Default View
Dual Language

Hoofdstuk 6

Er zijn twee natuurkrachten die innerlijk op ons inwerken. De een maakt ons vastbesloten om in dit leven spirituele vooruitgang te maken, maar op het volgende moment zegt de andere kracht, māyā, de illusionerende energie: ‘Waarom al die moeite? Geniet gewoon van het leven en maak het jezelf gemakkelijk.’ Deze neiging tot vergeetachtigheid onderscheidt de mens van God.

Arjuna is Kṛṣṇa’s vriend en metgezel en wanneer Kṛṣṇa op een bepaalde planeet verschijnt, wordt Arjuna daar ook geboren en verschijnt samen met Hem. Toen Kṛṣṇa de Bhaga­vad-gītā tot de zonnegod sprak, was Arjuna ook aanwezig. Maar als beperkt levend wezen kon Arjuna zich dit niet herinneren. Het levend wezen is van nature vergeetachtig. We kunnen ons niet eens herinneren wat we gisteren of een week geleden op precies hetzelfde moment deden. Als we ons dit al niet kunnen herinneren, hoe zullen we ons dan herinneren wat er in onze vorige levens is gebeurd? We kunnen ons nu natuurlijk afvragen waarom Kṛṣṇa Zich dit wel kan herinneren en wij niet. Het antwoord is dat Kṛṣṇa niet van lichaam verandert.
ajo ’pi sann avyayātmā
 bhūtānām īśvaro ’pi san
prakṛtiṁ svām adhiṣṭhāya
 sambhavāmy ātma-māyayā
‘Hoewel Ik ongeboren ben en Mijn transcendentale lichaam nooit vergaat, en hoewel Ik de Heer van alle levende wezens ben, verschijn Ik desondanks in elk tijdperk in Mijn oorspronkelijke, transcendentale gedaante.’ (Bhagavad-gītā 4.6)
Het woord ātma-māyayā betekent dat Kṛṣṇa neerdaalt zoals Hij is. Hij verandert niet van lichaam, maar wij geconditioneerde zielen wel en daardoor vergeten we alles. Kṛṣṇa kent niet alleen het verleden, het heden en de toekomst van Zijn eigen handelingen maar dat van ieders handelingen.
vedāhaṁ samatītāni
 vartamānāni cārjuna
bhaviṣyāṇi ca bhūtāni
 māṁ tu veda na kaścana
‘O Arjuna, als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods weet Ik alles wat er in het verleden gebeurd is, alles wat er in het heden gebeurt en alles wat er in de toekomst gebeuren zal. Ook ken Ik alle levende wezens, maar niemand kent Mij.’ (Bhagavad-gītā 7.26)
In het Śrīmad-Bhāgavatam zien we ook dat de Allerhoogste wordt beschreven als degene die alles weet. Dit is niet het geval voor zelfs de meest verheven levende wezens, zoals Brahmā en Śiva. Alleen Viṣṇu (Kṛṣṇa) weet alles. Ook kunnen we de vraag stellen dat als de Heer niet van lichaam verandert, waarom Hij dan als een incarnatie komt. Filosofen verschillen hierover sterk van mening. Sommigen zeggen dat Kṛṣṇa een materieel lichaam aanneemt wanneer Hij komt, maar dat is niet zo. Als Hij een materieel lichaam zoals het onze zou aannemen, dan zou Hij zich niets kunnen herinneren, want vergeetachtigheid is te wijten aan het materiële lichaam. De ware conclusie is dat Hij niet van lichaam verandert. God wordt almachtig genoemd en in het hierboven aangehaalde vers wordt Zijn almacht uiteengezet. Kṛṣṇa wordt niet geboren en Hij is eeuwig. Het levend wezen wordt ook niet geboren en is ook eeuwig. Alleen het lichaam waarmee het levend wezen zich identificeert, wordt geboren.
In het begin van de Bhagavad-gītā (tweede hoofdstuk) legt Kṛṣṇa uit dat datgene wat we geboorte en dood noemen, te wijten is aan het lichaam en dat zodra we ons spiritueel lichaam herwinnen en ontsnappen aan de onzuiverheid van geboorte en dood, we kwalitatief gezien gelijk zijn aan Kṛṣṇa. Dat is het proces van Kṛṣṇa-bewustzijn: de heropleving van ons spirituele lichaam, dat oorspronkelijk sac-cid-ānanda is. Dat spirituele lichaam is eeuwig (sat), vol kennis (cit) en gelukzalig (ānanda), maar dit materiële lichaam is niet sat, niet cit en ook niet ānanda. Het is vergankelijk, terwijl de persoon die het lichaam bewoont, onvergankelijk is. Ook is het materiële lichaam vol onwetendheid en omdat het onwetend en tijdelijk is, is het vol ellende. Vanwege het lichaam voelen we zinderende hitte en strenge kou, maar zodra we ons spiritueel lichaam laten herleven, deren die dualiteiten ons niet meer. Er zijn yogī’s die ongevoelig zijn voor dualiteiten als hitte en kou, zelfs in een materieel lichaam. Terwijl we spirituele vooruitgang beginnen te maken in een materieel lichaam, beginnen we de eigenschappen van een spiritueel lichaam aan te nemen. Als we ijzer in vuur leggen, wordt het heet en vervolgens roodgloeiend; uiteindelijk is het niet langer ijzer, maar vuur en alles wat ermee in contact komt, ontvlamt. Terwijl we vorderingen maken in Kṛṣṇa-bewustzijn, zal ons materiële lichaam spiritueel worden en niet langer door materiële onzuiverheid worden beïnvloed.
Kṛṣṇa’s geboorte, Zijn verschijnen en verdwijnen lijken op het verschijnen en verdwijnen van de zon. ’s Morgens lijkt het alsof de zon uit de oostelijke horizon wordt geboren, maar dat is natuurlijk niet zo. De zon komt niet op en gaat niet onder en staat vast in zijn eigen positie. Alle zonsop- en -ondergangen worden veroorzaakt door de aardrotatie. Op dezelfde manier bevat de Vedische literatuur tijdschema’s voor het verschijnen en verdwijnen van Śrī Kṛṣṇa. Het opkomen van Kṛṣṇa is net als dat van de zon. De zon gaat altijd wel ergens op of onder; ergens op de wereld zijn mensen getuige van een zonsop- of -ondergang. Het is niet zo dat Kṛṣṇa op de ene plaats geboren wordt en op een ander plaats verdwijnt. Hij is altijd ergens aanwezig, maar het lijkt alsof Hij komt en gaat. Kṛṣṇa verschijnt en verdwijnt in vele universums. Wij hebben enkel ervaring met dit ene universum, maar uit de Vedische literatuur kunnen we opmaken dat dit universum maar een onderdeel is van de oneindige manifestaties van de Allerhoogste Heer.
Hoewel Kṛṣṇa de Allerhoogste en ongeboren en onveranderlijk is, verschijnt Hij in Zijn oorspronkelijke transcendentale natuur. Het woord prakṛti betekent ‘energie’. In het zevende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā staat dat er vele soorten energieën zijn. Ze worden in drie basiscategorieën verdeeld. Er is een externe natuur, een interne natuur en een tussen­natuur. Deze materiële wereld is de externe natuur, die in het zevende hoofdstuk van de Bhaga­vad-gītā wordt beschreven als aparā, de lagere, materiële natuur. Wanneer Kṛṣṇa verschijnt, aanvaardt Hij de hogere natuur (prakṛtiṁ svām), niet de lagere, materiële natuur. Soms bezoekt een staatshoofd een gevangenis om deze te inspecteren en de gevangenen te zien, maar de gevangenen vergissen zich als ze denken: ‘Ons staatshoofd is naar de gevangenis gekomen en is dus net als wij een gevangene.’ Zoals eerder al duidelijk werd gemaakt, zegt Kṛṣṇa dat dwazen Hem bespotten wanneer Hij neerdaalt in Zijn menselijke gedaante (Gītā 9.11).
Omdat Kṛṣṇa de Allerhoogste Heer is, kan Hij hier altijd komen; het is onzinnig om daartegen in te brengen dat Hij dat níet kan. Hij is volkomen onafhankelijk en kan komen en gaan wanneer Hij wil. Als een staatshoofd een gevangenis bezoekt, moeten we niet denken dat hij daartoe gedwongen wordt. Kṛṣṇa komt met een doel: de gevallen, geconditioneerde zielen terugwinnen. Wij houden niet van Kṛṣṇa, maar Kṛṣṇa houdt wel van ons. Hij beschouwt iedereen als Zijn zoon.
sarva-yoniṣu kaunteya
 mūrtayaḥ sambhavanti yāḥ
tāsāṁ brahma mahad yonir
 ahaṁ bīja-pradaḥ pitā
‘Weet, o zoon van Kuntī, dat alle levensvormen kunnen bestaan door hun geboorte in de materiële natuur en dat Ik de vader ben die het zaad geeft.’ (Bhagavad-gītā 14.4)
Een vader is zijn zoon altijd goedgezind. Misschien dat een zoon zijn vader vergeet, maar een vader vergeet nooit zijn zoon. Uit liefde voor ons komt Kṛṣṇa naar dit materiële universum om ons te bevrijden van de ellende van geboorte en dood. Hij zegt: ‘Mijn beste zonen, waarom kwijnen jullie weg in deze ellendige wereld? Kom naar Mij en Ik zal jullie beschermen.’ We zijn zonen van de Allerhoogste en kunnen zonder enige ellende of twijfel op een verheven wijze van het leven genieten. We moeten daarom niet denken dat Kṛṣṇa hier net als wij door de wetten van de natuur gedwongen naartoe komt. Het sanskrietwoord avatāra betekent letterlijk ‘hij die neerdaalt’. Wie vrijwillig vanuit het spirituele universum naar dit materiële universum neerdaalt, wordt een avatāra genoemd. Soms daalt Śrī Kṛṣṇa Zelf neer en soms stuurt Hij Zijn vertegenwoordiger. De belangrijkste wereldreligies — christendom, hindoeïsme, boeddhisme en islam — geloven in het neerdalen van een allerhoogste autoriteit of persoonlijkheid vanuit Gods koninkrijk. In het christendom is het Jezus Christus die zegt de zoon van God te zijn en dat hij vanuit het koninkrijk van God is gekomen om de geconditioneerde zielen te redden. Als volgelingen van de Bhagavad-gītā erkennen we deze waarheid. In principe is er geen meningsverschil. Wat betreft de details kunnen er culturele, locale en menselijke verschillen zijn, maar het basisprincipe blijft hetzelfde: God of Zijn vertegenwoordigers komen om geconditioneerde zielen te redden.
yadā yadā hi dharmasya
 glānir bhavati bhārata
abhyutthānam adharmasya
 tadātmānam sṛjāmy aham
‘Telkens wanneer de beoefening van religie ergens in verval raakt en goddeloosheid de overhand neemt, o afstammeling van Bharata, op dat moment daal Ik Zelf neer.’ (Bhagavad-gītā 4.7)
God is vol medelijden. Hij wil dat er een einde komt aan onze misère, maar wij proberen ons er juist naar te schikken. Omdat we integrerende deeltjes van de Allerhoogste Heer zijn, zijn we niet voorbestemd voor die misère, maar op een of andere manier hebben we die vrijwillig aanvaard.
Er is lijden dat voortkomt uit lichaam en geest, lijden dat wordt veroorzaakt door andere levende wezens en lijden dat wordt veroorzaakt door natuurlijke rampen. We lijden of door alle drie of op z’n minst door één van de drie. We proberen voortdurend een oplossing te vinden voor dit lijden en deze pogingen vormen onze strijd voor het bestaan. Met onze minu­scule hersenen kunnen we die oplossing niet vinden, maar wel als we enkel en alleen bescherming zoeken bij de Allerhoogste Heer.
We kunnen gelukkig worden wanneer we opnieuw onze natuurlijke positie innemen en de Bhagavad-gītā is ervoor bedoeld dat te bewerkstelligen. Ook God en Zijn vertegenwoordigers komen ons helpen. Zoals al eerder is gezegd, dalen ze vanuit de hogere natuur af naar deze materiële wereld en ze zijn niet onderhevig aan de wetten van geboorte, ouderdom, ziekte en dood. Kṛṣṇa geeft Arjuna de volgende redenen voor Zijn neerdalen op aarde:
paritrāṇāya sādhūnāṁ
 vināśāya ca duṣkṛtām
dharma-saṁsthāpanārthāya
 sambhavāmi yuge yuge
‘Om de toegewijden te bevrijden en kwaadaardige personen te verdelgen en ook om de religieuze principes te herstellen, verschijn Ik Zelf, tijdperk na tijdperk.’ (Bhagavad-gītā 4.8)
Kṛṣṇa zegt hier dat Hij komt wanneer dharma in verval raakt. Het sanskrietwoord ‘dharma’ wordt wel vertaald als ‘geloof’, maar tegenwoordig betekent geloof een religieus systeem met namen als christendom, islam, hindoeïsme, boeddhisme, enz. Maar het woord ‘dharma’ heeft niet dezelfde betekenis als ‘geloof’. Iemand kan van geloof veranderen en in plaats van een hindoe een boeddhist worden, of van een christen veranderen in een moslim, enz. Het staat mensen vrij om het ene geloof te aanvaarden en het andere te verwerpen, maar dharma kan niet worden veranderd. Ieder individu heeft de aard om te dienen: zichzelf, zijn gezin, zijn gemeenschap, zijn land of de hele mensheid. Deze dienstbaarheid is absoluut onafscheidelijk verbonden met het levend wezen en is daarom zijn dharma. Zonder te dienen kunnen we niet bestaan. De wereld draait door omdat we allemaal diensten verlenen en uitwisselen. We moeten vergeten dat we christen, moslim of hindoe zijn en inzien dat we levende wezens zijn met een wezenlijke positie als dienaar van het allerhoogste levend wezen. Wanneer we dat begripsniveau bereiken, zijn we bevrijd.
Bevrijding is vrij zijn van de tijdelijke benamingen die we hebben verworven door ons contact met de materiële natuur. Bevrijding is niet meer dan dat. Omdat we materiële lichamen hebben, nemen we zo veel namen aan: we noemen onszelf ‘man’, ‘vader’ of ‘moeder’, ‘Amerikaan’, ‘christen’, ‘hindoe’, enz. Maar als we bevrijd willen worden, moeten we deze namen opgeven. Onder geen beding zijn we meesters. Op dit moment dienen we, maar we dienen met benamingen. We zijn de dienaren van een vrouw, een gezin, een baan, onze eigen zintuigen of onze kinderen. En als we geen kinderen hebben, worden we dienaren van onze katten of honden. We moeten hoe dan ook iets of iemand hebben om te dienen. Als we geen vrouw of kind hebben, vangen we een hond of een dier van een lagere soort om te dienen. Dat is onze natuur. We worden ertoe gedwongen. Wanneer we uiteindelijk bevrijd worden van deze namen en een begin maken met de transcendentale dienst aan de Heer, bereiken we onze volmaakte staat en zullen we gegrond zijn in onze echte dharma.
Daarom zegt Kṛṣṇa dat Hij verschijnt wanneer de dharma van de levende wezens afwijkingen vertoont, dat wil zeggen: wanneer de levende wezens niet langer de Allerhoogste dienen. Met andere woorden: de Heer komt wanneer het levend wezen te druk bezig is met het dienen van zijn zintuigen en er sprake is van overmatige zinsbevrediging. Toen bijvoorbeeld de mensen in India buitensporig veel dieren slachtten, kwam Heer Boeddha om het principe van ahiṁsā, geweldloosheid tegenover alle levende wezens, in te stellen.

Op dezelfde manier zegt Śrī Kṛṣṇa in het hiervoor aangehaalde vers dat Hij komt om de sādhu’s te beschermen (paritrāṇāya sādhūnām). Sādhu’s worden gekenmerkt door hun verdraagzaamheid van andere levende wezens. Ondanks alle ongemakken en gevaren proberen ze mensen in het algemeen echte kennis te geven. Een sādhu is geen vriend van een bepaalde gemeenschap, samenleving of een bepaald land, maar ieders vriend — niet alleen van mensen, maar ook van dieren en lagere levensvormen. Kort samengevat: de sādhu is niemands vijand, maar ieders vriend. En daarom is hij altijd vredig. Zulke personen, die alles hebben opgeofferd voor de Heer, zijn Hem bijzonder dierbaar. Hoewel de sādhu’s er niets om geven als ze worden beledigd, tolereert Kṛṣṇa geen enkele belediging aan hun adres. In het negende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (9.29) zegt Kṛṣṇa dat hij iedereen gelijk behandelt, maar dat Hij Zijn toegewijden speciaal is toegenegen:
samo ’haṁ sarva-bhūteṣu
 na me dveṣyo ’sti na priyaḥ
ye bhajanti tu māṁ bhaktyā
 mayi te teṣu cāpy aham
‘Ik heb van niemand een afkeer en evenmin bevoorrecht Ik wie dan ook. Ik ben onpartijdig. Maar wie Mij met devotie dient, is een vriend, bevindt zich in Mij, en Ik ben ook een vriend voor hem.’ (Bhagavad-gītā 9.29)
Hoewel Kṛṣṇa neutraal is ten opzichte van iedereen, biedt Hij iemand die voortdurend bezig is in Kṛṣṇa-bewustzijn, die de boodschap van de Bhagavad-gītā verspreidt, speciale bescherming. Śrī Kṛṣṇa belooft dat Zijn toegewijde nooit zal vergaan: kaunteya pratijānīhi na me bhaktaḥ praṇa­śyati (Gītā 9.31).
Kṛṣṇa komt niet alleen om Zijn toegewijden te beschermen en te redden, maar ook om kwaadaardige personen te vernietigen (vināśāya ca duṣkṛtām). Kṛṣṇa wilde Arjuna en de vijf Pāṇḍava’s, de vroomste kṣatriya’s en toegewijden, aanstellen als heersers over de wereld en ook wilde Hij de atheïstische groep van Duryodhana overwinnen. En zoals eerder gezegd, was de ware religie vestigen (dharma-saṁsthāpanārthāya) de derde reden voor Zijn komst. Zo heeft Kṛṣṇa drie redenen om te komen: Hij beschermt Zijn toegewijden, overwint de demonen en vestigt de ware religie van het levend wezen. Hij komt niet één keer, maar vele, vele keren (sambhavāmi yuge yuge), want de wereld zit nu eenmaal zo in elkaar dat iets na verloop van tijd, nadat het is rechtgezet, weer verslechtert.
De wereld is zo ontworpen dat zelfs als we iets heel goed regelen, het langzamerhand verslechtert. Na de Eerste Wereldoorlog werd er een vredesverdrag ondertekend en was er een korte periode van vrede. Maar snel daarna kwam de Tweede Wereldoorlog en nu die voorbij is, bereidt men zich voor op de Derde Wereldoorlog. In de materiële wereld is dat de functie van de tijd (kāla). We bouwen een mooi huis en na vijftig jaar begint het te vervallen; na honderd jaar is het nog verder vervallen. Op dezelfde manier zorgen mensen voor het lichaam wanneer het jong is, ze vertroetelen het en kussen het, maar wanneer het ouder wordt geeft niemand er nog iets om. Dit is de aard van de materiële wereld: zelfs een goede aanpassing zal na verloop van tijd worden tenietgedaan. Daarom zijn er geregeld aanpassingen nodig en in tijdperk na tijdperk komt de Allerhoogste Heer of Zijn vertegenwoordiger om aanpassingen te maken in de koers die de samenleving volgt. Śrī Kṛṣṇa daalt daarom vele malen neer om verschillende religies te vestigen of nieuw leven in te blazen.