Default View
Dual Language

Hoofdstuk 15

Boetedoening

De Vișņudūta's vervolgden: “Ajāmila heeft reeds geboet voor al zijn zonden. Hij heeft zelfs niet alleen geboet voor de zonden die hij tijdens dit leven begaan heeft, maar ook voor alles wat hij tijdens miljoenen andere levens misdaan heeft, want in een hulpeloze toestand heeft hij de heilige naam van Heer Nārāyaņa uitgeroepen. Hoewel het niet zuiver was, deed hij het zonder overtredingen te maken, en daarom is hij nu zuiver en komt hij voor verlossing in aanmerking."
"Zelfs vroeger-terwijl hij at of op andere momenten-riep deze Ajāmila zijn zoon met de woorden: 'Nārāyaņa, kom alsjeblieft hier.' Hoewel hij zijn zoon riep, sprak hij niettemin de vier lettergrepen nā-rā-ya-na uit. Door op deze wijze de naam van Nārāyaņa uit te spreken heeft hij voldoende geboet voor de zonden van miljoenen levens."
"Het reciteren van de heilige naam van Heer Viṣṇu is de beste manier van boetedoening voor een dronkaard, iemand die goud of andere waardevolle zaken steelt, iemand die een vriend of een familielid verraadt, iemand die een brāhmaņa doodt, of iemand die seks heeft met de vrouw van zijn guru of een andere meerdere. Het is tevens de beste methode van boetedoening voor iemand die zijn vader, de koning of vrouwen vermoordt, voor iemand die koeien slacht, en voor alle andere zondaars. Door louter de heilige naam van Heer Viṣṇu uit te spreken kunnen dergelijke zondaars de aandacht van de Allerhoogste Heer trekken, die dan denkt: 'Omdat deze man Mijn heilige naam heeft uitgesproken, is het Mijn plicht hem te beschermen.'" (Śrīmad-Bhāgavatam 6.2.7-10)

Absolute vrijspraak

De Vișņudūta’s beschuldigden de Yamadūta's ervan dat ze niet wisten wie wel en wie niet gevangen te nemen. De Yamadūta's nemen geregeld zondige mensen gevangen, maar in dit geval namen ze Ajāmila gevangen, die van alle reacties op zijn zonden verlost was door de naam "Nārāyaņa” uit te roepen. De Vișņudūta's bekritiseerden de Yamadūta's met de woorden: "Jullie weten niet wie wel en wie niet gestraft kan worden. Hoewel Ajāmila zoveel zonden begaan heeft, is hij nu verlost van de reacties op die zonden. Door het uitroepen van de heilige naam van Nārāyaņa heeft hij al die zonden tenietgedaan. Waarom proberen jullie hem nu gevangen te nemen alsof hij een misdadiger is? Hoewel hij niet de bedoeling had de heilige naam aan te roepen, heeft hij het toch gedaan, en daarom is hij nu vrij van zonden."
De Yamadūta's hadden alleen maar de uiterlijke situatie van Ajāmila in overweging genomen. Omdat hij tijdens zijn leven ontzettend zondig geweest was, dachten ze dat hij naar Yamarāja gebracht moest worden. Ze wisten niet dat hij nu verlost was van de reacties op al zijn zonden. De Vișņudūta’s legden hen dus uit dat hij van alle reacties op zijn zonden verlost was omdat hij tijdens zijn leven en toen hij stierf de naam Nārāyaņa uitgesproken had. In dit verband haalt Śrīla Viśvanātha Cakravartī Țhākura de volgende verzen uit de geschriften aan:
nāmno hi yāvatī śaktiḥ
pāpa-nirharaṇe hareḥ
tāvat kartuṁ na śaknoti
pātakaṁ pātakī naraḥ
"Door louter de heilige naam van Hari uit te spreken kan een zondaar de reacties tegengaan van meer zonden dan hij begaan kan," (Bṛhad-viṣṇu Purāņa)
avaśenāpi yan-nāmni
kīrtite sarva-pātakaiḥ
pumān vimucyate sadyaḥ
siṁha-trastair mṛgair iva
"Zoals de kleine dieren in het woud vluchten van angst als de leeuw brult, verdwijnen de reacties op al iemands zonden onmiddellijk als hij de heilige naam uitspreekt, zelfs al doet hij dat in een hulpeloze toestand of zonder het te willen." (Garuḍa Purāṇa)
sakṛd uccāritaṁ yena
harir ity akṣara-dvayam
baddha-parikaras tena
mokṣāya gamanaṁ prati
"Wie de heilige naam van de Heer, die uit de twee lettergrepen ha en ri bestaat, één keer uitspreekt, is verzekerd van het pad naar verlossing." (Skanda Purāṇa)
Dit zijn een aantal verzen die uitleggen waarom de Vișņudūta's de Yamadūta's ervan weerhielden Ajāmila naar Yamarāja te brengen.
Er zijn verschillende soorten zonden, waar stelen er één van is. Dieven en inbrekers zijn zeer zondig. Een andere zonde is dronkenschap. Degenen die aan stelen en intoxicatie verslaafd zijn worden verdoemd door de Vișņudūta’s. Andere voorbeelden van zonden zijn: het vertrouwen van je vrienden beschamen, het doden van een brāhmaṇa of Vaiṣṇava, je geestelijk leraar of onderwijzer te schande maken, en het doden van een vrouw, koning of koe. Dit zijn een aantal van de ergste zonden. De Vișņudūta’s zeggen echter dat iemand, mocht hij deze zonden begaan hebben, onmiddellijk van de reacties op die zonden verlost wordt als hij de heilige naam van Nārāyaņa zelfs maar één keer uitspreekt.
Śridhara Svāmi zegt: "Het uitroepen van de heilige naam van Nārāyana, Heer Hari, ging niet alleen de reacties van al Ajāmila's zonden tegen, maar kwalificeerde hem tevens voor verlossing. Daarom werd hij toen hij stierf naar de geestelijke wereld overgebracht. "Het reciteren van de heilige naam van Kṛṣṇa gaat alle zonden tegen; meer dan je er mogelijk begaan kan. Omdat Ajāmila de heilige naam had uitgeroepen zonder overtredingen te maken en op dat moment volkomen oprecht was, werd hij van alle reacties op zijn zonden verlost. Dat is waarom we zoveel nadruk leggen op het chanten van Hare Kṛṣṇa. Vrome daden, ascese, het brengen van offers - dit wordt allemaal vanzelf uitgevoerd door het chanten van de Hare
Kṛṣṇa mantra. Andere vormen van yoga, boetedoening en ascese zijn overbodig. Door gewoon zonder overtredingen te chanten krijg je het resultaat van alle andere vedische rituelen.
Vroeger, toen Ajāmila allerlei zonden beging om zijn gezin te onderhouden, gebruikte hij vaak de naam van Nārāyaņa, maar dat deed hij zonder overtredingen te maken. De heilige naam van de Heer alleen maar gebruiken om zondige activiteiten tegen te gaan, of zondigen krachtens de heilige naam, is een overtreding (nāmno balād yasya hi pāpa-buddhih). Maar hoewel Ajāmila zondigde, gebruikte hij de heilige naam van Nārāyaņa nooit om het tegen te gaan; hij gebruikte hem om zijn zoon te roepen. Daarom had het effect. Omdat hij de heilige naam op deze manier gebruikte, had hij al afgerekend met de opeengehoopte zonden van vele, vele levens. De slotsom is dat iemand die voortdurend de heilige naam van de Heer reciteert zonder overtredingen te maken altijd zuiver is. Zoals in deze verzen bevestigd wordt, was Ajāmila reeds vrij van zonden, en omdat hij regelmatig de naam van Nārāyaņa uitsprak bleef hij daar ook vrij van. Het deed er niet toe dat hij zijn zoon riep; de naam zelf was effectief.
Dwazen beweren soms dat je zomaar elke naam kan gebruiken, zelfs die van een halfgod, en dan hetzelfde resultaat krijgt als met de heilige naam van de Heer. Dit is māyāvāda-filosofie. De māyāvādī's denken dat iedereen God is. Ze beweren dat de halfgoden God zijn, dat zij God zijn en dat jij God bent. Daarom zeggen ze dat je elke naam kan gebruiken en verlost kan worden. In Bengalen is het erg in de mode een kali-kirtana te houden. Een groep mensen komt bij elkaar en zingt “Kāli! Kāli! Kāli!" of de namen van veel van hun zogenaamde avatāras. Eén van die schurken voegde er zelfs de naam van zijn vrouw aan toe, en zijn dwaze volgelingen accepteerden het. Op deze manier leiden de māyāvāda-filosofen hun volgelingen rechtstreeks naar de hel. Caitanya Mahāprabhu heeft er daarom ernstig voor gewaarschuwd niet naar māyāvāda-filosofen te luisteren, tenzij je je leven wil verspillen en het pad van toegewijde dienst wil blokkeren. We moeten dit altijd in gedachten houden als het aankomt op het gebruiken van andere namen. We moeten de heilige naam van Viṣṇu, Kṛṣṇa, zingen - niemand anders' naam.
De geschriften raden ons alleen de naam aan van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Krsņa. Vişņu heeft duizenden namen en vanuit een bepaald oogpunt zijn Kṛṣṇa en Visņu dezelfde, maar toch leggen de geschriften uit dat het reciteren van duizend namen van Viṣṇu hetzelfde resultaat geeft als eenmaal de naam Rāma, en driemaal de naam Rāma geeft hetzelfde resultaat als eenmaal de naam Kṛṣṇa. Je krijgt met andere woorden alle goede resultaten door alleen maar de heilige naam van Kṛṣṇa te zingen.
Heer Caitanya Mahāprabhu heeft deze methode dan ook aangeraden volgens het volgende gebod uit de sāstra's:
harer nāma harer nāma
harer nāmaiva kevalam
kalau nāsty eva nāsty eva
nāsty eva gatir anyathā
"De enige manier om verlost te worden in dit tijdperk van strijd en schijnheiligheid is het aanroepen van de heilige naam van de Heer. Er is geen andere manier. Er is geen andere manier. Er is geen andere manier."( Bṛhan-nāradīya Purāṇa)
Als we ons aan dit proces wijden, worden we onmiddellijk verlost van alle reacties op onze zonden en maken een begin met ons geestelijk leven. Je kan onmogelijk een Vaiṣṇava worden zonder vrij te zijn van zondig leven.

Overtredingen tegen de heilige naam

Zelfs een toegewijde kan soms een zonde begaan, ofwel zonder het te weten, ofwel vanwege vroeger zondig gedrag. Heeft hij oprecht berouw en denkt hij bij zichzelf “Dit had ik niet moeten doen, maar ik ben zo zondig dat ik het nu weer gedaan heb", dan zal de Allerhoogste Heer hem op basis van dat oprechte berouw vergeven. Begaat hij echter opzettelijk zonden in de verwachting dat de Heer hem verontschuldigen zal omdat hij Hare Kṛṣṇa chant, dan is dat onvergeeflijk.
Als je zondigt krachtens de heilige naam, maak je een nāma-aparādha, een overtreding tegen de heilige naam. Van de tien soorten overtredingen is zondigen krachtens de heilige naam de meest ernstige. Als je door het chanten van Hare Kṛṣṇa van alle reacties op je zonden verlost bent en dan opnieuw dezelfde zonden begaat, maak je je schuldig aan een zware misdaad. Voor een gewoon mens kan die zonde als niet zo ernstig beschouwd worden, maar voor iemand die Hare Kṛṣṇa chant is het een gevaarlijke overtreding, net als dat het voor een regeringsbeambte met een hoge positie een ernstige misdaad is zijn positie te misbruiken en steekpenningen aan te nemen. Dergelijke figuren zijn uiterst strafbaar. Als een politieagent steelt, is zijn misdaad groter dan van een gewone dief, en de daaropvolgende straf zal dus zwaarder zijn. Dat is de wet. Op dezelfde manier zal iemand die bij zichzelf denkt hij zelfs als hij zondigt vergeven wordt omdat hij Hare Kṛṣṇa chant, het uiteindelijke doel van het chanten van de heilige naam niet bereiken. Hij raakt verstrikt in een kringloop: hij is vrij van zonden, begaat ze weer, is weer vrij van zonden, begaat ze weer, enzovoort. Op deze wijze raakt hij nooit verlost.
Toch moet je niet denken dat het chanten van Hare Kṛṣṇa faalt in het neutraliseren van zonden. Eén van de tien overtredingen tegen de heilige naam is te denken dat hij niet in staat is af te rekenen met de reacties op zonden. Wie zich toelegt op het chanten van de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra zonder overtredingen te begaan, moet een sterk vertrouwen hebben in de woorden van de śāstra's, die stellen dat het chanten van de heilige namen van Kṛṣṇa het allerkrachtigst is. Zoals de Vișņudūta’s zeggen: "Het reciteren van de heilige naam van Heer Viṣṇu is de beste manier van boetedoening voor allerlei zondaars." Het probleem is echter vaak dat men Hare Kṛṣṇa chant en dan toch weer zonden begaat.

De vervolmaking van chanten

De sleutel tot geslaagd chanten is dus het zorgvuldig vermijden van alle zonden. Door het chanten van de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra word je verlost van alle reacties op je vroegere zonden, en als je het vermijdt weer te zondigen, zal je snel een gevorderde toegewijde worden. Je geest zaI zich fixeren op de lotusvoeten van Krsņa. Als we regelmatig en zonder overtredingen te maken Hare Kṛṣṇa chanten, zullen we vrij blijven van de reacties op zonden en zal onze gehechtheid aan de Allerhoogste Heer in toegewijde dienst als maar toenemen.
Er was eens een discussie tussen Śrīla Haridāsa Țhākura en een onwetende, zogenaamde brāhmaṇa over de kracht van de heilige naam. In een bijeenkomst van Vaiṣṇava's zei Haridāsa Thākura:"Door het chanten van de heilige namen van de Heer zonder overtredingen te maken, raak je niet alleen gesitueerd op het geestelijk niveau (brahma-bhūtah), maar ontwaakt ook je sluimerende liefde voor God en word je vanzelf verlost."
De brāhmaṇa protesteerde: "Overdrijf niet zo over het resultaat van dit chanten. Je wordt alleen verlost na het volbrengen van langdurige ascese en boetedoeningen, en nu zeg jij dat je door gewoonweg Hare Kṛṣṇa te chanten verlost kan worden. Als dat niet waar is zal ik je neus er afsnijden."
Haridāsa Thākura antwoordde: "Als het chanten van Hare Kṛṣṇa geen verlossing schenkt als bijproduct, zal ik mijn neus er zelf afsnijden."
De leden van de bijeenkomst die deze discussie gadesloegen raakten enorm verstoord toen ze de grove belediging van de brāhmana hoorden en banden hem meteen uit hun midden. Kort daarna kreeg hij lepra en smolt zijn prachtige neus helemaal weg. Dit verhaal staat in het Śri Caitanya-caritāmrta.
Er zijn drie stadia in het chanten van de heilige naam: het chanten met overtredingen, het chanten als een verlost persoon en het chanten met zuivere liefde voor God. Deze progressieve stadia zijn te vergelijken met het rijpen van een mango. Een onrijpe mango smaakt zuur, maar als hij helemaal rijp is smaakt hij zeer zoet. In het begin zijn we misschien terughoudend als het op chanten aankomt, maar als we verlost zijn is het chanten zó fijn dat we het niet kunnen laten. In dit verband heeft Śrīla Rūpa Gosvāmī een prachtig vers geschreven dat de zoete smaak van Kṛṣṇa's heilige naam beschrijft:
tuṇḍe tāṇḍavinī ratiṁ vitanute tuṇḍāvalī-labdhaye
karṇa-kroda-kaḍambinī ghaṭayate karṇārbudebhyaḥ spṛhām
cetaḥ-prāṅgaṇa-saṅginī vijayate sarvendriyāṇāṁ kṛtiṁ
no jāne janitā kiyadbhir amṛtaiḥ kṛṣṇeti varṇa-dvayī
"Ik weet niet hoeveel nectar de twee lettergrepen krs en na geproduceerd hebben. Als we de heilige naam van Kṛṣṇa chanten, lijkt hij in onze mond te dansen, en dan willen we vele, vele monden hebben. Als de naam van Kṛṣṇa de oren binnengaat, willen we miljoenen oren hebben. En als de heilige naam ronddanst op de binnenplaats van het hart, overwint hij de activiteiten van de geest, waardoor alle zintuigen onbeweeglijk worden."
Dit zijn de kenmerken van iemand die zich in het stadium van verlost chanten bevindt. In dat stadium, prema genaamd, heeft men een grote smaak voor het chanten van Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare / Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare. Het kan echter alleen bereit worden als we de regulerende principes volgen. We moeten voorzichtig zijn. Na van onze ziekte genezen te zijn betreden we de herstellende fase, en als we daar iets fout doen, kan de ziekte terugkomen. Het is niet zo dat we zomaar van alles kunnen doen als we eenmaal verlost zijn. We moeten altijd de regulerende principes van het toegewijde leven te volgen.

Voordelen van het chanten van de heilige naam

In zijn commentaar op verzen negen en tien geeft Śrīla Viśvanātha Cakravartī Thākura ons een dieper inzicht in de kracht van de heilige naam. Hij schreef dit commentaar in de vorm van een dialoog over hoe we van alle reacties op onze zonden verlost kunnen worden door gewoon de heilige naam van de Heer te chanten:
"Iemand zou met het volgende kunnen aankomen: 'Aangenomen dat we door de heilige naam van de Heer uit te spreken verlost worden van alle reacties op een zondig leven. Als iemand in vol bewustzijn zondigt-en niet alleen eens, maar vele, vele malen-dan kan hij zich niet van de reacties op die zonden bevrijden, ook 'al boet hij twaalf jaar of langer. Hoe kan het dan dat je zo makkelijk door slechts één keer de heilige naam van de Heer te uit te spreken onmiddellijk van de reacties op dergelijke zonden verlost wordt?'"
Visvanātha Cakravartī Thākura beantwoordt deze vraag door verzen negen en tien van dit hoofdstuk aan te halen: “'Het reciteren van de heilige naam van Heer Viṣṇu is de beste manier van boetedoening voor een dronkaard, iemand die goud of andere waardevolle zaken steelt, iemand die een vriend of een familielid verraadt, iemand die een brāhmaṇa doodt, of iemand die seks heeft met de vrouw van zijn guru of een andere meerdere. Het is tevens de beste methode van boetedoening voor iemand die zijn vader, de koning of vrouwen vermoordt, voor iemand die koeien slacht, en voor alle andere zondaars. Door louter de heilige naam van Heer Viṣṇu uit te spreken kunnen dergelijke zondaars de aandacht van de Allerhoogste Heer trekken, die dan denkt: "Omdat deze man Mijn heilige naam heeft uitgesproken, is het Mijn plicht hem te beschermen."'"
"Door de heilige naam te reciteren kan men boete doen voor zijn zondig leven en alle reacties op zijn zonden vernietigen, en dit gaat gewone boetedoening te boven. Gewone boetedoening mag een zondaar dan tijdelijk beschermen, maar het reinigt zijn hart niet volledig van het diepgewortelde verlangen om zonden te begaan. Daarom is boetedoening niet zo krachtig als het reciteren van de heilige naam van de Heer. De sāstra's leggen uit dat als iemand slechts eenmaal de heilige naam uitspreekt en zich volledig aan de lotusvoeten van de Heer overgeeft, de Heer hem onmiddellijk als Zijn beschermeling beschouwt en daarom altijd geneigd is hem te beschermen. Dit wordt bevestigd door Śridhara Svami. Toen Ajāmila dus op het punt stond meegenomen te worden door de boodschappers van Yamarāja, stuurde de Heer onmiddellijk Zijn eigen boodschappers om hem te beschermen, en omdat Ajāmila van alle reacties op zijn zonden verlost was, spraken de Vișņudūta’s ten gunste van hem."
“Ajāmila had zijn zoon Nārāyana genoemd, en omdat hij erg veel van hem hield riep hij hem telkens weer. Hoewel hij om zijn zoon riep, was de naam zelf vol kracht, want de naam 'Nārāyana' is niet verschillend van Heer Nārāyaņa Zelf. Toen Ajāmila zijn zoon Nārāyana noemde werden alle reacties op zijn zondige leven geneutraliseerd, en toen hij maar doorging met telkens weer zijn zoon te roepen-en zo duizenden keren de heilige naam van Nārāyaņa gebruikte-maakte hij dus zonder daarbij stil te staan vooruitgang in het Kṛṣṇa-bewustzijn."
"Men zou kunnen tegenwerpen: 'Als Ajāmila voortdurend de naam van Nārāyaņa gebruikte, hoe is het dan mogelijk dat hij zich in het gezelschap van een prostituée bevond en aan wijn dacht?' Door zijn zonden veroorzaakte hij zichzelf keer op keer leed, en daarom kan men stellen dat de oorzaak van zijn verlossing het uitroepen van de heilige naam van Nārāyaņa was toen hij stierf-en niet het chanten tijdens zijn leven. Het chanten tijdens zijn leven zou dan echter nāma-aparādha zijn geweest. Nāmno balad yasya hi pāpa-buddhih: wie doorgaat met zondigen en zijn zonden probeert tegen te gaan met de heilige naam van de Heer is een nāma-aparādhi, een belediger van de heilige naam."
"Het antwoord daarop is dat het chanten van Ajāmila tijdens zijn leven zonder overtredingen was omdat hij de naam van Nārāyana niet gebruikte met het idee zijn zonden te neutraliseren. Hij was zó begoocheld dat hij zich niet eens realiseerde dat hij verslaafd was aan zondigen, noch wist hij dat zijn reciteren van de heilige naam van Nārāyaņa die zonden neutraliseerde. Tijdens zijn leven beging hij geen nāma-aparādha, en zijn herhaaldelijk gebruik van de heilige naam van Nārāyaņa om zijn zoon te roepen kan zuiver genoemd worden."
“Zo vergaarde Ajāmila onbewust de resultaten van bhakti toegewijde dienst. De eerste keer dat hij de heilige naam uitsprak was zelfs al genoeg om alle reacties op zijn zondige leven teniet te doen. Een logisch voorbeeld: een vijgenboom geeft niet onmiddellijk vruchten, maar naar verloop van tijd zijn ze beschikbaar. Op gelijke wijze groeide Ajāmila's toegewijde dienst beetje bij beetje, en daarom hadden de reacties van de zware zonden die hij beging geen vat op hem. De sāstra's leggen uit dat als men de heilige naam van de Heer slechts eenmaal uitspreekt, de reacties op het vroegere, huidige en toekomstige zondige leven geen effect hebben. Een ander voorbeeld: worden de giftanden van een slang verwijderd, dan behoedt dat zijn toekomstige slachtoffers voor vergiftiging, ook al bijt hij hen meerdere malen. Zo ook als een toegewijde de heilige naam zelfs maar één keer zonder overtredingen uitspreekt; het zal hem eeuwig beschermen. Hij hoeft alleen maar te wachten tot het resultaat ervan in de loop der tijd rijp wordt."