, terug naar God. Om zijn verlangen om de Heer te verheerlijken te doen toenemen, verdwenen ze, zodat hij gescheidenheid zou ervaren in hun afwezigheid. In de gemoedsstemming van gescheidenheid is verheerlijking van de Heer enorm intens.