Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 7
In hoofdstuk vier van de Bhagavad-gītā concludeert Śrī Kṛṣṇa dat van alle offers het verwerven van kennis het beste is:
śreyān dravya-mayād yajñāj
jñāna-yajñaḥ paran-tapa
sarvaṁ karmākhilaṁ pārtha
jñāne parisamāpyate
jñāna-yajñaḥ paran-tapa
sarvaṁ karmākhilaṁ pārtha
jñāne parisamāpyate
‘O bedwinger van de vijand, het is beter een offer te brengen met kennis dan enkel materiële bezittingen te offeren. Per slot van rekening, O zoon van Prtha, bereiken alle offeractiviteiten hun hoogtepunt in transcendentale kennis.’ (Bhagavad-gītā 4.33)
Kennis is het beste offer omdat onwetendheid de oorzaak is van dit geconditioneerde bestaan. Het doel van offers, ascese, yoga en filosofische discussies is kennisverwerving. Er zijn drie stadia van transcendentale kennis waardoor we ons bewust worden van het onpersoonlijke aspect van God (Brahman-realisatie), van het gelokaliseerde aspect van God in ieders hart en elk atoom (Paramātmā- of Superziel-realisatie) en van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods (Bhagavān-realisatie). Maar de allereerste stap in kennisverwerving is leren inzien dat ‘ik niet dit lichaam ben maar een spirituele ziel en ontsnappen uit deze materiële verstrikking is het doel van mijn leven’. Het punt is dat al onze offers ons tot echte kennis moeten leiden. Volgens de Bhagavad-gītā is overgave aan Kṛṣṇa de volmaaktste kennis (bahūnāṁ janmanām ante jñānavān māṁ prapadyate, Gītā 7.19). Alleen de jñānavān — niet de dwaas — geeft zich over aan Kṛṣṇa, wat het hoogste kennisniveau is. Aan het einde van de Bhagavad-gītā geeft Śrī Kṛṣṇa Arjuna dan ook de volgende raad:
sarva-dharmān parityajya
mām ekaṁ śaraṇaṁ vraja
ahaṁ tvāṁ sarva-pāpebhyo
mokṣayiṣyāmi mā śucaḥ
mām ekaṁ śaraṇaṁ vraja
ahaṁ tvāṁ sarva-pāpebhyo
mokṣayiṣyāmi mā śucaḥ
‘Laat alle vormen van religie achter je en geef je alleen over aan Mij. Ik zal je verlossen van alle reacties op je zonden. Vrees niet.’ (Bhagavad-gītā 18.66)
Dit is de vertrouwelijkste kennis. Hoe we er ook naar kijken, als we de Vedische literatuur analyseren, blijkt dat kennis culmineert in overgave aan Kṛṣṇa. Welke vorm van overgave wordt aanbevolen? Overgave in volledige kennis. Als we volmaaktheid bereiken, moeten we wel inzien dat Vāsudeva, Kṛṣṇa, alles is. De Brahma-saṁhitā bevestigt dit:
īśvaraḥ paramaḥ kṛṣṇaḥ
sac-cid-ānanda-vigrahaḥ
anādir ādir govindaḥ
sarva-kāraṇa-kāraṇam
sac-cid-ānanda-vigrahaḥ
anādir ādir govindaḥ
sarva-kāraṇa-kāraṇam
‘Kṛṣṇa, die bekendstaat als Govinda, is de Allerhoogste God. Hij heeft een eeuwig lichaam vol geluk en kennis. Hij is de oorsprong van alles. Hij heeft geen andere oorsprong en Hij is de primaire oorzaak van alle oorzaken.’ (Brahma-saṁhitā 5.1)
De woorden sarva-kāraṇa maken duidelijk dat Kṛṣṇa de oorzaak van alle oorzaken is. Als we proberen uit te zoeken wie de vader is van onze vader, wie zijn vader is en zo verder teruggaan, dan zouden we, als het mogelijk zou zijn de afkomst van al onze voorouders te achterhalen, uitkomen bij de Allerhoogste Vader, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods.
Natuurlijk wil iedereen God onmiddellijk zien, maar we kunnen God pas zien als we gekwalificeerd zijn en volmaakte kennis hebben. We kunnen God persoonlijk ontmoeten en in de ogen kijken, zoals we elkaar ook in de ogen kunnen kijken, maar hiervoor is een bepaalde kwalificatie vereist, namelijk Kṛṣṇa-bewustzijn. Kṛṣṇa-bewustzijn begint met śravaṇam: horen over Kṛṣṇa uit de Bhagavad-gītā en andere Vedische heilige teksten, en ook kīrtanam: herhalen wat we hebben gehoord en Kṛṣṇa verheerlijken door het chanten van Zijn namen. Door te chanten en te horen over Kṛṣṇa hebben we daadwerkelijk omgang met Hem, omdat Hij absoluut is en niet verschilt van Zijn namen, eigenschappen, gedaanten en activiteiten van vermaak. Wanneer we met Kṛṣṇa omgaan, helpt Hij ons Hem te leren begrijpen en verdrijft Hij de duisternis van onwetendheid met het licht van kennis.
Kṛṣṇa zit in ons hart en handelt als guru. Wanneer we over Hem beginnen te horen, wordt het stof dat zich over zoveel jaren in onze geest heeft verzameld, geleidelijk aan verwijderd. Kṛṣṇa is ieders vriend, maar Hij is een speciale vriend voor Zijn toegewijden. Zodra we ons ook maar enigszins tot Hem aangetrokken voelen, begint Hij ons vanuit ons hart gunstige instructies te geven, zodat we geleidelijk aan vooruitgang kunnen maken. Kṛṣṇa is de eerste spiritueel leraar en wanneer onze interesse in Hem toeneemt, moeten we een sādhu benaderen, een heilige, die als een externe spiritueel leraar dient. Śrī Kṛṣṇa spoort ons hier in het volgende vers Zelf toe aan:
Kṛṣṇa zit in ons hart en handelt als guru. Wanneer we over Hem beginnen te horen, wordt het stof dat zich over zoveel jaren in onze geest heeft verzameld, geleidelijk aan verwijderd. Kṛṣṇa is ieders vriend, maar Hij is een speciale vriend voor Zijn toegewijden. Zodra we ons ook maar enigszins tot Hem aangetrokken voelen, begint Hij ons vanuit ons hart gunstige instructies te geven, zodat we geleidelijk aan vooruitgang kunnen maken. Kṛṣṇa is de eerste spiritueel leraar en wanneer onze interesse in Hem toeneemt, moeten we een sādhu benaderen, een heilige, die als een externe spiritueel leraar dient. Śrī Kṛṣṇa spoort ons hier in het volgende vers Zelf toe aan:
tad viddhi praṇipātena
paripraśnena sevayā
upadekṣyanti te jñānaṁ
jñāninas tattva-darśinaḥ
paripraśnena sevayā
upadekṣyanti te jñānaṁ
jñāninas tattva-darśinaḥ
‘Probeer de waarheid te begrijpen door een spiritueel leraar te benaderen. Stel hem in alle nederigheid vragen en wees hem dienstbaar. De zelfgerealiseerde zielen kunnen kennis aan je overdragen, omdat ze de waarheid hebben gezien.(Bhagavad-gītā 4.34)
Het is noodzakelijk dat we een persoon uitzoeken aan wie we ons kunnen overgeven. Natuurlijk wil niemand zich graag aan een ander overgeven. We zijn trots op wat voor kennis we ook hebben en hebben een houding van: ‘Wie kan mij nog iets leren?’ Sommige mensen zeggen dat voor spirituele vooruitgang geen spiritueel leraar nodig is, maar volgens de Vedische literatuur en volgens de Bhagavad-gītā, het Śrīmad Bhāgavatam en de upaniṣads is een spiritueel leraar wel degelijk nodig. Zelfs in de materiële wereld geldt dat als iemand bijvoorbeeld muzikant wil worden, hij een muzikant moet uitzoeken die hem kan onderwijzen. Of als iemand een ingenieur wil worden, zal hij naar een technische school moeten gaan om te leren van mensen die verstand hebben van technologie. Ook kan niemand arts worden door alleen op de markt een boek te kopen en dat thuis te lezen. Men moet worden toegelaten tot een medische universiteit en worden opgeleid door gediplomeerde artsen. Het is onmogelijk om welk belangrijk vak dan ook te leren door alleen maar boeken te kopen en die thuis te lezen. We hebben iemand nodig die ons laat zien hoe we de kennis in de boeken moeten toepassen. Wat betreft de wetenschap van God adviseert Śrī Kṛṣṇa, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, ons om iemand te benaderen aan wie we ons kunnen overgeven. Dit betekent dat we moeten nagaan of die persoon in staat is de Bhagavad-gītā en andere heilige teksten over godsrealisatie te onderwijzen. We zoeken niet zomaar een spiritueel leraar. We moeten in alle ernst iemand zoeken die daadwerkelijk kennis heeft van het onderwerp.
Aan het begin van de Bhagavad-gītā sprak Arjuna met Kṛṣṇa als vriend en Kṛṣṇa vroeg hem hoe Arjuna als soldaat het vechten kon nalaten. Maar toen Arjuna zag dat vriendschappelijke gesprekken zijn problemen niet zouden oplossen, gaf hij zich over aan Kṛṣṇa en zei: śiṣyas te ’haṁ śādhi māṁ tvāṁ prapannam — ‘Ik ben nu Je leerling en geef me volkomen aan Je over. Alsjeblieft, onderricht me.’ (Gītā 2.7) Dat is het proces. We moeten ons niet blindelings overgeven, maar zouden in staat moeten zijn intelligente vragen te stellen.
Zonder navraag te doen kunnen we geen vooruitgang maken. Op school is de leerling die de leraar vragen stelt meestal een intelligente leerling. Het is gewoonlijk een teken van intelligentie als een kind zijn vader vraagt: ‘Wat is dit? Wat is dat?’ We mogen dan een bekwame spiritueel leraar hebben, maar zijn we niet in staat vragen te stellen, dan zullen we geen vooruitgang maken. Maar vragen mogen niet op een uitdagende manier worden gesteld. We moeten niet denken: ‘We zullen wel eens even zien wat voor spiritueel leraar hij is. Ik zal hem eens uitdagen.’
Onze vragen (paripraśnena) moeten over dienstbaarheid (sevayā) gaan. Zonder dienstbaarheid zijn onze vragen nutteloos. Maar zelfs voordat we onze vragen stellen, moeten we al enkele kwalificaties hebben. Als we naar een winkel gaan om goud en sieraden te kopen terwijl we niets van sieraden of goud afweten, is de kans groot dat we bedrogen worden. Als we naar een juwelier gaan en hem vragen of hij ons een diamant kan geven, zal hij doorhebben dat hij met een dwaas te maken heeft en ons artikelen verkopen voor welke prijs dan ook. Zulke navraag heeft geen zin. We moeten eerst wat intelligentie ontwikkelen, anders is het onmogelijk om spirituele vooruitgang te maken.
Onze vragen (paripraśnena) moeten over dienstbaarheid (sevayā) gaan. Zonder dienstbaarheid zijn onze vragen nutteloos. Maar zelfs voordat we onze vragen stellen, moeten we al enkele kwalificaties hebben. Als we naar een winkel gaan om goud en sieraden te kopen terwijl we niets van sieraden of goud afweten, is de kans groot dat we bedrogen worden. Als we naar een juwelier gaan en hem vragen of hij ons een diamant kan geven, zal hij doorhebben dat hij met een dwaas te maken heeft en ons artikelen verkopen voor welke prijs dan ook. Zulke navraag heeft geen zin. We moeten eerst wat intelligentie ontwikkelen, anders is het onmogelijk om spirituele vooruitgang te maken.
Het eerste voorschrift in het Vedānta-sūtra is: athato brahma-jijñāsā — ‘Nu is de tijd gekomen om navraag te doen naar Brahman.’ Het woord atha betekent dat wie intelligent is, wie op het punt is gekomen dat hij zich realiseert wat de fundamentele frustraties van het materiële leven zijn, in staat is vragen te stellen. In het Śrīmad-Bhāgavatam staat dat we de spiritueel leraar vragen moeten stellen over onderwerpen die ‘voorbij gaan aan deze duisternis’. De materiële wereld is van nature duister en wordt door vuur op een kunstmatige manier verlicht. Onze vragen moeten gaan over de transcendentale werelden, die zich buiten dit universum bevinden. Wie meer over deze spirituele werelden wil weten, moet een spiritueel leraar zien te vinden, anders is zijn zoektocht zinloos. Het heeft geen zin een spiritueel leraar te zoeken als we de Bhagavad-gītā of het Vedānta-sūtra willen bestuderen voor materieel gewin. Eerst moeten we ernaar verlangen meer over Brahman te weten te komen en dan pas een leraar zoeken die een volmaakt beeld heeft van de Absolute Waarheid (jñāninas tattva-darśinaḥ).
Kṛṣṇa is de allerhoogste tattva, de Absolute Waarheid. In hoofdstuk zeven van de Bhagavad-gītā zegt Śrī Kṛṣṇa:
Kṛṣṇa is de allerhoogste tattva, de Absolute Waarheid. In hoofdstuk zeven van de Bhagavad-gītā zegt Śrī Kṛṣṇa:
manuṣyāṇāṁ sahasreṣu
kaścid yatati siddhaye
yatatām api siddhānāṁ
kaścin māṁ vetti tattvataḥ
kaścid yatati siddhaye
yatatām api siddhānāṁ
kaścin māṁ vetti tattvataḥ
‘Onder vele duizenden mensen streeft er misschien één naar volmaaktheid, en van hen die de volmaaktheid hebben bereikt, kent nauwelijks één Mij werkelijk.’(Bhagavad-gītā 7.3)
Onder vele volmaakte spiritualisten is er dus misschien maar één die weet wie Kṛṣṇa werkelijk is. Dit vers maakt duidelijk dat Kṛṣṇa geen gemakkelijk maar juist een heel moeilijk onderwerp is. Toch maakt de Bhagavad-gītā ook duidelijk dat het eenvoudig is:spiritualists, one man may know what Kṛṣṇa actually is. As this verse indicates, the subject matter of Kṛṣṇa is not so easy; it is very difficult. Yet the Bhagavad-gītā also indicates that it is easy.
bhaktyā mām abhijānāti
yāvān yaś cāsmi tattvataḥ
tato māṁ tattvato jñātvā
viśate tad-anantaram
yāvān yaś cāsmi tattvataḥ
tato māṁ tattvato jñātvā
viśate tad-anantaram
‘Alleen door devotionele dienst kan men Mij kennen zoals Ik ben, als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. En wanneer men zich door zulke devotie volledig van Mij bewust is, kan men binnengaan in het koninkrijk van God.’ (Bhagavad-gītā 18.55)
Als we het proces van devotionele dienst aanvaarden, kunnen we Kṛṣṇa zonder problemen begrijpen. Door deze dienst kunnen we de wetenschap van Kṛṣṇa volmaakt bevatten en komen we ervoor in aanmerking het spirituele koninkrijk binnen te gaan. Als we ons, zoals de Bhagavad-gītā zegt, na vele levens uiteindelijk toch aan Kṛṣṇa moeten overgeven, waarom doen we dat dan niet meteen? Waarom al die levens wachten? Als overgave de uiteindelijke volmaaktheid is, waarom zouden we die volmaaktheid dan niet meteen aanvaarden?
Het antwoord is natuurlijk dat mensen meestal zo hun twijfels hebben. Kṛṣṇa-bewustzijn kán in één seconde worden bereikt maar kan ook zelfs na duizend keer geboren en gestorven te zijn nog steeds onbereikbaar blijven. Als we willen, kunnen we onmiddellijk grote zielen worden door ons aan Kṛṣṇa over te geven. Maar omdat we eraan twijfelen of Kṛṣṇa werkelijk de Allerhoogste is, hebben we tijd nodig om zulke twijfels te verdrijven door de heilige teksten te bestuderen. Door de Bhagavad-gītā onder leiding van een betrouwbare spiritueel leraar te bestuderen, kunnen we zulke twijfels wegnemen en tastbare vooruitgang boeken.
Het antwoord is natuurlijk dat mensen meestal zo hun twijfels hebben. Kṛṣṇa-bewustzijn kán in één seconde worden bereikt maar kan ook zelfs na duizend keer geboren en gestorven te zijn nog steeds onbereikbaar blijven. Als we willen, kunnen we onmiddellijk grote zielen worden door ons aan Kṛṣṇa over te geven. Maar omdat we eraan twijfelen of Kṛṣṇa werkelijk de Allerhoogste is, hebben we tijd nodig om zulke twijfels te verdrijven door de heilige teksten te bestuderen. Door de Bhagavad-gītā onder leiding van een betrouwbare spiritueel leraar te bestuderen, kunnen we zulke twijfels wegnemen en tastbare vooruitgang boeken.
Het vuur van kennis verbrandt alle twijfels en resultaatgericht werk tot as. Over de resultaten van waarheidsvragen stellen aan iemand die de waarheid ook werkelijk heeft gezien, zegt Śrī Kṛṣṇa het volgende:
yaj jñātvā na punar moham
evaṁ yāsyasi pāṇḍava
yena bhūtāny aśeṣāṇi
drakṣyasy ātmany atho mayi
evaṁ yāsyasi pāṇḍava
yena bhūtāny aśeṣāṇi
drakṣyasy ātmany atho mayi
api ced asi pāpebhyaḥ
sarvebhyaḥ pāpa-kṛttamaḥ
sarvaṁ jñāna-plavenaiva
vṛjinaṁ santariṣyasi
sarvebhyaḥ pāpa-kṛttamaḥ
sarvaṁ jñāna-plavenaiva
vṛjinaṁ santariṣyasi
yathaidhāṁsi samiddho ’gnir
bhasmasāt kurute ’rjuna
jñānāgniḥ sarva-karmāṇi
bhasmasāt kurute tathā
bhasmasāt kurute ’rjuna
jñānāgniḥ sarva-karmāṇi
bhasmasāt kurute tathā
‘Wanneer je werkelijk kennis hebt gekregen van een zelfgerealiseerde ziel, zul je nooit meer in zulke illusie vervallen, omdat je door deze kennis zult zien dat alle levende wezens niets anders zijn dan een deel van de Allerhoogste, of met andere woorden: dat ze Mij toebehoren. Ook al word je als de zondigste van alle zondaars beschouwd, toch zul je in staat zijn om de oceaan van ellende over te steken, wanneer je je in het schip van transcendentale kennis bevindt. Zoals een laaiend vuur brandhout in as verandert, o Arjuna, zo verbrandt het vuur van kennis al het karma voor materiële activiteiten tot as.’ (Bhagavad-gītā 4.35–37)
Dit vuur van kennis wordt ontstoken door de spiritueel leraar en brandt het eenmaal volop, dan legt het alle reacties van ons handelen in de as. De reacties van ons handelen (ons karma) veroorzaken onze gebondenheid. Er is goed en slecht werk en het woord sarva-karmāṇi in dit vers heeft betrekking op beide, want voor wie bevrijd wil worden uit deze materiële gebondenheid, is zowel goed als slecht werk funest.
Als we ons in de materiële wereld in de hoedanigheid goedheid bevinden, zijn we gehecht aan goede daden. En bevinden we ons in de hoedanigheden hartstocht en onwetendheid, dan zijn onze handelingen slecht. Maar voor hen die Kṛṣṇa-bewust willen worden, is goed of slecht handelen onnodig. Door goede daden kunnen we in een goede aristocratische of rijke familie worden geboren en door slechte daden kunnen we zelfs in het dierenrijk of in een lage menselijke familie worden geboren. Hoe dan ook, geboorte betekent gebondenheid en wie naar Kṛṣṇa-bewustzijn streeft, streeft naar bevrijding van reïncarnatie. Wat is het nut van geboren worden in een rijke of aristocratische familie als dat onze materiële ellende niet beëindigt? Of we nu genieten van de goede reacties van ons werk of lijden door de slechte, in beide gevallen moeten we een materieel lichaam aanvaarden en daardoor materieel leed doorstaan.
Als we ons in de materiële wereld in de hoedanigheid goedheid bevinden, zijn we gehecht aan goede daden. En bevinden we ons in de hoedanigheden hartstocht en onwetendheid, dan zijn onze handelingen slecht. Maar voor hen die Kṛṣṇa-bewust willen worden, is goed of slecht handelen onnodig. Door goede daden kunnen we in een goede aristocratische of rijke familie worden geboren en door slechte daden kunnen we zelfs in het dierenrijk of in een lage menselijke familie worden geboren. Hoe dan ook, geboorte betekent gebondenheid en wie naar Kṛṣṇa-bewustzijn streeft, streeft naar bevrijding van reïncarnatie. Wat is het nut van geboren worden in een rijke of aristocratische familie als dat onze materiële ellende niet beëindigt? Of we nu genieten van de goede reacties van ons werk of lijden door de slechte, in beide gevallen moeten we een materieel lichaam aanvaarden en daardoor materieel leed doorstaan.
Door transcendentale dienst aan Kṛṣṇa te verrichten, ontkomen we aan de cyclus van geboorte en dood. Maar omdat het vuur van kennis niet in onze geest brandt, aanvaarden we het materiële bestaan als geluk. Honden of zwijnen begrijpen niet hoe ellendig hun leven is. Ze denken werkelijk dat ze van het leven genieten. Dit wordt de bedekkende of illusionerende invloed van de materiële energie genoemd.
In de Bowery, een buurt in New York, liggen zo veel dronkaards op straat en allemaal denken ze: ‘Ik geniet van het leven.’ Maar voorbijgangers denken: ‘Wat een miserabel leven.’ Zo werkt de illusionerende energie. Hoewel onze toestand miserabel is, aanvaarden hem toch en denken dan dat we gelukkig zijn. Dat is onwetendheid. Maar wie bewust wordt gemaakt van kennis, denkt: ‘Ik ben ongelukkig. Ik wil vrijheid, maar vrijheid bestaat niet. Ik wil niet sterven, maar toch is er de dood. Ik wil niet oud worden, maar toch is er ouderdom. Ik wil niet ziek worden, maar toch zijn er ziekten.’ Dit zijn de belangrijkste problemen van het menselijk bestaan, maar we negeren ze en concentreren ons op het oplossen van minder belangrijke problemen. Economische ontwikkeling is voor ons het allerbelangrijkste wat er is, maar we vergeten daarbij onze levensduur in deze materiële wereld. Economische ontwikkeling of niet, na zestig of honderd jaar is ons leven voorbij. Al vergaren we miljoenen euro’s, toch moeten we alles achterlaten wanneer we dit lichaam verlaten. We moeten leren inzien dat de materiële natuur alles tenietdoet wat we in de materiële wereld verrichten.
In de Bowery, een buurt in New York, liggen zo veel dronkaards op straat en allemaal denken ze: ‘Ik geniet van het leven.’ Maar voorbijgangers denken: ‘Wat een miserabel leven.’ Zo werkt de illusionerende energie. Hoewel onze toestand miserabel is, aanvaarden hem toch en denken dan dat we gelukkig zijn. Dat is onwetendheid. Maar wie bewust wordt gemaakt van kennis, denkt: ‘Ik ben ongelukkig. Ik wil vrijheid, maar vrijheid bestaat niet. Ik wil niet sterven, maar toch is er de dood. Ik wil niet oud worden, maar toch is er ouderdom. Ik wil niet ziek worden, maar toch zijn er ziekten.’ Dit zijn de belangrijkste problemen van het menselijk bestaan, maar we negeren ze en concentreren ons op het oplossen van minder belangrijke problemen. Economische ontwikkeling is voor ons het allerbelangrijkste wat er is, maar we vergeten daarbij onze levensduur in deze materiële wereld. Economische ontwikkeling of niet, na zestig of honderd jaar is ons leven voorbij. Al vergaren we miljoenen euro’s, toch moeten we alles achterlaten wanneer we dit lichaam verlaten. We moeten leren inzien dat de materiële natuur alles tenietdoet wat we in de materiële wereld verrichten.
We verlangen naar vrijheid en willen over de hele wereld en door het hele universum reizen. En als spirituele ziel hebben we daar inderdaad recht op. In de Bhagavad-gītā wordt de spirituele ziel beschreven als sarva-gataḥ, wat betekent dat ze kan gaan en staan waar ze maar wil. In de Siddhaloka’s bevinden zich volmaakte wezens of yogī’s die zonder hulp van vliegtuigen of andere mechanische apparaten overal naartoe kunnen reizen, waar ze maar willen. Eenmaal bevrijd van onze materiële conditionering kunnen we enorm krachtig worden. We hebben er geen idee van hoe krachtig we als spirituele vonken zijn. In plaats daarvan zijn we volkomen tevreden met ons verblijf op aarde en met die paar ruimtevaartuigen die we de lucht inschieten, waardoor we denken dat onze materiële wetenschap enorm geavanceerd is geworden. We besteden vele miljoenen aan het bouwen van ruimteschepen maar beseffen niet dat we in staat zijn om volkomen kosteloos overal naartoe te reizen.
Het punt is dat we door kennis onze spirituele vermogens moeten cultiveren. Die kennis is al aanwezig en we hoeven haar alleen maar te aanvaarden. In vroegere tijden ondergingen mensen allerlei soorten ascese om kennis te krijgen, maar in dit tijdperk is dat onmogelijk, omdat ons leven heel kort is en we voortdurend verstoord zijn. Voor het tijdperk waarin wij leven is Kṛṣṇa-bewustzijn, het chanten van Hare Kṛṣṇa, de methode en deze methode werd door Śrī Caitanya Mahāprabhu ingeluid. Als we hierdoor het vuur van kennis kunnen ontsteken, zullen alle reacties van ons handelen tot as vergaan en zullen we gezuiverd worden.
na hi jñānena sadṛśaṁ
pavitram iha vidyate
tat svayaṁ yoga-saṁsiddhaḥ
kālenātmani vindati
pavitram iha vidyate
tat svayaṁ yoga-saṁsiddhaḥ
kālenātmani vindati
‘In deze wereld is er niets zo verheven en zuiver als transcendentale kennis. Zulke kennis is de rijpe vrucht van alle mystiek. En degene die volleerd is in het beoefenen van devotionele dienst, zal na verloop van tijd innerlijk plezier beleven aan deze kennis.’ (Bhagavad-gītā 4.38)
Wat is die verheven en zuivere kennis? Het is de kennis dat we een deeltje van God zijn en dat we ons bewustzijn moeten verbinden met het Allerhoogste Bewustzijn. Dit is de zuiverste kennis in de materiële wereld. Alles wordt hier besmet door de hoedanigheden van de materiële natuur: goedheid, hartstocht en onwetendheid. Ook goedheid is een soort besmetting. In goedheid worden we ons bewust van onze positie en van transcendentale onderwerpen, enz., maar de fout zit in de gedachte: ‘Nu heb ik alles begrepen. Nu zit ik goed.’ En vervolgens willen we hier blijven. Met andere woorden: iemand in de hoedanigheid goedheid wordt een eersteklas gevangene en omdat hij gelukkig wordt in de gevangenis, wil hij er blijven. En wat te zeggen van degenen in de hoedanigheden hartstocht en onwetendheid? Het punt is dat we zelfs de hoedanigheid goedheid moeten overstijgen. De transcendentale positie begint met de realisatie ahaṁ brahmāsmi: ‘Ik ben geen materie, ik ben spiritueel.’ Maar zelfs deze positie is onzeker. Er is meer nodig:
brahma-bhūtaḥ prasannātmā
na śocati na kāṅkṣati
samaḥ sarveṣu bhūteṣu
mad-bhaktiṁ labhate parām
na śocati na kāṅkṣati
samaḥ sarveṣu bhūteṣu
mad-bhaktiṁ labhate parām
‘Wie zich zo op een transcendentaal niveau bevindt, kent onmiddellijk het Allerhoogste Brahman en wordt volkomen vreugdevol. Hij treurt nooit en verlangt nergens naar. Hij beschouwt alle levende wezens als gelijk. In die toestand komt hij tot zuivere devotionele dienst aan Mij.’ (Bhagavad-gītā 18.54)
In het brahma-bhūtaḥ-stadium vereenzelvigen we ons niet meer met materie. Het eerste teken dat iemand zich op het brahma-bhūtaḥ-niveau bevindt, is dat hij vrolijk wordt (prasannātmā). Dat niveau is vrij van verdriet en hunkering. Maar zelfs als we opklimmen tot dit niveau maar Kṛṣṇa niet liefdevol dienen, bestaat er een kans dat we opnieuw terugvallen in de materiële maalstroom. We kunnen een heel eind opstijgen in de lucht, maar als we daar niet ergens een soort aanlegplaats vinden, als we niet op een of andere planeet landen, zullen we terugvallen. Enkel een begrip van het brahma-bhūtaḥ-niveau zal ons niet helpen, tenzij we bescherming vinden bij Kṛṣṇa’s lotusvoeten. Zodra we Kṛṣṇa dienen, lopen we geen risico meer dat we weer zullen terugvallen in de materiële wereld.
Het zit in onze natuur dat we iets te doen willen hebben. Soms haalt een kind kattenkwaad uit, maar het zal alleen ophouden als we het iets te doen geven. Geef het wat speelgoed en zijn aandacht is meteen afgeleid en het kattenkwaad stopt. Wij zijn net ondeugende kinderen en hebben daarom spirituele bezigheden nodig. Alleen maar inzien dat we spirituele zielen zijn, zal niet helpen. Zodra we begrijpen dat we een spirituele ziel zijn, moeten we die ziel houvast bieden met spirituele bezigheden. In India is het voor een man niet ongewoon om alle materiële bezigheden op te geven, zijn familie te verlaten en de onthechte orde, sannyāsa, te aanvaarden. Na een tijdje mediteren begint hij dan met filantropisch werk, zoals het openen van ziekenhuizen of hij gaat de politiek in. Het bouwen van een ziekenhuis is het werk van de regering; een sannyāsī heeft de plicht ziekenhuizen op te richten waar mensen zich daadwerkelijk van hun materiële lichaam kunnen ontdoen, niet alleen maar om ze op te lappen. Maar omdat we niet weten wat spiritueel activiteit inhoudt, houden we ons bezig met materiële bezigheden.
Door volmaakt te worden in Kṛṣṇa-bewustzijn vinden we na verloop van tijd kennis en wijsheid. In het begin zullen we misschien ontmoedigd raken, maar het woord kālena, dat ‘na verloop van tijd’ betekent, geeft aan dat we succesvol zullen zijn als we maar volhouden. Geloof is nodig, zoals het volgende vers zegt:
śraddhāvāl labhate jñānaṁ
tat-paraḥ saṁyatendriyaḥ
jñānaṁ labdhvā parāṁ śāntim
acireṇādhigacchati
tat-paraḥ saṁyatendriyaḥ
jñānaṁ labdhvā parāṁ śāntim
acireṇādhigacchati
‘Een man met een vast geloof, die zich wijdt aan transcendentale kennis en die zijn zintuigen beheerst, is gekwalificeerd om zulke kennis te ontvangen. En heeft zo iemand die kennis eenmaal ontvangen, dan bereikt hij spoedig de allerhoogste spirituele vrede.’ (Bhagavad-gītā 4.39)
Voor wie aarzelt en geen geloof heeft, is Kṛṣṇa-bewustzijn heel moeilijk. Zelfs in onze dagelijkse bezigheden is een bepaalde hoeveelheid geloof nodig. Wanneer we een vliegticket kopen, geloven we dat de luchtvaartmaatschappij ons naar onze bestemming zal brengen. Zonder geloof kunnen we niet eens in de materiële wereld leven, laat staan spirituele vooruitgang maken. Waar moeten we dan in geloven? In gezaghebbende personen. We moeten geen vliegtickets kopen bij een niet-erkend reisbureau. We moeten geloven in Kṛṣṇa, de spreker van de Bhagavad-gītā. Hoe worden we gelovig? Daar is beheersing van de zintuigen (saṁyatendriyaḥ) voor nodig.
We bevinden ons in de materiële wereld omdat we onze zintuigen willen bevredigen. Als we geloven dat een arts ons kan genezen en hij zegt ons dat we dit of dat niet mogen eten maar we doen het toch, wat voor geloof hebben we dan? Als we in onze arts geloven, houden we ons aan zijn medisch voorschrift. Het punt is dat we zijn instructies met geloof moeten naleven. Wijsheid volgt daarna. En hebben we eenmaal wijsheid, dan is parāṁ śāntim, de allerhoogste vrede, het resultaat. Kṛṣṇa geeft aan dat als iemand zijn zintuigen beheerst, geloof daarna snel (acireṇa) volgt. Zodra we dat geloof in Kṛṣṇa hebben bereikt, voelen we ons de gelukkigste mens ter wereld. Dat is onze situatie. We moeten het recept aanvaarden en het met geloof volgen. En dit geloof moet gericht zijn op de allerhoogste autoriteit, niet op een derderangs persoon. We moeten een spiritueel leraar zoeken in wie we kunnen geloven. Kṛṣṇa is de meest gezaghebbende persoon, maar iedereen die Kṛṣṇa-bewust is, kan worden aanvaard, want een volkomen Kṛṣṇa-bewust persoon is een betrouwbare vertegenwoordiger van Kṛṣṇa. Na de woorden van de vertegenwoordiger van Kṛṣṇa te hebben ingedronken, zullen we ons voldaan voelen, net zoals we ons voldaan voelen na een volledige maaltijd.
We bevinden ons in de materiële wereld omdat we onze zintuigen willen bevredigen. Als we geloven dat een arts ons kan genezen en hij zegt ons dat we dit of dat niet mogen eten maar we doen het toch, wat voor geloof hebben we dan? Als we in onze arts geloven, houden we ons aan zijn medisch voorschrift. Het punt is dat we zijn instructies met geloof moeten naleven. Wijsheid volgt daarna. En hebben we eenmaal wijsheid, dan is parāṁ śāntim, de allerhoogste vrede, het resultaat. Kṛṣṇa geeft aan dat als iemand zijn zintuigen beheerst, geloof daarna snel (acireṇa) volgt. Zodra we dat geloof in Kṛṣṇa hebben bereikt, voelen we ons de gelukkigste mens ter wereld. Dat is onze situatie. We moeten het recept aanvaarden en het met geloof volgen. En dit geloof moet gericht zijn op de allerhoogste autoriteit, niet op een derderangs persoon. We moeten een spiritueel leraar zoeken in wie we kunnen geloven. Kṛṣṇa is de meest gezaghebbende persoon, maar iedereen die Kṛṣṇa-bewust is, kan worden aanvaard, want een volkomen Kṛṣṇa-bewust persoon is een betrouwbare vertegenwoordiger van Kṛṣṇa. Na de woorden van de vertegenwoordiger van Kṛṣṇa te hebben ingedronken, zullen we ons voldaan voelen, net zoals we ons voldaan voelen na een volledige maaltijd.
ajñaś cāśraddadhānaś ca
saṁśayātmā vinaśyati
nāyaṁ loko ’sti na paro
na sukhaṁ saṁśayātmanaḥ
saṁśayātmā vinaśyati
nāyaṁ loko ’sti na paro
na sukhaṁ saṁśayātmanaḥ
‘Onwetende en ongelovige personen daarentegen, die twijfelen aan de geopenbaarde geschriften, bereiken geen godsbewustzijn, maar komen ten val. Voor de twijfelende ziel bestaat er geen geluk, niet in deze wereld en niet in de volgende.’ (Bhagavad-gītā 4.40)
Wie weifelt over het inslaan van dit pad van kennis maakt geen kans. Deze aarzeling komt voort uit onwetendheid (ajñaś ca). Voor iemand die weifelt over het aanvaarden van Kṛṣṇa-bewustzijn zal zelfs deze materiële wereld geen gelukkige plek zijn, laat staan het volgende leven. De materiële wereld op zich is al miserabel genoeg, maar voor iemand zonder geloof zal het nog erger zijn. Ongelovigen bevinden zich dus in een precaire situatie. Soms zetten we duizenden euro’s op de bank, omdat we geloven dat die bank niet failliet gaat. Als we in banken en luchtvaartmaatschappijen geloven, waarom dan niet in Kṛṣṇa, die door zo veel Vedische heilige teksten en zo veel wijzen als de allerhoogste autoriteit wordt aanvaard? In onze situatie kunnen we maar het beste in de voetstappen volgen van grote autoriteiten, zoals Śaṅkarācārya, Rāmānujācārya en Caitanya Mahāprabhu. Als we vast blijven staan in ons geloof door onze plichten te vervullen en in hun voetstappen te volgen, is succes gegarandeerd.
Zoals al eerder gezegd moeten we iemand zoeken die de Absolute Waarheid heeft gezien, ons aan hem overgeven en hem dienen. Doen we dat, dan is onze spirituele verlossing gegarandeerd. Iedereen verlangt ernaar God te zien, maar in onze huidige levensfase zijn we geconditioneerd en verward. We hebben er geen idee van hoe de dingen werkelijk zijn. Hoewel we Brahman zijn en van nature vrolijk, zijn we om de een of andere reden ten val gekomen uit onze wezenlijke positie. Onze natuur is sac-cid-ānanda: eeuwig, vol geluk en vol kennis, maar dit lichaam is voorbestemd te sterven en tijdens zijn bestaan is het vol onwetendheid en ellende. De zintuigen zijn onvolmaakt en het is onmogelijk om via hen volmaakte kennis te krijgen. Daarom staat er in de Bhagavad-gītā dat als we transcendentale kennis willen, we iemand moeten benaderen die de Absolute Waarheid daadwerkelijk heeft gezien (tad-viddhi pranipatena). Traditiegetrouw horen de brāhmaṇa’s spiritueel leraren te zijn, maar in dit tijdperk van Kali is het bijzonder moeilijk om een gekwalificeerde brāhmaṇa te vinden en daarom is het bijzonder moeilijk om een gekwalificeerde spiritueel leraar te vinden. Om die reden gaf Caitanya Mahāprabhu het volgende advies: kibā vipra, kibā nyāsī, śūdra kene naya/ yei kṛṣṇa-tattva-vettā, sei ‘guru’ haya — ‘Of iemand nu een brāhmaṇa of een śūdra, een sannyāsī of een getrouwd persoon is, het maakt niet uit. Kent hij de wetenschap van Kṛṣṇa, dan is hij een betrouwbare spiritueel leraar.’
De Bhagavad-gītā is de wetenschap van Kṛṣṇa en als we haar met onze logica, gezond verstand en filosofische kennis nauwkeurig bestuderen, zullen we die wetenschap leren begrijpen. Het is niet de bedoeling dat we ons blindelings overgeven. De spiritueel leraar mag dan zelfgerealiseerd zijn en verankerd in de Absolute Waarheid, maar wij moeten hem vragen stellen, zodat we alle spirituele onderwerpen kunnen begrijpen. Wie werkelijk in staat is vragen te beantwoorden over de wetenschap van Kṛṣṇa is een spiritueel leraar, ongeacht waar hij is geboren of wat hij is — een brāhmaṇa, śūdra, Amerikaan, Indiër, wat dan ook. Als we naar een dokter gaan, vragen we hem ook niet of hij een hindoe, christen of brāhmaṇa is. Hij heeft de medische kwalificaties en we geven ons eenvoudig over met de woorden: ‘Dokter, genees me. Ik heb pijn.’
Kṛṣṇa is het uiteindelijke doel van de spirituele wetenschap. Als we het over Kṛṣṇa hebben, verwijzen we natuurlijk naar God. Over de hele wereld en in het hele universum zijn er vele namen voor God, maar volgens de Vedische kennis is ‘Kṛṣṇa’ de allerhoogste naam. Voor dit tijdperk raadde Heer Caitanya Mahāprabhu ons daarom aan Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare/ Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare te chanten als de meest verheven methode om bewustwording te bereiken. Caitanya Mahāprabhu maakte geen onderscheid in kaste of sociale positie. Sterker nog, de meeste van Zijn vooraanstaande discipelen werden door de maatschappij als gevallen beschouwd. Caitanya Mahāprabhu benoemde bijvoorbeeld Haridāsa Ṭhākura, een moslim, zelfs tot nāmācārya, leermeester van de heilige namen. Ook Rūpa Gosvāmī en Sanātana Gosvāmī, twee van Heer Caitanya’s belangrijkste discipelen, werkten voorheen voor de moslimregering en werden Sākara Mallika en Dabira Khāsa genoemd. In die tijd waren hindoes zo rechtzinnig dat een brāhmaṇa die werk van een niet-hindoe aanvaardde, onmiddellijk uit de hindoegemeenschap werd verstoten. Toch stelde Caitanya Mahāprabhu Rūpa en Sanātana aan als hoofdautoriteiten in de Kṛṣṇa-wetenschap. Niemand wordt dus uitgesloten; iedereen kan spiritueel leraar worden, op voorwaarde dat hij de Kṛṣṇa-wetenschap beheerst. Dat is de enige kwalificatie en de Bhagavad-gītā bevat de essentie van deze wetenschap. Er zijn tegenwoordig duizenden spiritueel leraren nodig om deze verheven wetenschap over de hele wereld te verspreiden.
We moeten begrijpen dat wanneer Kṛṣṇa in de Bhagavad-gītā tot Arjuna spreekt, Hij Zich niet alleen tot Arjuna richt, maar tot heel het menselijke ras. Śrī Kṛṣṇa verklaart Zelf dat Arjuna niet onderhevig zal zijn aan illusie als hij de wetenschap van Kṛṣṇa kent (yaj jñātvā na punar moham). Met een goed schip kunnen we gemakkelijk de Atlantische Oceaan oversteken. Maar op dit moment bevinden we ons in het midden van de oceaan van onwetendheid, want deze materiële wereld is wel vergeleken met een grote oceaan van onwetendheid. Heer Caitanya Mahāprabhu bad daarom als volgt tot Kṛṣṇa:
ayi nanda-tanuja kiṅkaraṁ
patitaṁ māṁ viṣame bhavāmbudhau
kṛpayā tava pāda-paṅkaja
sthita-dhūlī-sadṛśaṁ vicintaya
patitaṁ māṁ viṣame bhavāmbudhau
kṛpayā tava pāda-paṅkaja
sthita-dhūlī-sadṛśaṁ vicintaya
‘O zoon van Mahārāja Nanda, ik ben Uw eeuwige dienaar, maar toch ben ik op een of andere manier in de oceaan van geboorte en dood gevallen. Licht me alstublieft op uit deze oceaan van geboorte en dood en plaats me als een atoom aan Uw lotusvoeten.’ (Śikṣāṣṭaka 5)
Met de boot van volmaakte kennis is er geen sprake van angst, omdat we de oceaan dan heel gemakkelijk kunnen oversteken. Zelfs een bijzonder zondig persoon kan, als hij de boot van de wetenschap van Kṛṣṇa ontvangt, de oceaan gemakkelijk oversteken. Zoals al eerder gezegd doet het er niet toe wat we in ons vorige leven waren. Uit onwetendheid hebben we misschien zo veel afschuwelijke dingen gedaan. Sterker nog, niemand kan zeggen dat hij vrij is van zonden. Maar volgens de Bhagavad-gītā (4.36) doet het er niet toe: door gewoon de wetenschap van Kṛṣṇa te kennen, raken we bevrijd.
Het is daarom absoluut noodzakelijk dat we naar kennis zoeken en de vervolmaking van kennis is dat we Kṛṣṇa begrijpen. Er zijn tegenwoordig zo veel theorieën en iedereen beweert de beste levenswijze te kennen; daarom zijn er zo veel ismen uitgedacht. En van al die theorieën is het communisme heel prominent geworden in de wereld. Maar in het Śrīmad-Bhāgavatam vinden we de oorsprong van het spiritueel communisme. Nārada Muni legt daarin uit dat los van waar we ons bevinden — op lagere planeten, de middelplaneten, de hogere planeten of zelfs in de ruimte — alle natuurlijke rijkdommen in dit materiële universum door de Allerhoogste Heer worden voortgebracht. We moeten begrijpen dat niets in deze wereld door mensen is geproduceerd, maar dat alles werd geschapen door God. Een redelijk mens zal dit niet ontkennen. Mantra 1 van Śrī Īśopaniṣad zegt:
īśāvāsyam idaṁ sarvaṁ
yat kiñca jagatyāṁ jagat
tena tyaktena bhuñjīthā
mā gṛdhaḥ kasya svid dhanam
yat kiñca jagatyāṁ jagat
tena tyaktena bhuñjīthā
mā gṛdhaḥ kasya svid dhanam
‘Al het bezielde en onbezielde in het universum wordt door de Heer bestuurd en is Zijn eigendom. Iedereen moet daarom alleen die dingen aanvaarden die hij voor zichzelf nodig heeft en die hem zijn toegemeten als zijn deel. Men zou geen andere dingen moeten aanvaarden, goed wetend aan wie ze toebehoren.’
Alle levende wezens — van Brahmā, de hoogste halfgod, tot aan de laagste mier — hebben daarom het recht de natuurlijke rijkdommen te gebruiken. Nārada Muni wijst ons erop dat we deze rijkdommen kunnen gebruiken voor zover we ze nodig hebben, maar dat we dieven worden zodra we meer nemen dan nodig is. Jammer genoeg heeft iedereen een zekere veroveringszucht en overheersingsdrang. Landen wedijveren om op de maan te komen, er hun vlag te planten en haar op te eisen. Toen de Europeanen naar Amerika kwamen, plaatsten ze er hun vlag en eisten het op voor hun land. Zulk gezwaai en geplant van vlaggen komt allemaal voort uit onwetendheid. We staan er niet bij stil waar we onze vlag plaatsen. Het is niet ons bezit maar dat van God. Zulk besef is kennis, maar onwetendheid is denken dat het óns bezit is. We hebben het recht om het eigendom van God te gebruiken, maar niet om het voor onszelf op te eisen en te hamsteren.
Als we een zak graan op straat gooien, zullen de duiven vier of vijf graankorrels eten en wegvliegen. Ze zullen niet meer nemen dat ze op kunnen en vliegen weer verder als ze gegeten hebben. Maar als we een lading meel in zakken op de stoep leggen en mensen uitnodigen ze te komen halen, zal iemand tien of twintig zakken meenemen en een ander vijftien of dertig zakken, enzovoort. Maar wie niet in staat is zoveel te dragen, zal niet meer dan een of twee zakken kunnen meenemen. De verdeling zal daarom ongelijk zijn. En dit wordt nu maatschappelijke vooruitgang genoemd. Het ontbreekt ons zelfs aan de kennis die duiven, honden en katten hebben. Alles is het eigendom van de Allerhoogste Heer en we mogen alleen aanvaarden wat we nodig hebben, niet meer. Dat is kennis. De Heer heeft de wereld zo gemaakt dat er nergens gebrek aan is. Van alles is er voldoende aanwezig, op voorwaarde dat we weten hoe we het moeten verdelen. Maar tegenwoordig is de situatie zo betreurenswaardig dat de een meer neemt dan hij nodig heeft en de ander verhongert. En dus komt de hongerende massa in opstand en eist een antwoord op de vraag: ‘Waarom verhongeren wij?’ Maar haar methoden zijn onvolmaakt. De volmaaktheid van spiritueel communisme ligt in de wetenschap dat alles Gods eigendom is. Door kennis van de Kṛṣṇa-wetenschap kunnen we de onwetendheid van vals eigendomsbesef gemakkelijk overwinnen.
In werkelijkheid veroorzaakt onze onwetendheid ons lijden. In een rechtszaak is onwetendheid geen excuus. Als we tegen de rechter zeggen dat we de wet niet kennen, zullen we toch worden gestraft. Wie illegaal veel geld heeft vergaard en onwetendheid aanvoert als excuus voor zijn overtredingen, zal toch worden gestraft. Over de hele wereld heerst een gebrek aan kennis over de Kṛṣṇa-wetenschap en daarom zijn er duizenden leraren nodig om dit te onderwijzen. Er is nu een bittere behoefte aan deze kennis. We moeten niet denken dat omdat Kṛṣṇa in India is geboren de kennis in de Bhagavad-gītā sektarisch is of dat Kṛṣṇa een sektarische God is. Integendeel, zoals al eerder werd gezegd, verklaart Kṛṣṇa dat Hij de vader is van alle levende wezens (Bhagavad-gītā 14.4).
Als spirituele zielen zijn we integrerende deeltjes van de Allerhoogste Ziel, maar door ons verlangen om van deze materiële wereld te genieten zijn we in de materiële natuur geplaatst. Maar los van de levensvorm waarin we ons bevinden, Kṛṣṇa is onze vader. De Bhagavad-gītā is daarom niet bedoeld voor een bepaalde groepering of een bepaald land, maar voor heel de wereldbevolking — zelfs voor de dieren. Nu de zonen van de Allerhoogste uit onwetendheid diefstal plegen, heeft iedereen die vertrouwd is met de Bhagavad-gītā de plicht om deze allerhoogste kennis onder alle wezens te verspreiden. Zo kunnen mensen zich bewust worden van hun werkelijke, spirituele natuur en van hun relatie met het allerhoogste, spirituele geheel.